Onder de groote lichten, die aan Frankrijk's hemel geschenen hebben
en nog in lange niet zullen uitgebluscht worden, neemt Blaise Pascal
een voorname plaats in. Pascal had niet te strijden tegen de gevaren,
die den ontdekker wachten, noch ook tegen de vervolgingen, waaraan de
denker en uitvinder bloot staat, maar hij levert ons het aandoenlijk
schouwspel van een man, die, om zoo te zeggen, de martelaar van zijn
eigen geest is geweest. Zijn al te zeer ontwikkeld verstand moest het
uitwendige omhulsel verteren, gelijk een al te hevig vuur den haard
zou doen smelten en vergaan, waarin het brandt.
Blaise Pascal, den 19den Juni 1623 te Clermont-Ferrand geboren,
had nimmer een ander onderwijzer dan zijn vader, een echt geleerde
en groot wiskunstenaar. Van zijn vroegste jeugd af gaf hij blijk
van een buitengewone levendigheid van geest en van gansch bizondere
vermogens. Elkeen, die met hem in aanraking kwam, stond verbaasd over
de gevatheid zijner antwoorden en over de juistheid van zijn oordeel.
Zijn wiskunde leerde hij op een wijze, die aan het wonderbare
grenst. Zijn vader had opgemerkt dat hij een groote voorliefde had
voor zoodanige vakken, die op redeneering en gevolgtrekking steunen,
en vreezende, dat zijn zoon de talen verzuimen zou, had hij zorgvuldig
alles ter zijde gehouden, wat hem op wiskundige wegen kon leiden,
alle boeken over meetkunst geborgen en zich wel gewacht gesprekken
over deze onderwerpen aan te knoopen. Toch kon hij de weetgierigheid
van zijn jongen niet gansch te leur stellen, en zoo gebeurde het dat
hij soms in 't algemeen antwoorden gaf als deze: »dat de meetkunst
die wetenschap is, die ons leert juiste figuren te trekken en hare
verhoudingen te bepalen." Tegelijk verbood hij hem er verder over te
denken of te spreken.
Van deze eenvoudige verklaring zijns vaders uitgaande, begon
de knaap in zijn vrije uren te peinzen, met houtskool lijnen te
trekken op de muren van zijn woning, langs dien weg de verhoudingen
en betrekkingen der figuren bepalende, definitiën, axioma's,
bewijzen opstellende. Cirkels noemde hij kringetjes en rechte lijnen
strepen. Hij bracht het zoo ver, dat hij uit zichzelven aan de 32ste
stelling van het eerste boek van Euclides kwam. Eens, dat zijn vader
hem te midden zijner oefeningen verraste, vroeg hij hem wat hij toch
wel deed, en de jongen antwoordde dat hij iets zocht, welk iets juist
die 32ste stelling van Euclides was. Zijn vader vroeg hem verder hoe
hij daar zoo toe gekomen was, en het antwoord luidde dat hij eerst
dit en toen dat gevonden had en zoo vervolgens, zoodat hij met zijn
strepen en kringetjes een gansche meetkunst geschapen had.
Een vriend van den huize, zekere Le Pailleur, ried Blaise's vader
aan zijn zoon niet langer tegen te werken. Deze gaf hem daarop de
Beginselen van Euclides, die de jongen, zonder eenige verklaring
noodig te hebben, dadelijk begreep, en weldra kon hij geregeld
en met vrucht zekere samenkomsten bijwonen, op welke de parijsche
geleerden wekelijks voordrachten over wiskunde hielden en gehouden
voordrachten beoordeelden. De jonge Pascal deed, zoo goed als de beste,
met deze geleerden mee; hij bracht niet zelden iets nieuws aan, en
het is gebeurd dat hij fouten opmerkte, die door de anderen over het
hoofd waren gezien. Toch was het alleen in zijne vrije uren, dat hij
zich aan deze studiën wijdde. In korten tijd echter maakte hij zulke
vorderingen, dat hij, zestien jaren oud, een vertoog schreef over de
kegelsnede. Dit werk mag voor een der merkwaardigste voortbrengselen
gehouden worden, die de menschelijke geest op dit gebied geleverd
heeft.
Toen Blaise negentien jaren oud was, vond hij een rekenmachine uit,
die met recht aller bewondering gaande maakte en hem twee jaren
van ongehoorde inspanning kostte, maar zijn gezondheid niet weinig
benadeelde.
De meeste van Pascal's uitvindingen waren, zooals deze rekenmachine,
van algemeen nut. Zoo heeft men hem verschillende praktische werktuigen
te danken.
Hij telde drie-en-twintig jaren, toen hij de leer van den barometer
openbaar maakte. Toricelli had de eerste begrippen van Galileï
omtrent het gewicht van de lucht verder uitgesponnen en in 1643 de
proef genomen hoe een kwikkolom wordt opgehouden onder den invloed
van de drukking van den dampkring. Pascal hoorde hiervan, en deze
belangrijke proef bracht hem al spoedig tot het denkbeeld dat
het »ledig" geen onbestaanbare zaak was en dat de natuur het niet
zóózeer schuwde als sommigen zich wel verbeeldden. In 1647 ontwierp
Pascal het denkbeeld van wat hij de groote proef van het evenwicht
van vloeistoffen noemde. Hij kwam op de gedachte, de gewone proef van
het luchtledig verschillende malen op een en denzelfden dag te nemen,
en wel in dezelfde buis, met hetzelfde kwikzilver, nu eens aan den
voet, dan weer op den top van een tamelijk hoogen berg om alzoo zich
te vergewissen of de hoogte van het in den buis opgehouden kwikzilver
in beide gevallen dezelfde zoude zijn.
Hij koos voor deze proef den Puy de Dôme en verzocht zijn zwager
Périer haar uit te voeren.
