DE WEG DER WETENSCHAP.

Niet steeds heeft de wetenschap de haar betamende plaats ingenomen

in het rijk der kennis. Zeer langen tijd zijn hare rechten verkort,

is haar onderwijs versmaad, zijn hare beginselen miskend; eeuwen

lang is haar voortgang moeielijk geweest en traag. Dit komt hierdoor

dat de menschelijke geest niet altijd de kunst heeft verstaan van

de natuur te raadplegen en haar langs den weg der ervaring uit te

hooren. Tot op de Renaissance was de wetenschap onderworpen aan het

uiterst verwaand gezag der school, en waar zij eigen leven zocht,

viel zij onder de mokerslagen der vervolging. Copernicus, als hij zich

verwijdert van de denkbeelden van zijn tijd en, tegen de Kerk in,

verklaart dat de aarde zich wentelt rondom de zon, Galileï, als hij

der menschheid het aangrijpend schouwspel vertoont van den loop der

sterren, hebben daarmede een groote omwenteling veroorzaakt in den

gang der wijsbegeerte. De wereld zag in, dat zij op den verkeerden

weg was, waar zij de waarheid wilde vernemen van menschen, die haar

even weinig kenden als zijzelve. Het werd haar openbaar dat men les

moest gaan nemen bij de natuur, die den geduldigen onderzoeker loont

met hare schoonste openbaringen. Galileï met zijn kijker naar den

sterrenhemel gekeerd, ziedaar een gebeurtenis van belang. De wijze

houdt op met te zweren bij oude meesters; de nieuwe wijsbegeerte opent

het tijdperk van de wetenschap der ervaring en de geesten worden vrij.

Gedurende de middeleeuwen ging de wetenschap gebogen onder het juk van

de scholastiek, die bekrompen en armelijke poging om datgene, wat de

Kerk leerde, langs wetenschappelijken weg te bewijzen. Thans verkondigt

de wetenschap hare uitkomsten, hare gissingen, hare overwinningen vrij

en ongedwongen, en wie iets nieuws gevonden heeft, heeft slechts met

de feiten te voorschijn te komen en 't is genoeg. Maar zoo is het

niet altijd geweest en de nieuwe denkbeelden zijn met het bloed van

martelaars ingewijd.

Baco en Cartesius hebben den zuiver wetenschappelijken weg voor ons

geopend. Zij zijn de scheppers dier gezonde logica, die ons leert hoe

onzen geest te besturen, zal zij de waarheid vinden. Cartesius heeft

de onafhankelijkheid uitgeroepen van het oordeel, toen hij leerde

dat men niet als waar moest aannemen wat men niet klaar en scherp

als waarheid had begrepen.

Dit denkbeeld, naar onze beschouwing zoo eenvoudig, scheen vroeger ten

eenenmale gruwelijk. Zich op de ervaring der zinnen of op de rede te

beroepen tegenover een uitspraak van Aristoteles en de voorschriften

van de Kerk--welk een zonde! Zoo plantten zich de dwalingen en de

vooroordeelen voort van geslacht tot geslacht.

Waagde een sterrekundige te beweren dat hij vlekken had gezien in de

zon, even zeker als hij vlekken zag op het papier, dan antwoordde

men hem: »dat kan niet zijn; onze leeraars onderwijzen ons anders,

namelijk dat de dagvorst onbesmet is, eeuwig rein."

De groote beweging die in den tijd der Renaissance in de wijsbegeerte

plaats vond, werd in de 13de eeuw voorbereid door een man, even

vernuftig en geestrijk, als rampspoedig, met name Rutger Baco. Deze

beroemde engelsche monnik toch is inderdaad de eerste wijsgeer

geweest, die opgekomen is tegen de dwalingen der scholastiek. »Was

ik de eigenaar van al de boeken van Aristoteles, ik zou ze allen

verbranden," zeide hij. »Want men doodt er zijn tijd mee en zij dienen

tot niets anders dan om de dwaling te verbreiden en de onwetendheid

te vermeerderen." Zich aldus over Aristoteles uitlatende had hij

minder den wijsgeer der oudheid zelven op het oog, dan de eigenaardige

aristotelische leer der middeleeuwen.

