VI. De Zuiderzee-visscherij vóór en na de afsluiting.

Als de Zuiderzee wordt afgesloten en drooggemaakt, dan zal zeker de

Zuiderzee-visscherij, althans in haren tegenwoordigen vorm, verdwijnen.

Daar er dus hier een werkelijk verlies aan te toonen valt, dat een

gevolg is van de afsluiting, is daarvan door de tegenstanders van het

groote werk altijd zooveel mogelijk gebruik gemaakt om de

wenschelijkheid daarvan te bestrijden.

[Illustratie]

Men heeft die bestrijding zelfs kracht trachten bij te zetten door

demonstraties. Een revue is gehouden over de visschersvloot op het

Pampus als een vlootschouw bij Spithead. En ongeveer een jaar geleden

is in eene vergadering van den Zuiderzee-visschersbond te Amsterdam

besloten "te ageeren tegen de droogmaking der Zuiderzee".

Maar dit alles bewijst niets, of liever... het bewijst alleen dat het

visschersvolkje aan zijn oud middel van bestaan--als het in 't algemeen

dien naam verdient!--nog zeer gehecht is. Iets wat reeds lang bekend

was.

Aangetoond moet worden dat het visscherijbedrijf van zooveel beteekenis

is, dat het niet door een ander mag worden verdrongen en dit is alleen

te bereiken, als men de uitkomsten van dat bedrijf kent.

Wel beweerde de Minister van Waterstaat DE MAREZ OYENS bij de

behandeling der Staatsbegrooting van 1905, dat de Zuiderzeevisscherij,

nog altijd is "een bloeiende tak van bedrijf" en dat "de afsluiting aan

een groot deel der bevolking van een kuststreek van groote lengte in

5 provinciën (zou) ontnemen bestaansmiddelen op overouden toestand

berustend".

Maar wat heeft men aan zulke _woorden_?

Feiten, cijfers moeten aantoonen hoe het met dien "bloeienden tak van

bedrijf" gesteld is.

[Kantlijn: Opbrengst v. d. Zuiderzee-visscherij.]

Het is zeer moeilijk de waarde van de jaarlijks gevangen visch te

schatten, daar de vangsten zeer uiteenloopen, vooral van de kostbaarste

visch, de ansjovis (in 1880 1000 ankers, in 1890 190.000 ankers; één

anker = 50 KG. = 2800 stuks). De geheele jaarlijksche opbrengst bedraagt

soms niet meer dan 1½ millioen gulden, in 1890, _het_ ansjovisjaar,

4 millioen. Men zal niet ver van de waarheid zijn, als men de gemiddelde

jaarlijksche opbrengst schat op 2 millioen gulden. Hiervan leven,--als

men het zoo noemen wil,--een zeker aantal visschers met hunne gezinnen,

na aftrek van hetgeen aan aanverwante bedrijven als scheepswerven,

zeilmakerijen, mast- en blokmakerijen, nettenfabrieken (gedeeltelijk

in het buitenland), touwslagerijen, kuiperijen, rookerijen, enz. moet

worden uitbetaald.

[Kantlijn: Uitkomsten onderzoek geheel bedrijf.]

Om den toestand van het geheele bedrijf tot in bijzonderheden te leeren

kennen heeft de Zuiderzee-Vereeniging een ~Commissie van onderzoek~

benoemd, waarin één lid van het Dagelijksch Bestuur van die Vereeniging

zitting had, welke Commissie na persoonlijke en plaatselijke

onderzoekingen in 1905 een uitvoerig verslag heeft uitgebracht.[32]

[32] Verzameling van Rapporten uitg. d. d. Zuiderzee-Vereeniging.

Dl I. De Zuiderzee-visscherij, rapport eener Commissie tot

onderzoek.--Leid. 1905.

Wat die Commissie ons van dat "op overouden toestand berustend

bestaansmiddel" moest meedeelen, geeft daarvan waarlijk geen fraai

beeld! Daardoor weten wij nu, dat van de 2069 vaartuigen die t. Z.

van den afsluitdijk visschen, slechts 1390 zich daarmee gedurende het

geheele jaar bezighouden, de overige slechts 2 tot 9 maanden. Rekent

men deze laatste voor de helft, dan komt men tot een geheel van #1730#

volledige bedrijven. Daaraan nemen deel 4434 visschers, waarvan echter

724 beneden 20 jaar oud zijn, 643 ook een ander beroep uitoefenen, 548

gedurende 6 à 7 maanden op Noordzeeloggers dienen en 196 bedeeld worden.

Deze laatste drie groepen voor de helft rekenend, krijgt men een totaal

van #3017# meerderjarige visschers.

Volgens het Verslag is de toestand der visschersbevolking in 't algemeen

treurig. Er is bijna nergens welvaart. De toestand der schepen is

slecht.

De visschers krijgen schepen en want op crediet en zijn dan niet meer

vrij. Er wordt veel geleefd van schip en want (door herstellingen en

onderhoud na te laten). Als de schipper van zijn gemaakte besommingen

loon aan knechts, nettenverlies, slijtage en rente aftrekt en

afschrijft op de netten (½ à 1/3 der waarde), dan blijft daarvan

veelal weinig over. De knechts hebben meestal een zeer karig loon.

Op veel plaatsen zit de visschersbevolking diep in de schuld (Urk,

Bunschoten, Hoorn, enz.).

Te Elburg wordt 's winters 24, te Bunschoten 18 en te Enkhuizen 15

percent bedeeld. De toestand is nog 't best daar, waar de visschers

steun vinden in andere bedrijven, b. v. op Wieringen, waar bijna allen

een huis en wat grond hebben en zij tevens wat aan landbouw doen; te

Enkhuizen, waar veel tuinbouwwerk is te vinden in de Streek en waar met

groenten gevaren wordt en met steenkolen, enz. voor Urk; een derde vaart

op loggers op de Noordzee.

Vroeger waren die visschers er het best aan toe, die het geheele jaar of

een deel er van op de Noordzee vischten. Maar die tijd is voorbij. De

Noordzee-visscherij is meer en meer grootbedrijf geworden, grootendeels

uitgevoerd met stoomtrawlers, stoomloggers, enz., die meer zekerheid

geven op bepaalde dagen met hunne vangsten binnen te komen, die veel

verder kunnen gaan en spoediger kunnen terugkomen en waarvan de groote

aanvoer de marktprijzen beheerscht.

Het gevaarlijke visschen met kleine zeilschepen op de kust vormde wel

goede zeelui, maar de weinige daarmee te IJmuiden aangevoerde visch moet

wachten op den aanvoer van grootere partijen om verkocht te worden. Voor

de Zuiderzeevisscherij is het ook moeilijk om tegen den geregelden

aanvoer en de prijzen aldaar te concurreeren.

Wat blijft er dus over van dit "op overoude toestanden berustend

bestaansmiddel?" Trouwens ook ouderwetsche trekschuiten, diligences

en hondekarren waren eenmaal voor velen "een op overoude toestanden

berustend bestaansmiddel" en toch heeft men ze door den aanleg van

spoor- en tramwegen wreedaardig vermoord! De vraag is niet wat het oude

waard is, maar wat de waarde daarvan beteekent in vergelijking met het

nieuwe dat zijn plaats inneemt.

[Kantlijn: Vergelijking beteekenis visscherij met die v. h.

landbouwbedrijf in de nieuwe provincie.]

Men heeft het Rapport van de Commissie van de Zuiderzee-Vereeniging

onwaar en tendentieus genoemd, den samenstellers verweten dat zij

bevooroordeeld waren. Welnu laten we eens aannemen, dat dit bedrijf, met

zijn tal van bedeelde en in schulden zittende visschers en zijn slecht

materieel, is een "bloeiende tak van bedrijf". Wat zou dit met zijn

bruto-opbrengst van 2 millioen gulden 's jaars dan nog beteekenen bij

het landbouwbedrijf in de nieuwe provincie met een bruto-opbrengst

van 70 millioen? Wat is het bestaan van die hoogstens 15000 menschen,

verbonden aan het visscherijbedrijf, vergeleken bij dat van een

welvarende bevolking van 250.000 à 300.000 menschen in het nieuwe

gewest, die bovendien 's jaars een netto-opbrengst van 16 millioen

gulden vergaren?