»Blijkt het," zeide Pascal, »dat het kwikzilver boven op den berg
minder hoog staat dan beneden, dan moeten wij daaruit besluiten
dat het gewicht of de drukking van de lucht daar de eenige oorzaak
van is, en niet het horror vacui, de zoogenaamde »afschuw van het
ledige." Immers is er aan den voet van den berg meer lucht dan op
den top, terwijl toch niemand zal beweren dat de natuur beneden meer
afkeer van het ledige heeft dan boven."
De proef gelukte volkomen en Périer beschreef zijne bevindingen in
een brief, dien hij den 22sten September 1648 aan Pascal toezond.
Eenigen tijd later herhaalde Pascal de proef op de torens van de
Nôtre-Dame te Parijs en op dien van Saint-Jacques-la-Boucherie. Alle
natuurkundigen volgden hem na. Van dien tijd af dagteekent de nieuwere
natuurkunde.
Wij hebben Pascal niet verder te volgen, waar hij de wetenschap
verlaat om zich met al zijn kracht toe te wijden en zich met zijn
gansche ziel over te geven aan het betrachten van zekere dweepachtige
godsdienstige oefeningen. Sainte-Beuve meent dat de eerste stoot tot
deze dingen hem gegeven is door de lezing van Jansenius' boek over de
»Vernieuwing van den inwendigen mensch." De studiën van den mensch, het
nadenken over de zedelijke wereld moesten bij dezen merkwaardigen man
volgen op de meetkunst en de natuurkunde. Na zoovele wetenschappelijke
ontdekkingen moesten twee groote werken in zijn brein tot rijpheid
komen: de »Provinciales" en de »Pensées". Ondertusschen begon zijn
lichamelijk leven een lang lijden te worden. Van zijn jeugd af,
was hij altijd zwak geweest. De zwakke staat van zijn gezondheid,
zoo meldt zijn zuster Mme. Périer, deed hem voortdurend allerlei
ongemak ondervinden, ja, hij heeft ons wel gezegd dat hij, na zijn
achttiende jaar, geen dag zonder pijn of lijden geweest is.
Pascal zeide weldra alle studie vaarwel, om zich, zooals hij zegt,
bij uitsluiting toe te leggen op datgene wat Jezus Christus het
eenige noodige noemt. Als een onbeteekenend stofdeel, denkend en
peinzend te midden »dier oneindigheid, wier zwijgen schrik aanjaagt,"
heeft de groote wijsgeer, naar men wil, dag aan dag een afgrond vóór
zich meenen te zien. 't Was de peillooze diepte der wetenschap, die
hij zag. »Wij branden van verlangen om tot op den diepsten grond der
dingen af te dalen en een toren te bouwen, die zich verheft tot in
het oneindige. Maar heel ons gebouw kraakt en de aarde opent zich,
en de afgrond verzwelgt het."
Pascal's ongemakken en zijn hoofdpijnen namen met zijn leeftijd
toe. Zij brachten hem zoover, dat hij ten laatste niet meer werken kon,
noch iemand kon zien. Het gebed en het lezen van den Bijbel namen al
zijn tijd in beslag. Hij wilde zelfs het vleesch dooden en droeg op
het naakte lijf een gordel, die hem stak met naar binnen gekeerde
punten, en telkens wanneer hij een ijdele, wereldsche gedachte had
of wanneer hij eenig vermaak schiep, gaf hij zich een stoot met
den elleboog, om zich aldus aan zijn plicht te herinneren en het
vleesch te kastijden. Weldadigheid en armenzorg was nu zijn eenige
bemoeiing. Van alle weelde, van alle genot deed hij afstand, al het
overbodige huisraad deed hij wegdragen. »Ik wil de armoede, want Jezus
Christus heeft de armen liefgehad," zoo zeide hij. »Geld en goed heb
ik alleen lief, omdat ik ongelukkigen er mee kan bijstaan." De armen
bij te staan, bleef dan ook zijn groote en zijn eenige troost.
Zoo doorstond hij met heldenmoed en liefde al zijn lijden. Zoo naderde
zijn einde. Hij ontving het Sacrament der stervenden en ontsliep den
19den Augustus 1662 des morgens te 1 ure, negen-en-dertig jaren oud.
Van anderen aard waren de bezwaren, tegen welke onze landgenoot
Huijgens te strijden had.
Christiaan Huijgens werd op den 14den April 1629 te 's Gravenhage
geboren. Hij studeerde in de rechten aan de universiteit van Leiden,
doch wijdde zich bij voorkeur aan de mathematische wetenschappen en
aan de natuurkunde, welke voor hem een bizondere aantrekkelijkheid
hadden. Op vier-en-twintigjarigen leeftijd kwam hij in Frankrijk,
waar hij bij de protestantsche faculteit te Angers tot doctor in
de rechten werd benoemd. Naar zijn vaderland teruggekeerd, gaf
hij zich weder geheel over aan de studie der gezichtkunde en der
sterrekunde. Hij slaagde er in een sterrekijker samen te stellen,
met behulp van welken hij den eersten satelliet van Saturnus ontdekte.
In zijn fraai werk: de Saturni Luna (over Saturnus' maan) verhaalt
hij ons hoe hij op den 25sten Maart van het jaar 1655 bezig zijnde
met zijn kijker de planeet Saturnus gade te slaan, buiten diens ring,
en wel op geringen afstand, ten westen, een kleine ster gewaar werd,
gelegen ongeveer in het vlak van den ring. »Vermoedende dat dit wel
een soortgelijk lichaam kon zijn, als de manen van Jupiter, teekende
ik, schrijft hij, den stand der kleine ster in haar betrekking tot
Saturnus op. Ik had mij niet bedrogen. Den volgenden dag had ze zich
verplaatst en ik kon gedurende de volgende dagen de afwijkingen meten,
die zij in een bepaalden tijd maakte."
