STOOMBOOTEN, SPOORWAGENS, TELEGRAFEN.

De stoommachine, zegt Robert Stephenson, is niet de uitvinding van

een enkel man, maar van een gansche reeks van werktuigkundigen. Van

den eolipylus van Heron van Alexandrië tot de geweldige krukken,

die booten en locomotieven in beweging zetten, hebben duizend handen

het ijzer gesmeed, duizend hoofden zich peinzend gebogen, om die

geleidelijke verbeteringen aan te brengen, die het verst verwijderd

begin verbinden aan het tegenwoordige. Wat al kundige mannen zijn

Watt en Stephenson voorafgegaan, wat al arbeiders hebben den weg

gebaand voor de groote machinebouwers van onzen tijd!

Ook de stoom heeft martelaren gemaakt, en een der eersten en

grootsten is Denis Papin, voor wien thans te Blois een standbeeld

is opgericht. Hij werd daar op 22 Augustus 1647 geboren. Hij werd

opgeleid voor geneesheer, maar toonde spoedig een zeer stellige

voorliefde voor de exacte wetenschappen en vooral voor toegepaste

mechanica. Onze Huygens werd zijn beschermer en stelde hem in staat

zich geheel aan zijne geliefkoosde studiën te wijden. Papin stond

den geleerden natuur- en sterrekundige bij zijne onderzoekingen ter

zijde en deed zich spoedig kennen door de ongemeene schranderheid,

waarmede hij, in eenige onderdeelen, de luchtpomp verbeterde, die

Maagdenburg's burgemeester, Otto von Guericke, had uitgevonden. Hij

schreef ook een verhandeling over het »ledig", die de aandacht niet

ontging van de door Colbert opgerichte Academie van Wetenschappen.

Het scheen dat een schoone toekomst zich voor den vernuftigen jongen

man opende. Door de geleerden werd hij hoog geschat, door ieder werd

hij met welwillendheid ontvangen. Doch in weerwil van dit alles verliet

hij Parijs en trok op een goeden dag naar Londen, zonder dat iemand

begreep waartoe dat plotselinge vertrek diende.

Denis Papin kwam te Londen in de eerste dagen van het jaar 1676. Hij

liet zich aandienen bij Robert Boyle, den stichter van de Koninklijke

Maatschappij van Londen. Deze groote geleerde werkte, verre van het

stadsgewoel, op één zijner landgoederen, waar hij al de vermaarde

mannen noodigde, die zich met hem aan de wetenschap wijdden. Hij

liet den jongen franschen natuurkundige in zijn laboratorium toe en

gedurende drie jaren hebben deze beide mannen samen gewerkt en een

aantal onderzoekingen gedaan met betrekking tot den stoom. Langs

dezen weg werd Papin op het denkbeeld gebracht van de zoogenaamde

Papiniaansche pot (± 1681). Aan dit werktuig werd voor het eerst

de veiligheidsklep aangebracht, die sedert een der voornaamste

bestanddeelen van de stoommachine gebleven is.

Denis Papin moet een wispelturig karakter gehad hebben en een

onwederstaanbare neiging tot een zwervend leven; want nauwelijks

was hij bekend en beroemd geworden in Engeland of hij aanvaardde een

betrekking aan de nieuwe Academie te Venetië. Zijne uiterlijke welvaart

hield hier geen gelijken tred met zijn stijgenden roem. Integendeel,

van armoede moest hij naar Engeland terugkeeren, na een paar jaren

in Venetië te hebben doorgebracht.

Gedurende zijn tweede verblijf in Engeland dacht hij een werktuig uit,

dat hem later verder zou brengen en hem leiden zou tot het bezigen

van stoom als beweegkracht. In het eerst zocht hij als zoodanig

samengeperste lucht te gebruiken en in 1687 bood hij de Koninklijke

Maatschappij van Londen het model aan van een werktuig, waarop de

kracht van een waterstroom als beweegkracht kon worden toegepast. Het

werktuig bestond uit twee groote pompcylinders, wier zuigers door

den val van het water in beweging gebracht werden en een luchtledig

vormden in de buis. Aan de stang, die aan den zuiger verbonden was,

werd een koord bevestigd en dit koord bracht een vrij aanzienlijke

kracht over, wanneer de zuiger door den luchtdruk met geweld naar

binnen werd gedreven. Dit werktuig was in den grond geen ander dan

dat, waarmee indertijd te Saint Germain de luchtdrukspoorwagen in

beweging gebracht werd. Papin's nieuwe machine werkte gebrekkelijk en

voldeed geenszins aan de verwachting. Teleurgesteld wendde hij den

blik naar Frankrijk heen. Maar een onoverkomelijk bezwaar stond hem

in den weg. Hij was protestant. Men kon zijne gevoelens verbergen,

zijn geloof afzweren, maar hiertoe was hij niet te brengen, hoe zeer

hij er toe werd aangezocht. Zoo veroordeelde hij zich zelven tot

levenslange ballingschap.

Door den Keurvorst van Hessen werd hem nu een professoraat in de

mathesis te Marburg aangeboden. Hij nam dit aanbod aan en trok naar

Duitschland. Aldaar zette hij zijne geliefkoosde proefnemingen

voort. Hij zocht zijn ledig nu te verkrijgen door kruit te laten

ontploffen; doch spoedig zag hij in, dat aan dit middel te vele

bezwaren verbonden waren. Toen was het, dat hij op het goede en

groote denkbeeld kwam om het ledig in zijn pijp te weeg te brengen

door middel van stoom.

De werktuigen, die hij nu vervaardigde, waren evenwel ruw en grof en

gebrekkig. 't Was er verre van af dat zij beantwoordden aan hetgeen

Papin had gedroomd. Onaangename aanmerkingen en tal van ongunstige

voorspellingen maakten dat onze uitvinder jaren lang zijn werk liggen

liet. Hij had het voorbeeld van Savery, de aanmoediging van Leibnitz

noodig, om het weder op te vatten. In 1707 gaf hij te Frankfort een

werk uit over een Nieuwe manier om water hooger op te brengen door

middel van vuur en beschreef daarin een nieuwe stoommachine. Papin

liet er een in het groot maken, nam de proef met een stoomboot en

liet die met den besten uitslag op de Fulda varen. Had hij met zijn

zoeken en peinzen en arbeid, zijn mislukkingen en teleurstellingen

het eerste tijdperk van eens uitvinders leven naar eisch volbracht,

thans, nu deze strijd gestreden was, nu hij zijn doel bereikt had,

lag het tweede vóór hem: de arbeid en moeite om zijn uitvinding

ingevoerd te krijgen en haar verwerping door den tijdgenoot.

In een brief aan Leibnitz geeft hij te kennen, dat hij vele en

machtige vijanden heeft. Hij heeft veel geduld geoefend, maar in

den laatsten tijd zooveel te lijden gehad, dat hij zich niet langer

in Duitschland vertrouwt. Hij zou wel kunnen procedeeren, maar hij

heeft Zijne Hoogheid reeds lang genoeg met zijne onbeteekenende

zaken bezig gehouden, en het komt hem beter voor dat hij wijkt. Hij

heeft dus verlof gevraagd naar Engeland terug te keeren. Ook is het

goed dat zijn stoomboot in een zeeplaats worde beproefd. Hij wil met

zijn eigen boot de reis maken, waaruit men dan zal kunnen zien hoe

doeltreffend haar inrichting is. Er is echter een bezwaar. De schuiten,

die van Cassel komen, moeten te Münden blijven en aldaar lossen,

terwijl Bremer schuiten de vracht verder brengen. Nu was het zijn

wensch, dat hij met zijn boot van den Fulda in den Wezer door mocht

varen. Hij vraagt daartoe in zijn brief de bemiddeling van Leibnitz,

en hij vertrouwt dat de vrije vaart hem te eerder zal worden gegund,

daar met zijn tocht geene handelsbelangen zijn gemoeid.

