DE NIJVERHEID EN HARE WERKTUIGEN.

De arbeid, die vroeger door last- en trekdieren of ook door de hand

der menschen werd verricht, wordt thans meer en meer aan allerlei

soort van werktuigen toevertrouwd. Hierdoor is een zoo groote

omwenteling ontstaan in het maatschappelijk leven, dat wij veilig

kunnen zeggen: met de opkomst van nijverheid en werktuigkunde is in

de geschiedenis der menschheid een nieuw tijdperk aangebroken. Het

eind van de vorige eeuw was de geboortestond dier wonderen van

samenstelling en verbinding, waarover we ons tegenwoordig niet meer

verbazen, daar zij algemeen zijn geworden; maar die toch inderdaad

niet weinig bewondering verdienen, gelijk ook de uitvinders zelven,

die deze kunstige werktuigen hebben uitgedacht. Zij zijn echter maar

al te onbekend. Wij willen dan ook hier aan de vergetelheid zoodanige

daden ontrukken, om welke de fortuin zich niet heeft bekommerd en

die de faam, om welke reden dan ook, niet heeft uitgebazuind. Daar

hebt gij de vervaardiging van kunstmatige soda, de aanwending van het

gas ter verlichting van straat en huis, de nieuwe weverij en tal van

andere zaken.

Chaptal heeft gezegd dat de bereiding van het zwavelzuur een zeer

juiste maatstaf leverde om den graad te bepalen van den bloei

van handel en nijverheid, van de koolzure soda kan men hetzelfde

zeggen. Hoe meer een land er van noodig heeft, hoe beter het staat

met zijn nijverheid. Met kleiaarde en kalk verbonden levert dit zout

ons glas, met vette zuren vereenigd wordt het zeep, in water opgelost

biedt het den verwer een kostelijk vocht om draden en weefsels uit te

loogen. De glasblazers en zeepzieders gebruiken er gansche bergen van,

zeker meer dan 400 millioen kilogrammen 's jaars. Hiervan bereidt

Frankrijk ongeveer 100 en Engeland 150 millioen.

Gedurende de fransche revolutie vond Nicolas Leblanc het middel om op

kunstmatige wijze deze stof te bereiden, die vroeger langs natuurlijken

weg uit de asch van zeeplanten bereid werd. Vóór de fransche revolutie

waren de Spaansche kusten, bij Alicante en Malaga, en de fransche bij

Narbonne bedekt met planten, zooals de salsola, de soda, de salicornia

europea, die men met de meeste zorg kweekte. Hadden deze planten

een voldoenden wasdom bereikt, dan sneed men ze in kleine stukjes,

die men in de open lucht liet drogen. Droog geworden werden ze in

kegelvormige kuilen opgehoopt en verbrand. Van de asch, die in grooten

voorraad overbleef, werd nu een zeer harde en broze zelfstandigheid,

de ruwe soda, verkregen, welke gemalen en met water toebereid een

soort van loog gaf. Dit liet men uitdampen en zoo bleef de soda over.

In de vorige eeuw was Spanje het eigenlijke vaderland van de soda. De

soorten van Alicante en Malaga, welk voor 28 tot 30 pct. koolzure soda

bevatten, wedijverden met die van Narbonne, ja, Frankrijk moest zich

naar den vreemde wenden, om zijne fabrieken van de noodige soda te

voorzien. Tot op de revolutie ging dit goed; maar de krijg maakte een

eind aan alle buitenlandsche handelsbetrekkingen; men moest van eigen

middelen leven en tot elken prijs moesten de zeep- en glasfabrieken

hun soda hebben.

Het Comité van Algemeen Welzijn deed een beroep op de fransche

scheikundigen. Het riep hen op om al hun krachten in te spannen, ten

einde de soda uit eigen bodem te halen. Weldra waren er niet minder

dan vijf-en-twintig of dertig plannen ingeleverd; maar met algemeene

stemmen werd aan het ontwerp van Leblanc de voorkeur gegeven. Leblanc,

een eenvoudig fransch geneeskundige, had begrepen dat hij de soda van

het keukenzout hebben moest. Dit zout, door middel van zwavelzuur

ontleed, geeft het natriumsulphaat of glauberzout, hetwelk hij nu

met houtskool vermengde, gelijk De la Métherie, hoogleeraar aan het

Collège de France, had voorgesteld. Dit echter gaf niet de stof, die

hij wenschte te verkrijgen. Een ingeving deed hem het denkbeeld aan de

hand er krijt (calciumcarbonaat) bij te voegen, en zie, het vraagstuk

was opgelost. Noch Leblanc, noch zijn geleerde tijdgenooten begrepen

ten volle hoe en waarom deze bijvoeging van krijt de gewenschte

koolzure soda ontstaan deed. Het was alleen een gelukkig denkbeeld,

een gelukkige greep, die maakte dat Leblanc, na vele vruchtelooze

pogingen, na vele geduldige proefnemingen, na vele uiterst schrandere

verbindingen, het eenig ware middel juist op die wijze aanwendde

als voor het welslagen der proef noodzakelijk was. In de 90 jaren,

sedert verloopen, zijn de door Leblanc opgegeven cijfers van gewicht

en hoeveelheid nog niet veranderd geworden.

Onder degenen, die in het groot Leblancs uitvinding in toepassing

brachten, behoort J. B. Bayen genoemd te worden. Deze vestigde zich

op de vlakte van Grenelle, die toen ter tijde nog onbewoond was. Al

spoedig nam de kunstmatige bereiding van soda zulk een vlucht, dat

men niet alleen niets van het buitenland deed komen, maar dat in 1810

de fransche markt zelfs voor buitenlandsch fabrikaat gesloten werd.

In 1823 vestigde James Muspratt een fabriek van soda te Liverpool. Hij

nam het systeem van Leblanc geheel over en deze werkplaats is thans

nog eene der grootsten van Engeland, ja, van de geheele wereld.

Nicolas Leblanc had wel terstond, en van den eersten dag af, het

belang van zijn vinding ingezien. »De kunstmatige vervaardiging van

soda zal, zoo schrijft hij, ten gevolge hebben dat Frankrijk, hetwelk

zulk een groote hoeveelheid van deze stof gebruikt en groote sommen

uitgeeft om het elders te koopen, nu zijn geld in den zak zal houden;

de nijverheid zal niet meer blootgesteld zijn aan het gevaar van deze

zoo noodige stof te moeten missen, hetzij wegens de verwikkelingen van

den krijg of den mislukten oogst van zekere planten. Wij zullen ons

voordeel doen met het zout, waaraan onze bodem geen gebrek heeft. Ja,

de overvloed dezer grondstof en den lagen prijs, waarvoor zij in

Frankrijk te krijgen is, doen zelfs verwachten, dat onze naburen op

hun beurt eenigszins schatplichtig zullen worden aan ons."

