Het leven van een geneesheer is vaak een martelaarschap, in zoover
het arm is aan datgene, wat de menschen genot noemen, en rijk aan
moeite, zorg en gevaar. Wie telt de offers die door geneeskundigen
zijn gebracht? Wie telt ze, die zelven als offers zijn gevallen
onder vermoeienis, waken en besmetting, met hun leven menschenlevens
reddend? Een gansch leger staat op van helden, die in eenvoud hun
moeielijke taak hebben volbracht, den dood onder de oogen hebben
gezien, en die samen getuigen ten gunste van het menschenhart en van
den onuitputtelijken schat van menschelijkheid, die in onzen boezem
is weggelegd.
Maar niet alleen de uitoefening der geneeskunst, ook de studie zelve
heeft hare martelaars; martelaars als Bichat, die den 8sten Juli 1802
op de snijkamer van een gasthuis bezig met proeven te nemen omtrent
de ontbinding van de huid en iets opmerkende dat zijn aandacht trekt,
trouw blijft voortwerken te midden van de verpestende lucht, terwijl
zijne discipelen één voor één ontvluchten. Hij werd echter, toen hij
zijn werk gedaan had door een bezwijming overvallen, en boette zijn
onderzoek en kocht de waarheid met zijn leven.
Vesalius, die de vader mag genoemd worden der ontleedkunde,
bestudeerde het menschelijk lichaam op een wijze, waarvan thans de
meeste studenten, hoe gehard ook, zouden walgen. In zijn tijd verbood
het godsdienstig vooroordeel lijken te openen. Maar Vesalius, een
achttienjarig jongeling, van liefde voor de wetenschap brandend,
deinsde voor niets terug, om zich het zoo begeerde cadaver te
verschaffen. Hij toog gansch alleen, in het holle van den nacht, naar
het galgenveld heen en vocht met de honden om zijn half verteerde
prooi.
Vesalius behoorde tot de groote geneesheeren van zijn eeuw en was
langen tijd de eerste heelmeester in de legers van Karel den Vijfde. Na
diens afstand volgde hij Filips II naar Spanje, en volgens sommige
schrijvers werd hij door de Inquisitie ter dood veroordeeld. De
koning zou hem gratie hebben verleend en zijn straf hebben veranderd
in een boetedoening, en wel in een gedwongen bedevaart naar het
Heilige Land. Hoe het zij, hij is te Cyprus en Jeruzalem geweest en,
op zijn terugtocht, ergens op een eiland gestrand en van ziekte en
ellende omgekomen.
Minder ongunstig voorzeker waren de omstandigheden, onder welke onze
landgenoot Jan Swammerdam zich bevond. Toch behoort ook hij tot het
groote leger dergenen, die voor de wetenschap hebben geleefd en voor
haar alleen, en wier toewijding door den tijdgenoot maar al te weinig
erkend is geworden. Jan Swammerdam werd den 12den Februari 1637 te
Amsterdam geboren. Hij studeerde te Leiden in de medicijnen, maar
wijdde zich niet aan de praktijk. Hoewel hij een geacht geneesheer
had kunnen zijn en roem en voordeel verkregen zou hebben, gaf hij
zich geheel aan de studie der anatomie over. Hij heeft op dit gebied
zich een waar vernuft betoond. Als knaap en jongen zwervende door
het vrije veld, of snuffelende in het rijk voorziene natuurkundige
kabinet zijns vaders, had hij reeds vroeg met de wonderen der natuur
kennis gemaakt. Hij schikte en werkte daarin naar hartelust, en later
onderscheidde hij zich door zijn onvermoeide pogingen om achter
de geheimen van het dierlijk leven te komen. Zelfstandige studie
en ernstig onderzoek gingen daarbij boven de bespiegelingen der
studeerkamer. Nauwkeurig tot in het minste, onvermoeid, bedeeld met
een handigheid en een gezichtsvermogen, die hem in staat stelden de
fijnste voorwerpen en werktuigen te hanteeren, geduldig, doorzettend,
heeft hij op het gebied van de ontleedkunde ware veroveringen gemaakt,
en vooral de leer der verrichtingen van het levende lichaam is door
hem op zoodanige wijze behandeld, dat men telkens meent een onderzoek
uit onze dagen, geen arbeid van 1767 voor zich te hebben. Over de
ademhaling en de beweging der spieren heeft hij meesterstukken van
geleerdheid en waarheid geleverd. Verscheiden vragen op het gebied
der physiologie heeft hij beantwoord op een wijze, die door de
hedendaagsche wetenschap slechts bevestigd wordt. Zijn hoofdstudie
bestond in een onderzoek naar het leven der lagere diersoorten. Hij
schreef hierover een Algemeene verhandeling van bloedelooze diertjes
(1669), bracht een ware hervorming in de tot dusver gevolgde methode,
en de zoogenaamde leer der metamorphose werd vervangen door die