Een voorbeeld uit de praktijk[33]. Vóórdat het westelijk gedeelte

van het voormalige IJ, de Wijkermeer was drooggemaakt, vischten

daar 2 visschers uit Beverwijk, waarvan een bedeeld werd. Nu, na de

droogmaking, zijn in dat gedeelte der vruchtbare IJpolders 10 groote

boerderijen, waar dus even zooveel boeren met hun gezinnen van den

landbouw leven, 's jaars 50.000 gulden arbeidsloon uitkeeren en zeker

nog een aanzienlijke som als winst maken of als pacht betalen. Ware het

misschien beter geweest de Wijkermeer als vischwater te behouden om de

verdiensten van dien anderhalven visscher?

[33] K. REIJNE. Een pleidooi voor de droogmaking der Zuiderzee.

Beverwijk 1901, bl. 11.

In het midden der vorige eeuw werd de aanleg van den Rijnspoorweg

door de Volksvertegenwoordiging afgestemd, o. a. omdat daardoor vele

ondernemingen als beurtschepen, vrachtwagens, enz. te gronde zouden

gaan. Men glimlacht nu daarom, maar wil ter wille van een schamele

visschersbevolking de aanwinst van een groote vruchtbare provincie niet!

[Kantlijn: Schadeloosstelling oude visschers.]

Toen later toch de Rijnspoorweg is tot stand gekomen, is aan het

personeel, verbonden aan de oude middelen van vervoer geen cent

schadeloosstelling toegekend. Maar dat personeel zal in de vele nieuwe

bestaansmiddelen, die de spoorweg schiep, wel spoedig ruime

schadeloosstelling hebben gevonden.

Op de begrooting van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee in

het Verslag der Staatscommissie, was een bedrag van 4½ millioen gulden

uitgetrokken voor schadeloosstelling aan de oude visschers, enz., welke

som in het aanhangig wetsontwerp op 6 millioen gebracht is, en toch werd

soms op hoogen toon geëischt dat die som grooter moest zijn[34].

[34] Omtrent de wijze van schadeloosstelling en de berekening van het

bedrag er van zie het Verslag der Visscherij-Commissie, bl.

239-260.

De Zuiderzeevisschers zullen zich gedurende een werk dat 30 à 40 jaar

duurt langzamerhand aan den nieuwen toestand aanpassen. Sommigen zullen

gaan varen op de Noordzee en op de handelsvloot, vooral als daartoe voor

goed voorbereidend onderwijs gezorgd wordt, waarop zij zeer gesteld

zijn. Anderen zullen materialen gaan varen voor het groote werk, rijs,

steen, enz. voor den afsluitdijk, enz. Acht men voor de oude visschers

schadeloosstelling toch billijk, zoo geve men die. Kan aangetoond

worden, dat 6 millioen niet voldoende is, dan geve men meer. Die post

zal de kostenrekening der Zuiderzeezaak niet te zeer bezwaren.

[Kantlijn: Zoetwatervisscherij na de afsluiting.]

In deze beschouwingen werd uitgegaan van de onderstelling, dat de

Zuiderzeevisscherij geheel zal verdwijnen. Zeker zal zij verdwijnen in

den tegenwoordigen vorm.

Maar wat zal de visscherij opleveren op het 145.000 HA. groote IJselmeer

en in de 10.000 HA. polderwateren van het nieuwe gewest? Het is niet

aan te nemen dat die onbelangrijk zal zijn. Die oppervlakte is grooter

dan die van de tegenwoordige zoetwatervisscherij in geheel Nederland

(134.000 HA.). Nu hangt wel de vischopbrengst niet alleen van de grootte

van het vischwater af, maar zij zal toch aanzienlijk moeten zijn in die

wateren.

De Zuiderzee-Vereeniging verzocht in 1905 aan de Nederlandsche

Heidemaatschappij verslag te willen geven over de zoetwatervisscherij

in het toekomstige IJselmeer en in de polderwateren der droogmakerijen.

Deze maatschappij bracht in het volgend jaar haar zeer voorzichtig

gesteld rapport uit[35], waarin men o. a. leest dat paling en spiering

het IJselmeer zullen blijven bevolken, bot misschien ook (is ook

gebleven in het IJ), terwijl een nieuwe vischstand daaraan zal worden

toegevoerd voornamelijk door den IJsel en het Zwarte Water. En ook:

"Wanneer door een doelmatig bevisschen, waarbij waardevolle visschen

gespaard worden, zoolang ze nog te klein zijn, en door het uitzetten

van nieuwe marktwaardige vischsoorten gezorgd wordt, dat op het

IJselmeer een rijke vischstand ontstaat en bewaard blijft, dan zal op

het IJselmeer ongetwijfeld een bloeiend visscherijbedrijf kunnen worden

gedreven". Cijfers omtrent te verwachten opbrengsten worden echter niet

genoemd.

[35] Verzameling v. Rapporten uitg. d. d. Zuiderzee-Ver. Dl. III. Rapp.

v. d. Ned. Heide-Mij. o. d. Zoetwatervisscherij in het toekomstige

IJselmeer en in de wateren der droog te leggen polders. Leiden,

1906.

Merkwaardig is dat de visscherij op het tegenwoordige Noordzee-Kanaal

en zijn zijtakken, waarvan men het voortbestaan ook door de droogmaking

der IJpolders bedreigd achtte, nu van meer beteekenis is dan die van

weleer op het open IJ[36]. Zou dat niet eveneens het geval kunnen zijn

in de afgesloten Zuiderzee?

[36] Zie ook den Heer DIL van Koog a. d. Zaan i. h. Alg. Handelsblad v.

1900.

VII. De economische, maatschappelijke en financieele zijde van de

afsluiting en droogmaking.

Het nieuwe gewest zal in elk geval een landbouwgewest zijn bij

uitnemendheid. Of ligging of bijzondere omstandigheden daarin ook

belangrijke nijverheidsondernemingen zullen in 't leven roepen is

mogelijk, maar daarop valt nog niet met eenige zekerheid te rekenen.

[Kantlijn: Bevolking in de nieuwe provincie.]

Op 1 December 1909 was de bebouwbare oppervlakte van den grond in

Nederland 2.433.686 HA., daaronder begrepen tuin- en warmoezerijgronden,

kweekerijen en bosschen, die bebouwd werden door 504.171

beroepslandbouwers van het mannelijk geslacht, dus ongeveer één per 4,8

HA. Grasland, dat minder krachten vereischt dan bouwland, zal in de

Zuiderzee-provincie waarschijnlijk niet veel voorkomen, nog minder dan

in Zeeland, waar het ruim 23 percent der oppervlakte bedraagt. Rekent

men voor het groot landbouwbedrijf één man per 4,5 HA., dan zullen dus

in de nieuwe provincie ongeveer 45000 beroepslandbouwers noodig zijn,

met hunne gezinnen een bevolking van 225.000 personen uitmakend;--door

tuinbouw, kweekerijen, enz. zal dit aantal misschien nog iets grooter

kunnen zijn.

Voorts zullen een groot aantal neringdoenden, handwerkslieden,

ambtenaren, enz. in het nieuwe gewest zich moeten vestigen, zoodat

de toekomstige bevolking, als de Zuiderzee een zuiver landbouwende

provincie blijft, 250.000 à 300.000 bewoners zal bedragen. Ter

vergelijking diene, dat de in hoofdzaak landbouwende Provincie Zeeland

(181.000 HA.) 31 Dec. 1909 op een geheele bevolking van 235.000 inwoners

buiten de landbouwers 47.734 werklieden, ambtenaren, enz. telde, waarvan

11.836 vrouwen.

Natuurlijk zal die bevolking er eerst langzamerhand binnentrekken. Doch

ook niet zoo langzaam als vroeger op andere nieuwe gronden, waar in het

begin de toestand nog veel te wenschen overliet. Bovendien wonen bij

kleinere drooggemaakte oppervlakten de grondgebruikers, enz. voor een

groot deel niet daarop, maar in de nabijheid er buiten.

