DE GEWONE SOLDAAT.

Wij hebben in de voorgaande bladzijden de hoofdofficieren bewonderd

van het groote leger van den arbeid en den vooruitgang, strijdend

tegen sleur en behoud. Telkens drong het leger verder door,

het rijk der duisternis veroverend, zijne regeerders trotseerend,

overwinnend. Telkens zagen wij hoe de vijand dien voortgang stuiten

wilde, zich in allerlei vestingen verschanste, uitvallen deed, zich

terugtrok en nieuwe vestingen opzocht, die hij met hand en tand

verdedigde, en hoe ondertusschen de kleine maar edele keurbende,

gewond en vermoeid, met heldenmoed voortschreed en telkens nieuwe

steden en provinciën aan het rijk des lichts toevoegde.

Zeker, de hoofden van dien strijd hebben veel te verduren gehad. Zij

stonden op de gevaarlijkste punten en op hen waren de kogels

gericht. Zij gingen de gelederen voor, en het punt, waar hun pluim

wapperde, was des vijands mikpunt. Zij zijn gewond weggedragen, zij

zijn gesneuveld, zij zijn bij den weg neergezegen; maar zij zijn

niet de eenige offers geweest, die de arbeid, die de vooruitgang

gekost heeft. We willen ten slotte nog een woord spreken over de

arme soldaten, de eenvoudige fuseliers, op wie niemand gelet heeft,

die niet bij personen, maar bij tien- of honderdtallen geteld worden,

die opkomen bij massa en in massa worden weggemaaid, zonder dat hunne

namen beroemd of ook maar bekend worden.

Toch is men aan dit leger even goed de overwinning verplicht, als

aan den overste. 't Is waar--zonder overste zou het een hoop zijn,

een reddelooze troep. Het genie wijst den weg, ordent, schept uit

den chaos des volks regimenten en compagnieën, stelt onderofficieren

aan, leidt den aanval, kiest de wapenen; maar wat zou het genie

zijn zonder de gehoorzaamheid, den goeden wil, den goeden geest, de

kracht, den gezamenlijken arbeid van het volk? Soms is het oproerig en

dreigt het de Jacquards te water te werpen, maar, leidzaam en klein

tegenover hem die weet te gebieden, laat het, hoe machtig ook door

zijn aantal, van zijn voornemen af, wanneer een paar kloeke mannen,

zijne meerderen in adel en moed, zich tusschenbeiden werpen en werken

op zijn edelmoedigheid en zijne betere gezindheden.

Eere dat groote leger, eere den grooten hoop, zonder epauletten en

kwasten en strepen, marcheerend met doorgeloopen voeten, zwetend

onder zware ransels, wadend door plassen, staande op sombere, stille,

gevaarlijke, vervelende posten, op den roep zijner hoofden vaardig,

oprukkend met een lied op de lippen, al is het geen krijgsklaroen,

maar een prozaische fabrieksbel die hen roept!

Want met de soldaten van de wetenschap hebben wij te doen, met

het volk dat het grove werk doet, dat in tropische gewesten bij de

heete ovens en machines onzer mailbooten staat, dat zijne uren in

de verzengende droogkamers der fabrieken doorbrengt, dat tusschen

dreigende raderen en hamers doorwandelt en, bij een pand van zijn

kleed gegrepen, weggeslingerd of verpletterd wordt. Het kucht

van het stof, hetwelk het inademt, en dat in de messenfabrieken de

longen vult met moordend ijzervijlsel; het wordt vergiftigd door den

dampkring waarin het leeft; martelaar voor dezelfde zaak, waarvoor de

hoofden stierven. Waar ketels springen, waar tunnels storten, waar

steigers vallen, waar dynamiet ontploft, zij zijn er bij. Toch gaan

zij voort. Doen zij ook geen ontdekkingen, zij brengen er toch het

hunne toe bij. Zij brengen haar in werking, en waar het noodig is,

weten ook zij te lijden en te sterven.

De geschiedenis der mijnwerkers zou alleen reeds een voldoend aantal

voorbeelden kunnen opleveren van moed en toewijding. Zij bevat zoo

menig hartverscheurend drama. Wij hebben ze voor het grijpen.