Maar neen! De Keurvorst van Hannover wilde of kon het verzoek niet

inwilligen. Ondertusschen mocht hij zich verheugen in de wonderen

van zijn boot. »De weerstand van den stroom," zoo schrijft hij,

»beteekent zoo weinig in vergelijking met de kracht der machine,

dat het nauwelijks verschilde, of de boot stroomopwaarts of afwaarts

ging." Groot was dus de verleiding, om, in weerwil van de onthouden

vergunning, te zien hoever hij met zijn boot komen kon. Hij scheept

zich dus met de zijnen in en stoomt voorwaarts, stroom en wind de

baas. Zoo komt hij te Loch, aan den Wezer.

Hier krijgt hij met het gild van de schippers van den Wezer te

doen. Men gaat in allerijl den baljuw van Zeune roepen, die dan ook

weldra komt aanloopen en nieuwsgierig de boot van Papin in oogenschouw

neemt. Hij laat zich het zonderlinge ding uitleggen, waarmee men zonder

zeil of riem kan voortkomen; maar niet minder bang dan nieuwsgierig

van aard, druipt hij spoedig af, zonder de verdediging van Papin op

zich te durven nemen. Den volgenden dag ziet deze een vrij groot aantal

schuitenvoerders naderen, die straks zijn boot verbeurd verklaren, daar

deze zonder geleibrief zich in hun vaarwater had begeven. Ze werd nu,

volgens dit nieuwerwetsche strandrecht, op den kant gehaald en moest

bij stukken in het openbaar verkocht worden. Denis Papin komt hier

met al zijn macht tegen op, maar hij is één tegen velen. Te vergeefs

roept hij bijstand in; de schippers, die hun prooi niet willen derven,

beginnen al vast aan het werk der vernieling, onder de oogen van den

armen grijsaard.

Waarschijnlijk heeft dit recht barbaarsch bedrijf de stoomvaart een

eeuw teruggezet.

Later vinden we Papin te Londen; maar geknakt, zwak en krank. Robert

Boyle is overleden en de nieuwe leden der Koninklijke Maatschappij

kennen hem ternauwernood. Frankrijk was nog altijd voor hem

gesloten. Nog langen tijd bleef de ongelukkige uitvinder met een

schrale tegemoetkoming van de Koninklijke Maatschappij voortleven,

zonder dat hij er aan denken kon zijne kostbare proefnemingen in

Engeland te hernieuwen. »Ik moet," zoo zegt hij ergens, »mijne

werktuigen nu maar in den hoek van mijn schoorsteen zetten."

Tot een jaar na de vrijverklaring der Vereenigde Staten moet men

opklimmen, om de oude plannen tot stoomvaart weer hernieuwd te

zien. Amerika, met zijne groote rivieren, was wel het gebied, waarop

de stoomboot zich het eerst vertoonen moest. Dit geschiedde dan

ook. James Watt had in Engeland de stoommachine met dubbele werking

bekend gemaakt, en het oogenblik was gekomen dat zij op de vaart werd

toegepast. In 1784 bood een amerikaansch werktuigkundige, John Fitch,

generaal Washington het model aan van een schuit met gewone roeiriemen;

maar die door stoom bewogen werden. Het vaartuig werd gebouwd en op

de Delaware zou de proeftocht plaats hebben. Washington en Benjamin

Franklin kwamen dit bijwonen en begaven zich aan boord. Ieder stond

versteld van wat hij zag, toen het schip daar heenging, dampend uit

den schoorsteen en slaande met zijne riemen, die zich uit zichzelven

schenen te bewegen. Maar nog grooter was de verwondering der menigte,

toen zij de schuit tegen stroom en vloed op zag roeien en dat met

een snelheid van vijf en een halven mijl per uur.

De proeftocht gelukte volkomen en er vormde zich te Philadelphia een

maatschappij tot verdere verwezenlijking van de zaak. Franklin en een

geleerd sterrekundige, Rittenhouse, stelden zich aan het hoofd. Zoo

kreeg Fitch in 1788 van het amerikaansche gouvernement een privilege,

volgens hetwelk niemand dan hij alleen gerechtigd was, in vijf staten,

stoombooten te laten varen. Een algemeene inschrijving verzekerde

hem de noodige gelden om een stoomvaart op eenigszins groote schaal

in te richten. Fitch besloot nu een zoogenaamd galjoot te bouwen en

daarmede een geregelde vaart te onderhouden tusschen Philadelphia en

Trenton; maar bij de vervaardiging van de machines, die hij nu noodig

had, ondervond hij groote bezwaren. Hij had slechts gewone smeden en

slotenmakers tot zijn dienst en zijne stoommachines waren dan ook van

dien aard, dat hij er weinig eer mee inlegde en de uitslag ditmaal

erbarmelijk was. Het galjoot liep veel trager dan het kleine scheepje

gedaan had. Dit was genoeg om de geldschieters ongerust te maken,

die met schrik hun geld zagen verdwijnen en de uitvinding eer terug

dan voorwaarts gaan. Door bemiddeling van eenige kundige lieden mocht

het echter Fitch gelukken, zich weder aan het werk te zetten. Hij

wist het nu zoover te brengen, dat het stoomschip acht mijlen in het

uur aflegde, en bij een plechtigen proeftocht, die met den gunstigsten

uitslag bekroond werd, heesch de gouverneur van Pensylvanië eigenhandig

op het nieuwe schip de vlag der Vereenigde Staten.

Na deze overwinning behaald te hebben, werd de vernuftige, onvermoeide

man noch toegejuicht, noch gesteund. Men geloofde niet dat de nieuwe

uitvinding een toekomst had. Fitch scheen een man zonder praktischen

zin en men lachte om zijn geestdrift, wanneer hij zeide dat zijn

boot eens den Atlantischen Oceaan zou oversteken. Bij een lateren

proeftocht, in 1790 ondernomen, stoomde zijn boot, tegen den wind

op, met een snelheid van zes mijlen in het uur, van Philadelphia

naar Burlington; maar ook dit gaf nog geen vertrouwen. De mannen

van het geld lieten hem dus in den steek. Te vergeefs waren zijne

voorspellingen, te vergeefs zijne beden: hij werd uitgelachen.

In 1792 kwam Fitch in Frankrijk. Maar de toestand van dit rijk was

gedurende het jaar 1792 niet van dien aard, dat men oog had voor

wetenschappelijke uitvindingen. Een oogenblik lachte het geluk hem

toe. Brissot, een der afgevaardigden bij de Conventie, kende hij

van vroeger. Hij vond in hem een vriend weder en een beschermer, die

echter op 31 October 1793 het leven liet onder de guillotine. Gansch

verlaten, arm en berooid moest hij bij den consul der Vereenigde

Staten om vrijen overtocht verzoeken.

John Fitch had geleefd voor een denkbeeld en zoodra hij daar afstand

van doen moest, had zijn leven geen waarde voor hem. Somberheid

greep hem aan; hij zocht zijn jammer en ellende te vergeten bij het

genot en de bedwelming van den drank; en eens op een avond, terwijl

hij levensmoe en alleen langs de Delaware liep en van een hooge klip

nederzag, greep de wanhoop hem aan, als een duizeling, en wierp hem

neder in den stroom.

Zijn opvolger en landgenoot, was Robert Fulton. Hij werd in 1765 in

het graafschap Lancaster geboren, en werd al vroeg in de school van

den tegenspoed gevormd, daar zijne ouders arme Iersche uitgewekenen

waren. Hij was drie jaren toen zijn vader stierf en trad in dienst

bij een juwelier. Fulton had een bizonder grooten aanleg voor de

schilderkunst en oefende zich hierin zoo trouw, dat hij, zeventien

jaren oud, er reeds een middel van bestaan door vond. Zoo werd dan

de aanstaande uitvinder van de stoomboot een reizend kunstenaar, van

herberg tot herberg trekkende, uithangborden, portretten, landschappen

schilderend. Daarna vestigde hij zich als miniatuurschilder te

Philadelphia, maakte er naam en won er zooveel geld, dat hij zijn

moeder een kleine boerderij kon koopen om er den ouden dag te slijten.