[Kantlijn: Bewoonbaarmaking.]

Het komt er niet alleen op aan de nieuwe gronden vóór de kolonisatie

geschikt te maken voor gebruik, maar ook voor bewoning. "De vestiging

in de Zuiderzeepolders", zegt de Staatscommissie terecht, "moet niet

bemoeilijkt worden door het denkbeeld, dat men er verplaatst is in eene,

zij 't dan ook vruchtbare wildernis".

Daartoe wil de Staatscommissie niet de woningen door den Staat laten

bouwen, maar aan den verkrijger van minstens 20 HA. grond des gewenscht

70 percent van de werkelijke bouwkosten voorschieten voor woning en

stalling, na goedkeuring van bestek en teekening,--terug te betalen bij

annuiteiten binnen 20 jaar.

Ook wordt voorgesteld vóór de uitgifte der gronden een aantal gebouwen

van openbaar nut te stichten, vooral omdat de eerste bewoners niet

dadelijk talrijk genoeg zullen zijn om dat zelven te doen. Het ligt

daarom in de bedoeling voor elke gemeente van 25000 HA. te bouwen

één gemeentehuis, één post- en telegraafkantoor met bijkantoren, één

groote school en 4 kleine, zoodat voor de acht gemeenten noodig zal

zijn 8 × f125000 = 1 millioen gulden, d. i. f5.- per HA. (wel wat matig

berekend!)

Om den gemeenten dadelijk eenige inkomsten te geven wil men, rekenend

op 5 kerkdorpen per gemeente, aan elk 5 × 50 HA. grond geven om te

kunnen uitgeven als bouwterreinen, naarmate de kommen der dorpen zich

uitbreiden. Dit is dus een oppervlakte reservegrond van 1% van het

geheel,--zoodat 2000 HA. minder zullen worden uitgegeven.

[Kantlijn: Gevreesde daling v. d. waarde der oude gronden.]

Door een der leden van de Staatscommissie van 1892, die tegen het

besluit der meerderheid stemde, Mr. VAN NIEROP is indertijd gezegd:[37]

"het groot aanbod van grond overtreft de behoeften; dientengevolge zal

de grond niet in cultuur gebracht kunnen worden, tenzij op zoo gunstige

voorwaarden, dat elders storing ontstaat".

[37] De Economist. Jaarg. 1897.

De bewering dat het groote aanbod van grond de behoeften zal overtreffen

is echter in strijd met de sedert vele jaren waargenomen feiten.

[Kantlijn: Tekort aan grond.]

Niettegenstaande toch dat de gemiddelde toeneming van onzen bebouwbaren

grond (zonder warmoezerijen, kweekerijen, boomgaarden en bosch) in de

laatste 15 à 20 jaren 4000 à 5000 HA. 's jaars bedroeg, wordt niet

alleen in de laatsten tijd, maar reeds tientallen van jaren geklaagd

over het ~tekort aan grond~. In nagenoeg alle deelen van het land kan

men die klacht vernemen. Onze boerenbevolking is er aan gehecht te

blijven in het bedrijf der vaderen. Maar bij de betrekkelijk veel

sterker toename van de bevolking dan van den beschikbaren grond is het

voor tal van boerenzoons die een eigen bedrijf wenschen niet mogelijk om

hieraan te komen.

Vooral in sommige zandstreken is dit zeer moeilijk, omdat men er van

uit de streken des lands met rijkeren bodem en meer welvarende bevolking

mede komt bemachtigen wat er nog open komt; in dit opzicht doen b. v. de

Zuid-Hollandsche eilanden de Veluwe concurrentie aan,--wat in elk geval

bewijst dat er gebrek is aan grond.

Ook op de in de laatste jaren in Drente ontgonnen heidegronden (van

1908 tot 1914 ong. 8000 HA.!) hebben zich tal van landbouwers uit

oude provinciën, vooral uit Holland, Zeeland, Friesland en Groningen

gevestigd.

Een nadeelig gevolg hiervan is, dat de landprijzen en pachtprijzen

dikwijls te hoog worden opgedreven, zoodat vooral in ongunstige

landbouwjaren het bedrijf niet meer loonend is,--een klacht die men om

zoo te zeggen overal vernemen kan.

Tal van boerenzoons moeten dus ambtenaar, onderwijzer, werkman, enz.

worden of--en dit zijn meestal de minsten niet, omdat zij toonen

behalve eenig geld, energie, en vakkennis te bezitten--zij verlaten als

landverhuizers het vaderland, dat hen niet langer voeden kan. En zulk

een verscheuring van den band tusschen bevolking en geboortegrond is

toch zeker niet in het belang van den Staat.

Een eenvoudige redeneering verklaart trouwens gemakkelijk het bestaan

van zulk een landhonger. Immers volgens de telling van Mei-Juni 1910

bedroeg toen het aantal landgebruikers (eigenaars en pachters) van

meer dan 1 HA. land in Nederland ongeveer 209.000. Aannemende dat de

bevolking jaarlijks met 1,4 percent toeneemt, dan zal deze beroepsgroep,

als de verhouding tusschen de verschillende groepen niet door een

of andere omstandigheid gestoord wordt, denzelfden aanwas vertoonen,

dus zou het aantal landgebruikers dan met ruim 2900 moeten toenemen,

terwijl de 10000 HA. Zuiderzeegronden die jaarlijks kunnen verkaveld en

uitgegeven worden voor het groot landbouwbedrijf slechts ongeveer 500

nieuwe bedrijven zullen vereischen. En de 5000, in de laatste jaren

zelfs tot 8 à 10000 HA. gestegen aanwas van gronden, op andere wijze

verkregen, kan dan zonder bezwaar nog een ongeveer gelijk aantal

landgebruikers aan zich trekken.

De Regeering meent ook, op grond van de door de Directie van

den Landbouw verzamelde gegevens[38], omtrent de ontginning van

heidegronden, dat de vraag naar bebouwbaar land nog steeds toenemend is.

In 1901 werden ontgonnen tot bouw- en grasland 871 HA. en tot bosch 540

HA.; in 1911 waren die cijfers resp. 7939 en 903 HA. In verband daarmede

laat het zich aanzien, dat de gronden in de ontworpen inpolderingen,

die van veel betere kwaliteit zijn dan ontgonnen heidegronden, thans

spoediger zullen kunnen worden uitgegeven dan door de Staatscommissie en

bij de indiening van het wetsontwerp 1901 werd gedacht.

[38] Zie Memorie van Toelichting b. h. Wetsontwerp 1916, bl. 15 en 16.

[Kantlijn: Voldoend aantal landbouwers beschikbaar.]

Dat het geheele aantal landbouwers (dus met de arbeiders) voor de

nieuwe gronden ook steeds beschikbaar zal zijn, kan op dezelfde wijze

aangetoond worden. Op 31 Dec. 1909 waren in ons land 504.000 mannelijke

landbouwers, die dus bij gelijke toename als de overige bevolking

jaarlijks met 1,4 × 5040 = ong. 7000 zouden moeten vermeerderen. En een

aanwas van 15.000 à 20.000 HA. vereischt er slechts 3500 à 4500 's

jaars.

Voor de Zuiderzeegronden zijn de noodige arbeiders als van zelf reeds

vóór de uitgifte van die gronden aanwezig. Onze polderwerkers toch

zijn dezelfde die op sommige tijden van het jaar als losse arbeiders

boerenarbeid verrichten (maaien, graanoogst, bieten rooien) en zij die

aan de verkaveling der nieuwe gronden hebben gewerkt, zullen daarna als

vaste of losse arbeiders aldaar werk kunnen vinden in het

landbouwbedrijf.

Hierbij verdient opgemerkt te worden, dat het aantal losse of

seizoenarbeiders hoe langer hoe geringer wordt, dat zij in den

hooitijd, bietentijd, enz. hoe langer hoe moeilijker te krijgen zijn.