Rutger Baco werd te Ilchester in het graafschap Sommerset geboren, in

het jaar 1214, volbracht zijn eerste studiën te Oxford, kwam daarna

te Parijs studeeren, werd er doctor in de godgeleerdheid en zag

zich opgenomen in de orde der Franciskanen. Zijn voorliefde voor de

natuurwetenschappen en voor het vrije onderzoek kwam hem toen reeds

op vrij wat onaangenaamheden te staan van de zijde zijner dweepzieke

ordebroeders. Baco legde zich eerst op het Latijn, het Grieksch,

het Hebreeuwsch en Arabisch toe, ten einde de oude schrijvers in het

oorspronkelijke te kunnen lezen. Dit belette hem niet de mathesis,

sterrekunde, natuurkunde en chemie te beoefenen en in het kort zich

vertrouwd te maken met al de takken der wetenschap. Hij raadpleegde

daarbij allermeest de ervaring en verbreidde zijne gezonde leer onder

de vele leerlingen, met wie hij in betrekking stond. Zijn werkzaamheid

en zijn scherp verstand maakten hem weldra vermaard. Te Parijs stond

hij bekend als le docteur admirable, en hij maakte zich dien naam

waardig, zoowel door het aantal als door het hooge belang zijner

ontdekkingen op elk gebied van wetenschap. Baco was de eerste, die de

fouten der juliaansche tijdrekening ten opzichte van het zonnejaar

ontdekte. Hij reeds stelde paus Clemens IV de verandering voor, die

eerst drie eeuwen na zijn dood tot stand gekomen is. Hij was de eerste,

die de eigenschappen onderzocht der bolle en der holle glazen, brillen

sleep en de leer van den teleskoop te berde bracht. Zoo hij al niet

in eigenlijken zin het kruit heeft uitgevonden, welks vervaardiging

voor vijftig jaren reeds beschreven was, hij gaf toch het middel aan

de hand om het gehalte daarvan te verbeteren, daar hij de middelen

aanwees om het salpeter te zuiveren, dat, zooals men weet, een van

de hoofdbestanddeelen er van uitmaakt.

Deze belangrijke zaken maakten dat hij de beschuldiging van tooverij

moeielijk kon ontgaan. In de verbeelding des volks werd hij de held

van allerlei wonderverhalen. Men hield hem voor een duivelskunstenaar

en hij had, zeide men, een metalen hoofd vervaardigd, dat de toekomst

wist te voorspellen. Zijne dweepzieke kloosterbroeders deden hem

allerlei kwellingen aan, en het hoofd zijner orde verbood hem zijne

geschriften mede te deelen aan wien ook, op straffe van op water en

brood te worden gezet. Niettemin hield Clemens IV, nieuwsgierig naar

zijne wonderbare uitvindingen, hem de hand boven het hoofd. Door de

goede zorgen van een zijner meest getrouwe leerlingen, deed Baco den

Paus het handschrift toekomen van zijn werk Opus Majus, en later dat

van zijn brief over les Oeuvres secrètes de l'Art et de la Nature.