Later heeft men nog zes andere manen van Saturnus ontdekt; maar
Huijgens heeft den weg tot deze nieuwe ontdekkingen gebaand. Ook komt
hem de eer toe van aangewezen te hebben, dat de dunne en platte ring
der planeet niet aan deze bevestigd is, zooals men meende, maar dat
een ringvormige tusschenruimte haar van de planeet scheidt. Huijgens
maakte deze ontdekking op een eigenaardige wijze bekend. De astrologen
spraken, volgens een oude overlevering, gaarne in raadselen en zochten
den zin van van wat zij mededeelden achter zeker geheimschrift te
verbergen. Huijgens volgde dit gebruik ten opzichte van den ring van
Saturnus en bood zijn geleerden tijdgenooten het volgende anagram aan:
aaaaaaa cccc d eeeee g. h. iiiiiii llll
mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s tttt uuuu
Niemand kon dit geheimschrift ontcijferen. Drie jaren later maakte
hij in zijn Systema Saturninum den verborgen zin dezer letters
openbaar. Zij beteekenden het volgende:
Annulo cingitur tenui, piano nusquam cohaerente, ac eclipticam
inclinato: Hij (Saturnus) is van een dunnen ring omgeven, die de
planeet op geen enkele plaats raakt en een hoek maakt met de ecliptica.
Men ziet, dat de geleerden dier dagen er zonderlinge manieren op
nahielden om hunne ontdekkingen openbaar te maken. Doch een man als
Huijgens moest de wetenschap wel van haar oud abracadabra zuiveren. Na
de ontdekking van de groote nevelvlek van Orion schreef hij dan ook
een werk, zijn Cosmotheoros, waarin hij zijn geest den vrijen teugel
viert. Hij beschrijft achtereenvolgens al de planeten en wil bewijzen
dat zij bewoond zijn. Het denkbeeld, dat het gansche heelal ter wille
van onze aarde geschapen zou zijn, stond hem geweldig tegen.
»Is het wel redelijk aan te nemen," zoo schreef Huijgens, »dat de
hemellichamen, onder welke onze aarde een zoo ondergeschikte plaats
bekleedt, om geen andere reden geschapen zouden zijn, dan om voor ons,
kleine menschen, hun licht te ontsteken en door onze kijkers bespied
te worden in hunne verschillende verhoudingen en bewegingen?"
De werken, die onze geleerde landgenoot over meetkunst en natuurkunde
schreef, zijn niet minder belangrijk dan zijn sterrekundige arbeid. Men
dankt hem eenige opmerkenswaardige aanteekeningen omtrent »de
waarschijnlijkheids-rekening", over »reflexie en refractie van het
licht", over de belangrijke »theorie der ontwikkelde kromme lijnen".
Alles, wat Huijgens deed en vond opnoemen kunnen wij niet, hij
verbeterde de luchtpomp en den barometer, hij gaf de ware leer van de
kijkers, en vervaardigde een planetarium; maar wat vooral Huijgens
beroemd heeft gemaakt, is de uitvinding der slingeruurwerken. Vóór
hem waren alleen zandloopers en wateruurwerken bekend. Hij verbond
Galileï's slinger met een wel ingericht stel raderen en bewees daarmee
zoowel aan de sterrekunde als aan de menschheid een dienst, waarover
wij niet verder hebben uit te wijden.
Huijgens, die in 1655 en 1663 Frankrijk en Engeland bezocht, werd
door Colbert, die de Academie des Sciences had gesticht, naar Parijs
geroepen en draalde niet met te komen. Hij ontving van Lodewijk XIV
een jaargeld, en vestigde zich in de Koninklijke Bibliotheek.
Toen het edict van Nantes werd herroepen, verwijderde hij zich uit
Frankrijk. Te vergeefs trachtten de Koning, het hof en de academie hem
tegen te houden. Verontwaardigd over al hetgeen zijne geloofsgenooten
moesten verduren, brak hij alle betrekkingen met Parijs af. Hij zond
nu zijne verslagen naar de Koninklijke Maatschappij van Londen, en
ging zelfs in Engeland wonen, waar hij met Newton kennis maakte en
een paar malen ook met hem slaags raakte.
Christiaan Huygens stierf in den ouderdom van 65 jaren. Hij bleef,
gelijk Spinoza, Newton, Cartesius, Leibnitz, ongehuwd. In 1695, zijn
sterfjaar, namen zijne geestvermogens merkbaar af, in die mate, dat
hij ze ten laatste geheel verloor. Slechts enkele heldere oogenblikken
werden hem gegund. Hij was rijk, en zijn geboorte gaf hem het recht
aan vorstelijke hoven te verkeeren; maar hij had de eenzaamheid en
het buitenleven lief, waar hij rustig kon peinzen en werken.
Grooter schade dan Huygens heeft Nicolas Lémery van zijne
protestantsche gevoelens geleden.
Nicolas Lémery was als eenvoudig artsenijmengersbediende naar Parijs
gekomen, om er de scheikunde te beoefenen, maar al spoedig wist hij
zich zonder meesters te redden en had hij een scheikunde op zijn
eigen hand. Te Montpellier, waar hij in een apotheek werkzaam was,
gaf hij lessen, welke daar grooten opgang maakten. Al de hoogleeraren
en een aantal belangstellenden woonden zijne voordrachten bij.
In 1672 keerde Lémery naar Parijs terug. Hij verkeerde en schitterde
in de geleerde kringen als een ster van de eerste grootte en werd
opgemerkt door Condé, die hem verder begunstigde. Daar hij gaarne een
scheikundige werkplaats wilde bezitten, zocht hij meester-apotheker
te worden, 't geen hem gelukte. Dadelijk daarna opende hij zijne
lessen in de straat Galande. Hij werd hier door belangstellenden
als belegerd. Tal van dames woonde zijne voordrachten bij; zijn
huis was vol leerlingen; de straat was een kolonie van hoorders en
discipelen. Gansch Parijs moest er wezen. 's Avonds hield hij een
soort van open tafel, en de studenten achtten het een groote eer bij
hem genoodigd te worden.
