Onze plaat stelt een typisch tooneeltje in Palestina voor, nl. de
verdeeling van het land bij het begin van den zaaitijd. Om de plaat
goed te verstaan, is het noodig op enkele bizonderheden van het
Palestijnsche landleven wat nader in te gaan.
Palestina heet in den Bijbel het land, vloeiende van melk en honig. In
den letterlijken zin des woords is dat tegenwoordig niet meer zoo. Er
groeien in Palestina veel te weinig bloemen, dan dat er overvloed van
honig zou kunnen zijn. Daar echter honig weinig gevraagd wordt, is de
prijs niet bovenmatig hoog: ongeveer 60 cent per kilo. Anders is het
met de melk. In het voorjaar betaalt men voor koe- of geitenmelk 30 tot
36 cent per liter; in het najaar zelfs meer dan 60 cent. Trouwens er
zijn er die het ook voor de oude dagen niet letterlijk meenen te moeten
opvatten, maar het òf verklaren als: alle vruchten van Palestina zijn
zoo zoet als melk en honig, òf er onder verstaan: Israël zal in Kanaän
overvloed van melk hebben vanwege de veelheid der kudden en op allerlei
wijze honig kunnen bereiden, ’t zij als bijen- of vijgen- of dadel- of
druivenhonig. In dat geval zou de uitdrukking „vloeiend van melk en
honig” niet anders bedoelen dan te wijzen op de buitengewone
vruchtbaarheid van het land. Maar ook dàt kan van het hedendaagsche
Palestina niet meer worden gezegd. Het schijnt evenwel dat de
tegenwoordige toestand van het land veel meer een gevolg is van
verwaarloozing, en dat bij goede behandeling het land ook nu groote
opbrengsten leveren kan. Het Duitsche consulaat te Jaffa (Joppe)
schreef voor enkele jaren: „Bij de vruchtbaarheid van den bodem in het
algemeen zou het land zich tot een rijk en ook oeconomisch
beteekenisvol deel van het Turksche rijk ontwikkelen,” en een consul te
Haïfa schreef dat akker- en tuinbouw in dit land nog een groote
toekomst hebben. Uit allerlei sporen is nog op te maken dat men in
vroeger dagen de productiviteit van den grond beter heeft weten te
benutten dan tegenwoordig.
Er is echter de laatste 30 jaar weer een vooruitgang te bespeuren. In
sommige streken is het terrein voor landbouw verdubbeld, in de buurt
van Joppe worden voortreffelijke boomgaarden aangelegd; ook de wijnbouw
begint een groote rol te spelen. Abrikozen- en amandelkultuur begint
zich weer te ontwikkelen. En als de sociale positie der bevolking maar
een betere was, zou er heel wat meer energie ontwikkeld worden. De
voorwaarde voor een goed kultuurland zijn er goeddeels wel aanwezig.
Maar in alle geval zal de regenval in de oudheid een overwegenden
invloed hebben gehad, zoo goed als tegenwoordig. Reeds Deut. 11 : 10
vgg. wordt Palestina onderscheiden van Egypte hierin dat het een land
is, dat niet als een groentetuin kan worden bevloeid, maar dat den
regen van den hemel indrinkt, „een land waarvoor de Heer uw God zorgt.”
Het hedendaagsch Palestina vertoont buitengewoon sterk den invloed der
jaargetijden. Midden October heeft het land het meest verlaten en
onvruchtbaar aanzien: de velden zijn kaal, de vruchtboomen en wijnstok
leeg. Het groen is verdord of reeds afgevallen. De bodem hard als steen
met diepe scheuren door ’t opdroogen. Dat begint tegen het einde van
October, den tijd van den eersten regenval te veranderen, en van dat
oogenblik af vertoont het land van maand tot maand een ander aspect.
De Palestijnsche landman verdeelt het jaar in drie gedeelten, ingevolge
zijn landarbeid:
1e de tijd van ploegen en zaaien, van midden November tot einde
Januari.
2e de tijd van oogsten en dorschen, van Mei tot Augustus.