De voornaamste oorzaak hiervan is, dat hun bestaan te weinig vast, te

veranderlijk en te weinig zeker is. Om in die tijden dan niet zonder

werkkrachten te zitten schijnt men in sommige streken o. a. in Zeeland,

in de Haarlemmermeer, enz. er meer en meer toe over te gaan, vooral

in het groot-landbouwbedrijf om die menschen voor vast te houden: in

slappe tijden worden zij dan gebruikt voor grondverbetering, slatting

van slooten, enz. Dit is een voordeel èn voor het landbouwbedrijf èn

voor die arbeiders. Het groot-landbouwbedrijf nu zal uitgeoefend worden

in de Zuiderzee-Provincie en op die wijze werkt dus de afsluiting en

droogmaking ook min of meer normaliseerend op het verschaffen van

arbeid.

[Kantlijn: Geen werkloozen aan het einde van het werk.]

Het wel eens geopperde bezwaar, dat na afloop van het werk veel volk

werkloos zal worden, zal zich dus in 't algemeen niet voordoen.

[Kantlijn: Arbeidsloonen op oude gronden.]

De Staatscommissie,--dus 20 jaar geleden en juist in een tijd

dat het onzen landbouw, vooral door de lage graanprijzen slecht

ging,--oordeelde, dat de arbeidsloonen op de zandgronden reeds vrij hoog

waren en dat, als deze door meer vraag naar arbeidskrachten nog zouden

stijgen, het bedrijf aldaar daaronder zou lijden.

Maar het voortbrengingsvermogen van die soort van gronden zoowel als

de prijzen der producten zijn sedert dien tijd zeer gestegen, zoodat

het door de Commissie genoemde bezwaar nu zeker veel minder zou wegen.

En waar in sommige streken, vooral bij de boschcultuur de loonen der

losse arbeiders wat zullen stijgen, daar is dit in 't algemeen niet te

betreuren, als men weet dat die loonen dikwijls zoo laag zijn, dat het

een raadsel mag heeten hoe men daarvan een menschwaardig bestaan kan

leiden.

[Kantlijn: Vermoedelijke verkoopprijzen nieuwe gronden.]

Om te bewijzen dat de ~verkoopprijzen~ van de nieuwe nieuwe gronden bij

zulke groote aanbiedingen jaren achtereen zeer zullen worden gedrukt,

heeft men zich o. a. beroepen op de prijzen gemaakt bij den verkoop der

gronden in den Zuidplaspolder, in den Haarlemmermeerpolder, enz. Maar

wij zagen reeds dat deze niet met Zuiderzeegronden mogen vergeleken

worden, evenmin wat de bodemsoort als wat de afwatering, verkaveling,

enz. betreft. Waar deze alle van zeer goede hoedanigheid waren, daar

werden ook dadelijk hooge prijzen besteed, zooals in de IJpolders,

waarmee de Zuiderzeegronden veel overeenkomst zullen hebben. Daar werden

de gronden verkocht:

in Polder I (Wijkermeer) 1000 HA. tegen gem. f2000 p. HA.

" " II 1200 " " " "2046 " "

" " III 1100 " " " "2868 " "

" " V en VI (waarin een strook veen), 334 HA. tegen

gem. f1800 p. HA.[39].

[39] Volgens de Mem. v. Toel. bij het Regeeringsontwerp van 1877.

Volgens de Gesch. en Beschr. v. h. Noordzeekanaal door de Ingrs.

v. d. R.-Wat. WORTMAN en V. D. BROEK, uitg. d. h. Dept. v.

Waterstaat, werden de gronden, gerekend naar hunne grootte en

behalve de aangeplempte grond bij Nieuwendam verkocht voor

_gemiddeld_ 2330 gulden de HA. Sommige perceelen brachten ruim

f3200 de HA. op.

Men zal misschien opmerken dat de drooggemaakte IJpolders slechts ruim

5500 HA.[40] groot zijn, dat daarvan de prijzen niet gedrukt werden door

het groote aanbod. Maar zou dit bij de Zuiderzeegronden wèl het geval

zijn? _De werkelijke waarde van den grond hangt niet af van eenige reeds

daarvoor bestede koopprijzen._ Zeer spoedig moet men wel inzien met zeer

vruchtbare gronden te doen te hebben, waar alles voor hun gebruik op

uitstekende wijze is voorbereid. En is het dan te denken, bij het

bestaande tekort aan cultuurgrond en de nog steeds toenemende vraag

daarnaar, dat men zulke gronden niet voor flinke koopsommen zal willen

machtig worden, vooral als deze, zooals gezegd is, op verschillende

wijzen zullen kunnen worden voldaan?

[40] Volgens DE VRIES en SCHORER. Zeeweringen en Waterschappen v.

Noord-Holland, volgens de Waterstaatskaart 5809 HA.

En mochten door een of andere oorzaak de aanbiedingen te laag worden

geacht, dan is de Staat niet tot verkoop _gedwongen_, maar kan ze

zoolang zelf doen bebouwen als hij dat noodig vindt.

Dat de nieuwe gronden dus alleen tegen zulke gunstige voorwaarden in

cultuur gebracht zouden kunnen worden, dat elders storing ontstaat, is

niet in te zien: door het ruime aanbod zullen de prijzen noch wegens te

weinig vraag noch wegens te weinig arbeidskrachten blijvend worden

gedrukt.

[Kantlijn: Grondwaarde en prijzen der producten.]

Hierboven werd gesproken van de werkelijke waarde der gronden en

misschien zal de opmerking worden gemaakt, dat deze niet alleen van den

aard der gronden, maar ook van de ~prijzen der producten~ afhankelijk

is. Maar men behoeft waarlijk niet te vreezen, dat de aanwinst der

Zuiderzeegronden zelve invloed zal uitoefenen op die prijzen: wat zij

voortbrengen immers is ten aanzien van de wereldproductie als een

droppel in de zee. Van de geheele wereldtarweoogst in 1909 van 447351000

quarters (1 qu. = 2,9 HL.) bracht Nederland er 600000 voort en had nog

ongeveer 4,5 maal zooveel noodig voor eigen gebruik; de behoefte neemt

nog steeds toe door aanwas van bevolking, meer gebruik als veevoeder en

voor de nijverheid. Nu zijn in ons land ongeveer 60.000 HA. met tarwe

bezet, die in 1914 ruim 700.000 quarters opbrachten; al werd dus in de

Zuiderzee-Provincie niets dan tarwe verbouwd en al bracht Nederland dan

4- à 5-maal zooveel voort als nu, dan kon dit van niet den minsten

invloed zijn op de graanprijzen.

Die graanprijzen worden voornamelijk bepaald door den uitvoer van de

Vereenigde Staten van Noord-Amerika, het tweede tarweland,--alleen

Rusland (met Polen en Siberië) levert nog iets meer,--en hoewel de

bebouwde oppervlakte er nog toeneemt, neemt de uitvoer af wegens

den groei der bevolking en der beschaving, zoodat _daardoor_ eer

verhooging dan verlaging van prijzen te verwachten is,--misschien kan

de uitbreiding van den graanbouw elders, voornamelijk in Canada en in

Argentinië, daarin verandering brengen.

[Kantlijn: Tarweverbruik in Nederland onafhankelijk v.h. buitenland.]

Maar #door de droogmaking der vruchtbare kleigronden in de Zuiderzee,

zal Nederland in tijden als wij nu beleven zichzelf geheel van de

noodige tarwe kunnen voorzien#. Als van de Zuiderzeegronden 160.000 HA.

met tarwe worden bebouwd, kunnen deze 160.000 × 50 = 8 millioen H.L.

tarwe geven. Voegt men hierbij de ruim 2 millioen H.L. die Nederland nu

voortbrengt, dan krijgt men eene hoeveelheid van ruim 10 millioen H.L.,

die nagenoeg voldoende is voor onze geheele behoefte.

* * * * *

[Kantlijn: Ontginning van woeste gronden.]

Tegenstanders van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee hebben

meer dan eens de ~ontginning van woeste gronden~ daartegenover gesteld.

Waarom niet liever onze woeste gronden in vruchtbaar land herschapen,

zoo vragen zij dan, dan nieuwe gronden te gaan veroveren op den bodem

der zee?

