VIII.

_Socrates._ Wel nu, indien wij ’t gene door gezondheid beter wordt en

door ziekte vergaat, indien we dat verwoesten, door gehoor te geven

niet aan de meening van deskundigen, maar aan die van onverstandigen;

heeft het leven dan wel iets aanlokkelijks voor ons, wanneer dat is

verwoest? En is dat welligt het ligchaam of niet?

_Crito._ Wel zeker.

_Socrates._ Heeft dan het leven met een ellendig en verwoest ligchaam

nog iets bekoorlijks?[35]

_Crito._ Geenszins.

_Socrates._ Maar hebben wij wel genot van ’t leven, wanneer datgene

bedorven is, ’t welk door onregt benadeeld, door regtvaardigheid

bevoordeeld wordt? Of houden wij, welk deel van ons wezen ’t ook zijn

moge, dat met regt en onregt in betrekking staat, voor geringer dan het

ligchaam?

_Crito._ Geenszins.

_Socrates._ Dus voor kostelijker[36].

_Crito._ Verre weg.

_Socrates._ Dus hebben wij ons, mijn beste, in ’t geheel zoo niet te

bekreunen om ’t gene de groote hoop van ons zal zeggen; maar om ’t

gene de kenner van regt en onregt, de Eéne, en de waarheid zelve zegt:

zoodat gij dadelijk van ’t begin af, van eene verkeerde stelling zijt

uitgegaan, door te beginnen met de bewering, dat wij ons moesten storen

aan de meening van den grooten hoop over regt, en eer, en deugd, en het

tegendeel.

Maar, zou men kunnen zeggen, het staat toch in de magt van den grooten

hoop om ons te dooden?

_Crito._ Ook dat voorwaar blijkt; wel zou men dat kunnen zeggen,

Socrates!

_Socrates._ Gij zegt de waarheid. Maar, mijn wonderlijke vriend! deze

redenering, die wij hebben doorgeloopen, schijnt mij althans nog

dezelfde als de vorige[37].--Ga nu ook deze eens weder na, of ze voor

ons geldig blijft of niet: „dat wij niet het _leven_ het hoogste moeten

schatten, maar _wèl_ te leven.”

_Crito._ Wel, ze blijft geldig.

_Socrates._ Dat _wèl_ te leven, en edel en regtvaardig te leven, dat

dit hetzelfde is, blijft dat geldig of niet?

_Crito._ Dat blijft geldig.

Crito: Een dialoog van Plato · 第 18 / 35 题