Tot zoover hebben wij Dr. A. A. BEEKMAN aan het woord gelaten, die tot
onze groote erkentelijkheid op de hem eigen duidelijke en onderhoudende
wijze al die reeds bekende feiten en gegevens nog eens in het kort voor
het voetlicht heeft gebracht.
Wij willen daaraan nog een kort woord toevoegen, dat wij reeds zoo bij
herhaling hebben uitgesproken, doch dat met het voortvlieden der jaren
steeds dringender moet worden uitgesproken.
Twijfelmoedigheid is een zeer op den voorgrond komende eigenschap der
Hollanders. Zij koesteren als het ware dien twijfel, beroemen er zich
op, en doen gaarne voorkomen alsof hun twijfelmoedigheid eigenlijk de
ware voorzichtigheid is. Alsof voorzichtigheid niet veeleer ligt in
voorbereiding, in vooruitziendheid van wat ons in de toekomst sterker
en beter kan maken.
Voorzichtigheid is niet belichaamd in het negatieve, in het niets doen,
het zich onthouden; integendeel in het positieve, in het tijdig nemen
van maatregelen, mits wel overdacht en goed voorbereid, voor wat in de
toekomst ons het nuttigst wezen kan.
Vasthouden aan het oude wordt in ons land maar al te veel als
hoogste wijsheid beschouwd, en vooruitstrevendheid met den naam van
roekeloosheid bestempeld: door het vasthouden aan het oude heeft
ons land bij herhaling bittere ervaringen op gedaan. De Twentsche
weefindustrie is voor 1840 te gronde gegaan, omdat zij krampachtig wilde
vasthouden aan hare oude werkwijze, en de vernietigende concurrentie van
Engeland en Amerika slechts door toepassing van hooge invoer-tarieven,
niet door wijziging in hunne fabricatie wilde afweren. Eerst toen eenige
vooruitziende mannen de oude weefgetouwen geheel gingen afschaffen en de
goed overdachte nieuwe machines gingen invoeren, werd de grondslag
gelegd voor den buitengewonen bloei van het thans zoo nijvere Twente.
Bij de Zuiderzeezaak zien wij weder dergelijke verschijnselen; velen
bleven zich blind staren op de tegenwoordige gebrekkige visscherij van
een 3000 man, die ongeveer 2 millioen gulden kunnen besommen, en hadden
dan geen oog meer voor de breede toekomst van welvaart, welke opengelegd
wordt in de nieuwe drooggelegde gronden voor meer dan 250.000 menschen,
die jaarlijks zeker meer dan 70 millioen gulden kunnen produceeren,
afgezien van de nieuwe zoetwater-visscherij, die dan binnen de
afgesloten ruimte systematisch kan worden gekweekt.
In den oorlogstijd ontving de Zuiderzee-Vereeniging een verzoek van een
der grootste reeders van ons land om toelating tot het lidmaatschap, om
redenen uitgelegd in bijgaand schrijven:
"Heeft Uwe Vereeniging steeds mijn sympathie gehad als een groot
nationaal werk, de door den oorlog gebleken afhankelijkheid van
ons land, van den invoer van graan, heeft mij doen inzien dat het
droogleggen van de Zuiderzee het eenige middel zal zijn om een voldoende
binnenlandsche productie van graan te verkrijgen, waardoor wij
onafhankelijk zouden kunnen worden van buitenlandsche machten, welke ons
den aanvoer van graan onmogelijk zouden kunnen maken.
"Deze productie is mijns inziens meer noodzakelijk om onze nationale
onafhankelijkheid te verdedigen, dan een sterk leger, en om dus zooveel
mogelijk mede te werken om tot een droogmaking van de Zuiderzee te
geraken, verzoek ik U beleefd mij als lid Uwer Vereeniging te willen
noteeren".
Er zijn zaken in ons land, die bij sommige een roep hebben niet tot
stand gebracht te kunnen worden; dat niet kunnen komt echter dikwijls
neder alleen op een zich-onthouden; wordt dit onthouden veranderd in een
actieve medewerking, dan ziet men het onmogelijk-geachte binnen korten
tijd tot stand gebracht.