3e de druiven en olijventijd, van midden Juli tot midden October.
In den loop van October verzamelen zich wolken in het Westen,
plotseling steekt een hevige wind op, en alles is in verwachting van
den komenden regen, die meestal gepaard gaat met onweer. Eenige zware
dikke regendruppels kondigen den naderenden stortvloed aan en worden
met gejuich begroet. Dat is de „vroege regen” waarvan ook in den Bijbel
zoo dikwijls sprake is. Den 16en November viert men in Lydda,
noordwestelijk van Jeruzalem, het feest van een zekeren heilige, die
door de Joden Elias, door de Mohammedanen el-Chidr, door de Christenen
St. George wordt genoemd. Zijn feest beteekent voor den Palestijnschen
fellah het begin van de landarbeid, nl. wanneer minstens 14 dagen van
te voren de regentijd is begonnen. Soms blijft hij uit tot midden
November, ja zelfs tot December, en komt pas tegen dat de echte
winterkou optreedt. Dat is groote schade voor den fellah, want zoodra
de op tijd komende „vroege” regen den uitgedroogden en door de droogte
gebarsten bodem heeft doorweekt, kan hij beginnen met het
„winterkoren”. In dezen tijd verplaatst ons de scène op de plaat. Al
moet bij het woord „winterkou” niet aan onze winters worden gedacht,
toch is ’t er vaak zóó, dat de temperatuur beneden het vriespunt komt,
en sneeuw is niets ongehoords. De maand Februari staat in een kwaden
reuk. Bij de grillige „Maartsche buien” vertelt men elkaar gaarne een
anecdote: „een oude vrouw, blij dat de gure Februari-dagen ten einde
liepen zei: daar gaat Februari, en krijgt „’t heilige kruis” na. De
maand Februari voelde zich beleedigd en zon op wraak. Hij verzocht aan
zijn broeder Maart om drie dagen, om samen die oude vrouw met haar
spinnewiel te straffen. Maart willigde in: en begin Maart woedden de
gure buien met nieuwe kracht, en de koude werd ondragelijk. De oude
vrouw verbruikte al haar brandhout, en toen dit op was, verbrandde ze
haar spinnewiel, en stierf ten slotte van kou.” Zoo’n verhaal bewijst
voldoende dat men ook in Palestina de „Maartsche buien” kent. De
Palestijnsche boer heeft een spreekwoord: „als ’t gedijt: Maart komt
nog; als ’t niet gedijt: Maart komt nog,” d.w.z. gij moet bij goed en
bij slecht vooruitzicht uw oordeel opschorten, totdat Maart voorbij is.
Het uitblijven van den regen beteekent voor den Palestijnschen boer een
mislukte oogst. Dan worden bidstonden gehouden, speciaal ook Maria, de
„regenmoeder” wordt aangeroepen, en processies worden gehouden, waarbij
de schuldbelijdenis soms een groote plaats inneemt: om onzer zonden
wil, is de zomer tot winter geworden! Een eigenaardig gebruik is ook,
dat bij het uitblijven van den regen vrouwen met ledige korenmolentjes
in de hand naar buiten loopen, de molentjes doen draaien, zingend dat
ze niets te malen hebben. Dit gebruik heerscht vooral te Nazareth.
Kinderen loopen met een leege petroleumkan in de eene, en een stok in
de andere hand, waarmee ze aan de ledige kannen een soort van muziek
ontlokken, schreeuwend door de straten. Daarbij klagen ze over het
gebrek, waardoor ze geen nieuwe kleeren kunnen koopen en straks
misschien, als weleer Jakob naar Egypte de wijk moeten nemen. Op
sommige plaatsen wordt vooral Sint Nicolaas om regen gebeden. Een in
onze oogen zeer zonderling gebruik vindt men bij sommige
mohammedaansche fellahs: een oude vrouw wordt op een ezel gezet,
terwijl ze een haan in de hand houdt. In optocht, waaraan tal van
dorpelingen deelnemen, wordt ze naar het dorpshoofd gevoerd. Onderweg
drukt en knijpt ze den haan zoolang, tot hij kraait. Dit alles gaat
gepaard met het opzeggen van een kreupelrijm, vragend om regen. Bij het
dorpshoofd aangekomen, treedt deze naar buiten, besprenkelt de menigte
met water en zegt: God moge u met uws Heeren barmhartigheid drenken.