Maar waarom die tegenstelling? Beide zaken zijn hoogst nuttig. Waarom

dan een van beide uitgesloten? En het tot stand komen van de eene

schaadt toch de andere niet. Zelfs kan de eene de andere bevorderen.

Veel zoogenaamde woeste grond immers is alleen te ontginnen voor

boschbouw. En vóór den oorlog hoorde men vaak klagen, dat men in het

binnenland geen voldoenden afzet kon vinden voor jong sparhout. In

het nieuwe Zuiderzee-gewest zullen, vooral in den tijd van de eerste

bewoning en bebouwing groote hoeveelheden van dat hout noodig zijn voor

boonenhout, afrasteringen, bergen, zolders, dakhout, enz.,--wat dus de

ontginning tot bosch zal steunen.

Bovendien wordt er soms geheel verkeerd geoordeeld over de ontginning

van woeste gronden. Sommigen meenen dat men deze alle herscheppen kan

in wat men wil. Het lijkt er niet naar! Vooreerst zijn er gedeelten die

volstrekt onontginbaar zijn (loodzand, oerbanken, enz.): in het Rapport

van de Heide-Maatschappij aan Gedeputeerde Staten van Drente over den

aard der woeste gronden aldaar[41] wordt o. a. meegedeeld, dat een groot

gedeelte voor geen enkele cultuur, ook niet voor boschbouw, geschikt is.

Het overgroot gedeelte van onze heidevelden dat ontginbaar is, is alleen

geschikt voor bebossching. Maar eerst na vele jaren, 18 à 20 jaar, gaat

aldaar aangelegd bosch een matige rente geven van het daarin gestoken

kapitaal. Laag gelegen landen, als broekgronden, dalgronden en ook

lage heiden, die men een goede afwatering kan geven, zijn bij goede

behandeling veelal betrekkelijk spoedig tot grasland te maken en

vele geven dan weldra goede rente,--zooals o. a. op vele plaatsen,

voornamelijk langs de riviertjes in oostelijk Noord-Brabant, de aan

de gemeenten toebehoorende en niets opleverende landen. Met andere,

waaraan veel arbeid noodig is, gaat dit echter niet zoo voorspoedig. De

hooger gelegen landen in diezelfde streek, die eerst na veel arbeid en

bemesting tot bouwland zijn gemaakt, geven slechts dan een matige rente

als de arbeidskrachten zeer goedkoop zijn, b.v. als zij 's winters

door boeren met eigen volk bewerkt worden of door arbeiders die uit

geldgebrek of uit verveling zich met uiterst lage dagloonen tevreden

stellen. Elders ondernomen groote en goed geleide ontginningen schijnen

echter ook een goed bestaan aan de gebruikers en bovendien een matige

rente te geven. Zoo heeft de ontginning van het Zeijerveld onder Norg,

groot 630 HA., 416 HA. bouw- en grasland en 164 HA. bosch opgeleverd--de

rest werd ingenomen door wegen, kanalen en slooten, waarvan de kosten

met inbegrip van het gebouwenkapitaal, het aankoopkapitaal (f100.- de

HA.) en de samengestelde rente daarvan en van de ingestoken kapitalen

à 3½ percent, f1100.- de HA. hebben bedragen,--waarbij echter nog de

kosten van een verharden weg daarheen moeten gevoegd worden. De 15

boerderijen daarop gesticht zijn verpacht voor 32,5 à 55 gulden per HA.

voor 6 jaar[42].

[41] Tijdschrift Heide-Maatschappij. Jaarg. 1900.

[42] Tijdschr. Heide-Mij. 1915, bl. 285 e. v.

Maar op de Zuiderzeegronden kan men jaren lang roofbouw drijven;

bemesting zou zelfs in den eersten tijd schadelijk zijn. En zwaar zullen

de vrachten kostelijke vruchten zijn die zij dadelijk opleveren.

Men ziet dus dat dooreengenomen het voortbrengingsvermogen van ontgonnen

woeste gronden niet gelijkgesteld mag worden met dat van het te

veroveren Zuiderzeegebied.

Maar toch, wie zou niet de ontginning van de tot nu geheel ongebruikt

liggende oppervlakten gronds van harte toejuichen? Hoeveel goeds

hunne ontginning in vele streken brengt, vooral ook voor den kleinen

landbouwer en den boerenarbeider, hoe het geheele landbouwbedrijf, ook

op de oude gronden, er door verbeterd wordt, armoede en werkloosheid er

door worden weggenomen, de veestapel er door uitgebreid wordt, enz. kan

men o. a. vinden in de Verslagen en Mededeelingen van de Directie van

den Landbouw[43].

[43] Zie o. a. Jaargang 1908, No. 6.

Maar daarom kenne men de ontginning van de zoogenaamde woeste gronden

niet een voorrang toe boven de droogmaking van een deel der Zuiderzee.

Dit zijn _beide_ zeer nuttige zaken, die weinig of niets met elkaar te

maken hebben. Waarom zouden wij ze dan niet _beide_ uitvoeren met al den

ijver en de toewijding die zij zoo ten volle verdienen?

Op merkwaardige wijze worden bovenstaande beschouwingen bevestigd in

een brief uit New-York van den correspondent der ~Nieuwe Rotterdamsche

Courant~ van 12 Sept. 1911, Avondblad C, waaruit blijkt, dat ook in voor

den landbouw gunstige tijden zooals tegenwoordig, het bezwaar van het

tekort aan grond sterk gevoeld wordt. Daarin wordt er op gewezen, dat

de landverhuizing van Nederlanders naar (_Noord_-)Amerika in de laatste

jaren toeneemt. Uit persoonlijke besprekingen met de landverhuizers

bleek den schrijver, dat zij voor de groote meerderheid tot den

landbouwenden stand behoorden en dat de oorzaak van hun vertrek uit

het vaderland was: "uiterst hooge prijzen voor bouwland, aankoop van

vruchtbaren grond voor groote gezinnen onbereikbaar, terwijl woeste

heidevelden, enz. te kostbare en tijdroovende ontginning vorderen". Ook

vernam hij, dat het huren van bouwhoeven, dus het pachtersbedrijf, niet

tot welstand kon voeren.

* * * * *

[Kantlijn: Maatschappelijke voordeelen.]

Aan de uitvoering van het groote werk der afsluiting en droogmaking zijn

nog eenige maatschappelijke voordeelen verbonden.

[Kantlijn: Vermeerdering arbeidsgelegenheid.]

Vooreerst de ~vermeerdering der arbeidsgelegenheid~[44]. Hierbij is het

volgende wèl te onderscheiden.

[44] Zie de praeadviezen over het onderwerp: De invloed van de

Drooglegging der Zuiderzee op de werkloosheid van A. PLATE en

A. A. BEEKMAN i. h. Tijdschr. d. Nat. Ver. tegen de werkloosheid.

Jaarg. 1, Afl. III en IV.

Gedurende ~de uitvoering van het werk, doch buiten de verkaveling, enz.~

der gronden zal er veel werk komen voor eenige groepen van arbeiders,

voornamelijk voor rijswerkers, voor de arbeiders in de grienden langs

onze benedenrivieren, voor grondwerkers (polderjongens), metselaars en

betonbewerkers, die vooral aan de groote sluiswerken op Wieringen veel

arbeid zullen vinden, voor dijkwerkers (steenzetters, enz.), en niet

het minst voor de schippers, die voor den afsluitdijk en de meerdijken

ontzettende massa's klei, bazalt en anderen steen, eiken palen, enz.

zullen hebben te vervoeren.

Ook de ~verkaveling en de bewoonbaarmaking der gronden~, die dus

gedeeltelijk met de uitvoering van de andere werken zal samenvallen,

zal veel arbeid brengen voor werklieden van zekere beroepen, voor

grondwerkers; voor metselaars, timmerlieden en smeden aan honderden

bruggen, sluizen, duikers en gebouwen voor de stoomgemalen.

Aan het werk zelf in de beide eerste perioden zullen, naar de begrooting

der Staatscommissie van voor 20 jaar, 45 millioen (dus nu minstens 55

millioen) gulden aan arbeidsloonen en scheepsvrachten worden betaald.