De uitkomst heeft deze verwachtingen bekroond; maar Leblanc werd er

niet gelukkiger door. Volgens de titels van eenige zijner werken,

was hij voormalig oud-officier van gezondheid, scheikundige,

oud-administrateur van het Departement der Seine, lid van vele

geleerde genootschappen. Hij had zich doen kennen door zijne

werken over de cristallisatie en hij had een middel aangewezen,

om zuivere kristallen te verkrijgen van een vrij grooten omvang. De

kennis der kristallen heeft de studie uitgemaakt van bijna gansch

zijn leven en waarschijnlijk heeft hij verwacht, dat deze hem een

wetenschappelijken naam bezorgen zou. Hij had toch op dit gebied iets

zeer belangrijks opgemerkt, namelijk dat verschillende sulfaten een

gelijken kristalvorm aannemen, en dat zij zich op en naast elkander

kunnen vormen, welke waarneming mag geacht worden de grondslag te zijn

van de zoo belangrijke leer van het isomorphisme. Maar al mocht hij

nu en dan een opstel geplaatst zien in een wetenschappelijk jaarboek,

al mocht hem nu en dan een onderzoek van aanbelang worden opgedragen,

hij bleef arm, te meer daar de troebelen der revolutie elke opdracht

van regeeringswege onzeker maakten en hij soms allen steun missen

moest. Maar hoe kommerlijk zijne omstandigheden ook waren, hij heeft

zich nimmer door het ongeluk laten overwinnen. Zijn krachtige geest,

zijn vaste wil waren bestand tegen alle beproevingen, ook tegen

die, welke hij als fabrikant moest ondervinden. Hij zelf maakt hier

nauwelijks melding van. Zijn wetenschap ging hem boven alles. Door de

voorspraak van Molard, directeur van het Conservatoire des Arts et

Métiers, vond hij in 1802 de gelegenheid in een van de werkplaatsen

dezer inrichting zijne geliefkoosde studie voort te zetten, en al kon

hij ook geen volledige verzameling van kristallen vormen, hij bracht er

toch eenige zeer merkwaardige te zamen. Met deze zaak was hij steeds

in zijn gedachten bezig. Hoe aandoenlijk is zijn klacht, dat hij

zijn verzameling niet naar den eisch heeft kunnen voltooien. »Ik had"

zoo schrijft hij, »ik had nu al twintig jaar lang met haar uitbreiding

bezig kunnen zijn, maar eens zal zij weder worden ter hand genomen. Dat

dan een voorspoediger hand en schranderder waarnemer zich aan haar

wijde. Dan zal ik mij troosten dat ik geen hulp heb mogen vinden,

die mij in staat stelde mijn arbeid verder voort te zetten." Over zijn

ondernemingen geen woord. Heeft hij al eens gemeend de fortuin bij de

haren te grijpen, hij heeft geen teleurstelling getoond, toen zij hem

is ontsnapt. In die geschriften, waarin hij de twintig jaren van zijn

arbeid beschrijft, zinspeelt hij maar een enkelen keer op den tijd,

dien hij aan zijn sodafabriek heeft gewijd.

Toch was het mislukken dezer onderneming een zware slag. Niets

scheen waarschijnlijker dan dat hij met een sodafabriek fortuin zou

maken. Geen onderneming had betere kansen van slagen. Nauwelijks

had Leblanc in 1791 een brevet genomen, of hij richtte met Dizé,

Shée en den hertog van Orleans een maatschappij op. Te Saint Denis

werden de werkplaatsen gebouwd en voor altijd scheen het geluk den

vennooten toe te lachen, toen de terechtstelling van den hertog van

Orleans een eind maakte aan de groote en billijke verwachtingen, die

men koesterde. Te vergeefs trachtte Leblanc te Marseille een nieuwe

fabriek op te richten. De man, die eene van Frankrijk's rijkste

bronnen van welvaart geopend had, moest liquideeren en zag zoowel

zijn inboedel als al zijn werktuigen aan den meest biedende verkoopen.

De val van de fabriek sleepte hem zelven mee. Het brevet, waarvan geen

gebruik meer werd gemaakt, viel in handen van het groote publiek en

Leblanc was zijn privilege kwijt.

In het jaar VIII van de Republiek werd hij op nieuw in het bezit

gesteld van de werkplaatsen te Saint Denis; maar hij kon geen

kapitaal vinden om de zaak te drijven, en hij stierf in kommerlijke

omstandigheden in het jaar 1806.

Niet minder aandoenlijk is de geschiedenis van de uitvinding van het

lichtgas door Philippe Lebon.

Wanneer men de officieele stukken doorloopt, die op dezen man

betrekking hebben, wanneer men telkens het stralen van zijn genie mag

gadeslaan, wanneer men de hinderpalen nagaat, die hij heeft moeten

overwinnen, wanneer men zich in zijn groot karakter en zijne edele

gevoelens verdiept, staat men vol bewondering stil bij het beeld van

den eenvoudigen man, die de wereld zulk een onwaardeerbaren dienst

bewezen heeft.

Philippe Lebon werd te Brachay (Haute-Marne) in Frankrijk geboren,

op den 29sten Mei 1767. Twintig jaren later werd hij geplaatst op

de school voor den waterstaat, waar hij zich al spoedig door zijn

vindingrijken en onderzoekenden geest onderscheidde. Zijn eerste

arbeid had betrekking op de stoommachines, die toen ter tijde in

haar opkomst waren, en den 18den April 1792 ontving de jeugdige

ingenieur een nationale belooning van 2000 livres, »ten einde zijne

onderzoekingen te voltooien omtrent de verbetering der werktuigen,

die met vuur worden gedreven."