Tot recht verstand moeten nog enkele opmerkingen voorafgaan over het
grondbezit. Men kan in Palestina onderscheiden, wat het gekultiveerde
land betreft, drie soorten van bouwland. Het eerste heet ard miri, d.i.
staatsdomein, regeeringsland. De naam is afgekort voor ard emiri. De
emir is de regeeringspersoon, de stadhouder. Tot dit ard miri behooren
vooral de groote vlakten, zooals de vlakte van Jaffa, Ramle, Esdrelon
enz. Deze landerijen worden door de regeering aan een geheel dorp of
ook aan enkele personen verpacht. De pachter moet voor het recht van
bebouwen den pachtheer de tienden opbrengen. De pachter heeft
natuurlijk niet het recht om miri-land te verkoopen, maar heeft alleen
het recht van bebouwen gedurende langeren tijd. Dat recht blijft
gedurende het leven van den pachter van zelf voortbestaan; komt hij te
sterven dan gaat dat recht op zijne kinderen of zelfs verdere verwanten
over. Heeft hij die niet, dan valt het weer terug aan den Staat, en
volgt een nieuwe verpachting. Een groote belemmering is ook dat de
velden waarop sedert jaren de bedoeïenen met hunne kudde rondzwierven,
nadat ze in particuliere handen zijn overgegaan, door de bedoeïenen nog
steeds als een soort eigendom worden beschouwd, zoodat ze den daarop
groeienden oogst vaak vernielen of rooven.
De tweede soort grond heet: ard wakf, wij zouden zeggen: ad pios usus.
Dat is land dat door een vroegeren eigenaar geschonken is aan een of
andere stichting, klooster, moskee, school, armenhuis enz. Sommige
zulke stichtingen, zooals de Omarmoskee te Jeruzalem, hebben
uitgestrekte landerijen in bezit. Men zegt dat vooral christelijke
boeren zich door de kloosters lieten overhalen hunne akkers aan de
kloosters af te staan, en zelf als vruchtgebruikers het land bleven
bebouwen, ze dachten daardoor van de zware en vaak onbillijke
belastingen af te komen, maar raakten natuurlijk van den regen in den
drup. Dit land is eenigszins te vergelijken met onze
„kloostergoederen”. Ook dit land kan niet verkocht, maar alleen
verpacht worden. De tiende wordt hiervan natuurlijk aan de bepaalde
stichting ter hand gesteld, d.w.z. aan den bestuurder van zoo’n wakf
(stichting), maar men zegt dat daar dikwijls niet veel van terechtkomt,
en die bestuurders ’t hoofdzakelijk voor eigen onderhoud gebruiken.
Het derde soort land heet ard mulk d.i. eigendom. Dat is zooals de naam
al zegt, land waarover de eigenaar de vrije beschikking heeft,
daarnaast onderscheidt men dan nog braakliggend land (ard-búr) en dood
land (ard-mejjite). Deze beide laatste soorten ontbreken in Palestina
met zijn slechte oeconomie, niet.