En eindelijk gedurende de ~blijvende vestiging of kolonisatie~,

eveneens ten deele met de beide genoemde soorten van arbeid elders

samenvallend, moeten de woningen voor de vaste bevolking, gebouwen voor

de boerderijen, enz. worden gebouwd. De hiervoor genoemde openbare

gebouwen moeten vóór en na worden gesticht, samen voor ongeveer één

millioen gulden. Het spreekt van zelf dat dan al naar de behoefte

arbeidskrachten, vertegenwoordigend alle beroepen, zich in de nieuwe

landen zullen neerzetten, voor een gedeelte voor goed; zonder hen is

daar geen geordende maatschappij denkbaar.

* * * * *

[Kantlijn: Voordeelen v. d. nijverheid.]

Ten andere is het gemakkelijk in te zien, dat onze ~nijverheid~, vooral

de steenbakkerij, vruchten van het groote werk zal plukken. Behalve voor

26 millioen gulden steen uit het buitenland, zal voor 118 millioen aan

materialen uit Nederland zelf noodig zijn (begrooting 1892-1894). En

bij de ontwikkeling van het nieuwe gewest zal aldaar behoefte bestaan

aan steen, hout, steenkool, turf, landbouwwerktuigen, enz.; onze

nijverheid daarbuiten zal er hare producten kunnen plaatsen en daarvan

zeker nog geheel andere gevolgen kunnen ondervinden dan tegenwoordig de

touwslagerijen, rookerijen en garnalenpellerijen bij het bestaan der

Zuiderzee.

* * * * *

[Kantlijn: Idem voor verkeer en marktwezen.]

De aanvoer van al die artikelen en nog veel meer en de afvoer

der jaarlijksche producten van den landbouw, zal ~het verkeer~ per

spoorweg, per as en per schip ook buiten het nieuwe gewest verlevendigen

en de "villes mortes" langs de kusten van den ouden plas zullen

~marktplaatsen~ worden in de hedendaagsche beteekenis, nl. plaatsen van

inkoop en doorvoer voor de welvarende bevolking van een rijke twaalfde

provincie.

* * * * *

~De kosten.~

[Kantlijn: Verhooging der kosten in de laatste 25 jaar.]

De cijfers van de berekeningen der kosten en van de geldelijke gevolgen,

door de Staatscommissie van 1892 genoemd, zijn natuurlijk nu niet meer

geldig maar moeten, vooral wegens de verhooging der arbeidsloonen, met

een aanzienlijk bedrag worden vermeerderd.

Toch behoeft dit volstrekt geen bezorgdheid te doen ontstaan omtrent de

uitvoerbaarheid van het werk uit een geldelijk oogpunt. Immers ook het

productievermogen van den grond is door den grooten vooruitgang van den

landbouw sedert dien tijd in niet mindere mate toegenomen. Nog ongeveer

10 jaar geleden kon men aannemen, dat een HA. goede kleigrond gem. 42

HL. tarwe opbracht,--nu mag men die opbrengst op 52 HL. stellen.

En waar toen de HA. 300.000 KG. suikerbieten gaf, levert die thans,

mits naar de eischen der tegenwoordige wetenschap behandeld, wel 400.000

KG. op.

Het aanhangige regeeringsontwerp bevat een opgave van koopsommen van

klei- en zandgronden, beide in 6 provinciën, die 1900-1909 gekocht en na

1900 weer verkocht zijn (bl. 15), waaruit blijkt dat de koopsommen van

een HA. zeeklei in Nederland gem. gestegen zijn van f1004.- in 1900-1909

tot f1698.- nà 1909 en van zand resp. van f528.- tot f812.-. Op grond

daarvan meent de Regeering nu een jaarlijksche zuivere opbrengst van

f80.- per HA. te mogen aannemen tegen slechts f60.- in het wetsontwerp

van 1907.

[Kantlijn: Raming der kosten.]

In verband met de hier bedoelde algemeene stijging der prijzen is in

1914 een Staatscommissie benoemd om de ramingen der Staatscommissie van

1892 aan een nader onderzoek te onderwerpen. Door deze zijn de kosten

van het geheele werk (zonder die voor de voorzieningen in de belangen

der landsverdediging), die volgens de raming der Staatscommissie van

1892 179 millioen gulden zouden bedragen, geraamd op _222 millioen

gulden_.

Hierbij valt echter op te merken, dat de verhoogde raming niet

uitsluitend het gevolg is van hoogere loonen en prijzen van materialen,

maar ook in niet onbelangrijke mate van de omstandigheid, dat alle

risico's die zich bij zulk een omvangrijk werk kunnen voordoen, nader

zijn overwogen, ook aan de hand van hetgeen wordt meegedeeld in het

Verslag van het meer uitgewerkt plan van de droogmaking van het

Wieringermeer,--en dat meer speciaal de aandacht is gewijd aan de werken

ontworpen binnen de beide het eerst aan de orde zijnde inpolderingen

(NW. en ZW. droogmakerijen) en de daarmee in verband staande werken,

als scheepvaart- en afwateringskanalen, enz. Daardoor kunnen meer dan

vroeger groote tegenvallers bij de uitvoering als uitgesloten worden

beschouwd, temeer omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheid,

dat waarschijnlijk bij eenige werken door een minder kostbare

constructie of werkwijze bezuinigingen zullen worden verkregen.

De raming van de groote onderdeelen van het plan, wordt dan als

nevenstaande tabel aangeeft.

[Kantlijn: Beperking van het plan.]

In het aanhangig wetsontwerp wordt evenals in dat van 1901 voorgesteld

nu alleen in de wet vast te leggen de afsluiting en de uitvoering van

de beide westelijke polders. Later kan dus bij de wet het begin van

uitvoering der beide oostelijke polders worden bepaald.

Maar deze laatste worden toch ook genoemd onder de uit te voeren werken

en zij zullen reeds spoedig nadat aan den afsluitdijk begonnen is worden

voorbereid.

De Regeering meent nl. dat het, in verband met de sedert 1901 veranderde

omstandigheden met betrekking tot de waarde van en de vraag naar land,

waarschijnlijk is, dat de droogmaking der vier polders in veel korteren

tijd zal kunnen plaats hebben dan destijds werd verondersteld. Terwijl

zij den werkduur voor den afsluitdijk alleen evenals vroeger op 9 jaar

stelt, meent zij dat de droogmaking, enz. der Wieringermeer reeds in

het 12e jaar (in plaats van in het 14e) zal zijn tot stand te brengen

en die van den Hoornschen Polder in het 15e (in plaats van in het 18e).

De uitvoering van dit beperkte plan, waardoor de afsluiting en een

oppervlakte van ruim 74.320 HA. zal worden verkregen, zal een uitgave

van _110 millioen gulden_ vereischen (zie boven),--dus ongeveer

de helft van die voor het geheele plan.

=======================+========================+========================

| Ram. St. Comm. 1892. | Ram. St. Comm. 1914.

+-----------+------------+-----------+------------

Uit te voeren werken. | Benoodigd | Gezamenlijk| Benoodigd | Gezamenlijk

| bedrag. | bedrag. | bedrag. | bedrag.