Zijne werken bevatten een ongekenden rijkdom van kundigheden. Zijn

Opus Majus omvatte bijna alle mogelijke wetenschappen, de

kennis der talen niet uitgezonderd. Men vindt er onder anderen

de beginselen in der gezichtskunde, de leer der brandspiegels,

allerbelangrijkste opmerkingen over de straalbreking, een verklaring

van den regenboog. Men vindt er ware onthullingen in, die blijk geven

van een zoo buitengewoon doorzicht, dat men hem soms met een zeker

voorgevoel van de toekomst begiftigd zou wanen. Van het kruit zegt hij,

dat men er een stad of een leger mee zou kunnen vernielen. Spreekt

hij van de natuur- en werktuigkunde, dan lijkt hij stoommachines

en spoorwegen te beschrijven en de mogelijkheid te onderstellen van

zich in de lucht te kunnen opheffen. Men zou, zegt hij, werktuigen

kunnen vervaardigen, waarmee men de grootste schepen sneller zou doen

loopen, dan wanneer een gansch garnizoen aan de riemen zat. Men zou

rijtuigen zonder behulp van trekdieren met ongehoorde snelheid kunnen

voortbewegen. Men zou ook machines kunnen vervaardigen, waarmee men,

als met vleugels, zich in de lucht zou kunnen verheffen.

Het Opus Majus schittert met nog hooger glans. Men vindt er een

hoofdstuk in over de kunst van waarnemen. Het waarnemen, het nemen

van proeven, wordt er beschouwd als de hoogste sport op den ladder

der wetenschappelijke hulpmiddelen. Slechts door waarneming kunnen

scheikundigen en natuurkundigen tot groote ontdekkingen komen. 't Is

waar, dat Baco, na zich in de hooge sferen der wijsbegeerte te hebben

verheven, verdwaald raakt in de vooroordeelen van zijn tijd; hij

gelooft dat er middelen zijn om de edele metalen te vermenigvuldigen

en het leven te verlengen; maar niemand vergete dat hij leefde in de

dertiende eeuw.

De inbreuk, door Baco gemaakt op de kloosterregelen, de domme en

nijdige haat, die tegelijk met zijn roem aanwies, moesten noodlottig

voor hem zijn. Men wist dat de Paus hem beschermde, en de aanvallen,

waaraan hij bloot stond, werden in de beginne altijd een weinig

ingetoomd, maar toen Clemens IV kwam te sterven ging het met woede op

hem los. In 1278 klaagden de Franciskaners hun medebroeder als een

sterrewichelaar aan, die zijn ziel aan den duivel had verkocht. Te

vergeefs was het, dat Baco trachtte zich te rechtvaardigen; de

aanklacht van tooverij en magie beantwoordde hij met een brief:

de nullitate magiae. »De zaken gaan uw verstand te boven," zoo

schrijft hij, »en daarom noemt gij ze duivelskunstenarijen. Maar wat

baat er tegen de verblinding van bijgeloof en dweperij?" De werken

van Baco werden veroordeeld als bevattende »gevaarlijke en verdachte

nieuwigheden." De arme schrijver moest voor zijn vernuft en zijn geest

boeten met een gevangenschap van 15 jaren. Toen hij goed en wel door

de smart verteerd, door zijn gevangenschap ondermijnd, door zwakte

en kwalen uitgeput was, gaf men hem de vrijheid weder. De ongelukkige

grijsaard sleepte zich voort en kwam in zijn vaderland aan, om er te

sterven. Hij moet zich wel diep ongelukkig hebben gevoeld, wanneer het

waar is dat hij op zijn doodsbed de klacht heeft geslaakt: »Het berouwt

mij zooveel moeite ten beste te hebben gegeven aan de wetenschap!"

Baco was zijn tijd een paar eeuwen vooruit. Zijn roem gaf aan zijn

leer zekere ruchtbaarheid; maar eigenlijke op- en navolgers vond

hij eerst, toen de boekdrukkunst de waarheid vleugelen gaf. Eerst de

wijsgeeren toch der 16de eeuw begonnen door middel dezer gezegende

kunst de geesten te vormen, het vrije onderzoek voor te bereiden en

onder zwaren strijd en bittere worsteling der menschheid haren Baco

waardig te maken.