Van het voor bouwgrond bruikbaar land is het overgroote deel ard miri
of ard wakf, waarvan de bebouwers dus slechts pachters zijn. Bij de
meeste dorpen behoort een stuk van het omliggende land, dat ze sedert
onheugelijke jaren op deze wijze in pacht hebben. Dat land ligt zonder
scheiding of grens tusschen de verschillende akkers als één groote
vlakte rondom het dorp. De bebouwers wonen dan niet, zooals wij dat bij
ons vaak kunnen waarnemen, verspreid, ieder op hun stuk land, maar bij
elkaar in het dorp. Dat hangt eenerzijds samen met de meerdere
veiligheid, anderzijds met het feit dat zij niet individueel pachters
zijn, maar dat het dorp als geheel pachter is. Dat is van oude tijden
al zoo geweest. Toen Jozua volgens het bijbelsch verhaal aan Israël bij
het lot zijn grondgebied aanwees, beteekende dat niet dat elke
Israëliet een bepaald stuk land ontving, maar werd het land verdeeld
aan de stammen, en binnen elken stam weer aan de geslachten, en binnen
elk geslacht weer aan de families. De families woonden, zooals we
vroeger al zagen, gaarne bijeen in het zelfde dorp, en in grootere
dorpen in bepaalde kwartieren. En ook toen de familieverhouding
tusschen de leden van één dorpsgemeenschap fictief werd, bleef toch
altijd het te-zamen-behooren in het volksbewustzijn leven.
Zoo ligt dus om elk dorp een groote strook land, die als
gemeenschappelijk bezit geldt, ten minste als pachtbezit, en waarvan de
deelen door geen heg of sloot zijn gescheiden. Dat is het „veld” (sade
waarvan in den Bijbel zoo dikwijls sprake is). Toch is er wel een
scheiding tusschen de stukken die ieder ter bebouwing krijgt. Zoo’n
apart stuk heet chakel, in den hebreeuwschen bijbel chelka, waarvan
b.v. sprake is 2 Kon. 9 : 25, waar Jehu beveelt het lijk van Achab te
werpen op het stuk land van Nabot, of Ruth 2 : 3, waar Ruth aren leest
op het deel van het veld van Boaz. (In de Statenvertaling staat onjuist
„een” deel van het veld van Boaz, er wordt mee bedoeld dat stuk land
dat door Boaz werd bearbeid). Het woord chelka werd en wordt ook
gebruikt voor een akker dien men in vollen eigendom heeft, maar uit den
naam chelka is nog te zien dat de oorspronkelijke bedoeling was: een
stuk land ter bebouwing toegewezen.
Zulke stukken land dragen dikwijls een eigen naam: de patrijsakker, de
muizenakker, de bronnenakker, de pottebakkersakker, enz. Zoo vinden wij
in Matth. 27 : 8; Hand. 1 : 19 gesproken van den bloedakker, in het
syro-chaldeesch: hakel-dama, waarvan het eerste woord natuurlijk gelijk
is aan het bovengenoemde chakel.
Op welke wijze worden deze stukken (chakels) onder de bewoners
verdeeld? In November, bij het begin van den regentijd, ligt het ard
miri zonder eenige onderverdeeling als één groot uitgestrekt veld
rondom het dorp. Is nu de tijd tot ploegen gekomen, dan verzamelen zich
allen die een stuk land „onder de ploeg” willen hebben in de saha (open
plein) of madafe (herberg), zooals op onze plaat te zien is. De imâm of
chatib, wij zouden zeggen, de burgemeester, die allerlei functies
tegelijk vervult, en gewoonlijk de eenige is die behoorlijk schrijven
kan, is de voorzitter. Op de plaat is hij op den voorgrond hurkende
voorgesteld. Hij neemt de namen van alle aanwezigen op, en schrijft
achter hun naam het getal „ploegen” waarover deze beschikt. Een „ploeg”
wil zeggen: één juk ossen. Heeft iemand maar „een halven ploeg” d.w.z.
één trekdier, dan voegt hij zich met een ander die in gelijke conditie
verkeert, tezamen. Wanneer nu b.v. 40 „ploegen” in het geheel zijn
opgegeven, dan worden die in 4 groepen verdeeld, elk van 10 ploegen, en
over elk van die groepen wordt een chef gekozen, die voor hen handelt,
en hen vertegenwoordigt. Zijn nu aldus de deelnemers in 4 groepen (elk
van 10) verdeeld, dan wordt het geheele te bebouwen terrein, zoodanig
in vieren verdeeld, dat het slechte en ’t goede land gelijkelijk aan de
4 groepen toevalt. Over deze verdeeling in vieren, die wegens het
groote verschil in vruchtbaarheid van het land zeer moeielijk billijk
uit te voeren is, worden tusschen de chefs der afdeelingen vaak
langdurige besprekingen gevoerd. Zijn ze het over deze indeeling eens,
dan wordt het lot geworpen, aan wie der 4 groepen elk der 4 deelen zal
komen. Onze plaat stelt het oogenblik dier loting voor. Dat gebeurt nl.