eener voortgaande ontwikkeling in de kleine maar rijke wereld
der insecten. De groote Boerhave heeft de wonderen van dit genie,
een veertigtal jaren nadat het van de aarde was heengegaan, aan het
licht gebracht. Hij heeft Swammerdam's werken onder den titel »Bijbel
der natuur" openbaar gemaakt, en sedert is hij beroemd geworden. Een
Swammerdam-medaille, door het Genootschap tot bevordering van Natuur-,
Genees- en Heelkunde uitgeloofd, loont om de tien jaren den gelukkigen
en verdienstelijken geleerde, die in dat tijdsverloop het belangrijkst
onderzoek heeft volbracht op het gebied der door Swammerdam beoefende
vakken. In de oude kerk der Waalsche gemeente Amsterdam is in 1880
een gedenkteeken te zijner eere onthuld. Het huis van Swammerdam op
de Oude Schans aldaar is mede met een gedenksteen geteekend en zijn
naam de wereld door bekend. Maar persoonlijk heeft hij minder eer
genoten dan thans zijn nagedachtenis geniet. Tegengewerkt door zijne
bloedverwanten, miskend door degenen, die liever gezien hadden dat
hij geld verdiende, geteisterd door de koorts, ging hij niettemin
voort ieder vrij uur aan zijne onderzoekingen te besteden. Geen
leerstoel werd hem aangeboden. Soms leed hij honger en gebrek. Geen
drom van vereerders omgaf hem. Geen levensgezellin veraangenaamde
zijn loopbaan of troostte hem bij zijne smarten. Alleen en verlaten
ging hij zijn weg. Zijn kostbaar en dierbaar kabinet van natuurlijke
geschiedenis moest hij, door den nood gedrongen, verkoopen, maar hij
kon geen kooper vinden en toen hij er eindelijk een vond, maakte deze
't hem onmogelijk den koop te sluiten, want de voorwaarde luidde, dat
hij niet alleen van zijn kabinet, maar ook van zijn geloof afstand zou
doen en Roomsch worden. Eindelijk moest hij om huisvesting bedelen
bij een zijner vrienden; maar deze »sloeg hem onverwacht platweg
af". Tot zwaarmoedigheid vervallen, heeft hij geleden aan de kwaal van
Pascal. Ook hij heeft het tweede deel van zijn leven doorgebracht in
de sfeer van een wereldverachtend mysticisme. De kiem daarvan lag in
hem. Hij had een ontvankelijk en vroom gemoed. Hij roemde gaarne bij
zijn natuuronderzoekingen den Grooten Maker aller dingen. Maar wat
bij een gelukkig leven, wat vooral bij minder overspanning gezonde
vroomheid ware gebleven en al meer en meer geworden, werd nu een
ziekelijk dwepen, waarbij hij al zijne vroegere onderzoekingen uit
den booze achtte. Zijn gevoelig gestel was niet bestand tegen den
arbeid, dien hij van zich zelven eischte. Het leed onder kommer,
armoede, godsdienstigen waanzin, en zoo stierf hij, een martelaar die
misschien meer leed dan menig Heilige, en bij zijn leven verlangend
uitzag naar het einde. »Het lijden", zoo zeide hij, »gaat voor het
verblijden en de dood is de poort des levens."
Harvey, de groote Harvey, aan wien de wetenschap de kennis dankt van
den omloop van het bloed, stond bloot aan den spot en den tegenstand
zijner tijdgenooten--het deugdelijkst bewijs dat hij een genie
was. Toen hij zijne stellingen omtrent den omloop van het bloed
openbaar maakte, mocht hij zich op tallooze proefnemingen beroepen,
mocht hij de natuur en de feiten zelven als getuigen aanhalen--te
vergeefs: men wilde er niet van hooren. Deze nieuwe theorie was
immers in strijd met de kennis, die men op alle scholen had opgedaan,
en de beroemde Guy-Patin, deken van de medische faculteit van Parijs,
trof uit de hoogte, die hij in de wereld der geneeskunde bereikt had,
als een andere Jupiter, den armen ontdekker met de bliksemschichten van
zijn spotternij. Molière heeft den Engelschen geleerde gewroken. Dezen
Guy-Patin en zijn school heeft de onsterfelijke blijspeldichter en
wijsgeer op het oog in zijn »Malade imaginaire".--»Wat mij in hem
bevalt," zegt Diafoirus van zijn zoon Thomas, »en wat hij trouw van
mij navolgt, is dit, dat hij zich blindelings hecht aan het oordeel
onzer oude meesters, en dat hij nooit iets heeft willen verstaan
of ook maar willen hooren van de redeneeringen, de proefnemingen
en ontdekkingen onzer eeuw, ten opzichte van den omloop van het
bloed en zaken van dergelijk allooi." Diafoirus roept zelfs uit:
»Ik heb tegen de mannen van den »Omloop" een stelling verdedigd,
die ik met Mijnheers goedvinden aan Mejuffrouw waag aan te bieden
als een huldeblijk, dat ik haar schuldig ben."