Omstreeks denzelfden tijd werd Lebon's aandacht gevestigd op het

gaslicht. Op een dag, dat hij te Brachay vertoefde, wierp hij een

handvol zaagsel in een flesch, die hij op het vuur verhitte. Hij zag

een dikken rook uit de flesch te voorschijn komen, die op eenmaal vlam

vatte en een helder licht verspreidde. Op dien dag deed de nijverheid

een harer schoonste vondsten. Lebon had de eerste gaslamp gebrand. Men

heeft deze uitvinding aan het toeval toegeschreven. Het zij zoo,

daarmee is de uitvinder niet minder groot. 't Was ook een toeval,

hetwelk den appel deed vallen juist toen Newton tegenwoordig was,

maar hoe velen hadden er appelen zien vallen, zonder dat zij van

een wet der zwaartekracht hadden gedroomd. 't Is het oog van het

genie, dat in de verschijnselen de geheimen ziet, die zij met zich

voeren. Zoo zag Lebon een gasfabriek in de flesch, zoo baat het toeval

het vernuft alleen. Wat al scheikundigen hadden, vóór Lebon, hout of

steenkool zien branden. Maar niemand had nog opgemerkt wat dit in

schijn zoo eenvoudige feit beteekende. Hoeveel menschen hebben het

deksel van een ketel opgetild gezien door den damp daar binnen! Maar

men moest een Watt zijn, om er een stoommachine in te zien. Alleen het

genie ziet in de toekomst, alleen het genie weet, als bij ingeving,

te beslissen wat er van de vele zaken, die het ziet en opmerkt,

worden kan. Binnen weinige dagen had Lebon begrepen waarheen de

waarneming, die hij gedaan had, leiden kon, en met den blik van

een waarlijk verheven geest ging hij aan het werk. Hij wist nu dat

hout en andere brandstoffen, onder den invloed der hitte, een gas

lieten ontsnappen dat zoowel voor verlichting als verwarming dienst

kon doen. Hij had opgemerkt dat het gas, hetwelk aan gloeiend hout

ontsnapt, vergezeld gaat van zwartachtige dampen, die een scherpe

en doordringende lucht van zich geven. Die hinderlijke bestanddeelen

moesten worden weggenomen. Lebon liet nu die dampen door een buis in

een flesch met water gaan, waardoor de onbruikbare bestanddeelen werden

gecondenseerd en het gas in zuiveren toestand afgescheiden werd. Dit

eenvoudige werktuig is de eerste gasfabriek geweest. Het bevat er

dan ook de drie hoofdgedeelten van, het toestel der vervaardiging,

dat der zuivering en dat der inzameling van het gas.

Zijne eerste proeven nam hij ergens op het vrije veld. Hij maakte

zich een fabriekje, waar hij het gas stookte, en vervaardigde een

zuiveringsvat; en ginds, aan het einde van een uitstekende pijp,

brandde het heldere licht, dat door zijne buren niet weinig bewonderd

werd.

Na Fourcroy, de Prony en de geleerden van zijn tijd geraadpleegd te

hebben, nam hij in 28 September 1799 een brevet, waarin hij zijn

»thermolampen", zijn lamp met lichtgas gevuld, beschreef. Tevens

leverde zijn fabriek teer.

Steenkool achtte hij echter verkieslijk boven hout, en duidelijk moet

hij voorzien hebben welk een gewichtige rol de kool en het gas zouden

vervullen. Het stuk, dat hij over deze zaak opstelde, is geschreven

met een gloed, die den man van overtuiging kenmerkt.

Doch Lebon kon maar een gedeelte van zijn tijd aan zijn uitvinding

wijden. Hij was ingenieur, hij had geen fortuin, en moest van zijn

ambt leven. Hij begeeft zich nu als ingenieur naar Angoulême; maar

hij vergeet zijn lievelingsdenkbeeld niet, noch ook Parijs, dat

onvergelijkelijk brandpunt van verlichting. Ook hield hij zich met

meetkunst en andere vakken van wetenschap bezig, zoodat zijn geest

verre weg zwierf van zijne dagelijksche bezigheden en de over hem

gestelde hoofdingenieur zich ernstig over hem begon te beklagen. In

het geheim was deze naijverig op Lebon, in wien hij een man zag van

hooger ontwikkeling, die hem eens voorbij zou streven; hij verborg

echter zijn haat achter een masker van voorgewende hoogachting

terwijl hij hem van zijn ambt zocht te berooven. Gansch vervuld van

zijne plannen met het nieuwe licht, verwijderde Lebon zich dikwijls

van Angoulême, om naar Brachay te gaan, waar hij zijn uitvinding tot

voltooiing zocht te brengen. Dit bewoog den hoofd-ingenieur zich bij

de gestelde machten over Lebon's nalatigheid te beklagen, waarvan het

gevolg was dat er een onderzoek naar diens gedrag werd ingesteld. De

commissie echter die benoemd werd om deze grieven te beoordeelen,

verklaarde hem geheel en al verheven boven elk verwijt. Overigens

toonde de volgende brief, door hem tot den minister gericht, welk

een grootheid van ziel dezen uitvinder kenmerkte.

»Mijn moeder, zoo schreef Philippe Lebon, is komen te overlijden

en ten gevolge van deze gebeurtenis ben ik genoodzaakt geworden mij

eenigszins overhaast naar Parijs te begeven. Dit is mijn eerste fout

geweest. De liefde voor de wetenschap en de zucht om nuttig te zijn

heeft dezen misstap nog verergerd. Ik werd als verteerd en gekweld

door een onweerstaanbare behoefte, om mijn uitvinding tot volmaking te

brengen. Gelukkig ben ik geslaagd, en van een kilogram hout mocht ik,

door de eenvoudige aanwending van wat warmte, het zuiverst lichtgas

verkrijgen, en dat wel met een aanmerkelijke geldelijke bezuiniging

en in een voldoende hoeveelheid, om gedurende een paar uren evenveel

licht te verkrijgen, als van vier of vijf waskaarsen. De proef er

mee is genomen in tegenwoordigheid van burger Prony, directeur van

de school voor de genie, burger Lecamus, burger Besnard, inspecteur

en burger Perard, chef van de polytechnische school. Ik voelde mij

recht gelukkig, nu ik den minister de vrucht mijns arbeids dacht

op te dragen. Ook lag er een memorie gereed, over het besturen van

luchtballons, een stuk, hetwelk de goedkeuring van burger Prony en

andere geleerden mocht wegdragen. Toen riep de genoemde omstandigheid

mij naar Parijs. Waarlijk, het moest wel een zaak van overwegend belang

zijn, die mij van zulke aangename bezigheden kon losmaken. Wel zou

het wreed wezen wanneer ze nu ook de oorzaak werd dat ik een corps

moest verlaten, wier chefs zoo goed zijn geweest mijn eerste schreden

te leiden, mijne eerste pogingen met prijs op prijs te beloonen en

mij aan te moedigen achtereenvolgens al de deelen der wetenschap te

beoefenen, die aan de school van de genie onderwezen worden. Ik kan

niet gelooven dat de omstandigheden, waarin ik mij bevind, dat mijn

vurige liefde voor de wetenschap, dat mijn zucht om mijn vaderland

van nut te zijn en de goedkeuring te verwerven van een minister, zelf

vol ijver en liefde voor de wetenschap en in zekeren zin medeplichtig

van mijn levensideaal--dat dit alles mij op zulk een straf kan komen

te staan. Ik ben op het punt van naar Parijs te gaan; ik ga er heen

in de hoogste spanning, maar de hoop reist met mij mee."

Philippe Lebon werd naar zijn post teruggezonden, maar de oorlog slokte

al de staatsinkomsten op, en de Republiek had, terwijl Bonaparte

zich in Italië bevond, geen tijd haar ingenieurs te betalen. Lebon

schreef den minister en drong daarin aan op betaling van hetgeen

men hem schuldig was, maar alle beden bleven vruchteloos. Zijn vrouw

trok naar Parijs; maar ook hare pogingen bleven zonder gevolg. Zij

schreef den minister den volgenden brief, die nog in het archief van

de school der genie bewaard wordt.