Die groote bijval, door Nicolas Lémery geoogst, laat zich gemakkelijk
verklaren. De chemie was een warwinkel van dwaasheden, duistere
woorden van geheimzinnige kunstenarijen. »Lémery was de eerste," zegt
Fontenelle, »die de werkelijke en de opzettelijke duisterheden van
de scheikunde deed opklaren, die haar tot duidelijker en eenvoudiger
denkbeelden herleidde, die hare noodelooze barbaarsche termen ophief,
die niets beloofde, dan wat hij vermocht te geven. Vandaar dit succes."
Ten einde meer tot allen te spreken, maakte Lémery in 1675 zijn »Leer
der Scheikunde" openbaar, waarvan uitgave na uitgave verscheen en
die grooten opgang maakte. Gedurende meer dan een eeuw heeft dit boek
voor een autoriteit gegolden. Twintig malen in Frankrijk herdrukt, in
bijna alle europeesche talen overgezet, is het de gids, het wetboek,
het onmisbare handboek geweest van de scheikundigen der 18de eeuw,
en toen de wetenschap een algeheele vernieuwing had ondergaan, toen
na honderd jaren alles hervormd geworden was, sloeg men nog langen
tijd in Lémery's boek zekere kleine praktische bijzonderheden en
proefnemingen op, die men elders niet kon vinden, en die haar waarde
blijven behouden, zoowel door haar duidelijkheid als haar juistheid
en zekerheid.
Zoo stond dan de groote Lémery, want zoo begon hij genoemd te worden,
op het toppunt van zijn heerlijkheid. Zijn roem kende geen mededinging
en zijn zaak schonk hem welvaart en fortuin. Maar dit geluk zou
niet duren.
»Kom na tien jaren weder,"--aldus Dumas in zijne »Chemische
lessen",--»en gij vindt de straat Galande ontruimd en verlaten. Lémery
is verdwenen, zijne toestellen zijn verkocht of hier en daar
verstrooid. Heel deze wereld der wetenschap is verjaagd, heel
die luister heeft uitgeschenen, heel die glorie is getaand en
dat wegens een enkel, maar een onvergeeflijk misdrijf: Lémery was
protestant." In 1681 werd hij genoodzaakt zijn bedrijf te laten
varen en zijne lessen te staken. Hij vluchtte naar Engeland; het
verlangen naar zijn vaderland echter dringt hem naar Frankrijk terug te
keeren. Hier bleef hij eenigen tijd en werd doctor in de geneeskunst;
maar ook daarvan had hij weinig genot. Het edict van Nantes verdreef
ook hem. Protestantsche geneesheeren mochten er niet zijn; en zoo
bleef hij op den leeftijd van veertig jaren, zonder hulpmiddelen, de
armoede ter prooi, en daarbij omringd van een huisgezin, dat zich--en
met recht--een gelukkig leven had voorgespiegeld.
De wetenschap, de rust, het familieleven gingen bij hem boven
godsdienstige overtuiging. Hij ging tot het katholicisme over, kreeg
een aanstelling bij de Academie van Wetenschappen, gaf een geschrift
over het antimonium uit en stelde zich voor nog meer te leveren; maar
verscheidene aanvallen van beroerte maakten hem eerst ongeschikt voor
den arbeid, en in 1715 een einde aan zijn leven. Bijna gansch Europa
heeft de chemie van hem geleerd. Hij was arbeidzaam en verdeelde zijn
tijd tusschen het studeervertrek, het laboratorium, zijne patiënten
en de academie, en wel is in zijn leven openbaar geworden hoeveel
tijd hij tot zijne beschikking heeft, die hem weet uit te koopen.
»Omstreeks het jaar 1773," zoo verhaalt de schrijver I. B. Dumas,
»verschenen op het tooneel der wereld drie mannen, die een gansche
verandering zouden brengen in de wetenschappen. Van verschillenden
landaard, leeftijd en maatschappelijken stand, van verschillenden
aanleg ook in geestvermogens, hebben zij allen aan een zelfde taak
met gelijken moed gearbeid--geenszins echter met hetzelfde geluk."
Dit driemanschap bestaat uit Scheele, Priestley en Lavoisier.
Scheele werd te Stralsund in zweedsch Pommeren geboren, op den
9den December 1742. In zijn jongensjaren was hij leerling bij een
apotheker. Zijn leven was zoo vol van teleurstellingen en tegenheden,
dat het was, alsof een booze geest hem vervolgde. Hij was schuw van
aard en tot in het overdrevene zedig, zoodat hij van zijne makkers
dikwijls veel te lijden had. Hij was zoo werkzaam, dat hij den tijd,
dien hij voor zijne studie noodig had, aan den slaap ontwoekerde.
Scheele verliet Stockholm voor Upsala, waar Bergman de chemie
onderwees. Bergman behoorde tot die menschen, die alles wat zij
aanvatten, verbeteren, vernieuwen. Ook hij is een slachtoffer van
den arbeid, daar zijn onvermoeide werkzaamheid grooter was, dan zijne
krachten, die toch reeds niet velen waren, dragen konden.
Toen Scheele in Upsala kwam, wachtte Bergman hem op. Hij werd
Scheele's beschermer en maakte door gansch Europa de ontdekkingen
bekend, waarmee deze de wetenschap verrijkte.
Intusschen was Scheele, hoe gelukkig en voorspoedig in zijne studiën en
ontdekkingen, zeer ongelukkig in zijne levensomstandigheden. Terwijl
zijn naam in Frankrijk, Engeland en Duitschland schitterde, was hij
in zijn eigen vaderland een onbekende. De Koning van Zweden op een
reis buitenslands telkens over Scheele hoorende spreken, besloot dezen
verdienstelijken onderdaan een bewijs te geven van zijn hoogachting,
en wenschte hem een ridderorde te vereeren.
»Scheele, Scheele!" zei de minister, »wat is dat voor een man?"
Men wist zoo weinig wie hij was, dat de ridderorde op de borst van
een verkeerden Scheele te recht kwam.