Vol gevaren was het leven en treurig was het uiteinde van Sir John
Dombey. Deze vermaarde geneesheer en kruidkundige werd den 20sten
Februari 1742 te Macon geboren. Zijne ouders gaven hem een zeer
gebrekkige opvoeding, ja, deden hem allerlei onaangename bejegening
aan. De jeugdige Dombey nam de vlucht en begaf zich naar Montpellier,
waar hij door een zijner familiebetrekkingen, den beroemden reiziger
Commerson, werd opgenomen. Hij beoefende de botanie en de geneeskunst
en verkreeg den graad van doctor, in het jaar 1768. Turgot benoemde
hem tot botanicus van den Jardin du Roi en droeg hem de taak op, de
Spaansche bezittingen van Amerika te doorreizen, ten einde daar een
onderzoek in te stellen naar zoodanige nuttige planten, als men in
Frankrijk zou kunnen overbrengen. Dombey scheepte zich te Cadix in op
den 20sten October 1777; hij werd vergezeld van Ruiz en Pavon, twee
spaansche kruidkundigen. Te Callao aangekomen begon Dombey in Peru
te herboriseeren en bracht een aantal bijzonderheden aan het licht
omtrent de kina. Hij verzond de uitkomsten van zijn onderzoek naar
Frankrijk, maar het schip werd door de Engelschen genomen (1780) en
zijne botanische schatten werden hier en ginds verspreid. Ondertusschen
werd de ongelukkige botanicus door het Spaansche gouvernement van al
zijne teekeningen beroofd, onder voorwendsel dat zij door Spanjaarden
vervaardigd waren.
Dombey doorreisde vervolgens Chili, vertoefde op Conception, terwijl
daar juist een besmettelijke ziekte woedde, en besteedde zoowel zijn
tijd als zijn kunde aan het behandelen en verplegen van de ongelukkige
slachtoffers. Toen hij te Cadix terugkwam zag hij, tot zijn belooning,
al zijn koffers verbeurd verklaard ten profijte van den koning van
Spanje. Wel viel hem te Parijs een beter lot te beurt en werd hij door
Buffon vriendelijk ontvangen; maar hij wees alle eereposten af en trok
zich ergens in Dauphiné terug. Toen hij echter in 1793 met een zending
naar de Vereenigde Staten belast werd, maakte hij geen bezwaar. Hij
ging er heen en zou er zeker op het gebied der botanie nieuwe lauweren
hebben geplukt, zoo hij niet door zeeroovers besprongen, te Mont
Serrat gevangen ware gezet en daar van kommer en ellende omgekomen.
Op een andere wijze werd Horatius Wells het offer zijner
wetenschappelijke onderzoekingen. Wells was in 1844 tandmeester te
Hartfort in Connecticut. Hij had van de wonderbare proeven gehoord,
die Davy had genomen met het protoxyd van stikstof, de zoogenaamde
dronkenmakende stikstof, welke, ingeademd, een pijnstillend middel
bleek te zijn. Hij ademde zelf het nieuwe middel in en liet zich,
zonder eenige pijn te gevoelen, een tand uittrekken. Vervolgens paste
hij dit middel op eenige van zijne patiënten toe, die niet weinig
verwonderd en niet weinig ingenomen waren met zijn eigenaardige
tooverkracht. Wells maakte ook van het zwavel-aether gebruik, maar
hij hield zich bij voorkeur aan het eerstgenoemde middel.
Wells begaf zich naar Boston, om de medische faculteit met deze
nieuwe feiten bekend te maken. Daar ontmoette hij een van zijne
vroegere collega's, Morton en den geneesheer Jackson, aan wie hij een
volledig verslag deed van zijne proefnemingen en de uitkomsten, die
hij verkregen had. Hij werd uitgenoodigd, in het openbaar de proef
te leveren van zijn kunst, maar waarschijnlijk had hij zijn middel
niet goed bereid, althans de patiënt, wien voor aller oog een tand
moest getrokken worden, bleek niet gevoelloos te wezen en gaf dit,
op niet onduidelijke wijze, door een pijnlijken kreet te kennen. Toen
gaf hij zijn tandmeesterschap op. Noch te Londen, noch te Parijs waar
hij zijne rechten wilde doen gelden, vond hij erkenning, zoodat hij
ten prooi aan ellende en aan ontmoediging, naar de Vereenigde Staten
terugkeerde. Op een dag vond men hem met geopende aderen in zijn
bad met een flesch aether in de hand. Dit middel, dat zoo menigeen
tot een hulp en een verlichting is geweest en hem roem en geluk had
moeten brengen, baatte hem alleen om, gevoelloos en zacht, van het
leven te scheiden. Treurige verwarring des geestes! Treurig gevolg
ook van onverdiende miskenning.
Morton en Jackson, door Wells ingelicht, deden ondertusschen de wereld
versteld staan van de wonderen, die zij met den aether volbrachten. Zij
waren het, die van het Institut de France den prijs Montyon ontvingen,
door Wells verdiend.