Aan dien strijd heeft Ramus (Pierre La Ramée) een groot aandeel

gehad. Na met schitterenden uitslag meester in de zeven vrije kunsten

te zijn geworden, gaf hij te Mans openbare lessen o. a. in de logica en

stelde zich tot taak de beginselen dier wetenschap te herzien. Zijne

werken werden door de theologische faculteit te Parijs veroordeeld,

en men ging zoo ver van hem naar de galeien te verwijzen, welk vonnis

evenwel niet ten uitvoer werd gebracht; maar wel werd hij voor een

weetniet, een onbeschaamde, een kwaadwillige, een onruststoker

uitgemaakt, en wel werd hem het lezen en schrijven onmogelijk

gemaakt. In 1551 tot hoogleeraar benoemd, is hij beurtelings afgezet

en hersteld, uit Parijs gebannen en weer naar Parijs teruggekeerd. Hij

bevond zich in deze stad, gedurende den vreeselijken Bartholomeus-nacht

en van protestantsche gevoelens verdacht, werd hij door zekeren

Charpentier, een dwepend katholiek, als een gevaarlijk hugenoot

aangewezen, bestolen en vermoord, waarna zijn lijk uit het venster

geworpen en op gruwelijke wijze verminkt en mishandeld werd. Ook hij

had het zijne bijgebracht tot de vrijmaking van den geest, ook hij,

een Luther op het gebied der wetenschap, was een hervormer.

Nevens hem vinde hier Giordano Bruno vermelding, een der groote

strijders voor het vrije denken, een man vol geleerdheid, kennis

en verbeeldingskracht. Hij werd te Napels geboren, omstreeks het

midden van de 16de eeuw. Na tot de orde der Dominikanen behoord te

hebben, begaf hij zich naar Genève, daar zijn twijfelingen aangaande

de kerkleer en zijne spotternijen tegen de monniken hem het verblijf

onmogelijk maakten in het land der Heilige Inquisitie. Hij omhelsde het

protestantisme, kwam te Parijs, waar hij de wijsbegeerte onderwees, en

bestreed de school van Aristoteles. Engeland, Duitschland doorreisde

hij, overal zijne geschriften als uitstrooiende. Toen greep het

verlangen, om zijn vaderland weder te zien, hem aan, en bleef hij

een paar jaren te Venetië vertoeven. De Venetianen leverden hem

uit aan de Inquisitie en deze zond hem naar Rome. Veroordeeld, om

levend verbrand te worden, riep hij, in verheven kalmte van geest,

zijn rechter toe: »Over het vonnis, dat gij daar uitspreekt, staat

gij waarschijnlijk meer verlegen dan ik." In Februari 1600 stierf

hij in de vlammen. Giordano Bruno hield het heelal voor oneindig

en onmetelijk. Hij geloofde dat er meer dan één wereldstelsel was

en nam de verdediging op zich van de leer van Copernicus. Dit was

zijn misdaad.

Een ander slachtoffer der geestelijke onverdraagzaamheid was

Campanella, een Napolitaansch leeraar der wijsbegeerte, hervormer der

wetenschap en verdediger van Copernicus. Twintig jaren leefde hij

in boeien en de vreeselijkste folteringen, die wij in een akeligen

droom ons voor den geest kunnen stellen, deed de Inquisitie hem aan,

en doorstond hij, soms veertig uren achtereen. De meest gezochte

beschuldigingen werden tegen hem aangevoerd, de wreedste folteringen

hem aangedaan; maar hij week niet. Paus Paulus V vroeg zijn vrijspraak

van Filips III. Deze was onverbiddelijk. Eerst bij diens dood kon

Campanilla den kerker verlaten. Nu begon hij zijn strijd op nieuw, en

zoo hij thans onder de hoede van Paus Urbanus VIII en den kardinaal van

Richelieu rustig kon werken, zoo hij Cartesius in Holland kon bezoeken

en op zijn zeventigste jaar te Parijs rustig den adem uitblies,

wie had, als hij, dat leven ontworsteld aan duizend dooden, wie had,

als hij, zijn eigen leven zich zoo dubbel verdiend?