=======================+===========+============+===========+============

_De afsluiting._ | | | |

| | | |

I. De afsluitdijk met | | | |

daarbij behoorende | | | |

werken. | | | |

| | | |

a. Afsluitdijk |f28.130.000| |f41.200.000|

| | | |

b. Werken op Wieringen|" 8.000.000| |" 8.700.000|

| | | |

c. Kan. Harl.-Piaam | | | |

en verhooging zeedijk | | | |

Piaam-Zurig |" 2.585.000| |" 3.550.000|

| | | |

d. Verhooging Balgdijk| | | |

en verbetering van de | | | |

havens |" 600.000| |" 600.000|

| | | |

e. Onvoorziene werken | | | |

in verb. m. de afsl. | | | |

en ter afronding |" 1.485.000| |" 950.000|

+-----------+f 40.800.000+-----------+f 55.000.000

| | | |

II. De verbetering v. | | | |

h. Zwolsche Diep | -- |" 3.564.000| |" 5.000.000

| | | |

III. De voorziening | | | |

i. d. | | | |

visscherijbelangen. | -- |" 4.500.000| |" 6.000.000

| | | |

IV. De voorz. i. d. | | | |

belangen der | | | |

waterverversching v. | | | |

Amsterdam en ter afr. | |" 236.000| |" 250.000

| | | |

_De droogmaking._ | | | |

| | | |

V. De inpolderingen | | | |

achter den | | | |

afsluitdijk. | | | |

| | | |

a. De | | | |

Wieringermeerpolder |f12.700.000| |f15.950.000|

| | | |

b. De Hoornsche polder|"22.850.000| |"28.130.000|

| | | |

c. De Zuidoostelijke | | | |

polder |"61.850.000| |"72.650.000|

| | | |

d. De Noordoostelijke | | | |

polder. |"32.500.000| |"38.220.000|

| | | |

|-----------|"129.900.000+-----------+"154.950.000

| +------------+ +------------

Totaal | |f179.000.000| |f221.200.000

| | | |

Doordat dan vroeger tot de uitgifte van de drooggelegde gronden zal

kunnen worden overgegaan, zal ook rentebesparing worden verkregen.

[Kantlijn: Nadere finantieele beschouwingen.]

In verband met het bovenstaande zegt nu de Regeering "dat indien de

duur van het werk--de afsluiting en de vier polders--op 30 jaar wordt

gesteld, en wordt aangenomen dat de pachtopbrengst der vier polders

resp. 15, 20, 25 en 35 jaar na den aanvang der afsluiting in mindering

der kosten zou komen, de rente eener 4½ pct. leening van 222 millioen

gulden--zijnde de totale raming--waarvan gemiddeld f7.500.000 per jaar

zou worden verbruikt, met rente op rente, gedekt zoude zijn bij een

pachtopbrengst van gemiddeld f80.- per HA."

Hoewel nu een zuivere pacht van f80.- de HA. zeker niet te hoog is te

achten, zoo wil de Regeering, in aanmerking nemende de wisseling van

omstandigheden, die zich zou kunnen voordoen, deze berekening niet als

grondslag voor haar wetsvoorstel nemen. Wel stelt zij voor gedurende de

eerste 14 jaar, wanneer nog geen rechtstreeksche baten zullen worden

ontvangen, de renten van de dan op te nemen gelden tegen 4½ percent, uit

de gewone middelen te betalen, benevens de renten van de gelden, noodig

voor 's lands verdediging. Zij acht het niet wenschelijk om voor een

langdurig tijdperk nu reeds verdere regelingen te treffen tot dekking

der kosten.

Maar uit een ander blijkt toch dat de rente van het in het werk gestoken

kapitaal door de baten ruimschoots gedekt wordt.

Bovendien genieten dan twee- à driehonderd duizend menschen een goed

bestaan, terwijl de Staat de indirecte voordeelen daarvan geniet en ook

van de afsluiting, voortvloeiende uit de verhoogde welvaart van de aan

de Zuiderzee gelegen gewesten.

Uit deze beschouwing blijkt ook duidelijk waarom de Staat dit werk met

gerustheid kan uitvoeren, waar het _als onderneming_ aan particulieren

misschien zou moeten worden ontraden. De _Staat_ zal in elk geval nog

goede winsten behalen.

Ook Mr. VAN NIEROP erkent dat de Staat zich in dit geval op een geheel

ander standpunt heeft te stellen dan particulieren dat kunnen doen. Maar

ten slotte zegt hij: "De warmste voorstander van de droogmaking moet nog

aantoonen, dat deze indirecte voordeelen van dien aard zullen zijn, dat

het er niet toe doet of de kosten verscheiden millioenen meer of minder

zullen bedragen en dat het voor de belastingschuldigen onverschillig zou

zijn of zij gedurende de inpoldering belangrijke sommen aan rente zullen

moeten opbrengen".

[Kantlijn: Raming van de indirecte voordeelen der afsluiting.]

Daar er ongetwijfeld aan dit groote werk risico verbonden is, is de hier

gestelde eisch gerechtvaardigd, maar toch in zooverre onbillijk dat het

zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk is om de indirecte voordeelen in

aantallen guldens kapitaal of rente uit te drukken.

Toch is het niet moeilijk in te zien, dat de ruime marge die Mr. VAN

NIEROP verlangt om eventueele overschrijding der ramingen te dekken,

inderdaad bestaat.

Om eenig denkbeeld te verkrijgen van de verhooging van het voortbrengend

vermogen van Noord-Holland t. N. van het IJ, zou men kunnen stellen, dat

van 150.000 HA. binnen de duinen 100.000 HA. belang hebben bij het zoet

worden van het boezemwater en dat daardoor de opbrengst per HA. f5.-

stijgt. Voor Westfriesland schatte een zuivelconsulent die op f10.-

de HA. Men krijgt aldus f500.000 's jaars of gekapitaliseerd tegen 4

percent 12½ millioen meerwaarde. Of neemt men het aantal runderen t. N.

van het IJ aan op 140.000 en de hoogere opbrengst van elk beest op

f5.---wat voor eenige jaren op het landbouwcongres te Hoorn niet te veel

werd geacht--, dan krijgt men f700.000 meer jaarlijksche opbrengst, dus

17,5 millioen meerwaarde.

Wat Friesland betreft, stellen wij dat 40.000 HA. buitenlanden daardoor

f10.- p. HA. 's jaars meer zullen opbrengen en dat van nog 160.000 HA.

van het boezemgebied de jaarlijksche gebruikswaarde met f5.- de HA.

zal toenemen, dan komt men tot een hoogere opbrengst van f1.200.000

's jaars--een meerwaarde van 30 millioen dus,--buiten de voordeelen

voor de nijverheid, de scheepvaart en de visscherij.

Intusschen zijn deze cijfers natuurlijk altijd min of meer

willekeurig. De Regeering noemt alleen die waarop het voordeel van

zoetwateraanvulling en waterverversching ingevolge een onderzoek

van den Zuiderzeebond in September 1897 zijn geschat en die voor

Noord-Holland en Friesland samen f680.000 's jaars zouden bedragen,

dus gekapitaliseerd tegen 4½ percent een kapitaal van 15 millioen

zouden vertegenwoordigen,--een schatting die m. i. zeker te laag is.

Maar bovendien moeten in rekening komen de andere indirecte voordeelen

hiervoor genoemd, nl. die voor de waterkeering, waterloozing, enz.

en vooral van de aanwinst van een groote vruchtbare provincie, waar

zoovelen een goed bestaan zullen vinden, al worden die verminderd met

hetgeen de Zuiderzee nu als vischwater oplevert. Is het nog noodig te

trachten ook die onder cijfers te brengen?

De verlangde dekking voor eventueele tegenvallers is dus in ruime mate

aanwezig.

Wel herhaalt de Regeering de zoowel door de Zuiderzee-Vereeniging

als door de Staatscommissie uitgesproken meening: "dat de voordeelen

van den afsluitdijk niet van dien aard zijn, dat het wenschelijk zou

zijn om alleen met het oog daarop, geheel afgescheiden van een latere

droogmaking, de afsluiting ten uitvoer te leggen",--maar het blijft toch

m. i. niet onmogelijk dat de waarde van die voordeelen de kosten van den

afsluitdijk zeer nabij zullen komen of zelfs overtreffen.

* * * * *

[Kantlijn: Noodzakelijkheid van de uitvoering.]

Men heeft wel eens de vraag gedaan: Waarom dit groote werk? Is het

volstrekt noodig? Het antwoord op deze vraag is uit de voorgaande

beschouwingen gemakkelijk op te maken. Naar aanleiding van de

opmerking dat er wel meer zulke groote sommen (ook gedurende vele

jaren) uitgegeven zijn, zooals 265 millioen gulden voor aanleg van

Staatsspoorwegen, in 20 jaar tijds 259 millioen aan openbare werken,

enz., zegt Mr. VAN NIEROP: "Deze werken strekten om te voorzien in

een behoefte, die bevrediging eischte. Het openbaar verkeer vorderde

den aanleg van spoor- en waterwegen". En verder: "Al is het geen

onderneming" (de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee), "zij is

daarmede zeer verwant. Geen openbaar belang vordert haar uitvoering".