Toevallige ontmoetingen kunnen groote verandering brengen in iemands

lot. Zoo was het ook hier. Een rijke Amerikaan, Samuël Scorbitt, vatte

voor den jongen schilder een bizondere genegenheid op en verschafte

hem de middelen om naar Londen te gaan en aldaar een zijner vrienden,

Benjamin West te bezoeken, die hem gaarne zou voorthelpen en verder

brengen.

Fulton vertrok en Benjamin West ontving hem als een oud vriend; maar

tengevolge van een onverklaarbaren ommekeer in zijne neigingen, liet

Fulton op eens de schilderkunst varen en gaf zich met hart en ziel aan

werktuigkunde over. Hij was twee jaren lang bezig met het teekenen

van werktuigen voor een fabriek te Birmingham, kwam daarna weder in

Londen en ontmoette er zijn landgenoot Rumsey, die van niets anders

droomde dan van de vervaardiging van een stoomschip. Toen Fulton in

het spoor der werktuigkunde getreden was, had hij zijn weg door het

leven gevonden; hij hield zich bezig met allerlei werken; hij zocht

een nieuw stelsel van kanalisatie, hij maakte een soort van ploeg om

kanalen te graven, hij vond een molen uit om marmer te zagen en te

polijsten. Maar hij kwam met dit alles in Engeland niet verder.

Fulton dacht zeker in Frankrijk meer ondersteuning en aanmoediging

te zullen vinden. Hij trok in 1796 naar Parijs. Vandaar sloeg hij

een blik op zijn vaderland. De handel van de Vereenigde Staten had

vreeselijk te lijden van de oorlogen, die Europa teisterden. Engeland

oefende een soort van schrikbewind uit over de zee, wijl het met

zijne marine de koopvaarders aanhield en opbracht, die, van Amerika en

elders gekomen, Frankrijk kwamen voorzien. Fulton zou zijn vaderland

en de zee vrijmaken. Hij vond twee ontzettende werktuigen uit, het

onderzeesch schip en de torpedo, en besloot zijne uitvindingen in

Frankrijk bekend te maken om er Engeland mee te treffen.

In December 1797 vingen te Parijs op de Seine de eerste proefnemingen

aan. Hij had bussen of doozen met kruit, en wist die onder water

door te bewegen, te besturen en op een gegeven oogenblik te laten

springen. Hiermee zou men groote oorlogsschepen kunnen vernielen. Maar

deze proeven waren zeer kostbaar, en aan het eind van zijn geld,

richtte Fulton zich tot het Directoire, in de hoop, dat de fransche

Regeering hem helpen zou. Zijne plannen werden naar het Ministerie

van Oorlog verzonden en aldaar door een commissie voor onuitvoerbaar

en onpractisch verklaard. Fulton kon zich zulk een verblinding niet

begrijpen. Hij vervaardigde nu een volkomen en fraai model van zijn

onderzeesche boot, in de hoop, dat dit tastbaar overredingsmiddel

iets meer zou uitwerken, doch drie jaren verdeed hij aan allerlei

vergeefsche pogingen, om de aandacht der regeering op zijn werk te

vestigen. Fulton wendde zich tot Holland, maar ook hier vond hij

geen troost. Toch gaf hij den moed niet op. Om aan het noodige geld

te komen, schilderde en vertoonde hij in Parijs een panorama. Het

trok de aandacht en vulde zijn kas. Met dat geld zette hij zijne

proeven voort, en toen hij met alles klaar was, wendde hij zich tot

Bonaparte, die juist tot eersten Consul benoemd was. Op advies van de

Volney, Monge en Laplace, stond de Regeering hem nu eenig geld toe,

en met behulp hiervan bouwde hij een flinke boot, die in 1800 te

Havre en te Rouaan zijn onderzeesche loopbaan begon. Gedurende den

zomer van 1801 voer hij er mee naar Brest. Hij dook met zijn boot,

zegt men, tachtig meters diep, bleef op deze diepte twintig minuten

lang liggen en kwam op vrij grooten afstand van het punt van uitgang

weer boven. Den 17den Augustus 1801 bleef hij langer dan 4 uren onder

water en had hij, toen hij boven kwam, vijf mijlen afgelegd.

Te Brest nam hij ook nieuwe proeven met zijne torpedo's. In een

koperen bus of doos deed hij honderd pond kruit, dat hij op een

gegeven oogenblik kon laten ontploffen. Deze torpedo werd met een

koord van dertig el bevestigd aan een boot en van daaruit in zee

aangestoken. Het is geheel onze tegenwoordige torpedo-boot. Onder

groote bijvalsbetuigingen van het samengestroomde volk deed Fulton een

boot springen, die juist op de reede lag, maar te vergeefs trachtte

hij eenige engelsche schepen te naderen, die op de kust kruisten,

wat de groote ontevredenheid van den Eersten Consul opwekte.

Bonaparte werd verblind door de sleur; hij hechtte geen waarde aan

Fulton's vinding en antwoordde zelfs niet meer op de verzoekschriften,

die tot hem werden gericht.

Al dit strijden moe, zou Fulton weder naar Amerika gaan, toen

de gewezen kanselier van den staat New-York, Livingstone, hem

overhaalde te blijven om met hem het vraagstuk van de stoomvaart te

onderzoeken. Fulton stemde toe en legde zich met zijn gewonen ijver op

de zaak toe. Hij zag spoedig in, dat zijne voorgangers hunne werktuigen

te licht hadden gemaakt en dat hierin de oorzaak gelegen was, ten

gevolge waarvan zij niet waren geslaagd. Hij bracht dus verbetering aan

in de tot dusver gebezigde machines, maakte een model met schepraderen,

deed er proeven mee op een kleine rivier bij Plombières, maakte met

behulp van Livingstone een grootere boot en deze stoomde den 9den

Augustus 1803 de Seine op en neder, in tegenwoordigheid van eenige

afgevaardigden van de Academie van Wetenschappen. Het scheepje liep

met een snelheid van 1m 6 in de seconde tegen stroom op.

Deze inderdaad belangrijke zaak ging echter bijna onopgemerkt

voorbij. Wat was Fulton's speelbootje op de Seine bij de overwinningen

van Bonaparte? Ook de Eerste Consul zelf had niet veel verwachting

van deze nieuwe plannen des Amerikaans en zag in hem niet anders

dan een kwakzalver en gelukzoeker, wien het om geld te doen was. Hij

hield trouwens niet van nieuwigheden van dien aard. 't Baatte niet

of de maarschalk Marmont al ten gunste van Fulton pleitte. »'t Is

niet te zeggen," zoo schreef deze, »wat er gebeurd zou zijn, wanneer

Napoleon zich had laten inlichten en afstand had willen doen van

zijne vooroordeelen. Frankrijk's goede geest klopte bij hem aan;

maar de Eerste Consul bleef doof en zijn goed geluk ging heen."

Fulton vertrok en ging naar Amerika. In 1807 ondernam zijn boot,

de Clermont, aldaar haar eerste reis. Dit vaartuig mat 150 ton, had

een stoommachine van 18 paardenkracht en werd met raderen in beweging

gebracht. De stoomboot onzer dagen was geboren.

Toen Fulton aan boord trad van zijn zonderling vaartuig, werd hij van

alle kanten door de domme spotternijen eener kwalijk gezinde menigte

omringd. Hij hoorde zelfs dreigende kreten oprijzen. Maar toen zijn

vaartuig zich statig begon voort te bewegen en daarheen gleed, als

door geheime krachten voortgestuwd, braken aan alle zijden luide

kreten van opgetogenheid los, die den uitvinder de miskenning en

smaad deden vergeten die hij ondervonden had. Enkelen, die Fulton

ook nu nog met onbetamelijke spotternijen begroetten, eindigden met

te zwijgen en het wonder met open mond aan te gapen.

Eenige dagen deed Fulton in de nieuwsbladen aankondigen, dat hij op

de Hudson een geregelde stoomvaart in werking zou brengen tusschen

New York en Albany. De Clermont legde dezen afstand (240 kilometers)

in 32 uren af.

Geen enkel reiziger had hem durven vergezellen; maar voor de terugreis

bood er zich een aan, Andrieux, een Franschman, die in die dagen

te New-York verblijf hield. Aan boord gaande om den prijs van den

overtocht te betalen, vond Andrieux er slechts één man, die in een

hut zat te schrijven. Dit was niemand anders dan Fulton zelf.