Het gold in de latere jaren steeds eene onmogelijkheid om in Nederland
eene groote Staatsleening met welslagen uit te geven; een veertig
millioen werd reeds te veel geacht. Nederland komt onverwacht voor den
oorlogstoestand te staan en reeds drie Staatsleeningen van Nederland van
gezamenlijk 525 millioen gulden en twee van Nederlandsch Oost-Indië van
te zamen 142.5 millioen gulden, of in algeheel totaal van 667.5 millioen
gulden zijn uitgeschreven, en al deze leeningen zijn overteekend
geworden, sommige zelfs zeer belangrijk. Die groote menigte personen,
die vroeger in onthouding hun grootste wijsheid zagen, hebben nu allen
medegewerkt tot een dergelijk resultaat. Het gevoel van nuttigheid, van
noodzaak was eindelijk wakker geworden, en door samenwerking was meteen
de kracht gevonden, wier bestaan vroeger ontkend was. Ook de onthouders,
de twijfelmoedigen waren thans tot eene daad gekomen.
Met de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee zal het evenzoo gaan;
ook deze zaak heeft alleen noodig het opgeven van de politiek van
onthouding, het aanvaarden van de daad.
De twijfelmoedigen zullen thans natuurlijk weder zeggen, dat Nederland
geen geld zal hebben om in deze tijden een dergelijk groot werk te
ondernemen; een prachtig argument voor diegenen, die liefst maar een
doofpot als kenmerk in hun wapenschild moeten voeren; misschien is
er juist nooit meer reden voor Nederland geweest dan thans om die
aanwinning van land te ondernemen. In 1839 werd het besluit tot
drooglegging van de Haarlemmermeer genomen, in den tijd toen na den
uitputtenden strijd met België Nederlands financiën er droeviger
voorstonden dan ooit. Toch heeft men onder die omstandigheden het werk
aangedurfd, en mede daardoor een grondslag voor latere welvaart gelegd.
En thans zouden wij dien moed missen, in een tijd dat Nederland zijn
economische kracht en welvaart in eene voor velen verrassende wijze
heeft getoond? Voor het verdedigen van wat wij hebben, doch op zichzelf
voor onproductieve uitgaven, wordt zonder aarzelen meer dan 650 millioen
gulden opgebracht; dit was een mooi getuigenis van nationale kracht, dat
toonde hoe belangstelling voor de publieke zaak nog alom bestaat; voor
het scheppen van een nieuw welvarend gewest zou het geld dan niet te
vinden zijn? Wij zouden dus op dit punt dan achter moeten staan bij
onze vaderen van 1839, terwijl onze rijkdommen, onze krachten, onze
ingenieurswetenschap, onze landbouwwetenschap zeker meer dan het
tienvoud zal bedragen van toen?
Juist in de latere jaren is gebleken, dat in ons land heerscht wat
men zou kunnen noemen een "landhonger"; talrijke jonge mannen uit
nijvere gezinnen, boerenzoons, enz. zoeken naar land om een eigen
bedrijf te kunnen opzetten, nu het bedrijf der ouders reeds voldoende
van werkkrachten voorzien is; de pachten van kleine stukjes grond worden
steeds opgedreven, wegens het te groot aantal gegadigden; die stukjes
grond zijn te klein om daarop tot welvaart te kunnen geraken, hoe noest
de vlijt ook is.
Het laatste jaar heeft ons geleerd hoe onzegbaar nuttig het voor ons
land geweest zou zijn, indien wij binnen onze grenzen een nog grooter
gebied voor land- en tuinbouw zouden gehad hebben; niet alleen tot
verhooging van onze welvaart, doch vooral ook tot voorziening in de
eigen behoeften van voedingsmiddelen. Welk een moeite heeft de Regeering
moeten doen om in dien oorlogstijd het noodige voedsel voor het volk van
ver over zee te halen?