Verloofd met een weduwe, die een apotheek had en voor bemiddeld
doorging, terwijl haar zaak inderdaad met schulden bezwaard was, bleef
hij niettemin trouw aan zijn gegeven woord, 't er voor houdende, dat
wie zich zelven waardig acht iets aan te nemen, ook bereid moet wezen
tot geven. Zoo stond een leven vol moeite en zorg voor de deur, terwijl
hij gerekend had op een onbekommerd bestaan, dat hij der wetenschap
alleen zou toewijden. Zijne studiën werden telkens afgebroken door
zijne zorgen om de schulden van zijnen winkel af te doen. Maar Scheele
wist met weinig middelen veel te verrichten. Met een paar buizen en
retorten deed hij de eene ontdekking na de andere. Niets kwam hem
ter hand of hij vond en zag er iets nieuws in. Hij wees drie nieuwe
zelfstandigheden aan: het manganesium, het chloor, het baryt en vond
de zuurstof. Verschillende zuren zijn door hem ontdekt, zooals het
wijnsteen-, het fluorkiezel-, het citroen- en het galnootenzuur. Wildet
gij hem bij alles volgen, dan zoudt gij alle onderdeelen der chemie
moeten doorloopen, en gij zoudt u overtuigen van de buigzaamheid van
zijn geest, de vruchtbaarheid van zijn manier van onderzoek en de
vastheid zijner hand, zoodat hij altijd komt waar hij wezen moet.
Eindelijk zou de arme geleerde zich voor zijn arbeid beloond zien. De
laatste schuld was betaald; hij zou zich nu eerst recht vestigen,
hij zou in het huwelijk treden.... maar op zijn trouwdag werd hij door
hevige koortsen aangegrepen en den 22sten Mei 1786 stierf Scheele op
den leeftijd van 42 jaren.
Hij was de eenvoud zelf. Zij, die uit nieuwsgierigheid en
belangstelling soms van verre den grooten geleerde kwamen bezoeken,
vonden hem met een boezelaar vóór in zijn winkel staan. Daarvoor
dan waren zij soms van verre gekomen! Maar wie het hart op de rechte
plaats had, vond deze eenvoudige verschijning zeker juist boven alles
merkwaardig en beminnelijk.
Terwijl Scheele in Zweden zijn waarlijk belangrijken arbeid verrichtte,
was ook in Engeland een groot geleerde bezig de grondslagen te leggen
voor de nieuwere seheikunde. 't Was Priestley, die 30 Maart 1733
te Fieldhead bij Leeds in Yorkshire geboren werd. Zijn vader, die
lakenfabrikant was, wilde hem voor dat vak opleiden, maar de jongen
vond het meeste behagen in godgeleerde vraagstukken, en kenmerkte zich
door een bijzonder opgewekte godsdienstigheid. Hij verloor al vroeg
zijn moeder en kwam bij een zijner tantes in huis, bij wie hij zijn
eigenaardigen smaak ongehinderd volgen kon. De goede vrouw had haar
huis in een soort van godsdienstig rendez-vous herschapen, waar alle
gezindten en alle secten hare vertegenwoordigers hadden. Priestley
groeide aldus op in een kring, binnen welken hij aan zijn lust voor
godsdienstige gesprekken ruimschoots kon voldoen. Hij gaf zich dan ook
met hart en ziel aan deze zaken over, verdiepte zich in de Schrift
en leerde Chaldeeuwsch, Syrisch en Arabisch. Hij toonde een zeer
groote vatbaarheid om talen te leeren, en deed er voor zijn genoegen
meetkunde bij.
Hij besloot zich aan de Kerk en het kerkelijke ambt te wijden, trad
ergens in Suffolk als prediker op en vestigde zich later te Nantwich
in Chester, waar hij een school bestuurde en door spaarzaamheid en
matigheid zoo veel wist uit te winnen, dat hij eenige natuurkundige
werktuigen en met name een electriseermachine en een luchtpomp
kon aankoopen, waarmee hij proeven deed voor zijne leerlingen. Wel
hielden nog altijd godgeleerde vragen hem bezig, maar reeds in 1761
werd hij naar Warrington beroepen om in de oude talen te onderwijzen,
en nu trad hij met ernst de wetenschappelijke loopbaan in.
Een reis door Priestley naar Londen gedaan, besliste over zijn
toekomst. Het toeval bracht hem in aanraking met Benjamin Franklin,
en een gesprek, met dezen gehouden, bracht hem op het denkbeeld de
geschiedenis te bestudeeren der ontdekkingen op het punt van de
electriciteit. Franklin juichte zijn plan toe, en nauwelijks was
er een jaar verstreken of Priestley had een belangrijk werk over
de »Geschiedenis der Electriciteit" geschreven, waarin het eerste
begin en de vorderingen van dit onderdeel der natuurkunde met veel
helderheid en orde zijn meegedeeld. Enkele proeven, die hij zelf nam,
gaven hem een zekere bekendheid in de geleerde wereld. Tot dokter
benoemd, zag hij ook de deuren van de Koninklijke Maatschappij van
Londen voor zich opengaan.
