Midden in ons klein land ligt een groote dikwijls onstuimige plas zout
water, een binnenlandsche zeeboezem, die door kostbare dijken en dammen
binnen zijn perken moet worden gehouden, waarop de scheepvaart dikwijls
lastig en gevaarlijk is, die in droge tijden voor gansche gewesten den
aanvoer van zoet water uit de groote rivieren geheel belemmert, die een
schamele visschersbevolking slechts een sober of geheel onvoldoend
bestaan oplevert...
Als men een groot gedeelte van dien plas afsluit en hem daardoor in
een veel kalmer zoetwatermeer verandert, dan moet de welvaart van de
omliggende gewesten zoo belangrijk stijgen, dat daardoor alleen de
kosten der afsluiting grootendeels, zoo niet geheel worden goed gemaakt.
Als men daarna de daarvoor geschikte gedeelten binnen de afsluiting
droogmaakt, dan verkrijgt men een nieuwe provincie, 30000 H.A. grooter
dan de Provincie Zeeland, met een bij uitnemendheid vruchtbaren bodem,
waarop ongeveer tweehonderd vijftig duizend menschen een goed bestaan
kunnen vinden, waardoor handel, nijverheid, marktwezen ook daarbuiten
zullen gebaat worden.
Daar zal men dan kunnen breken met het oude pachtstelsel en het
sociaal-landhuishoudkundig vraagstuk oplossen op de beste wijze die
theorie en praktijk aan de hand doen.
En wat in dat maagdelijk gewest door voorlichting van de meest
bevoegden op menig gebied zal worden toegepast en goede uitkomsten
geeft, dat zal ook daarbuiten navolging vinden tot heil van het gansche
land.
Nederland zal zijn internationale beteekenis zien rijzen door de
vreedzame verovering van een grondgebied, 11 à 12 Haarlemmermeren groot,
met een welvarende bevolking.
De natie zal door inspanning en strijd een grootsche daad hebben
verricht en daardoor aan kracht hebben gewonnen.
En dat alles zal verkregen worden met betrekkelijk weinige, misschien
zonder geldelijke opofferingen.
Dit alles zal in het volgende nog eens voor de zooveelste maal worden
aangetoond.
[Illustratie]