Vrijheid, Gelijkheid--Parijs, 22 messidor, jaar VII, van de

Fransche Republiek, eenig en ondeelbaar--de echtgenoote van

den burger Lebon aan den minister van Binnenlandsche Zaken.

't Is geen aalmoes, geen gunst, die ik u vraag: maar iets,

waarop ik recht heb. Sedert twee maanden kwijn ik weg op

honderd twintig mijlen van mijn huisgezin. Gij zoudt door

een nog langer uitstel een huisvader dwingen, uit gebrek aan

middelen, een staat te verlaten, waaraan hij alles heeft

opgeofferd. Heb deernis, burgers met onzen toestand, die

bedroevend en onhoudbaar is; mijn bede is rechtvaardig.

Ziedaar meer dan één reden, althans genoeg om mij zelve

overtuigd te houden dat de stap, dien ik doe, niet

vruchteloos wezen zal bij een minister, die 't zich tot

een wet en een plicht stelt rechtvaardig te zijn.

Met groete en achting, uw toegenegen medeburgeres, vrouw Lebon,

geboren Brambille.

In 1801 werd Philippe Lebon naar Parijs geroepen en als attaché

toegevoegd aan den heer de Blin, ingenieur en chef der bestrating. Hij

neemt nu een tweede brevet, een echt wetenschappelijk stuk, vol

belangwekkende feiten en gedachten. Hij wijdt daarin uit over de

verschillende wijzen waarop men het lichtgas zou kunnen aanwenden. Hij

stelt der regeering voor een toestel te vervaardigen tot verlichting

van de openbare gebouwen, maar het wordt verworpen. Nu schiet onzen

ongelukkigen uitvinder, al zijn teleurstellingen moede, niet anders

over dan zich tot het publiek te wenden en dit van het nut zijner

uitvinding te overtuigen. Hij huurt het hôtel Seignelay, in de straat

Saint-Dominique-Saint Germain en roept er het publiek te zamen. Hij

heeft gezorgd voor een toestel, dat licht en warmte verspreidt door het

gansche huis; ja, hij verlicht de tuinen met tallooze gaspitten, in de

gedaanten van bloemen en sterren. De fontein was met gas geïllumineerd

en het nederstortend water scheen zelf te lichten en te stralen. Van

alle kanten komt het publiek aanloopen. Trotsch op den goeden uitslag

zendt Lebon nu zijne prospectussen rond, een stuk vol waarheid en

overtuiging, dat tevens een blijk geeft van zijn helderen blik in de

toekomst. Hij ziet het gas reeds door de aderen stroomen van Europa's

hoofdsteden en begroet zijn licht in al hare straten.

Eindelijk brengt de wereld den schranderen uitvinder zijn hulde,

en een commissie, door den minister benoemd, verklaart dat de

gunstige uitkomsten van burger Lebon's proeven aan de verwachtingen

heeft beantwoord van de mannen der wetenschap, ja ze overtroffen

heeft. Napoleon I gunde Lebon een concessie in het bosch van

Rouvray, om er een inrichting te vestigen tot het stoken van

gas uit hout. Ongelukkig werd Lebon gedrongen te veel op eens te

doen. Hij bereidde gas en vervaardigde zuringzuur en teer, dat hij

naar Havre verzenden moest, ten dienste der marine. Desniettemin

had hij goede hoop. Zijn fortuin scheen gemaakt, zijn werkplaats

werd door geleerden en grooten bezocht. Een paar Russische vorsten,

prins Galitzin en Dolgorowski deden hem namens de Russische regeering

den voorslag zijne werktuigen naar Rusland over te brengen. Hij zou

zelf zijne voorwaarden stellen. Philippe Lebon wees deze schitterende

aanbiedingen van de hand; met een edel gevoel voor hetgeen hij aan

zijn vaderland verplicht was, antwoordde hij dat aan Frankrijk en

aan geen ander land de zegeningen van zijn uitvinding toekwamen.

De goede verwachtingen van Lebon hielden helaas niet lang aan. Vijanden

en mededingers deden hem talloos vele onaangenaamheden aan en zelfs de

elementen schenen zich tegen hem te keeren. Een geweldige storm wierp

zijn huis omver en een gedeelte van zijne werkplaats werd door het vuur

vernield. Lebon echter was er de man niet naar, om zich uit het veld

te laten slaan en hij had gegronde hoop dat zijne verlichting in het

groot zou worden toegepast, toen een even ontijdige als raadselachtige

dood een einde aan zijn leven maakte.

Op den 2den December van het jaar 1804, op denzelfden dag, waarop

Napoleon tot keizer werd gekroond, werd hij op laaghartige wijze

vermoord. Men vond hem levenloos in de Champs Elysées, met dertien

dolksteken doorboord. De man, door wiens hand deze euveldaad is

gepleegd, is altijd onbekend gebleven.

Eenige maanden te voren had de ongelukkige Lebon, vol vuur en

geestdrift, zijn medeburgers van Brachay toegeroepen: »Goede

vrienden, binnen kort zal ik u van uit Parijs te Brachay verwarmen en

verlichten." Dat kon niet, beweerden de luidjes van Brachay, »de man

is niet wijs." Hij was niet wijs, 't is waar. Wijze menschen houden

zich bij het oude, wijze menschen beproeven geen dingen, die nog

niemand gedaan heeft. Wijze menschen zijn voorzichtig en wagen zich

niet aan de gevaren en dwaasheden, die het genie onderneemt. Gelukkig

zijn niet alle menschen in dezen zin wijs. Het is met de dwaasheid

van het genie gelijk de dichter zingt:

De gedachte wacht verlangend,

Stille maagd, haar bruidegom;

Wijsheid zegt: ze schept illusies,

Schudt het hoofd: »Wat is zij dom!"

Maar haar vindt een dwaas, die op de

Toekomst hoopt. Hij wendt haar druk,

Huwt haar en, een vruchtbre moeder,

Baart ze ons zegen en geluk.

Philippe Lebon was wel een van degenen, van wie Béranger daar

zingt. Ook hij had zich aan eene groote gedachte verbonden; hij leed

een rampspoedig leven en kwam op ellendige wijze om het leven. Thans

is zijn werk gewassen en de zaadkorrel, door hem in het veld der

ontdekkingen geworpen, is aan het groeien gegaan, terwijl zijn edele

en beminnelijke persoon behoort tot dezulken, die niet vergeten mogen

worden. De portretten, die van hem over zijn, geven ons een denkbeeld

van den luister van zijn helder en peinzend oog, den spiegel van zijn

eerlijke en vurige ziel, van zijn vertrouwend en edelmoedig hart,

och, zoo licht misleid, als men het daarop toelegde, want hij dacht

geen kwaad en had slechts oog voor het goede. Van hem mag gelden dat

hij meer achting dan fortuin wist te winnen.