Terwijl deze wijsgeeren zoo dapper streden, bracht een groot werkman

de wetenschap der ervaring in praktijk, en leverde, door de uitkomst

van zijn arbeid, een zichtbaar getuigenis voor de degelijkheid der

nieuwe wijze van onderzoek.

Palissy zag het levenslicht in het begin van de 16de eeuw, in de

nabijheid van het stadje Biron, tusschen de Lot en de Dordogne. Van

zijn jeugd is weinig bekend, maar dit weet men, dat hij al vroeg de

Pyreneën, Vlaanderen, de Nederlanden, de Ardennen en de Rijnoevers

bezocht, als zwervend gezel glazen slijpende, maar bovenal allerlei

natuurkundige bijzonderheden nagaande, bergen, bosschen, steengroeven,

mijnen, grotten bezoekend.

In zijn vaderland teruggekeerd, vestigde Palissy zich te Saintes

en trad aldaar in het huwelijk. De zorgen voor zijn gezin drongen

hem zich met al zijn kracht toe te leggen op het vervaardigen dier

aardewerken met glazuursel, die zijn naam zoo beroemd zouden maken.

Bernard Palissy verhaalt dat het aanschouwen van een schoon stuk

verglaasd aardewerk hem op het denkbeeld bracht het geheim te zoeken,

volgens hetwelk deze kunstgewrochten vervaardigd werden. Hij had

een echt kunstgevoel, smaak voor de schilderkunst, en zette zich aan

het werk. Zonder zich er aan te storen dat hij geheel onbekend was

met de verschillende soorten van kleiaarde, ging hij aan het zoeken,

als een man, die in den blinde tast. De geschiedenis van dit zoeken en

van den arbeid en het geduld, door Palissy hieraan besteed, vormt een

waren heldenzang. De bladzijden, door hem zelven aan dit onderwerp

gewijd, zijn geschreven in een stijl, een Montaigne waardig. Zij

houden ons het opmerkelijk schouwspel voor van den uitvinder, zooals

hij strijdt met het onbekende, en leveren een verheven voorbeeld van

wat het genie vermag, als nauwkeurige waarneming en noeste vlijt de

handen ineenslaan.

Palissy nam proeven met een groot aantal verschillende stoffen,

maar zonder gevolg. »Na meer dan eens misgegrepen en veel kosten

gemaakt en veel vergeefschen arbeid verricht te hebben," zoo verhaalt

hij zelf, »ging ik maar steeds voort, met opoffering van veel geld

en tijd, nieuwe stoffen te stampen en te malen en nieuwe ovens te

vervaardigen." Niet gansch in den blinde willende zoeken, legde

Palissy zich allereerst toe op het verfraaien en volmaken van het

witte glazuursel, zich voorbehoudende het gekleurde te zijner tijd

te laten volgen.

Gedurende twee achtereenvolgende jaren reist hij onophoudelijk heen

en weer tusschen zijn woning en de nabijgelegen glasblazerijen,

en om dit heen en weer loopen uit te winnen, neemt hij het besluit

zich een oven te bouwen, zooals de glaswerkers die gebruiken. Niet

dan met de grootste moeite bouwde de wakkere uitvinder zich dezen

oven. Hij had geen middelen om een knecht te bekostigen en metselde

met eigen hand, mengde de kalk, putte het water, droeg de steenen

aan op zijn schouders.

Na het fornuis te hebben afgemaakt, moet hij het glazuursel

vervaardigen. Zes dagen en zes nachten blijft hij voor het vuur,

dat hij altijddoor brandend houdt. Daar zal 't gelukken! Maar het

hout is opgebrand, hij heeft niets meer. Nu moeten de tafels, de

planken van zijn huis er aan. Ach, velen, die beter gedaan hadden

zoo zij hem met beide handen hadden geholpen, lachten hem uit, en

liepen de stad in, schreeuwende dat hij zijn huis verbrandde en dat

hij gek geworden was. Hiermee verloor hij niet alleen het vertrouwen

zijner medeburgers, maar men ging verder en zei dat hij valsche munt

sloeg. De arme man, met schulden beladen, met twee jonge kinderen

tot zijn last, liep daarheen, gansch ter nedergebogen als iemand,

die zich niet weet te bergen van schaamte. »Intusschen," zoo voegt

de held er bij, »de hoop begaf mij niet; zij hield mij staande, zij

deed mij zelfs zoo dapper voortgaan met mijn werk, dat ik mij soms

lachend kon bezig houden met de menschen, die mij kwamen bezoeken."