Den 11den April 1877 werd de put Tynewidd door een groote ramp

bezocht. Zij ligt in het graafschap Glamorgan, dat van alle districten

van Wales het rijkst is in steenkool en ijzer. De werklieden maakten

zich juist gereed naar boven te stijgen, toen er een vervaarlijk

gedruisch in de mijn werd gehoord. Door een lek stortte het water

van de rivier de Ronde de gangen binnen en vulde ze met vreeselijke

snelheid. IJlings liep het volk naar de manden, waarin het zou worden

omhoog getrokken, doch bij de monstering miste men veertien man. Als

een geweldige wind stroomde de opgestuwde lucht uit den mond van de put

en van binnen werd nog altijd het gedruisch van het water vernomen. Er

was weinig kans dat de veertien man behouden gebleven zouden zijn. Ze

moesten door het water in den afgrond gesleurd of in de nauwe zich

vullende gangen verdronken zijn. Doch eenige vrijwilligers wilden dan

ten minste de lijken der ongelukkige slachtoffers zien te redden--een

vroom en edel gebruik, waarvan de mijnwerker zich niet laat afbrengen,

al moet het hem zijn leven kosten.

Terwijl zij samen overlegden welke maatregelen zij treffen zouden,

hoorden zij, onder den bodem waarop zij stonden, een herhaald

kloppen. Daar moesten eenige werklieden gevangen zitten onder een

kolenlaag van een tiental meters dikte. De lucht was door den aandrang

van het water samengeperst geworden, de saamgeperste lucht had in de

doodloopende gang of de kamer het water tegengehouden, en zoo zaten

de ongelukkigen daar als in een duikerklok opgesloten.

De kloeke redders begonnen met de noodseinen der gevangenen te

beantwoorden en insgelijks hard te kloppen. Vervolgens trachtten zij

een opening te maken, waardoor licht en leven zou binnenstroomen. Na

vierentwintig uren gewerkt te hebben, bleef er slechts een dunne

laag over. Onder degenen, die met den meesten ijver in den zwarten

scheidsmuur hakten, behoort William Morgan. Hoe verder hij komt,

hoe krachtiger hij toeslaat. Eindelijk scheurt het laatste gedeelte

onder zijn houweel in stukken, en de ongelukkigen zijn gered; maar

de samengeperste lucht breekt tegelijk, met al het geweld eener

ontploffing, uit haar kerker los, en werpt den ijverigen redder

dood voor den grond, op het oogenblik waarop hij zijn makkers in

vrijheid stelt.

Nauwelijks is dit geschied, of nieuwe noodseinen worden gegeven. In

een ander gedeelte van de mijn zitten er nog meer gevangen. De dood

van Morgan schrikte niemand af. Dagen verstrijken bij den aanhoudenden

arbeid. Twee helden, Isaac Pride en Happy Dodd, houden vol. Na negen

dagen arbeidens hebben zij een gat geopend, waardoor zij, te midden

van een fellen luchtstroom en opspuitend water, vijf man levend naar

boven brengen. Zij hadden negen dagen in dien ellendigen toestand,

half in het water, doorgebracht, zonder voedsel, zonder versche

lucht. Zij hadden een kind bij zich, dat zij, in weerwil van hun

uitputting, aanhoudend in de handen omhoog geheven hadden, om het

boven het wassend water te houden.

Loopen de mijnen vol, zij storten ook in, of het mijngas ontploft en

richt in de schachten en gangen geweldige vernielingen aan.