Zijn weduwe ontving een pensioen van 1200 francs en wilde den arbeid

haars mans voortzetten; maar ook zij wijdde haar geestkracht aan een

vruchteloos werk en stiet zich tegen nieuwe hindernissen en nieuwe

rampen. Thans brandt het gas in groote en kleine steden, in dorpen, in

huizen, in winkels, op stations en pleinen. Ook al mocht de aardolie of

het electrisch licht het gaslicht verdringen, toch zal zijn uitvinding

een zegen zijn geweest voor vele jaren en voor ontelbare menschen,

ja, een schier onmisbaar deel hebben uitgemaakt van onze beschaving.

De nijverheid brengt niet alleen in onze dagen allerlei dingen voort,

die vroeger onbekend waren, maar zij weet ook veel handenarbeid uit

te winnen, tengevolge waarvan hare voortbrengselen zich eindeloos

vermenigvuldigen en veel goedkooper worden en de handenarbeid weder

tot andere zaken kan gebezigd worden. Wanneer men al het katoen, dat

Engeland's fabrieken jaarlijks afleveren, met de hand moest spinnen,

zou men daartoe 91 millioen personen noodig hebben, dat is ongeveer

de helft van de bevolking van Europa. Een knappe breidster kan per

minuut 80 steken breien, de machine maakt er in dien tijd 480.000.

Let men op deze cijfers, dan kan men die groote werklieden en

uitvinders niet genoeg roemen, die, maar al te zeer door het nageslacht

vergeten, met hun vernuft en ijver het rijk der werktuigkunde hebben

doen aanbreken.

Hier staat ons de geschiedenis voor den geest van den beroemden

barbier van Preston, den uitvinder van de eerste spinmachines.

Richard Arkwright werd geboren in het engelsche graafschap Lancaster,

op den 23sten December 1732. Hij werd barbiersjongen. Van zijn

spaarpenningen zette hij eerlang zelf een winkeltje op met het

opschrift: In den onderaardschen barbier: hier scheert men voor

twee stuivers. De andere barbiers verlaagden hierop hunne prijzen;

maar Arkwright liet zich niet uit het veld slaan en tartte zijne

concurrenten met een nieuw uithangbord waarop: Hier komt men voor

een stuiver onder het mes. Intusschen werd onze ijverige barbier

hier niet rijker mee en weldra zien wij hem het land afloopen en

handel drijven in haar. Hij had echter een zeer sterk geteekende

voorliefde voor werktuigkunde en hield zich in zijne vrije uren bezig

met het vervaardigen van kleine modellen. Onderweg ontmoette hij een

uurwerkmaker, Kay, die hem in staat stelde zoodanige kundigheden op

te doen als hem ontbraken. Nu arbeidde hij met verdubbelden ijver

van 's morgens vier tot 's avonds negen uur, en in weerwil van zijn

armoede--zijne kleederen waren aan flarden gescheurd--slaagde hij

er in, met de hulp van zijn vriend Kay, het model samen te stellen

van de eerste spinmachine. Hij stelde het in de spreekkamer van de

kostelooze school te Preston ten toon. De fortuin lachte hem toe. Rijke

industrieelen kwamen hem te hulp. Hij nam een brevet en richtte een

spinfabriek op te Nottingham, te Cromford, en in de nabijheid van

Chorley. Nu spanden alle katoenfabrikanten van Lancashire tegen hem

samen. De werklieden, tegen hem opgezet, zagen in hem een vijand, die

met zijne werktuigen hen van hun brood berooven kwam. Zij besloten dus

hem in het verderf te storten en zijn werkplaats werd door een bende

kwaadaardigen vernield. Arkwright was binnen kort op nieuw aan het

spinnen en leverde beter werk dan zijne concurrenten. Nu weigerde men

van zijn fabrikaat te koopen en daagde men hem bij de rechtbank. Niets

baatte tegen des spinners geestkracht en wil. Hij zegevierde. Op het

eind zijns levens zag hij zijne onvermoeide pogingen met het beste

gevolgd bekroond, en onder zijn opzicht verrezen in Schotland een

aantal fabrieken. Zijn mededingers, genoopt het hoofd in den schoot

te leggen, eindigden met zelven zijne toestellen in gebruik te nemen.

Arkwright bezat zulk een wilskracht dat hij, op vijftigjarigen

leeftijd, zich zelven de taalkunde en de spelling leerde. Hij was

zoo geheel verdiept in de werktuigkunde en in de oprichting zijner

werkplaatsen dat hij geheel onbekend gebleven was met de eerste

beginselen van het onderwijs. Bij zijn dood, den 3den Augustus 1792,

liet hij een groot fortuin na; maar grooter fortuin verwierf Engeland

in het bizonder en de wereld in het algemeen. De invoer van katoen

in Engeland, die van 1771-1780 5.735.000 ponden bedroeg, wies van

1817-1821 tot 144 millioen ponden, van welke 130 millioen alleen in

Engeland verwerkt werden.

Aandoenlijk is de geschiedenis van den nederigen, edelen Jacquard. Nog

jong deed hij zich kennen als een voorbeeld van werkzaamheid,

vindingskracht en volharding. Als drukker, als lettergieter let hij

met aandacht op de werktuigen, die hij in handen krijgt en verbetert

ze. Op een keer, zich bij een messenmaker bevindende, ziet hij hoe

het mes door de handen van drie of vier werklieden gaat, voordat het

in het heft wordt bevestigd: den volgenden dag reeds heeft hij het

volledige plan geteekend voor een machine, die in vijf minuten het

werk verricht, waaraan vier werklieden een ganschen dag besteden. De

messenmaker, te arm om deze machine te laten vervaardigen, stelde zich

met de teekening tevreden; maar zijne knechts vernielden haar weldra,

uit vrees dat deze uitvinding hun ontslag ten gevolge zou hebben.

Reeds vroeg hield hij zich met de weverij bezig en zocht hij deze te

vereenvoudigen. Zijn vader was een handwerksman, die laken en andere

stoffen met goud, zijde enz. doorstikte. Deze echter kwam spoedig

te sterven en daar zijn moeder reeds vroeger overleden was, kwam

hij geheel op zich zelven te staan en in het bezit van een kleine

erfenis. Hij huwde met de dochter van een wapensmid, Boichon. Zijn

bruid zou hem, volgens de verzekering van den smid, een aardige

huwelijksgift meebrengen. Zij deed het, niet in dien vorm, waarin men

dat gewoonlijk verstaat, want geld heeft Jacquard van zijn schoonvader

nooit gezien; maar hij vond een lieve vrouw, vol toewijding, vol moed,

vol liefde ook in dagen van beproeving; zij geloofde in hem en bleef

in dit geloof hem getrouw en hield zijn moed staande.