In 1767 verliet hij Warrington, om te Leeds de leiding op zich te nemen
eener gemeente van »dissidenten", en hier ging hij voort de theologie
aan de natuurkunde te verbinden. Hij woonde in de nabijheid eener
bierbrouwerij, en dit leidde hem er toe eenige proeven te nemen met
het koolzuur, dat zich bij het gisten van het bier ontwikkelt. Eenige
zijner waarnemingen deelde hij in 1672 aan de Koninklijke Maatschappij
mede. De titel van zijn verhandeling luidde: »Opmerkingen omtrent
de verschillende soorten van lucht." Tot dusver kende men slechts
twee gassen, koolzuur en waterstof. Priestley leerde deze beide beter
kennen, en vond andere gassen, als de stikstof, een der bestanddeelen
van de dampkringslucht, het tweede oxyd van de stikstof, wier
bederfwerende eigenschappen hij ontdekte, het chloorwaterstofgas
en het ammoniac. Allengs zouden ook het eerste oxyd van stikstof,
het zwavelig zuur en de zuurstof door zijne onderzoekingen nader
bekend worden. Hij wist de zuurstof uit het kwikoxyd te verkrijgen,
en in het jaar 1775 werd zijn aandacht gevestigd op de eigenschap,
die dit gas heeft om de ademhaling te onderhouden. Voegt men hier nog
bij de ontdekking van het fluorkiezelwaterstofzuur, koolstofoxyde,
zwavelwaterstofgas en andere, dan bemerkt men dat dit groote vernuft
de voornaamste gassen aan het licht heeft gebracht, en wel die,
wier eigenschappen dagelijks in het belang der wetenschap of der
nijverheid worden gebezigd. Men staat waarlijk verbaasd dat deze
en dergelijke uitvindingen met zooveel gemak konden gedaan worden
door een man, die in zijne stukken niet naliet te herhalen dat hij
volstrekt geen scheikundige was en dat alles wat hij vond, hem door
het toeval aan de hand werd gedaan. Maar wat hij verzwegen heeft,
hebben zijne levensbeschrijvers openbaar gemaakt. »Priestley," zegt
Thomson, »bezat een schranderheid, die zich door niets liet uitputten,
en een gave van opmerken, die hem in staat stelde partij te trekken van
ieder verschijnsel, dat zich aan hem voordeed. Hij was zoo nauwkeurig
bij zijne waarnemingen, dat hij geen enkele bijzonderheid vergat op
te teekenen. Even eerlijk als belangeloos, scheen hij de waarheid
tot het eenig doel te stellen van al zijn inspanning."
Toen Cook zijn tweede reis ondernam, was hij van plan Priestley mede
te nemen, maar gelukkig achtte de admiraliteit hem niet orthodox
genoeg. Hij kreeg intusschen een andere en betere betrekking, wat hij
met zijn vrij groot gezin wel noodig had. Lord Shelburne, markies van
Landsdown, benoemde hem tot zijn bibliothecaris op een bezoldiging
van meer dan 3000 gulden 's jaars. In dezen edelmoedigen edelman
vond Priestley een machtigen beschermer, die hem bij zijne studiën
aanmoedigde en hem al de middelen verschafte, om ze op ruime schaal
voort te zetten. Hij volgde hem op zijne reizen, hij vergezelde hem
naar Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden. Priestley kwam ook
te Parijs, waar hij door de geleerde wereld met eerbewijs ontvangen
werd. Een vreemd schouwspel moet, te midden van de verklaarde atheïsten
van het Parijs dier dagen, de man hebben opgeleverd, die om zijn
wetenschap gezocht werd en tegelijk zich niet schaamde Christen
te zijn.
Tot het jaar 1780 bleef Priestley zijn plaats bij den graaf van
Shelburne behouden. Gedurende dezen tijd was het, dat hij de vier
eerste deelen uitgaf van zijn »Proefnemingen en opmerkingen omtrent
de verschillende luchtsoorten." Toen het vijfde verschijnen zou,
verliet hij zijn beschermer. Om welke reden dit geschiedde is niet
bekend. Waarschijnlijk gaf hij aan de vrijheid de voorkeur boven de
rust van een onbezorgd bestaan. Hij vestigde zich nu te Birmingham
en werd de leidsman der voornaamste gemeente van »dissidenten"
daar ter plaatse. Ook op het punt van godsdienst volgde hij zijn
eigen weg. Van Calvijn verviel hij tot Arminius en van Ariaan werd
hij Sociniaan. Beurtelings beleed en verwierp hij de belangrijkste
leerstelsels, totdat hij zich een godsdienstige overtuiging op zijn
eigen hand vormde, waaraan hij zeer gehecht was. Van een ruimen en echt
vrijzinnigen geest bezield, bestreed hij de orthodoxe Staatskerk en de
wijsgeeren, en stelde zich met veel ijver in de bres voor de gemeenten
der »dissidenten", te wier wille hij niet minder dan 20 geschriften
opstelde. Hij wilde ook niet dat aan de Protestanten eenige vrijheid
gegund werd, die den Catholieken werd geweigerd. Vrijheid wilde hij
voor alle kerken, genootschappen en gemeenten. De Kerk van Engeland
was weinig ingenomen met die edelmoedige onpartijdigheid en sommige
geestelijken droegen hem een innigen haat toe. Dit werd er niet minder
op, toen hij de fransche omwenteling met vreugde begroette als een
soort van maatschappelijke wedergeboorte. De moeite, die hij deed, om
een algemeene verdraagzaamheid te stichten en vooral zijn »Antwoord"
op de bekende »Beschouwingen" van Burke over de vermoedelijke gevolgen
van de fransche revolutie, waren van dien aard, dat hij kandidaat
gesteld werd voor de Nationale Conventie. Men kende hem de waardigheid
toe van »fransch burger" en één der departementen, dat van de Orne,
verkoos hem tot zijn afgevaardigde. Priestley wees dit eerbewijs af,
maar droeg zijn leven lang roem op dit blijk van hoogachting, hem
door de eerste fransche republiek bewezen.
Den 14den Juli 1791 zouden eenige van Priestley's staatkundige vrienden
te Birmingham de verjaring vieren van de inneming der Bastille. Onze
geleerde vriend meende zich hieraan niet te moeten wagen, maar zijn
voorzichtigheid baatte hem weinig. Hij heette de man, die het feest
had geopperd en aangelegd. Ja, op aanstoken van engelsche geestelijken
en staatkundige vijanden, werd er een volksoploop tegen hem uitgelokt.
De zaal, waar de feestgenooten te zamen waren, werd belegerd en
geplunderd en alles over hoop geworpen. Priestley was er echter
niet. Nu begaf men zich naar zijn huis, de plaats, waar zoovele
uitvindingen waren gedaan, zoovele waarheden aan het licht
gekomen. Het volk, meest werklieden van Birmingham, verblind
door aangehitste partijwoede, werpt zich op Priestley's boekerij,
verscheurt de kostbaarste werken, slaat zijne instrumenten stuk,
slingert zijne handschriften naar alle winden en steekt eindelijk
alles in brand. In een naburig huis verstoken, moest Priestley dit
alles weerloos aanzien. Hij hield zich echter goed, slaakte geen
enkele klacht en droeg den tegenspoed met een onbewolkte ziel.