zoo dat elk der chefs een of ander voorwerp, steentje, blikje enz. doet
in een leeren zak, dien de chatib in de hand houdt. Nu noemt de chatib
een der 4 deelen waarin het geheel verdeeld is, door de namen der
„akkers” op te noemen, waaruit dat deel bestaat. Onderwijl wordt een
kleine jongen opgedragen een der 4 voorwerpen uit de zak te nemen.
Degene der chefs, van wie dit voorwerp is, krijgt het stuk land,
waarvan de naam genoemd is. Men kiest voor het uitnemen der „loten”
graag een klein kind, om knoeierij te voorkomen. Op dezelfde wijze
wordt met de andere drie stukken land gehandeld.
Nu is het land dus verdeeld in 4 groote stukken, elk van 10 „ploegen”.
Dan beginnen de chefs de hun toegewezen stukken te verdeelen onder de
menschen van hun afdeeling. Daartoe wordt het toegewezen stuk verdeeld
in tien akkers, en elk der tien akkers in tien strooken, welke door een
osseprikkel (een stok van ongeveer 8 voet lengte of door een ander
meetsnoer) worden afgemeten. Op den achtergrond onzer plaat zien wij
mannen bezig de akkers uit te meten. Dat verdeelen der akkers in tien
strooken geschiedt omdat niet ieder een afgebakend stuk van het geheel
krijgt, maar van elk tiende deel een stuk, wat alweer gebeurt om
redenen van billijkheid: anders zou de één een veel vruchtbaarder stuk
onder den ploeg kunnen krijgen dan de ander. Het behoeft niet eens te
worden gezegd, hoe verderfelijk deze manier van landverhuren voor het
land zelf is. Daar een fellah bijna zeker weet dat hij elk volgend jaar
een ander stuk land onder den ploeg zal krijgen, doet hij natuurlijk
niets om het te verbeteren, onkruid weg te ruimen of te bemesten. Hij
haalt er eenvoudig uit wat er uit te halen is, er niet om gevend in
welken toestand zijn opvolger het volgend jaar dien akker vinden zal.
Onze Nederlandsche boeren zouden zulk een manier van landbewerking
„roofbouw” noemen.
Zulk een meetsnoer wordt ook in het oude Testament herhaaldelijk
genoemd, het heet daar chebel. Zoo bedreigt Amos de goddelooze
Israëlieten dat hun land door het meetsnoer (chebel) zal verdeeld
worden aan anderen (Am. 7 : 17), en wordt in Psalm 105 : 11 gezegd dat
Kanaän aan Israël is ten deel gevallen door het meetsnoer. Zeer
bizonder licht valt hieruit op de bekende bijbelplaats Psalm 16 : 5b en
6, waar letterlijk vertaald, gezegd wordt: „gij handhaaft mijn lot; de
meetsnoeren zijn mij gevallen in liefelijke oorden, ja mijn erfdeel
bekoort mij zeer.” Als wij bedenken dat dit woord gesproken werd te
midden van een volk dat aan de jaarlijksche uitmeting en loting van het
land gewoon was, krijgt deze uitdrukking een zeer teekenachtig
karakter. „Gij handhaaft mijn lot.” Het woord dat hier door „handhaven”
is vertaald, levert eenige moeielijkheid, maar ik geloof toch den
juisten zin te hebben weergegeven. Gij handhaaft mijn lot, zegt de
dichter, en wil er mee zeggen: gij o God zult het mij toebedeelde
beschermen tegen elken vijandigen aanval. „God handhave mijn lot” zegt
nog heden ten dage de man wiens steentje uit den zak kwam, en wiens
„lot” daarmee was aangewezen. Het woord „lot” in Psalm 16 heeft dus
niets te maken met levenslot, maar is bij wijze van overdrachtelijke
uitdrukking den naam voor het stuk land, dat door het lot is
toegewezen. De dichter stelt er te meer prijs op dat God zijn lot
handhaaft, omdat „de meetsnoeren hem gevallen zijn in liefelijke
oorden.” Letterlijk wil dat natuurlijk zeggen dat hij bij het uitmeten
van het land mooie stukken land heeft getroffen, want hoeveel moeite
men ook deed om alles evenredig te verdeelen, toch kon ’t niet
uitblijven dat de een een vruchtbaarder stuk land kreeg dan de ander.