Jacquard richtte nu een atelier van gemaakte kleederen op, maar ook hem

ontbrak de praktische geest van den handelaar. Hij slaagde niet, stak

zich in schulden, verviel tot armoede en kwam bij een kalkfabrikant

in dienst. Terwijl hij de brandstoffen in den oven wierp, maakte zijn

vrouw te Lyon stroohoeden op.

Nog zwaarder dagen zouden aanbreken. Het jaar 1793 was daar; het

schrikbewind was in vollen gang: de Girondijnen worden naar het schavot

gesleept. Lyon verzet zich en Jacquard verzet zich mede. Aanhanger

van de Republiek; maar tegenstander van het Schrikbewind neemt hij als

eenvoudig soldaat deel aan de heldhaftige worsteling, die de inwoners

van Lyon ondernemen tegen de Conventie. Lyon wordt verwonnen. De

guillotine troont op de Place der Terreurs. Al wie meegedaan heeft

wordt vervolgd en veroordeeld. Jacquard moet zich verbergen, te

gelijk met zijn zeventienjarigen zoon. Vervolgens vluchten zij en

nemen dienst bij het leger van den Rijn. Jacquard strijdt dapper voor

zijn vaderland, maar koopt de zege duur, want zijn zoon sneuvelt,

en sterft in zijne armen.

De ongelukkige vader wordt krank, kwijnt weg in het hospitaal, keert

naar Lyon terug en vindt zijn huis verbrand. Daar mag hij zich nu

weder vestigen met zijn vrouw, die hij slechts met moeite heeft weten

op te sporen. De rust keert weder en met de rust de nijverheid en

de welvaart.

Reeds lang had hij gezonnen op een middel om het een of ander werktuig

in de plaats te stellen van de arbeidster of het kind, dat bij de

zijdeweverij de zoogenaamde lac's aantrok (een soort van snoeren

bij de weverij in gebruik). Hij dacht een samenstel uit van pennen

en haken, waarmee hij den moeielijken arbeid der »tireuse de lacs"

overbodig maakte en een bezuiniging van 50 pCt. in de zijdeweverij te

weeg bracht. Op de tentoonstelling van voortbrengselen van Nationale

Nijverheid in het jaar 1801 trok de nieuwe machinerie van Jacquard

zeer de aandacht en won zij een bronzen medaille. Een andere vinding

van Jacquard, een werktuig om vischnetten te knoopen, werd met goud

bekroond.

Ware Jacquard bij de hand geweest, hij had fortuin gemaakt; maar hij

behoorde tot hen, die anderen de vruchten laten plukken, terwijl zij

zelven zich aan hun uitvinding wijden om die te volmaken. In 1802

werd hij naar het Conservatoire des Arts et des Métiers te Parijs

geroepen, waar hij zich vestigde en twee jaren doorbracht, werktuigen

en modellen van werktuigen samenstellend en verbeterend. Nergens

kon hij beter geplaatst zijn. Hier vervaardigt hij zijne machines

om fluweel-lint te weven en zijne spoelen voor de bewerking van het

katoen. Voorts herstelde hij het beroemde weefgetouw van Vaucanson,

dien ongeëvenaarden werktuigkundige, die zijne tijdgenooten versteld

deed staan van zijne onnavolgbare automaten.

Naar Lyon teruggekeerd (1804), vond hij aldaar een eerlijk en welgezind

kapitalist, Camille Pernon, en eindelijk zal dan zijn kunstig

weefgetouw in het werkelijke leven der fabriekwereld optreden. De

kamer van koophandel en het stedelijk bestuur bemoeien zich met de

zaak; eene commissie, bestaande uit de knapste handelaren, onderzoekt

zijne toestellen en legt daarvan de gunstigste getuigenissen af en

weldra wordt het stedelijk bestuur van Lyon gemachtigd Jacquard het

privilegie van zijn weefgetouw af te koopen voor een lijfrente van

3000 francs. Zoo werd zijn brevet algemeen eigendom. De uitvinder

ruilde een uitvinding, die hem vijftien jaren arbeidens en niet weinig

ontbering en ellende gekost had, voor een eenvoudig stuk dagelijksch

brood. Hij vroeg het gouvernement ook nog een premie van vijftig

francs voor elk getouw, dat volgens zijn vinding zou worden opgericht.

»Dat is er een, die zich niet spoedig tevreden laat stellen!" riep

Napoleon, toen hij het brevet teekende. (De Keizer zelf liet zich

ook zoo spoedig tevreden stellen!)

Nieuwe beproevingen wachtten hem nu. De invoering van zijn weefmachine

verwekte een niet geringe opschudding onder de arbeidende klasse. Alom

vertelde men dat het nieuwe toestel den handenarbeid onnoodig maakte en

dat het volk er door tot den bedelstaf zou worden gebracht. Hij werd

met bedreigingen achtervolgd. Hij heette een verrader, die den armen

handwerksman aan de willekeur van den rijken fabrikant prijsgaf. Dat

was dan het loon voor zijn waken en zoeken, zijne tranen en zijne

zelfverloochening! Allengs steeg de haat al hooger en hooger, als

een opkomende vloed, die hem dreigde mee te sleepen. Jacquard was

niet meer veilig op straat; men beleedigde hem in het openbaar. Eens

zelfs werd hij door den verwoeden volkshoop naar de Rhône gedrongen.

»Te water, te water met hem!" riepen de woestelingen.

Zonder de tusschenkomst van een paar moedige mannen zouden zij hem

in de rivier hebben geworpen.

Een ander zou gevlucht zijn en den zegen van zijn uitvinding

naar elders hebben overgebracht--hij bleef. Hij wist den haat en

den tegenstand het hoofd te bieden, wachtende op het uur zijner

rechtvaardiging. Hij wist dat zijne machines overvloed en welvaart

stichten, dat zij den arbeid vermeerderen en tegelijk de lichamelijke

vermoeienis verminderen zouden. Eens zou men hem de welverdiende

hulde niet onthouden!--Welnu, hij bedroog zich niet.

Het weefgetouw à la Jacquard heeft een hervorming in de zijdeweverij

teweeg gebracht en de stad Lyon groot gemaakt. En niet alleen Lyon

mag hem dankbaar zijn, maar Rouaan, Manchester, Berlijn, Moscou,

Petersburg, Amerika, Indië, China hebben zijn uitvinding tot hun nut

weten aan te wenden.

Na zich aller achting verworven te hebben, trok de groote uitvinder

zich naar de omstreken van Lyon terug en bebouwde daar zijn tuin. Daar

kwam menig vreemdeling hem zien en mocht er zijne medailles en zijn

Croix d'honneur bewonderen. Hij stierf, van allen geëerd, op den 7den

Augustus 1834, twee-en-tachtig jaren oud. Wat had hij niet doorgestaan!

De uitvinder van de linnenspinnerij was niet gelukkiger.