Intusschen was hem zijn vaderland onverdragelijk geworden. Den 7den
April scheepte hij zich in--niet naar Frankrijk, zooals men denken
zou, maar naar Amerika, wat wel zoo veilig scheen. Hij vestigde
zich in Northumberland aan de bronnen van de Susqueannah, waar hij
200.000 morgen land kocht. Maar ook hier kon hij aan het vooroordeel
niet ontsnappen. De Engelschen bleven hem vervolgen en verbitterden
zijn leven door de zonderlingste verdenkingen uit te strooien. Zoo
beweerde men, dat hij een geheim en bezoldigd handlanger was der
fransche republiek. Na zijn vrouw en één zijner kinderen verloren
te hebben, kwam hij op een jammerlijke wijze om het leven. Op een
maaltijd, waarbij hij tegenwoordig was, bleek één der schotels door
een onvoorzichtigheid vergiftigd te zijn. Hij alleen kwam het niet
te boven. Maar hij was ook gesloopt door de jaren, den arbeid en
den tegenspoed. Zijne laatste oogenblikken kenmerkten zich door die
eigenaardige vroomheid, die hem zijn geheele leven had bezield en
hem zooveel nadeel berokkend had. »Nu ga ik rusten, zooals gij,"
zeide hij tot zijne kinderen, die te slapen gelegd werden; »maar we
zullen samen opstaan en eeuwig gelukkig wezen."
De eerste werken van Priestley dagteekenen van 1770. In hetzelfde jaar
maakte Scheele zijne eerste uitkomsten openbaar. Wederom in hetzelfde
jaar verscheen Lavoisier's eerste »Memoire". Van 1770 dus dagteekent
de nieuwere scheikunde, door het genoemde drietal onafhankelijk van
elkander gesticht.
Lavoisier werd den 26sten Augustus van het jaar 1748 te Parijs
geboren. Zijn vader, een rijk koopman, ontzag geen kosten om zijn zoon
het degelijkste onderwijs en de beste opvoeding te verschaffen. De
jonge Lavoisier werd dan ook een der uitnemendste leerlingen van het
college Mazarin. Na zijne klassieke studiën te hebben voleindigd,
volgde hij de lessen van la Caille in het »Observatoire", werkte
op het laboratorium van Rouelle in den »Jardin des Plantes"
en herboriseerde met Bernard de Jussieu. Met deze meesters te
werken en te denken was zijn eenigst vermaak. Zoo was hij dan ook
reeds op den leeftijd van één-en-twintig jaren in staat mede te
dingen naar den buitengewonen prijs der Academie van Wetenschappen,
uitgeschreven voor: »de beste wijze om de straten eener groote stad te
verlichten." Lavoisier zette zich met zelden geëvenaarde kracht aan
het werk. Hij bekleedde zijn kamer met zwart doek, om de intensiteit
der verschillende lichtsoorten beter te beoordeelen, bleef daar, van
het daglicht afgesloten, zes weken lang arbeiden, om zeker te zijn van
zijn zaak en bood de academie een proefschrift aan, waarmede hij de
gouden medaille won. Een reeks van werken over de »lagen der bergen",
over »de ontleding van de gipssoorten in de omstreken van Parijs",
over »den donder", over »het Noorderlicht", opende hem de deur der
geleerde gezelschappen. Hij was nauwelijks 25 jaren, toen hij reeds
tot lid van de Academie van Wetenschappen benoemd werd.
In zijn jeugd reeds vatte Lavoisier het plan op om de wetenschap,
waaraan hij zich gewijd had, een nieuwe gedaante te geven. Bij het
eerste scheikundige onderzoek, door hem in het werk gesteld--het gold
de vermeende verandering van water in aarde--maakte hij gebruik van
de weegschaal, en met dit werktuig in de hand, merkte hij de fouten
op zijner voorgangers en toonde hij aan dat al de verschijnselen
der chemie ontstaan door zoogenaamde stofwisseling. »Niets wordt
uit niets, niets gaat te niet", ziedaar de zinspreuk, die hij als
met onuitwischbare letters nederschrijft op den nieuwen tempel der
scheikundige wetenschap.
Eens lid van de Academie der Wetenschappen, legde hij zich met dubbelen
ijver toe op de wetenschap, die hij zoo hartstochtelijk liefhad. Al
zijn tijd en heel zijn fortuin gaf hij haar ten beste, want dikwijls
had hij zeer kostbare proeven te nemen. Eindelijk moest hij, om aan al
die onkosten tegemoet te komen, een betrekking zoeken. Zoo dong hij
naar een plaats als »fermier general" (pachter van Staatsinkomsten),
welke hij in 1769 verkreeg. Bij deze gelegenheid trad hij tevens in
het huwelijk met de dochter van den staatspachter Paulze.
Van nu af besteedde Lavoisier een groot gedeelte van zijne inkomsten
aan zijn laboratorium; 's morgens en 's avonds was hij met scheikundige
proefnemingen bezig, terwijl hij 's middags zijne ambtsbezigheden
waarnam. Hij wist op alles orde te stellen en tegelijk zijn werk te
doen en zijne studiën bij te houden. Met welwillendheid ontving hij
ieder jonkman, die zich aan de chemie wijden wilde. Bovendien vormde
hij om zich heen een kring van geleerde vrienden, zoo van Frankrijk
als uit het buitenland, en bracht tal van kunstenaars met elkaar
in aanraking, opdat zij zich met elkander zouden verstaan omtrent de
vervaardiging der nauw luisterende en uiterst gevoelige werktuigen, die
hij voor zijne proefnemingen noodig had. Zijn woning werd op die wijze
een soort van academie op zich zelve, waar de meester voordrachten
hield en bres bij bres schoot in de oude veste der wetenschap, en
ondertusschen den nieuwen tempel oprichtte, die staat tot op dezen dag.