Weldra zou hij slagen, maar ten koste van hoeveel ellende zou dat zijn!

»Ik werd," zoo schrijft hij, »bezocht door nog een ander verdriet,

namelijk dit: dat door hitte, vorst, wind, regen en drup het grootste

gedeelte van mijn arbeid bedierf, nog voordat het gebakken werd. Ik

moest dus hout, latwerk, pannen en spijkers leenen, om mijn werk

behoorlijk onder dak te brengen. Ik brak af wat ik gebouwd had,

om het beter op te bouwen, maar werd natuurlijk braaf bespot door

handwerkslieden, schoenmakers, gerechtsdienaars, zaakwaarnemers,

oude vrouwtjes en allerlei ander volk, te dom om te begrijpen dat ik

een ruime werkplaats noodig had. Ik deed niets anders dan afbreken

en opbouwen, zeiden zij. In plaats van medelijden met mij te hebben,

verguisden zij mij, wanneer zij zagen hoe ik het geld, zoo noodig

tot het levensonderhoud, voor mijne proeven besteedde. Niet wetende,

waarmee ik mijne fornuizen tegen weer en wind zou beveiligen, ben

ik jaren lang bloot gesteld geweest aan regen en onweer, zonder

vertroosting of ander gezelschap dan de nachtuilen ter eene en de

huilende honden ter andere zijde. Soms bliezen de stormen zoo verwoed

boven en beneden in mijne fornuizen, dat er niets mee te doen was en al

mijn werk verloren ging. Soms legde ik mij te middernacht of bij het

krieken van den dag te slapen. Ik zag er dan uit, alsof ik door al de

goten van de stad gesleept was, en wanneer ik mij naar mijn slaapplaats

begaf, strompelde ik, zonder licht, voorwaarts, van den eenen kant

naar den anderen vallend, als iemand, die bevangen is van den wijn."

Ondertusschen kwam Palissy zijn doel al nader en nader. De dag brak

aan, waarop zijn prachtig aardewerk en zijne beelden naar waarde

werden geschat. De Connétable de Montmorency beschermde nu den

pottebakker. Catharina de Medicis liet hem naar Parijs komen. Toen

bewoonde Bernard Palissy de Tuileriën en werd hem de verfraaiing

opgedragen der koninklijke kasteelen.

De fransche kunstschool schitterde onder de hoede van Frans I in al

haar glans; Jean Goujon, Pierre Lescot, Germain Pilon, Ducerceau

wedijverden met Leonard da Vinci, Primaticcio, André del Sarto,

Benvenuto Cellini. Bernard Palissy, zoo versch uit de provincie te

midden van zulke meesters optredende, nam, als zij, een voorbeeld

aan de meesterstukken der Italiaansche kunst. Hij vervaardigde een

menigte verglaasde vazen, die als sieraden gebruikt werden in tuinen,

bij fonteinen, in gangen en portalen. Weldra was hij bezig aan het

verfraaien van de Tuileriën, die Catharina de Medicis had laten bouwen.

Hij wijdde zich tegelijkertijd ook nog aan andere bezigheden, die

hem tot den eersten leeraar stempelden in de geschiedenis van de

natuur en tot den stichter der nieuwere kennis omtrent onze aarde. Op

zijne reizen had hij overal bij voorkeur de rotsen onderzocht en

fossilen opgezameld, volgens zijne tijdgenooten slechts onbeduidende

indrukselen, voorwerpen zonder waarde of beteekenis, het aanzijn

dankende aan het een of ander toeval, een speling der natuur.