Och kom! Werken ter bevordering van het openbaar verkeer en die tot

afsluiting en droogmaking der Zuiderzee--er is immers geen onderscheid

in het doel van die beide. Het verkeer bevordert men toch niet om

het verkeer zelf! Het doel van beide soorten van werken is toch: de

bestaansmiddelen uit te breiden of nieuwe te scheppen. Daarom en daarom

alleen worden zulke werken tot stand gebracht. Zeker! Hadden wij dat

aanleggen van spoorwegen nagelaten, dan zouden wij onze eigen belangen

al zeer slecht hebben gediend, maar dit zal evenzeer het geval zijn

als wij de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee nalaten. Een wijs

Regeeringsbeleid moet er niet alleen op gericht zijn te doen wat men

onmogelijk kan nalaten, maar om van alle aanwezige middelen gebruik

te maken om de welvaart van het land te verhoogen. En als een land de

gelegenheid heeft om zijn innerlijke kracht en zijn internationale

beteekenis belangrijk te doen toenemen, wordt dan "het openbaar belang"

niet in hooge mate gediend door van die gelegenheid gebruik te maken?

Dat is niet alleen wijs Regeeringsbeleid, het is ook Regeeringsplicht.

In de Memorie van Toelichting bij het nu aangeboden wetsontwerp stelt

de Regeering zich blijkbaar ook op dit standpunt, waar zij de vraag

beantwoordt of er voor het Rijk _voldoende reden_ voor de uitvoering

van het groote werk bestaat en waarin zij zegt, dat al zou het werk

misschien nog een geldelijke bate opleveren, dit op zichzelf voor het

Rijk nog niet alleen de drijfveer mag zijn om het werk te ondernemen.

En: "Hoofddoel moet zijn het vermeerderen van de algemeene welvaart door

het scheppen van een beteren waterstaatstoestand in een belangrijk deel

des lands, door de vergrooting van den vaderlandschen bodem met een

aanzienlijke uitgestrektheid vruchtbaar land en door het openen van een

uitgebreid arbeidsveld voor Nederlandsche nijverheid en werkkracht".

[Kantlijn: Indijking bij kleine gedeelten zonder afsluitdijk.]

Ten slotte. Vooral met het oog op de geldelijke en oeconomische zijde

van de Zuiderzeezaak heeft men meer dan eens het denkbeeld aanbevolen om

den afsluitdijk weg te laten en al naar de behoefte binnen de Zuiderzee

gronden geleidelijk in te dijken en droog te maken.

Voor zooveel daarmee bedoeld wordt het achtereenvolgens indijken van

betrekkelijk kleine stukken[45], is het gemakkelijk te begrijpen dat

dit zeker de meest nadeelige wijze zou zijn om grond aan te winnen.

Het betreft hier niet het leggen van nieuwe dijken _op_ de oevers van

nieuw aangewassen gronden, om deze van de zee af te sluiten, zooals

in Zeeland en elders nu en dan geschiedt. Maar hier zouden zware en

hooge afsluitdijken gelegd moeten worden _op den bodem der Zuiderzee_

en de aldus afgesloten stukken moeten worden drooggemaakt. Hoeveel

tienduizenden meters dijk zouden op die wijze moeten worden gelegd,

voordat men b. v. 100.000 HA. had ingedijkt? Dat zou toch zeker

millioenen guldens noodeloos in het water werpen zijn!

[45] A. HUET. De meest voordeelige wijze van landaanwinning in de

Zuiderzee.--Zwolle 1895.

Bovendien zou men op die wijze na zekeren tijd een oppervlakte hebben

aangewonnen, waarin wegen, spoorwegen, kanalen, enz. stuksgewijze

aangelegd zijn en dus zeker niet zulk een goed geheel zouden vormen,

als wanneer dat in eens had kunnen geschieden, terwijl ook in andere

opzichten niet zulk een goed geheel zou zijn verkregen dan bij

uitvoering in eens.

En hoe zou het dan met enkele minderwaardige veen- en zandgronden gaan?

Wie zal b.v., ook in onzen tijd, bereid gevonden worden om met veel

kosten de zandgronden op den bodem der Zuiderzee langs de Veluwe te gaan

droogleggen? Bij droogmaking in eens kunnen zij echter mede binnen de

groote Z.O. droogmakerij vallen, die overigens uit zeer vruchtbare

kleigronden bestaat, en bezwaren de kosten hiervan weinig, zelfs al

hadden zij in 't geheel geen waarde.

* * * * *

[Kantlijn: Achtereenvolgens indijken en droogmaken der 4 deelen zonder

afsluitdijk.]

Men kan echter nog anders handelen, nl. eenvoudig den afsluitdijk

weglaten en achtereenvolgens de vier groote deelen gaan droogmaken,

zooals dan ook èn door de Zuiderzee-Vereeniging èn door de

Staatscommissie ernstig is overwogen en vergeleken met het plan met

afsluitdijk.

Voor zulk een droogmaking _zonder_ afsluitdijk is meer te zeggen dan

voor een bij kleine gedeelten. De groote kosten van dien dijk, die in

de _eerste_ 9 jaar van het werk moet worden aangelegd, drukken dus door

hunne renten sterk die van het geheel. Daartegenover staat echter dat

dan de dijken der vier droogmakerijen niet meerdijken maar zeedijken

moeten zijn, waarvan de kosten 61 millioen gulden hooger geraamd worden

(Staatscommissie). Ook zullen dan de gemalen voor droogmaking en

drooghouding het water hooger moeten kunnen opbrengen, dus kostbaarder

zijn in aanleg en onderhoud (in aanleg f3.367.000 meer). Ten slotte

zouden de geheele kosten zonder afsluitdijk zijn (Staatscommissie):

f212.700.000, met rente f279.000.000 en met rente op rente

f293.000.000,--alleen deze laatste som is iets minder dan die met

afsluitdijk.

Het verschil in kosten kan dus niet beslissen.

Zwaarder weegt het argument dat door den afsluitdijk het werk tot één

geheel gestempeld wordt: is eenmaal die dijk gelegd, dan moet men _zoo

spoedig mogelijk_ alle vier genoemde gedeelten droogmaken en _zoo

spoedig mogelijk_ alle gronden uitgeven.

Kwamen er eens tijdsomstandigheden, waardoor de voortgang zeer vertraagd

of tijdelijk geschorst zou worden, dan konden daardoor verliezen

geleden worden.

Maar juist dat groote _geheel_ en wel zoodra mogelijk is het wat velen

in de eerste plaats wenschen en dat daarom naar hunne meening mag en

moet gewaagd worden.

Wat den een een bezwaar toeschijnt, vindt de ander juist een voordeel;

de een deinst voor mogelijke verliezen terug, de ander durft het aan,

ook al mochten zulke verliezen zich voordoen, het werk als één geheel

aan te pakken en te voltooien.

Daarover valt moeilijk te redeneeren; dat is, om met de Staatscommissie

te spreken, "voor een deel een quaestie van temperament".

En dit argument van spoedig te moeten afwerken vervalt grootendeels,

als men den afsluitdijk met bijkomende werken als een op zich zelf

productief werk beschouwt, waarvan de kosten althans voor een groot

gedeelte door de indirecte voordeelen zullen worden goedgemaakt, welk

gedeelte dus niet ten laste van de volgende werken zal behoeven te

worden gebracht.

En het zijn juist die groote voordeelen, die men mist bij een uitvoering

zonder afsluitdijk.

De Staatscommissie kwam daardoor toch tot het besluit "dat een

inpoldering met afsluitdijk te verkiezen is boven inpolderingen in de

Zuiderzee zonder voorafgaande afsluiting". Nu die voordeelen door nadere

beschouwing meer en meer van groote beteekenis zijn gebleken, veel

grooter dan waarop de Staatscommissie die schatte, is men zooveel temeer

gerechtigd tot het besluit: #Afsluiting en droogmaking volgens het plan

van de Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie.#

De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee. Weerlegging van bezwaren. uitgegeven door de Zuiderzee-Vereeniging · 第 26 / 31 题