Maar de dichter spreekt hier in beeldspraak, en wil zeggen dat zijn weg
zoo voorspoedig is geweest, dat alles hem is „meegeloopen”, en in dat
meeloopen ziet hij Gods hand, die hem leidde, en van wien hij dan nu
ook verwacht dat hij zijn lot handhaven zal en de liefelijke oorden,
waarin zijne meetsnoeren vielen, in zijn bezit zal doen blijven.
Ook Spreuk. 1 : 14 vindt hier zijne verklaring. Daar staat: laat uw lot
in ons midden vallen, d.w.z. ga onder ons wonen, zoodat gij te zamen
met ons deelneemt aan de loting en meting des lands. Een zeer
duidelijke toespeling vinden we ook in Deut. 32 : 9 want des Heeren
deel (chèlek) is zijn volk, Jakob is het meetsnoer (chebel) zijner
erfenis. Dat is een bizonder mooi beeld. De gedachte is deze: De heele
aarde met alle volken is het veld, de sade, of bouwgrond, bestaande uit
tal van chèlka’s of akkers, elk verdeeld in strooken door ’t meetsnoer,
waarvan een deel, Israël, is toegevallen aan Jehovah, Jakobs God. In
Jes. 34 : 17 blijkt dan dat die gedachte ook bij de profeten geliefd
is: Hij zelf heeft voor hen het lot geworpen, en zijne hand heeft het
hun uitgedeeld met het meetsnoer, tot in der eeuwigheid zullen zij dat
erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.
Was eenmaal aan ieder zijn deel door het meetsnoer toegewezen, dan was
men er op bedacht de grenzen daarvan tegenover den buurman duidelijk af
te bakenen. Men deed dit door het plaatsen van een grenssteen, in de
Statenvertaling „landpale” genoemd. Het behoort tot de schandelijkste
misdrijven „zijns naasten landpale te verzetten” (Job 24 : 2) waarom
reeds in Deut. 27 : 17 den vloek wordt uitgesproken over wie dat durft
doen.
De landpalen te verzetten was te schandelijker omdat het zoo
gemakkelijk was, en in een oogenblik te volvoeren, zonder dat iemand
het merkte. Ik heb geen aanduidingen kunnen vinden voor de
Palestijnsche fellahs, van de gewoonte, die men wel bij de
Nederlandsche boerenbevolking aantreft, om nl. op bepaalde plaatsen den
grenssteen in den grond te graven, zonder dat de buurman weet waar hij
zit. Met een hooivork met lange tanden voelt men dan van tijd tot tijd
of de grens nog met de plaats van den grenssteen overeenkomt. Trouwens
deze manier van doen zou ook in Palestina bij het jaarlijks uitmeten
niet kunnen worden toegepast, zonder dat men het heele veld
langzamerhand vol steenen stopte. In het oude Babel bekleedden die
grenssteenen een groote plaats. Er zijn er al heel wat gevonden,
groote, eenigszins behouwen steenen met tal van opschriften en
afbeeldingen bedekt. Die opschriften bevatten soms heele verhalen om
het eigendomsrecht uiteen te zetten, en eindigen met een schrikkelijke
vloekformule voor wie den steen zou willen wegnemen of schenden.
Gewoonlijk zijn dan tal van godenfiguren bovendien afgebeeld om den
vloek kracht bij te zetten.