--Gij gaat immers met uw boot naar New-York terug?

--Ten minste wij zullen 't beproeven.

--Kunt gij mij mede nemen?

--Wel zeker, als gij 't wagen wilt!

Daarop vroeg Andrieux wat de overtocht kostte en betaalde zes dollars.

Onbewegelijk en zwijgend, in gedachten verloren, bleef Fulton het

geld aanstaren, dat de vreemdeling hem in de hand gelegd had, zoodat

deze meende dat hij zich in het een of ander vergist had.

--'t Is immers accoord, niet waar?

Op deze woorden ontwaakte Fulton uit zijne droomerij, zag den heer

Andrieux aan, en terwijl de tranen hem in de oogen stonden, zeide

hij met bewogen stem:

--Vergeef me, ik dacht er aan hoe die zes dollars het eerste loon

vertegenwoordigen, dat ik voor al mijn arbeid ontvangen heb. Ik zou,

ging hij voort, de hand des vreemdelings drukkend, dit oogenblik

plechtig willen vieren en een flesch wijn met u drinken, maar ik ben

te arm om het u aan te bieden.

Zoo nam op dien gedenkwaardigen dag de eerste stoombootreiziger zijn

plaats en kwam goed en wel met de eerste passagiersboot te New-York

aan. Nu was de stoomvaart geboren. In 1814 bouwde Fulton voor het

amerikaansche gouvernement een stoomfregat van 145 voet lengte;

maar hij mocht het niet in de vaart zien komen. Van Trenton komende,

de hoofdstad van New Jersey, werd hij op de Hudson van de koude

bevangen, en den 24sten Februari 1815 blies hij, na zware koortsen,

den laatsten adem uit. Hij was slechts 50 jaren oud. De leden van

het congres van New-York namen gedurende dertig dagen den rouw aan.

Het nimmer rustend vernuft had geen vrede met de schepraderen, waarmee

de stoomboot, als met houten zwempoten, zich voortbewoog. Dallery

vatte het denkbeeld op om een schroef te bezigen en maakte een

schroefboot. Van alle zijden teruggewezen, begaf hij zich eens

aan boord en sloeg in een verdrietige bui alles kort en klein. Hij

had er genoeg van, en wierp zijne paarlen niet voor de zwijnen. Een

ander man, Sauvage genaamd, raapte in 1843 het weggeworpen denkbeeld

op en wijdde de twintig beste jaren van zijn leven er aan toe. Wat

zouden de menschen anders doen dan ongeloovig het hoofd schudden over

dezelfde schroef, die thans in alle richtingen zich heenwringt door

alle zeeën? Geruïneerd, oud en zwak, verloor hij zijn verstand. Had

de wereld zijn stelsel willen begrijpen en toepassen, de arme Sauvage

ware tevreden geweest en gelukkig. Nu verteerde hem zijn idee-fixe. In

het gesticht van de straat Picpus te Parijs kon men hem zien, met zijn

viool en zijn vogels. Bij het klinken der tonen kwam er leven in zijn

gelaat, dreven de wolken der zwaarmoedigheid hem van het voorhoofd,

geleek hij nog eens de bezielde vinder, die het lied des uitvinders

op de snaren zet. Het is een lied van vooruitgang en leven, het lied

eener nieuwe wereld; maar als het uit is vindt de droomer zich in

het gekkenhuis, waarheen de wereld hem verbant.

De scheepsschroef schijnt vele uitvinders te hebben gehad, althans

velen hebben over dit voorwerp en zijne toepassing nagedacht. Zoo

staan te Triëst en te Weenen de standbeelden van Joseph Ressel, die

de schroefboot reeds in 1797 zou hebben uitgevonden, en Amerika kent

de eer der uitvinding toe aan den schout bij nacht Stevens. Doch de

man, die de eerste schroefboot heeft doen loopen en haar ingevoerd

heeft, is John Ericsson. Dit zeldzaam genie werd geboren in het

jaar 1803, in een mijnwerkershut te Langbanrhythan in Zweden. Als

knaap reeds onderscheidde Ericsson zich door zijne bizondere gaven

als werktuigkundige. Met de eenvoudigste hulpmiddelen maakte hij

allerlei machines. Op twaalfjarigen leeftijd werd hij opgenomen onder

de leerlingen, die voor werktuigkundigen werden opgeleid, en toen hij

den leeftijd van zestien jaren had bereikt, kreeg hij het beheer over

een sectie van zeker kanaal, dat toen gegraven werd.

Zes honderd man (uit het leger), die in deze sectie werkzaam waren,

kwamen dagelijks bij dit kind, om te vernemen wat hun taak zou

zijn en hij, Ericsson, had onder zijn onderhoorigen een persoon,

die niets anders te doen had, dan hem met een tabouret te volgen,

waar de jeugdige knaap op ging staan om zich tot de hoogte van zijn

waterpasinstrumenten te kunnen opheffen.

Men zal een denkbeeld krijgen van de wijze, hoe hij zich bezig

hield, wanneer men nagaat, dat hij op zijn vijftiende jaar een

verzameling teekeningen had, die hij in zijn vrijen tijd vervaardigde

en die de voornaamste punten voorstelden van het bijna vijfhonderd

kilometer lange kanaal, en een overzicht gaven van alle werktuigen en

gereedschappen, die bij het graven in gebruik waren. Bij verschillende

belangrijke werken, handelende over dit kanaal, dat een verbinding

vormt van de Oostzee met de Noordzee, dwars door Zweden heen, is

gebruik gemaakt van de teekeningen door Ericsson vervaardigd op een

leeftijd, wanneer een andere knaap met bal of hoepel speelt.

Deze vroege ontwikkeling was volstrekt niet het gevolg van een of

anderen dwang; het was de gansch natuurlijke ontwikkeling van een

geest, die als bij instinct de beginselen der werktuigkunde begrijpt

en in zich opneemt, zooals bij Raphael met de kleuren en bij Beethoven

met de muziek het geval was. Als bewijs welk een buitengewonen aanleg

Ericsson had, moge dienen, dat toen men hem eenigen tijd daarna aan

een examen in meetkunde onderwierp, hij blijken gaf de beginselen

dezer wetenschap zoo volkomen goed te begrijpen, dat hij de bewijzen

der verschillende stellingen wist te geven, zonder daarvan ooit iets

in leerboeken te hebben gezien.

Het is in deze instinctieve bekwaamheid van zijn geest, dat men niet

alleen het geheim vindt van den buitengewonen voorspoed, dien hij

gedurende zijn zestigjarigen ingenieursloopbaan bij al zijn werken

ondervond, maar ook de verklaring hoe het mogelijk was, dat hij

gedurende zijn leven met zooveel moeilijkheden te kampen had. Door

zijn schranderheid kon hij zijn gevolgtrekkingen langs veel korter

weg maken dan anderen en zijn geduld werd niet weinig op de proef

gesteld, wanneer hij gedwongen werd de volgens hem zeer omslachtige

bewijsvoeringen zijner ambtgenooten te volgen.