De eenvoudige pottebakker, die Latijn noch Grieksch kende, riep

de geleerden en de wijsgeeren tot zich en durfde ten aanschouwen

van geheel Parijs de stelling te opperen, dat de fossile horens en

schelpen wel degelijk horens en schelpen zijn, dat zij indertijd

door de zee zijn neergelegd ter plaatse, waar zij nu gevonden worden,

en dat wezenlijke dieren, visschen vooral, aan den zachten steen de

indrukselen gegeven hadden, die er in zijn waar te nemen.

Palissy verzamelt die voorwerpen, die hij voor zijne bewijsvoering

noodig heeft; schikt naar wetenschappelijke orde de kristallen

en fossile voorwerpen, die hij op zijne reizen heeft verzameld,

en sticht aldus in 1575 het eerste kabinet van natuurlijke

geschiedenis. De lessen, die hij daarbij gaf, waren zeer gezocht

en duurden tot 1584. Zijn verzameling merkwaardigheden trok vele

nieuwsgierigen. Met die bewijsstukken bij zich, voelt Palissy zich

sterk en onoverwinnelijk; hij kan aan al de bitterheden en aan al

de vooroordeelen der wereld het hoofd bieden; hij staat den naijver

en de blinde woede, en roept zegevierend uit: »Ga nu uwe latijnsche

wijsgeeren halen, om tegen mij te getuigen!"

Bernard Palissy heeft zijne werken in den vorm van Samenspraken

geschreven. In een van deze voert hij twee denkbeeldige personen

op: Theoretica, die de scholastiek voorstelt, een domme, onleerzame

schoolmeester, die met zijn dwaze antwoorden uw medelijden opwekt,

en Practica, die onophoudelijk de zwaarwichtige redeneeringen van

zijn tegenstander overhoop werpt. Met welk een vernuft, welk een

kleur, welk een losheid vermeit hij er zich in de oude denkbeelden

te bestrijden. Dit onnavolgbare werk is een der groote letterkundige

gedenkstukken van de 16de eeuw. Aan vuur, geestdrift en welsprekendheid

paart Palissy gezonde redeneering, en steeds maakt ernstige waarneming

den grondslag uit zijner overtuigingen. Het volgende mag hierbij ten

voorbeeld strekken. Na uitvoerig te hebben aangetoond dat de steenen

niet groeien, wat men in zijn tijd algemeen geloofde, gaat hij voort:

Theoretica. En waar hebt gij dit nu weer geleerd? In welk boek,

op welke school ter wereld kunt gij gehoord hebben wat gij daar zegt?

Practica. Ik heb geen ander boek gebruikt, dan de hemel en de aarde,

die bij allen bekend is, en 't is aan allen gegeven dit schoone

boekwerk te lezen. Ik nu heb in dit schoone werk gelezen en de aardsche

dingen beschouwd.

De »Discours admirables" van Palissy lezende verbaast gij u over de

nieuwheid en de keur van zijne opmerkingen, zoowel waar zij betrekking

hebben op de bergen, of den grond, of de steenen, wier vorm, kleur,

gewicht en dichtheid door hem met ijver onderzocht worden. Kristallen,

druipsteenen, versteend hout, fossilen, mergel, schelpzand, alles

is zijn prooi. De meest belangrijke vraagstukken durft hij aan en

overal opent hij de stoutste en treffendste gezichtspunten, overal

spreekt het genie, als door een bovennatuurlijke openbaring, uit wat

door latere eeuwen zal worden bezegeld en vastgesteld.