In het buitenland, zoowel in Duitschland als in Engeland, worden
thans dwangmaatregelen genomen om de bevolking er toe te brengen ieder
vrijliggend stukje grond voor kweeken van landbouwvoortbrengselen te
benutten; de oorlog heeft doen gevoelen hoe nuttig, ja noodzakelijk het
is om de productiekracht van het land te verhoogen. Wij hebben hier om
zoo te zeggen voor het grijpen om onze voortbrengingskracht in het hart
van het land te vergrooten met een gebied van de uitgestrektheid eener
geheele provincie, en dat nog wel van den allerbesten bouwgrond; en wij
zullen die gelegenheid nog langer onbenut laten, nadat wij op dit punt
ook zoo harde lessen in den oorlog hebben gekregen? Het stellen van die
vraag alleen zou ons bijna beschaamd doen worden.
Wij hebben de mannen, wij hebben de krachten voor het werk, die naar
eigen grond hunkeren, wij hebben het geld.
Wij kunnen ons land vergrooten, versterken, meer volmaken, door den
meest vredelievenden arbeid, die men zich denken kan; door wetenschap
van ingenieurs en landbouwkundigen, door scheppingswerk van onze, over
de geheele wereld gewaardeerde aannemers; en dat alles, terwijl meer dan
de helft van de aarde, en twee-derden van hare bewoners zijn gewikkeld
in een krijg van vernietiging, in de hoop gebied met wapengeweld aan
elkander te ontnemen.
In deze omstandigheden zouden de twijfelmoedigen het pleit winnen, de
onthouders zouden in ons land de lijn van ontwikkeling moeten aangeven,
een averechtsch begrip van voorzichtigheid zou de toekomst van Nederland
moeten bepalen?
Na de opleving van ons nationaal bewustzijn in de laatste jaren is dat
niet meer te verwachten. Ware dit het geval, hoe diep zouden wij dan ons
moeten schamen tegenover onze zooveel verder ziende vaderen van 1839!
Mogen dan ook de Staten-Generaal eindelijk aan de roepstem van onze
geëerbiedigde Koningin en van Hare Regeering gehoor geven en tot de
onderneming van dit groote werk besluiten. Nog nooit was ons land zoo
rijp voor zulk een daad.
Deze beslissing zou een aureool brengen om den arbeid van de thans
spoedig scheidende Kamers van Volksvertegenwoordiging.
Amsterdam, 6 Januari 1917.
Het Dagelijksch Bestuur der Zuiderzee-Vereeniging:
Mr. G. VISSERING, _Voorzitter_.
Mr. H. SMEENGE, _Onder-Voorzitter_.
Dr. J. KRAUS.
L. VOLKER Azn.
Jhr. Mr. P. VAN FOREEST.
TH. VAN WELDEREN Baron RENGERS.
Jhr. Mr. J. F. BACKER, _Penningmeester_.
Mr. C. J. PEKELHARING, _Secretaris_,
Nieuwendijk 121 Amsterdam.
De Zuiderzee-Vereeniging heeft achtereenvolgens uitgegeven:
1887. Technische Nota no. 1: betreffende het onderzoek omtrent }
de afsluiting van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee }
1887. Nota no. 2: de invloed der afsluiting op de waterkeering }
der provinciën langs de Zuiderzee }
1888. Nota no. 3: de invloed der afsluiting op de waterloozing }
der provinciën langs de Zuiderzee }
1889. Nota no. 4: de invloed der afsluiting op de }
waterverversching der provinciën langs de Zuiderzee. De }
invloed der afsluiting op de scheepvaart der Zuiderzee }
1890. Nota no. 5: de constructie en de kosten van den }
afsluitdijk, de sluizen en de bijkomende werken. De } f10.-
voor- en nadeelen der afsluiting buiten verband met de }
droogmaking }
1891. Nota no. 6: resultaten der terreinwerkzaamheden van 1889 }
en 1890 }
_a._ grondboringen. }
_b._ stroommetingen. }
_c._ diverse metingen. }
1891. Nota no. 7: De droogmaking met schetsontwerpen der }
verschillende indijkingen }
1891. Nota no. 8: Vergelijking van verschillende ontwerpen tot }
afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee }
1892. Oeconomische en finantieele beschouwingen van het
Dagelijksch Bestuur naar aanleiding der resultaten van het
technisch onderzoek vervat in de acht Nota's f0.50
1892. Endiguement et Dessèchement du Zuiderzee "0.50
I. Considérations économiques de la
Zuiderzee-Vereeniging.
II. Discours, prononcé par M. J. M. TELDERS.