Met de groote gaven, die hem verleend waren, klom hij spoedig op. Van

ingenieur werd hij officier bij de genie, van officier kapitein. Al

spoedig eischten zijne denkbeelden en plannen een ruimer veld, dan

Zweden hem kon aanbieden, en in 1826 trok hij naar Engeland. Hij

bracht er niets anders met zich mede dan zijn uitvindersbrein en zijn

geestdrift, benevens een vasten wil en een groote arbeidskracht. Onder

het aantal zijner werktuigkundige scheppingen kan men noemen:

een pompwerktuig, dat volgens een nieuw stelsel was vervaardigd;

stoommachines met oppervlakte-condensatoren; een toestel dienende

ter bevordering van den trek in de vuurhaarden en aangebracht aan

het stoomschip Victoria in 1828, benevens een werktuig bestaande uit

een hollen trommel, waaraan, door middel van daarin geleiden stoom,

een draaiende beweging werd medegedeeld, die gedurende eenige uren,

nadat de stoomtoevoer had opgehouden, aanhield en een snelheid had

zoo groot, dat een punt aan de oppervlakte van den trommel zich

per seconde over een afstand van negenhonderd voet voortbewoog, of

met andere woorden: een snelheid gelijk aan die, waarmede Londen

zich om de as der aarde beweegt. Verder een apparaat om zout uit

zeewater te winnen; een toestel om booten over de kanalen te bewegen;

een verscheidenheid van motoren, die door stoom of warme lucht in

beweging gebracht worden; een hydrostatische weegtoestel, waaraan de

Society of Arts een prijs toekende; een instrument, dat tegenwoordig

bijna algemeen gebruikt wordt, tot het verrichten van peilingen met

willekeurige lijnlengte. Wijders komen onder zijne werken nog ongeveer

een vijftiental gepatenteerde uitvindingen voor en een veertiental

machines, allen volgens een of ander nieuw systeem vervaardigd. Het

was aan boord van de Victory, dat het stelsel van stoomcondensatie

en het terugbrengen van het aldus verkregen water in den stoomketel,

het eerst door hem op de scheepvaart werd toegepast. Toen Stephenson

in 1829 den prijs won met zijn locomotief, was Ericsson hem kort

op de hielen, daar diens locomotief, de Novelty, lichter en van

minder trekkracht, veel sneller dan die van Stephenson liep. De

locomotief van Stephenson woog ruim vier ton, en die van Ericsson

slechts ongeveer twee en een halve ton. Ericsson was maar zeven weken

vóór den dag van den wedstrijd gewaarschuwd, dat er een prijs door

de directeuren van den Liverpool-Manchester-spoorweg was uitgeloofd

en toch was de Novelty op den bepaalden dag aanwezig. In dit korte

tijdsverloop waren alle plannen van deze prachtige machine gemaakt,

berekend en het werk geconstrueerd, ja was een ware »tour de force"

verricht, die waarschijnlijk nog nooit overtroffen is geworden en die

des te merkwaardiger is, omdat de constructie van deze locomotief

beter bleek te zijn dan die van alle andere machines, die aan den

wedstrijd hadden deelgenomen.

Doch keeren wij terug tot Ericsson's denkbeeld, om een vaartuig met

een schroef voorwaarts te drijven. Dit denkbeeld, waarop hij kwam

door het nauwkeurig gadeslaan van de bewegingen van vogels en van

visschen, heeft hij het eerst in toepassing gebracht op een modelboot,

welke door hem gebouwd werd, en waaraan hij twee schroeven aanbracht,

die in tegengestelden zin ronddraaiden en op een gemeenschappelijke

as bevestigd waren. De boot had eene lengte van twee voet, en werd

beproefd in een rond bassin van een badinrichting te Londen. Door

middel van een beweegbare pijp, bleef zij in verbinding met een

stoomketeltje, welke op den rand van het bassin geplaatst was,

en waarin de noodige stoom ontwikkeld werd. Zoodra aan den stoom

toegang verschaft werd tot het werktuig, dat de schroeven moest

doen ronddraaien, werd het gewenschte resultaat verkregen, de beide

schroeven draaiden om haar gemeenschappelijke as en de boot bewoog

zich door het water met een snelheid van ongeveer zes mijlen in het

uur. Het vraagstuk was dus opgelost en de hervormingen, die nu in de

marine en ook bij de andere vaartuigen plaats vonden, rechtvaardigden

ten volle de hoop door den uitvinder gevoed. Zoo had hij door het

toepassen van dit beginsel niet alleen een nieuw middel gevonden ter

voortbeweging van schepen, die de zeeën doorkruisen, maar hij had ook

een toestel gevonden, dat voor de luchtscheepvaart, »de scheepvaart

der toekomst," van gewicht zou zijn.

Ericsson bevond, dat het heel wat gemakkelijker was zich zelven,

dan anderen, van het nut zijner oorspronkelijke denkbeelden te

overtuigen. Met een moed, die aan onverschrokkenheid grensde,

bestookte hij den vijand in zijn vesting, en trachtte de hoogmachtige

lords der britsche admiraliteit tot het aannemen zijner uitvinding te

dwingen. Hij construeerde een boot van acht voet op veertig; met een

diepgang van drie voet, en voorzien van twee schroeven van één voet

drie duim middellijn. Deze deden de boot een vaart van tien mijlen

in het uur loopen of van zeven mijlen in het uur, wanneer zij tevens

een boot van honderd veertig ton moest sleepen. Nadat Ericsson met

deze boot een merkwaardig feit had verricht, namelijk het sleepen

van de amerikaansche pakketboot Toronte met een snelheid van vijf

mijlen in het uur, verzocht hij de admiraliteit om tegenwoordig te

zijn bij een proefneming, welke beslissend zou wezen. Na met zijn

kleine boot tot Somerset-House gevaren te zijn, nam hij de roeiboot,

waarop zich de leden van de admiraliteit bevonden op sleeptouw en trok

haar met groote snelheid tegen stroom op, tot niet geringe verbazing

van de roeiers, die niet konden begrijpen hoe dit mogelijk was,

aangezien er aan de sleepboot nergens voortstuwingsmiddelen te zien

waren. Maar de lords van de britsche admiraliteit hadden vroeger te

dikwijls moeten oordeelen over een aantal uitvindingen vol beloften,

dan dat zij zich nu door het eenvoudig getuigenis hunner oogen zouden

laten overtuigen. Met een beleefdheid, die hun menschlievendheid tot

eer strekt, ontzeiden zij zich het genot den opgewonden uitvinder

onmiddellijk door mededeeling van hun hoogwijze beslissing teleur te

stellen. Het was eerst na eenigen tijd, dat deze bij toeval, door een

gesprek, dat een der leden van den raad na het eten gehouden had, het

vonnis dezer heeren hoorde dat als volgt luidde: »Zelfs aangenomen

dat dit voortstuwingswerktuig de kracht zou bezitten om een schip

in beweging te brengen, zou het praktisch toch geheel onnut zijn,

omdat, daar de kracht achter aan het schip wordt aangebracht, het

sturen volkomen onmogelijk zou worden."

Dit schrander orakel is oorzaak geworden, dat Engeland verstoken

bleef van de talenten van Ericsson, welke van nu af Amerika ten goede

kwamen. De Vereenigde Staten hadden het voorrecht in dien tijd den

heer Francis B. Ogden als consul te Liverpool te hebben; deze was een

ijverig voorstander van de ontwikkeling der stoomvaart op de Ohio en

Mississipi. Ogden zag het nut van de uitvinding in en stelde Ericsson

voor aan een anderen Amerikaan, den kapitein (daarna schout-bij-nacht)

Robert F. Stockton, in dienst der marine van de Vereenigde Staten. Wel

was kapitein Stockton marine-officier, doch hij liet de zeevaartkundige

wetenschappen niet op zulk een onwrikbaren grondslag rusten als

de britsche admiraliteit deed. Voor hem gold het: »ik zie, dus ik

geloof", en toen hij terugkwam van een tocht, ondernomen aan boord van

Ericsson's boot, de Francis B. Ogden genoemd, riep hij onmiddellijk

uit: »de opinie van uw wetenschappelijke mannen gaat mij niet aan;

wat ik vandaag gezien heb, is voldoende om mij te overtuigen."

Zelfs voordat de boot met Stockton aan boord haar tocht volbracht

had, kreeg Ericsson van hem de opdracht twee ijzeren schepen volgens

hetzelfde plan als de Ogden te bouwen. Deze booten werden geheel op

kosten van Stockton gebouwd, wiens aanzienlijk fortuin hem dergelijke

uitgaven toestond.

»Wij zullen uw naam op de Delaware laten weerklinken, zoodra wij

de schroefboot hebben," zei de zeeman op hartelijken toon in zijn

opgewonden dronk, dien hij ter eere van Ericsson instelde aan het

diner, dat op den tocht met de Ogden volgde.