Onder het ministerie Turgot werd Lavoisier geroepen, om het algemeen
bestuur op zich te nemen over de kruitfabrikage. Hij begaf zich nu
naar Essonne en nam er gewichtige maatregelen, waardoor hij het gevaar
van ontploffing in de magazijnen en elders zeer verminderde.
Na in 1787 tot lid van de Provinciale Vergadering van Orléans gekozen
te zijn, werd Lavoisier in 1790 lid van de bekende »Commissie voor
de maten en gewichten", aan wier werkzaamheden hij een levendig
aandeel nam. In 1791 vervaardigde hij een geschrift »Over het
grondbezit van Frankrijk", hetwelk op kosten van den Staat gedrukt
werd. Ondertusschen verzuimde hij ook nu zijne eigenlijke studiën
niet, maar hield integendeel met eere den hoogen rang op, dien hij
onder Europa's geleerden bekleedde. Hij verrijkte de wetenschappelijke
wereld met zijn theorie over »verbranding" en »ademhaling", die hij
in al hare bijzonderheden ontwikkelde, en die alleen voldoende zou
zijn om hem te vereeuwigen.
Uit menschlievendheid begaf hij zich vervolgens in onderzoekingen,
die een ieder moeten doen walgen, maar die hij door de kracht van
zijn geest en zijn medelijden doorstond. Aan niemand kon het ontgaan,
hoe vele werklieden, die in riolen en afvoerkanalen werkten, ziek
werden en stierven. Lavoisier, bekleed met een hoog staatsambt,
Lavoisier, milionnair en geleerde, achtte zich niet te goed om de
schadelijke gassen te onderzoeken, die hun besmetting aan de arme
werklieden mededeelden. Maanden bleef hij met zeldzame volharding
aan dit terugstootend onderzoek wijden, in de hoop dat hij het
lot der werklieden zou kunnen verzachten. Of hem dit gelukte,
weten wij niet; maar wij bewonderen den onbaatzuchtige, die alleen
om eenige menschenlevens te redden, zulke dingen onderneemt. Er
waren in het laatste tiental jaren der 18de eeuw lieden, die over
menschenlevens--ook over het leven van een man als Lavoisier--anders
dachten, gelijk wij zullen zien.
Gedurende veertien jaren weet Lavoisier van geen rusten. De eene
»Memoire" volgt de andere. Hij neemt alle onzekerheid weg omtrent de
samenstelling van de dampkringslucht, die tot dusver voor een element
werd gehouden; hij ziet dat de lucht gevormd wordt door een gas, het
oxygeen of de zuurstof, dat de verbranding onderhoudt en het leven
van al wat ademt, en de stikstof. Weet hij te ontleden, hij weet ook
samen te stellen. Na de bestanddeelen te hebben gescheiden, vereenigt
hij ze, en maakt, wat hij ontbonden heeft, weder wat het was. Hij legt
de grondslagen van de leer der verbranding en der reactie, hij bepaalt
de samenstelling van het water en van het koolzuur, denkt de equatie
der atomen uit, vernieuwt het woordenboek der wetenschappen en doet
in alles de waarheid uitblinken, die hij verdedigt en op den troon
verheft door de onwedersprekelijke feiten ten zijner proefnemingen
en de juistheid zijner betoogen.
Zulk een man moest algemeen geacht zijn geweest, zal men zeggen!
Maar zoo was het niet. Zijn leven, zoo rein, zoo schoon, zoo edel,
zoo vol menschenliefde, werd afgesneden door de beulen, die in 1793
het bewind over Frankrijk voerden.
Lavoisier was »fermier general" en deelde als zoodanig in het lot, dat
aan al deze staatsambtenaren te beurt viel. De groote scheikundige
was juist bezig zijne »Memoires" te verzamelen, toen hij vernam
dat Fouquier Tinville hem had aangeklaagd bij het revolutionnair
gerechtshof.
Lavoisier begreep dadelijk dat zijn leven op het spel stond; hij
verliet zijn woning en ontmoette zekeren Lucas, en deze wees hem een
schuilplaats aan in het Louvre, en wel in een der meest verborgen
hoeken van de Academie van Wetenschappen. Hier bleef hij twee dagen,
maar toen men hem berichten kwam dat zijne medeambtenaren en zijn
schoonvader gevangen zaten, wist hij wat hem te doen stond. Hij
wilde het lot dezer mannen deelen en geeft zich gevangen. Den 6den
Mei 1794 wordt de groote Lavoisier ter dood veroordeeld, »als zijnde
hij overtuigd geworden van tegen het fransche volk samengezworen, met
de vijanden van Frankrijk geheuld, allerlei knevelarij en afpersing
gepleegd en de tabak voor de burgers met schadelijke stoffen vermengd
te hebben."
Twee dagen later werd Lavoisier op een wagen weggevoerd. De guillotine
sneed zijn kostbaar leven af.
Lavoisier's werken zijn echter onsterfelijk. Het heelal spreekt
telkens zijn naam uit; lucht en water, aarde en delfstof getuigen
van zijn roem. Vele edele mannen staan nevens hem, zooals een Edouard
Adam, de uitvinder van een nieuwe manier om alcoholische vochten te
distilleeren, die zich geheel ruïneerde ter wille van zijne uitvinding
en in 1807 van uitputting stierf, of Bernard Courtois, de ontdekker
van het jodium, die in 1838 van armoede en ellende stierf.
Thans leert onze jeugd uit boeken, thans hoort zij, onder de les,
die vondsten der wetenschap als dingen, die van zelf spreken. Zij
doen zich te goed aan de voedende spijs met overmoedig behagen. Dat
zij niet vergeten hoe duur, onder hoevele gevaren, voor hoevele
opofferingen deze spijzen zijn gekocht en bereid.