Den 17den April van het jaar 1879 had er een ontploffing van mijngas

plaats in de put No. 2 van Agrappe, bij het spoorwegstation van

Frameries, in de nabijheid van Mons (België). Alle voorzorgen waren

genomen en wel met de meeste nauwkeurigheid, en 's morgens waren

200 werklieden in de mijn nedergedaald. Ten half acht ure maakte men

de opmerking dat een vuile reuk uit de schacht oprees, en men zond

den mijn-ingenieur een ijlbode om hem met dit ongewoon verschijnsel

bekend te maken. Immers moest de schacht dienen om de versche lucht

binnen te laten. Maar voordat eenige hulp kon geboden worden, was de

werkplaats van den machinist met mijngas gevuld. Onmiddellijk volgde

er een ontploffing, waarbij tien personen het leven verloren. Te

gelijkertijd vlogen de vlammen uit de mijnschacht naar het houten

getimmerte op, dat terstond in brand geraakte, en die ontzettende

gasvlam, van 3.60 M. in omtrek, bleef twee uren lang branden, zonder

dat het vuur zich aan de diepte mededeelde. Er werd dan ook in al

dien tijd geen ontploffing vernomen. Ten half tien ure evenwel was

het vuur gedaald en hoorde men onder den grond het gedreun eener

ontploffing. Van kwartier tot kwartier herhaalde zich dit, en ten

elf ure had de negende, de laatste, maar tevens de geweldigste

losbarsting plaats. Wat was er ondertusschen in de diepte van de

mijnwerkers geworden? De mijn was ontoegankelijk, de gloeiende,

vlammende, rokende balken vielen in en op den luchtkoker en op den

ingang neer. Ten half vier ure had men den luchtkoker, een put met

ladders, vrij gemaakt van het brandend hout. Men redde 87 arbeiders,

en vernam met ontsteltenis, dat de anderen naar de benedenste gangen

waren nedergedaald. Zij moesten daar allen zijn omgekomen. Den 4den

Mei had er te Frameries een eigenaardige plechtigheid plaats. Aan

elf mijnwerkers werd de Leopoldsorde uitgereikt, tot een belooning

voor hun edelmoedig gedrag bij het redden hunner makkers.

Overal ontmoet men zulke martelaars voor eer en plicht. Zij maken geen

naam, ook niet bij een dankbaar nageslacht, maar behooren niettemin

tot degenen, die begrijpen wat het leven is, wat het vordert.

Zoo een enkele maal dit boek het gemoed heeft bewogen en geroerd;

zoo al deze edele daden en voorbeelden den lezer eerbied hebben

ingeboezemd; zoo zij de gedachte hebben verlevendigd, dat zijn

plicht te vervullen en te arbeiden het hoogste is en blijft, en alle

offers waard is, dan is dit werk niet te vergeefs geweest. Want dit

boek moge meer zijn dan een verzameling curiositeiten: het is een

prediking. Zoovele namen hier schitteren, zoovele getuigen hebben wij

opgeroepen voor de grootheid van een leven van strijd en zelfopoffering

en toewijding. Al deze mannen hadden een burgerlijk bestaan kunnen

vinden, hadden geld kunnen verdienen, schade en vervolging kunnen

ontloopen: zij hebben het niet gedaan. In hun binnenste brandde de

liefde voor de waarheid. Ook toen zij werden tegengehouden, toen de

wereld zeide: »gij zult de sleur volgen, of anders zullen wij u wel

dwingen uwe pogingen te staken," ook toen zijn zij voortgegaan,

ja, de tegenstand prikkelde hen, en naarmate zij meer offers

brachten, hebben zij de zaak, waaraan zij zich wijdden, meer lief

gekregen. Onpraktisch vaak en niet wijs naar de wereld, hebben zij

anderen het voordeel gegund of moeten afstaan van hun arbeid, terwijl

zij tevreden waren met de blijdschap hunner vinding. Welgedane en

gegoede menschen van zaken zien op hen neder en halen de schouders

op; en in een tijd van geld maken en fraaie kleederen dragen moeten

deze helden, die vrijwillig ontbering en armoede geleden hebben,

wel dwazen gelijken. Maar de genius der menschheid kroont hen. Zij

hebben geleefd voor een denkbeeld, voor een schoon plan, voor eene

waarheid en zich rijk gevoeld. Met hunne eigene gedachten hebben zij

verkeerd, verheven boven de kleinheid der wereld, zelfgenoegzaam en

in vrede met zich zelven. Stil en nederig zijn zij hun weg gegaan,

trouw en goed; want opmerkelijk is het, hoeveel adel des harten zich

aan den adel des geestes paart. Anderen eindelijk hebben zij den weg

gewezen, de wereld hebben zij verder gebracht, en terugziende op de

wolk van getuigen, zullen wij niet meer zeggen, dat zijn voordeel te

bejagen en 't er van te nemen het hoogste en het beste is.

Aan niemand kan worden aangetoond dat een leven voor een schoon doel

het ware, echte leven is, al wordt het ook slecht beloond. Maar licht

zal de grootheid van ziel, licht zal de deugd op deze bladzijden

voor zichzelve spreken, waar zij zich in haar eenvoud en schoonheid

openbaart. Een praktische zin is zeker geen geringe gave. Maar is niet

de kunst, de vinding, de ontdekking, het openen van nieuwe wegen, het

voorgaan langs het nieuwe spoor de hoogste, de beste praktijk? Waren

zij niet in de hoogste mate praktisch, onze martelaars, waar zij in

hun geestdrift en liefde zulk een kloeken greep deden in het leven,

dat de wereld er den schok van gevoelde en door hen veranderd en

verbeterd werd?

Zoo laat ons dan een open oog houden om deze dingen te bevorderen,

een hart om deze mannen te vereeren, om hun liefde, opoffering en

volharding in het goede te verstaan en na te volgen!

De martelaars der wetenschap · 第 26 / 27 题