Steunende op de verzekering van Stockton, dat er door de Vereenigde

Staten proeven op groote schaal zouden genomen worden, zeide

Ericsson zijn contracten in Engeland in 1839 op en begaf hij zich

naar Amerika. Stockton intusschen van zijn kant, vast besloten woord

te houden, hield niet op de autoriteiten te Washington er met nadruk

op aan te dringen dat onder zijn persoonlijk toezicht een stoomboot

naar de plannen van Ericsson zou worden gebouwd.

Er verliepen twee jaren en een verwisseling van ministerie greep plaats

tusschen den tijd dat hij zijn eerste aanvraag deed en de voltooiing

van zijn arbeid. Het stoomschip werd gemaakt en ontving den naam

Princeton; het werd in 1844 voltooid en spoedig werd de aandacht

van alle mannen van het vak op dezen oorlogsbodem gevestigd. Het

was een oorlogsschip met hulpstoomvermogen, en voorzien van het

voortstuwingsmiddel van Ericsson, hetwelk zich achter aan het schip en

geheel onder de waterlinie bevond. Deze bodem had onder anderen twee

buitengewoon groote gesmeed ijzeren kanonnen van veertien duim, die

met veertig pond buskruit geladen werden en een kogel van twee honderd

vijf en twintig pond gewicht wegschoten. De senator Mallory van Florida

had gelijk, toen hij in Mei 1858 tot het Congres zeide: »Deze bodem

is de basis van onze tegenwoordige oorlogsvloot met stoomvermogen;

hij is de grondslag van de oorlogsstoomschepen van de gansche wereld."

Ericsson had de Vereenigde Staten van Noord-Amerika aan het hoofd

der zeemogendheden geplaatst, voor zooverre het de toepassing van den

stoom op de krijgskunst betreft. Welke is de belooning geweest, die

het dankbaar land hem voor dien dienst heeft toegestaan? De proeven

met de Princeton hadden den ingenieur schatten gelds gekost en hij

had twee jaren van onafgebroken arbeidzaamheid voor den dienst van

het rijk veil gehad. Voor zijn tijd, zijn arbeid en zijn noodzakelijke

uitgaven bood hij een werkelijk lage rekening in van vijftienduizend

dollars, terwijl hij aan den goeden wil en de edelmoedigheid van

het gouvernement overliet te beslissen wat men hem zou toekennen,

ingeval hem iets toekwam voor zijn patentrechten.

Men denkt natuurlijk, dat die rekening onmiddellijk voldaan werd. In

het geheel niet. Het tegenwoordig Congres was juist op die bijzondere

huishoudkunde bedacht, die hierin bestaat dat men gebruik maakt

van de oppermacht, om rechtmatige vorderingen met een hooghartige

minachting te behandelen. De betaling van Ericsson's rekening werd

door het departement van marine, misschien wel omdat zij zoo laag was,

geweigerd. Daarop richtte Ericsson zich tot het Congres; een twaalftal

jaren verliep, zonder dat hij er iets van vernam. Eindelijk werd

een soort van rechtbank benoemd, die hem ten slotte hoorde; de drie

rechters Gilchrist, Scarborough en Blackford oordeelden eenparig te

zijnen gunste. Van deze rechtbank werd zijn rekening verzonden naar

het Congres, opdat men daar de noodige gelden voor de betaling zou

kunnen toestaan; zij ligt daar intusschen nog. De buitengewoon groote

diensten, die Ericsson nog aan de Vereenigde Staten bewezen heeft,

terwijl deze zaak hangende was, hebben hem de betaling zijner rekening

nog niet kunnen verschaffen. Ericsson is ingenieur en geen bedelaar;

dat is de oorzaak van het weinige succes dat hij heeft. Wanneer er

iets was aan te merken op de geldigheid van zijn vordering, dan zou

althans dat verzuim eenigen schijn van recht hebben; doch dat is

het geval niet. Het amerikaansche Congres wil het noodige geld niet

verstrekken om de rekening te betalen, en daar houdt de zaak mede

op. Men beweert dat het in de natuur der republieken ligt ondankbaar

te zijn; maar moeten zij de eerlijkheid ook te kort doen?

Om te eindigen over deze onaangename zaak en de wijze waarop Ericsson

door het amerikaansche gouvernement bejegend is geworden, zullen wij

er alleen bijvoegen, dat hij op dezelfde edelmoedige manier beloond

is voor de onschatbare diensten, die hij dat zelfde gouvernement

verleend heeft door er op aan te dringen, dat het den Monitor zou

aannemen. Men heeft vijftigduizend dollars kunnen vinden voor een of

andere uitvinding van weinig belang, die men op de monitors meende te

kunnen gebruiken; maar nooit is er een dollar in handen gekomen van

hem, die het ontwerp van het schip gemaakt had. Geen Amerikaan, van

welke zijde hij den strijd beschouwd heeft, zal den indruk vergeten,

toen den 8sten Maart 1862 die kleine monitor te Hampton-Roads voor het

eerst verscheen. De geschiedenis van die merkwaardige worsteling,

waarin deze bodem zulk een belangrijk aandeel nam, is reeds te

dikwijls en op allerhande wijzen verteld, dan dat wij haar hier nog

eens zouden herhalen. Maar in dat verhaal komt een punt voor, dat

maar al te dikwijls vergeten is en lang niet zoo algemeen bekend is

als het overige. Want in de bewondering, die de gunstige afloop der

zaak teweeggebracht heeft, heeft men te spoedig vergeten, hoeveel

moeite Ericsson heeft aangewend om zijn volkomen nieuwe denkbeelden,

die op de scheepsconstructiën betrekking hadden, ingang te doen vinden.

Gedurende acht jaar wachtte het plan van den monitor op de

belangstelling die het verdiende. Een betere tijd brak aan, toen de

oorlog de noodzakelijkheid van een comité bij het departement van

marine deed gevoelen, dat zich bezig had te houden met het onderzoeken

van de ontwerpen ter constructie van gepantserde oorlogsbodems en het

geven van adviezen. Dit comité bestond uit de schouten-bij-nacht Joseph

Smith, Hiram Paulding en Charles H. Davis. De laatst overgeblevene

van dit comité, Hiram Paulding, is in den loop van het vorige jaar

gestorven. De schout-bij-nacht Smith was president van het comité.

Wijs geworden door de ondervinding, die hij bij vorige gelegenheden

had opgedaan aangaande den tijd, die er verloren gaat en het geduld,

dat uitgeoefend moet worden, wanneer men te Washington iets tot

stand wenschte te brengen, wilde kapitein Ericsson, die niet tot in

het oneindige lankmoedig en geduldig was, niet zelf naar Washington

gaan om de aandacht te vestigen op hetgeen hij volbracht had. Hij was

geassocieerd met drie mannen, die bij rijke ondervinding en groote

werkzaamheid de goede eigenschap paarden van zeer rijk te zijn. Deze

hadden zich het lot van den monitor aangetrokken en besloten dat zij

beproefd zou worden. Een van deze was de heer C. S. Bushnell uit

Connecticut. Hij begaf zich naar Washington, maar hij kon er niet

in slagen het comité te overtuigen, dat de ontwerper en samensteller

van de Princeton waard was aangehoord te worden. Er bleef dus niets

over, dan Ericsson over te halen zelf naar Washington te gaan, ten

einde daar in persoon zijn zaak te bepleiten met zijn eigenaardige

welsprekendheid, die zoo overtuigend en meêsleepend was dat zij meestal

de verlangde uitwerking deed. Intusschen was het al ongeveer even

moeilijk om Ericsson hiertoe over te halen als om het departement van

marine te overtuigen. Men gebruikte toen een list. Hem werd verhaald,

dat Bushnell te Washington goed was ontvangen geworden en dat er

niets anders te doen was, dan zelf de details van de opdracht te

gaan regelen.