Philippe de Girard werd te Lourmarin (Vaucluse) geboren, op den 1sten

Februari 1775. Hij was een dier groote geesten, die met alle talenten

begiftigd zijn en bij alles een wonderbare vindingskracht ten toon

spreiden. Van zijn prilste jeugd af maakte de toekomstige uitvinder,

evenals Newton, kleine werktuigen, vooral radertjes, die hij door

middel van een stroomende beek in beweging bracht. Op veertienjarigen

leeftijd dacht hij een aardig werktuig uit, waarbij hij zich den

golfslag als beweegkracht ten nutte maakte. Voor alle wetenschappen

en alle kunsten bezat hij een wonderlijke geschiktheid. Met hetzelfde

gemak beoefende hij werktuig- en plantenkunde, schilder-, beeldhouw-

en dichtkunst.

De stormen der omwenteling ontrukten Philippe de Girard aan het vredige

leven in het ouderlijke huis. Na de wapens te hebben gevoerd tegen

de omwentelingsmannen van het Zuiden, moest hij met zijne familie

Frankrijk verlaten, en om zich en de zijnen in het leven te houden,

schildert hij te Mahon, op het eiland Minorca, en maakt hij zeep te

Livorno. Ondertusschen deed hij zich reeds door eenige uitvindingen

kennen.

Naar zijn haardstede teruggekeerd, richt hij te Marseille een fabriek

op van chemische produkten. Maar ten gevolge van de staatkundige

troebelen des tijds (1795) moet hij wederom het land verlaten. Nu

verkrijgt hij te Nice een leerstoel voor chemie en natuurlijke

geschiedenis, welke vakken hij, na 18 Brumaire, ook te Marseille

onderwijst.

Eens in Frankrijk zijnde, komt hij ook weder te Parijs. Aldaar bleek

al spoedig, op de tentoonstelling van 1806, wat het vernuft van Girard

vermocht. Hij stelde er een nieuwen kijker ten toon, en ijzeren platen,

die door een gansch nieuwe wijze van bewerking geschilderd en vernist

waren. Ook zag men er de bekende hydrostatische lampen, die te dier

tijde een ware omwenteling brachten in de kunst van verlichten. Eenigen

tijd later ontving Girard van de Maatschappij van Aanmoediging een

groote gouden medaille voor een merkwaardige stoommachine.

In 1810 wilde Napoleon de engelsche katoenfabrikage den laatsten

slag toebrengen. Nadat hij alle havens van Europa voor haar had

doen sluiten, vaardigde hij een besluit uit, dat den 12den Mei in de

Moniteur verscheen en waarbij een millioen francs werd toegezegd aan

den uitvinder, tot welke natie ook behoorende, die het beste werktuig

zou vervaardigen tot het spinnen van linnen garens.

Eenige dagen na de uitvaardiging van dit Besluit was Philippe Girard,

toen vijf-en-dertig jaren oud, bij zijn vader te Lourmarin. Bij het

ontbijt werd het nieuwsblad binnengebracht, waarin deze oproeping

voorkwam. De oude Girard reikte het blad aan zijn zoon over met de

woorden: »Philippe, dat is iets voor u!" Na het ontbijt ging Philippe

alleen uit, vastbesloten het vraagstuk op te lossen. Nimmer had

hij zich bezig gehouden met de zaak, waarop het Besluit doelde. Hij

vraagde zich dus af, of hij zich niet eerst in kennis zou stellen

met alles, wat in deze beproefd was; maar al spoedig begreep hij

dat het groote aanbod niet zou zijn gedaan, wanneer men ooit tot

een gelukkige oplossing gekomen was. Voorts wilde hij ook liever

niets van den toenmaligen stand der zaak weten, ten einde met te

meer onafhankelijkheid zijn eigen weg te gaan en den ouden sleur

te ontwijken. Hij nam dus vlas, garen, water en een vergrootglas,

en beurt om beurt het vlas en het garen aanziende, dacht hij: »Met

het een moet ik het ander vervaardigen!" Na het vlas met het glas

te hebben beschouwd en het in water te hebben geweekt, zoodat hij

de vezels kon afscheiden, vormde hij met de vingers een bijzonder

fijnen draad. Wanneer hij nu maar een machine had, die hetzelfde kon

wat hij met de vingers deed, dan was hij er. De kiem der uitvinding

was in zijn gedachte opengesprongen en hij kon tot zijn vader zeggen:

»Het millioen is mijn!"

Twee maanden later kon hij een eerste brevet op zijn uitvinding

nemen. Zij is sedert niet wezenlijk veranderd en daaruit mag haar

degelijkheid blijken. Van het millioen echter zag hij niets. De

regeering scheen berouw te hebben, dat zij zulk een som had uitgeloofd

voor een zaak, die zoo spoedig gevonden was. Men eischte nu, onder

andere meer zonderlinge voorwaarden, dat het garen 400,000 meters zou

meten in een kilogram en dat dit wonder zou verkregen worden tegen een

vijfde van de kosten van het met de hand gesponnen garen. Philippe de

Girard kwam hiertegen op, maar het Keizerrijk viel en toen de dag kwam,

waarop de belooning zou worden uitgereikt, zei Thiers: Wat er was,

het millioen was er niet meer.

Toch ging de Girard voort zijn vernuft aan Frankrijk's heil te

wijden. Toen de verbonden Mogendheden in 1831 zich gereed maakten

Frankrijk binnen te rukken, vond hij een soort van stoomwapen uit. De

proeven, welke onder toezicht van verscheidene officieren met dit

wapen genomen werden, gelukten volkomen. Het geleek eenigszins op de

latere mitrailleuses, loste 180 schoten in de minuut en doorboorde

op honderd passen een plank van 4 centimeters dikte. De moordtuigen

zouden vervaardigd worden en het noodige geld werd er voor aangewezen,

maar hoe snel ook de uitvinding gedaan en in praktijk gebracht was,

nog sneller was de loop der gebeurtenissen, die haar overbodig maakten.

De machinale linnenspinnerij en al de andere proeven, die Girard

had genomen, kostten hem zijn gansche fortuin, alsmede dat zijner

broeders, die zich bij hem aansloten. 't Is bijna ongelooflijk en toch

is het waar, dat deze nuttige man, deze glorie en trots van Frankrijk,

op zijn werkplaats, te midden van zijn arbeid, gevangen genomen werd

wegens schulden, die hij in het belang van zijn uitvindingen gemaakt

had. Men sloot hem op. Toen nam de Girard de aanbiedingen aan, die

hem van wege Oostenrijk werden gedaan, om aldaar een spinfabriek op

te richten. Hij vertrok, met een verscheurd gemoed, de helft zijner

werktuigen meenemende, terwijl zijne broeders met de andere helft

hun geluk in het ondankbare vaderland nog eens zouden beproeven. Zij

slaagden niet. Het gouvernement wilde hun geen geld toestaan en de

fabriek stond stil en werd een bouwval. Maar ook Philippe slaagde

niet naar wensch. Toch bracht hij zijn werktuigen tot steeds grooter

volkomenheid, onder anderen door de toevoeging van een kammachine,

waarin hij later nog verbetering zou aanbrengen. Ook aan de stoomvaart

wijdde hij zich. Van Pesth naar Weenen liet hij een schip den Donau

opvaren, dat met stoom gedreven werd. Hij was de eerste die ter

voorkoming van geweldige ontploffingen, den stoom zich ontwikkelen

liet in dunne buizen.

Vervolgens werd de Girard door den Keizer aller Russen naar Warschau

geroepen, om aldaar een groote spinnerij tot stand te brengen. Hij

was er bovendien ingenieur der mijnen en werd er zoo populair, dat

het stadje, hetwelk langzamerhand rondom zijn fabriek aangroeide,

Girardow genoemd werd. Nog vond hij uit een toestel, om het sap

uit de beetwortels te trekken en dit te doen verdampen, en een

nieuw watermolenrad, dat door watervallen in beweging kon worden

gebracht. Hij bracht verbetering aan in de wijze, waarop men zink

uit erts bereidt, plaatste op den gevel van de Bank te Warschau

een zichzelf registreerenden thermometer en op het observatorium

te dier stede een zichzelf registreerende meteorograaf. Hij vond

een werktuig uit om het houtwerk voor geweren te vervaardigen, een

ander om bolvormige voorwerpen met mathematische juistheid te draaien,

een stelsel van luchtverwarming in de hoogovens, stoommachines zonder

balans, schroefraderen, een machine om werk te ontwarren, te spinnen,

een zichzelf registreerenden dynamometer, werktuigen om steenen te

bakken, een ander om ijzerdraad te trekken.

In 1844 kwam de Girard, nog altijd arm, naar Frankrijk terug. Vier

jaren vroeger had hij een vlugschrift geschreven, waarin hij op

krachtige wijze zijne rechten handhaafde: »Memorie aan den Koning, aan

de Ministers en aan de Kamer omtrent den eersten rang, aan Frankrijk

toekomende, waar het de uitvinding geldt van de spinmachines voor

linnen garens. Ik kom, zoo zeide hij, èn voor mijn vaderland èn

voor mijzelven de eer dezer uitvinding eischen, ter wille van welke,

op Frankrijk na, geheel Europa mij hulde heeft gebracht."

Bij gelegenheid van de Tentoonstelling van Nijverheid te Parijs,

in 1844, werd de Girard's kammachine niet weinig bewonderd; maar hij

was toen een grijsaard van 69 jaren en leefde van een pensioen, dat

de Keizer van Rusland hem had gegund en van een paar duizend francs,

die een Vereeniging hem bij wijze van een aalmoes had toegestaan. Hij

stierf in 1845. Dat zijne vrienden nimmer het kruis van het Legioen van

Eer voor hem hebben kunnen krijgen, is wel een bewijs hoe laag de man

geschat werd, die zijn vaderland zulke groote diensten bewezen had. In

1849 werd de Girard's recht op de uitvinding plechtig afgekondigd

en in 1853 stemde het Corps Legislatif voor een nationale belooning,

die aan des uitvinders erven zou worden geschonken. O, spot van het

lot! Zijn broeder Frédéric was dood, zijn broeder Joseph was in de

negentig en stierf het volgende jaar.

Onder de mannen, die zich verdienstelijk hebben gemaakt met het

spinnen, kammen en weven van katoen, behoort ook Josua Heilman. In

tegenstelling met bijna alle uitvinders bezat hij een aanzienlijk

vermogen; maar dit belette den genius der vinding niet hem aan te

grijpen. Te midden van de fabrieken van den Elzas wonende, vernam hij

dat de eerste fabrikanten van den omtrek een som van vijfduizend francs

boden voor een nieuwe machine om het katoen te kammen. De toenmalige

kammachine was ongeschikt tot het dooreenwerken van katoen en wol,

en deed bovendien veel verloren gaan. Heilman nam het besluit mee te

dingen. Hij was toen geen eerstbeginnende, want hij had het opzicht

gehad over een fabriek van machinerieën. Hij had een borduurmachine

uitgevonden, waarin twintig naalden te gelijk in werking waren; zoo

ook een verbeterd weefgetouw, een machine om stoffen te meten en te

vouwen, een ander om den spoel op te winden, en weder een ander,

waarmee hij twee stukken fluweel te gelijk weefde. Maar de vraag,

die hem nu werd voorgelegd, was vrij wat moeielijker op te lossen. Hij

besteedde verscheidene jaren aan het bestudeeren van dit vraagstuk. Hij

had het er op gezet zijn doel te bereiken en dat te meer, naarmate het

verder verwijderd scheen. Hij moest kostbare proeven nemen, werktuigen

laten maken en zijne proefnemingen telkens veranderen en herhalen. Dit

kostte hem zoo veel, dat zijn gansche fortuin en de bruidschat zijner

vrouw er mee heengingen. Toen moest hij geld leenen, om in het leven

te blijven, en toen hij zijn vrouw verloren had, besloot hij naar

Engeland te gaan en daar een betrekking te zoeken, die voor hem

en zijne beide dochters een bestaan kon opleveren. Heilman toog nu

naar Manchester. Maar de gedachte aan zijn kammachine volgde hem op

den voet en liet hem niet met rust. Hij vervaardigde er een voor een

engelsch fabrikant, maar deze voldeed niet aan de verwachtingen. Naar

Frankrijk teruggekeerd, om er zijne dochters te bezoeken, zat hij

op een avond weder te peinzen en keek hij onwillekeurig, doch zeer

aandachtig, naar zijne kinderen, waarvan het eene bezig was het ander

de schoone, lange haren te kammen en op te maken. »Kon ik," dacht

hij op eens, »kon ik met een werktuig de eigenaardige bewegingen van

die hand namaken, die eerst de lange haren naar zich toe haalt en

met een tegenovergestelde beweging de korte haren wegwerkt, dan was

ik geholpen." Josua Heilman hervatte zijn arbeid, en na zeven jaren

zoekens mocht hij eindelijk zijn schijnbaar zoo eenvoudig, maar in

waarheid zoo samengesteld kamwerktuig gereed zien. Nog eenigen tijd

had hij noodig om zijn uitvinding te voltooien, doch daarna had het

dan ook een graad van volkomenheid bereikt, hooger dan welke men het

zeker niet brengen zal. Men moet dit wonderbare werktuig zien werken,

om het naar waarde te schatten. Het heeft in zijn greep en in zijn

gansche beweging iets, dat aan de menschenhand doet denken. Nu was

Heilman's fortuin gemaakt. Van alle kanten kwamen aanbiedingen,

om hem zijn privilegie af te koopen. Maar hij genoot weinig van die

weelde. Hij had zijn fortuin gegeven, doch toen het wederkwam stond

hij op het punt van scheiden en ging hij de eeuwige rust in.

De martelaars der wetenschap · 第 20 / 27 题