Doch hoe groot was niet Ericsson's verbazing toen hij, voor het Comité

verschijnende, bespeurde, dat hij niet alleen geen verwachte gast was,

maar een bezoeker, wiens komst eigenlijk niet zeer gewenscht was. Het

was zeer duidelijk, dat de leden van het Comité elkaar afvroegen,

wie of wat hem daarheen gedreven had en zij namen de moeite niet

dit voor hem te verbergen. Tot zijn groote verontwaardiging en

verbazing tevens vernam Ericsson, dat het door hem ingediende plan

van een stoomschip reeds lang door het Comité verworpen was. Zijn

eerste beweging was zich onmiddellijk te verwijderen, doch zijn woede

beheerschende drong hij er zoo kalm mogelijk bij het Comité op aan,

dat hem de redenen die aanleiding tot dit besluit hadden gegeven,

zouden ontvouwd worden. De schout-bij-nacht Smith nam toen het woord

en beweerde, dat het schip niet stabiel genoeg zou zijn, dat het zou

omslaan en met equipage en al zou verzinken.

Nu--wanneer er iets is dat den monitor bijzonder van andere schepen

onderscheidt, dan is het juist zijn vaste ligging, die natuurlijk

een gevolg daarvan is, dat een betrekkelijk gering gedeelte van

het schip zich boven water bevindt. En dit begon kapitein Ericsson

met een reeks van even ernstige als duidelijke redeneeringen uit te

leggen. Hij bemerkte dat hij veld won, dat zijn verklaringen haar doel

niet misten, en, warm geworden in den strijd, eindigde hij met deze

woorden: »Mijne heeren, na hetgeen ik u heb uitgelegd en medegedeeld,

beschouw ik het als uw plicht, dien gij aan het land verschuldigd

zijt, om, voordat ik deze zaal verlaat, mij het bevel tot het bouwen

van een dergelijk vaartuig te geven."

Het Comité begaf zich nu naar een andere kamer, om van gedachten

hierover te wisselen en noodigde kapitein Ericsson uit om over een

uur terug te komen. Toen hij op het bepaalde uur verscheen, vond

hij den schout-bij-nacht Paulding alleen in de vergaderzaal van het

Comité. Deze ontving hem op de meest beleefde en vriendelijke wijze,

deed hem in zijn particulier bureau komen, en vroeg hem nog eens de

uitlegging te herhalen, die hij dien morgen van de stabiliteit van

het stoomschip gegeven had. In dien tusschentijd had Ericsson den

tijd gehad in zijn hôtel een aantal figuren te teekenen, die dienen

moesten om onder een gemakkelijk te begrijpen vorm de kwestie der

stabiliteit te verklaren. Van deze bediende hij zich om het betoog te

herhalen, dat hij reeds gehouden had. De schout-bij-nacht, die later

admiraal Paulding werd, was ten slotte geheel overtuigd. »Mijnheer,"

zeide hij met een oprechtheid, die hem tot eer verstrekt, »ik heb nu

meer over stabiliteit geleerd door hetgeen gij mij hier gezegd hebt,

dan door al wat ik er vroeger van gezien en gehoord had."

Deze samenkomst eindigde met een nieuwe uitnoodiging om over drie uur

terug te komen. Precies op het gemelde uur werd Ericsson verzocht

onmiddellijk in het kabinet van den secretaris Weller te komen,

waar deze hem zonder verdere omwegen mededeelde, dat het comité nu

gunstig over zijne plannen dacht en hem aanried zoo spoedig mogelijk

naar New-York terug te keeren, ten einde zich aan den arbeid te

kunnen begeven. Het contract zou later ter onderteekening worden

gezonden. Voordat dit document door Ericsson ontvangen werd, was

reeds al het ijzer voor den eersten monitor bewerkt; en toen het

hem werd aangeboden, bespeurde hij, dat het een bepaling bevatte,

waarop hij niet bedacht was geweest: die namelijk, dat, wanneer

het bleek dat het schip te kostbaar was, de sommen, die door het

departement van marine zouden worden voorgeschoten, terug betaald

moesten worden. Een dergelijke waarborg was misschien noodig om den

al te opgewonden uitvinder, om zoo te zeggen, in toom te houden;

maar het was een harde voorwaarde, die Ericsson na zijn ondervinding

vroeger met de Princeton opgedaan, zeker niet had aangenomen, wanneer

hij haar vooruit had gekend.

En zoo geschiedde het dat het vaartuig, dat de eer van het gouvernement

redde en misschien den afloop van den oorlog veranderde, niet aan

het gouvernement behoorde, maar aan een particulier; een persoon,

die, daargelaten de vaderlandsliefde, zeer goede redenen had om niet

bizonder welwillend voor dat gouvernement gestemd te zijn. De laatste

termijn was nog niet betaald, toen de Monitor zich met de Merrimac

mat; en wanneer de Monitor, die in der haast, in een tijdvak van

ongeveer honderd dagen, gebouwd was, niet de zware proef doorstaan

had, waaraan hij plotseling onderworpen werd, dan zou niet alleen

het laatste gedeelte van de betaling niet gevolgd zijn, maar dan had

Ericsson al het reeds ontvangen geld terug moeten betalen.

De geest, waarmede Ericsson bezield was in deze omstandigheden, heeft

zich geopenbaard in het antwoord door hem gegeven op de resolutiën

van de kamer van koophandel te New-York. Deze resolutiën vroegen voor

hem »een behoorlijke belooning voor zijn diensten, opdat de natie

hem de verschuldigde dankbaarheid zou kunnen betuigen." Kapitein

Ericsson antwoordde: »Al wat ik als belooning voor het bouwen van den

monitor verlang is, dat mij de kosten van de constructie worden terug

betaald. Dat is voldoende." En de dankbare natie heeft hem bij zijn

woord gehouden en haar geld gespaard, om het uit te kunnen deelen

aan lieden, die het ongetwijfeld beter dan Ericsson verdienden en

aan gierige ondernemers, die niet zoo gemakkelijk te voldoen waren.

De bij het gevecht te Hampton-Roads verkregen resultaten zouden,

zooals kapitein Ericsson beweert, nog veel grooter zijn geweest,

wanneer men bij het bewapenen van het schip naar zijn raad had willen

luisteren. Hij had er op aangedrongen, dat men hem veroorloofde

stukken van twaalf duim in plaats van elf duim voor den monitor

te vervaardigen. Men had hem toen met een medelijdenden glimlach

geantwoord, dat stukken grooter dan van elf duim niet noodig waren. Hij

had de stukken willen laden met een dubbele hoeveelheid buskruit

(dertig pond) in plaats van met de gewone hoeveelheid van vijftien

pond, maar hij kon daartoe de toestemming van den chef der artillerie,

den kapitein Wise, niet verkrijgen. Zoo had, volgens Ericsson, de

Merrimac met de Cumberland gezamenlijk in den grond kunnen geboord

worden door een enkelen goed gerichten kogel, die uit een kanon

van grooter kaliber met een grootere lading buskruit geschoten was

geworden. Intusschen moet men bedenken, dat men toen eerst begon

met gedeeltelijk de uitwerking van de zware stukken te begrijpen

en dat zelfs nu nog deze kwestie onbeslist is. In elk geval werd

de Merrimac genoeg ontredderd om verder voor geen tweeden keer een

gevecht met de Monitor te wagen. Zij bleef sedert uit het vaarwater

van dien oorlogsbodem en eindigde haar dagen op een wijze, die lang

niet zoo edel was, als zij had kunnen zijn, namelijk door zich zelve

te vernietigen.

De monitors werden weldra door het geboorteland van Ericsson, Zweden,

aangenomen zoowel als door Noorwegen en Rusland. Engeland weigerde

langen tijd met een hardnekkige ongeloovigheid, waarschijnlijk

omdat het niet mogelijk zou zijn iets goeds van een yankee over te

nemen. Doch toen de van twee torens voorziene monitor Miantonomah

zich in den zomer van 1866 in de engelsche wateren vertoonde--dus

langer dan vier jaar na de verschijning van den eersten monitor te

Hampton-Roads--toen gaf in Engeland eindelijk de publieke meening

toe. Toen maakte zich een soort van panische schrik van het land

meester. »Een volkomen waarheid is het," riep de »Times" uit, »dat

van alle naties der wereld de Vereenigde Staten de eenige is, die een

gepantserde vloot heeft, welke waardig is dezen naam te dragen." De

verschijning van de Miantonomah werd beschreven als een »schouwspel

met een droevig voorteeken".

»Om deze verschrikkelijke uitvinding," zeide men tot de ongelukkige

Engelschen, »groepeerde zich een menigte groote vaartuigen, die een

belangrijk deel van de britsche marine uitmaakten en onder deze was

er geen enkel, 't welk de vreemde indringer niet in vijf minuten naar

den bodem der zee had kunnen zenden, indien hij niet met vreedzame

bedoelingen van gene zijde der zee was overgekomen. Niet één van

die groote oorlogsbodems zou het verlies van één zijner lotgenooten

hebben kunnen wreken of zich aan een dergelijk lot hebben kunnen

onttrekken. In één woord, de wolf was in de schaapskooi en de geheele

kudde aan zijn genade overgegeven."

De man, die dezen wolf losliet, wacht zijn belooning nog. Hij is

een krachtig grijsaard, die steeds op de middelen peinst, om zijn

monitors, torpedo's en andere helsche werktuigen te verbeteren. Wij

zouden hem met al zijn genie een duivelskunstenaar achten, wanneer

niet de oorlog ter zee thans veel minder menschen kostte, dan in de

dagen onzer houten vloten, wier vreeselijke oorlogsdans op de golven,

in smook en vuur en vlam, op onze oude schilderijen zoo treffend en

ijselijk wordt voorgesteld.

De spoorwegen hebben zich niet zonder moeite een weg gebaand door

het vooroordeel. In 1770 werd de eerste stoomwagen als een nuttelooze

merkwaardigheid aangemerkt. Hij was wel niet volmaakt, en thans prijkt

hij als een curiositeit in het Conservatoire des Arts et Métiers te

Parijs; maar in 1770 verdiende hij wat beters. En ook zijn uitvinder

Cugnot verdiende iets beters dan ten slotte afhankelijk te zijn van

de weldadigheid eener Brusselsche dame.

Toen Péreire den eersten spoorweg wilde leggen tusschen Parijs en Saint

Germain, en Perdonnet dien naar Rouaan, hebben twee groote mannen,

gelijkelijk door de sleur misleid, zich hevig tegen deze plannen

verzet. Zij waren Thiers en Arago. Thiers antwoordde Perdonnet,

dat men hem boven van de tribune zou werpen, wanneer hij 't waagde

de Kamer concessie te vragen voor een spoorweg naar Rouaan. Arago

meende dat het rijden door koude en vochtige tunnels schaden zou aan

de gezondheid. Dit was in 1836.

Thans ligt het ijzeren net gespreid over landen, bergen en stroomen. In

alle richtingen doorsnijden de ijzeren lijnen de wereld, om menschen,

natiën en gedachten te vervoeren van het eene eind der aarde naar

het ander.

Hoe zou de telegraaf, hoe zouden de eerste telegrafisten en hoe

zou Claude Chappe het algemeene lot ontkomen? Claude Chappe werd

in een fransch seminarie opgevoed. Zijne broeders, aan wie hij zeer

gehecht was, waren op een kostschool geplaatst, dat een halve mijl van

het seminarie verwijderd was. Maar Claude wist raad. Hij maakte een

telegraaf, bestaande uit een houten lat, die op en neer draaide en aan

welks uiteinde weder twee beweegbare latten waren bevestigd. Hiermede

wist hij allerlei teekens over te brengen waarmee hij letters en

woorden kon aanduiden. Zoo ontstond de luchttelegraaf.

Claude Chappe kwam in 1792 te Parijs. Met zeer veel moeite kreeg hij

verlof een telegraaf op te richten op de Barrière-de-l'Etoile. Twee

van zijne broeders stonden hem bij en de proeven, die hij nam,

gelukten volkomen.

Chappe, die menige teleurstelling ondervonden had, dacht nu dat

hij zijn doel bereikt had en dat er een geregelde telegraafdienst

zou worden ingevoerd. Doch dit was een ijdel droombeeld. Eenige

nijdigaards, eenige van die menschen, die zich tegen het nieuwe,

wat het ook zij, verzetten, drongen de Barrière binnen en namen den

ganschen toestel mee.

Dit geheimzinnig verdwijnen van de gansche telegraaf ontmoedigde Chappe

en zijne broeders in die mate, dat de gansche zaak zou opgegeven zijn,

wanneer niet een bijzondere omstandigheid hen met nieuwen moed had

vervuld. De oudste der gebroeders Chappe werd door het Departement

van de Sarthe tot lid van de Wetgevende Vergadering benoemd, en

in de hoop dat deze de zaak door zijn invloed en gezag zou kunnen

steunen, plaatste Chappe een nieuwe telegraaf in het fraaie park

van Menilmontant.

Nog waren de gebroeders bezig dit nieuwe werktuig tot grooter

volkomenheid te brengen, toen zij door nieuwe ongelukken getroffen

werden. Eens op een morgen kwam één van hunne helpers hard aanloopen

en riep hun toe dat zij zouden vluchten. Het volk had zich niet gerust

gevoeld bij het zonderling gebarenspel dier houten armen. Wanneer

deze zich zoo plechtig en spookachtig omhoog hieven om straks neder

te dalen, en geheimzinnig naar den grond te wijzen, vreesde het dat

daar wat achter stak, misschien verraad, misschien een helsch plan,

misschien een geheime onderhandeling met den Koning en de gevangenen

van den Temple. Wie en wat was er veilig in die dagen van koortsachtige

spanning en hoe zou een telegraaf de algemeene verdenking zijn

ontgaan? Ze werd dan ook spoedig door de menigte verbrand.

Maar Chappe rust niet. Ten derde male vraagt hij verlof, voor eigen

rekening, nieuwe toestellen op te richten. 't Wordt hem vergund en nu

worden drie telegraafposten opgericht, een te Menilmontant, een te

Ecouen en een derde te Saint-Martin-du-Tertre. Ze waren drie mijlen

van elkander verwijderd. Toen alles gereed was, verzocht Chappe dat er

van wege de regeering een onderzoek zou worden ingesteld omtrent de

deugdelijkheid en het nut zijner uitvinding. Een jaar ging voorbij,

geen antwoord. Het verzoekschrift was in het groote doolhof der

staatsbureaus verdwaald en zoek geraakt.

Een afgevaardigde, Romme genaamd, een wetenschappelijk man, vond het

daar. Hij werd getroffen door de helderheid, die er in doorstraalde en

begreep het groote belang der zaak, zoodat hij er met veel lof gewag

van maakte. Tot rapporteur benoemd, trad hij den 4den April 1793,

met Chappe's memorie in de hand, op de tribune en wist het zoo ver

te brengen, dat de Conventie een som van 6000 francs toestond ter

oprichting van de noodige toestellen.

Daarmede werden den 12den Juli proeven genomen. Daunon en Lakanal,

commissarissen der Conventie, begaven zich met Abram Chappe naar

Saint Martin, een der uiterste forten, terwijl Arbogast met andere

afgevaardigden Claude te Menilmontant vergezelden.

Drie dagen lang werden er proeven genomen. Op een afstand van

zeven mijlen werden al de depêches met de meeste juistheid

overgebracht. Nu werd er spoedig van wege de regeering een

telegraafdienst geordend tusschen Parijs en Rijssel, waarover het

oppertoezicht werd toevertrouwd aan Claude Chappe met den titel van:

telegraaf-ingenieur. Op het eind van het jaar 1794 was de lijn gereed

en den 30sten November kon zij naar Parijs de tijding overbrengen van

een behaalden zege, de verovering van Condé op de Oostenrijkers. Binnen

weinige minuten was de tijding overgekomen. Het telegram wordt in de

vergadering der Conventie voorgelezen onder algemeene toejuiching. Even

spoedig, als het bericht gekomen was, kwam het antwoord terug: »Het

Noorderleger heeft zich verdienstelijk gekweten." Sedert heeft een

spinneweb van draden het oude en zware paalwerk met de beweegbare

armen vervangen. Toch zien wij de seintoestellen nog dienst doen

langs de spoorlijnen en den weg veilig houden.

De martelaars der wetenschap · 第 22 / 27 题