In zijn »Discours sur la nature des Eaux et Fontaines" geeft Palissy

het middel aan om water door middel van pompen, buizen en leidingen

van de eene plaats naar de andere op te voeren; hij behandelt er de

minerale wateren, schrijft hun warmte toe aan een onderaardsch vuur,

dat onophoudelijk brandt, wijdt uit over de kracht van den stoom

en het eigenaardige belang dezer kracht, die nog zoo weinig bij de

menschen bekend is en van wier vermogen hij zich vergewist heeft, niet

door middel van boeken, maar door middel van een waterketel. Volgens

hem ontstaat het bronwater door het doorzijgen van het regenwater;

ook heeft hij een volkomen afgewerkte leer omtrent de verdere vorming

van bronnen en wellen. Hij leert hoe men in navolging van de natuur

kunstmatig fonteinen kan doen springen, »als men maar het voorschrift

van de oppersten waterwerker volgt."

In het volgende stuk van zijn Traité de la Marne vertoont Palissy

zich als de ware uitvinder der artesische putten.

»Het komt mij voor," schrijft hij, »dat een goede schroef of boor

sommige meer weeke gesteenten gemakkelijk doorboren zou, en dat men

langs dezen weg mergelgrond zou kunnen vinden en water om putten te

maken, welk water dan ook wel eens hooger kon stijgen dan de plaats

waar de boor het gevonden heeft. Immers kan het water wel van hoogere

plaatsen afkomen dan die, waar men de boring bewerkstelligt."

Als natuurkundige, scheikundige, landbouwkundige ziet Palissy al de

groote wetenschappelijke vraagstukken van zijn tijd onder de oogen;

hij laat er den glans op schijnen van zijn gezond verstand en zijn

oordeelkundig onderwijs.

Als scheikundige verheft deze voorstander der wetenschappelijke

proefneming zich verre boven al het ijdel zoeken naar den zoogenaamden

Steen der Wijzen; verre boven de alchimisten staande toont hij aan,

langs welke wegen zij de menschen in den waan brengen van lood in

goud of zilver te kunnen veranderen. Den geneesheeren beveelt hij

aan meer kennis te nemen van hetgeen zich in de natuur voordoet; aan

de landbouwers geeft hij den raad, dat zij hun land zullen bemesten

en wijst hun het nut aan van de mergel, terwijl hij hun raadt de

bosschen te sparen. »Als gij alle bosschen hebt omgehouwen," zegt

hij, »moeten alle kunsten blijven stil staan en de handwerkslieden,

als Nebukadnesar, gras eten."

Terwijl Palissy zijn eeuw met zijne werken verrijkte, werd Frankrijk

verscheurd door binnenlandschen krijg. De pottebakker had, te

midden zijner grootste beproevingen, het Protestantisme omhelsd, en

gedurende de bekende godsdienstoorlogen was hij van kerker naar kerker

gesleept. Dank zij de gunst van Catharina de Medicis, ontsnapte hij

aan de gruwelen van den Bartholomeusnacht; maar die gunst kon niet

duren. Toen de Ligue zich in 1588 van Parijs had meester gemaakt,

werd de grijze Palissy in de Bastille gevangen gezet. Mathieu de

Launay eischte dat deze Calvinist onmiddellijk naar het spectacle

public (den openbaren dood) zou worden geleid. Gelukkig wist de hertog

van Mayenne te bewerken dat zijn proces ten minste nog eenigen tijd

werd uitgesteld.

Palissy bleef steeds aan zijne overtuiging getrouw. Eens kwam Hendrik

III hem in de Bastille een bezoek brengen, in gezelschap van den

graaf de Maulevrier.

»Mijn goede vriend," zeide de Koning, »'t is nu al vijf-en-veertig

jaren dat gij mij en mijne moeder dient. Wij hebben u vergund bij ons

te verkeeren en uw godsdienstig geloof te belijden; maar nu word ik

zoowel door de Guises als door mijn volk dermate gedrongen, dat ik u

wel moet loslaten en u aan uwe vijanden overgeven, zoodat gij morgen

zult verbrand worden, wanneer gij u niet bekeert."

»Sire!" antwoordde de grijsaard, »ik ben bereid mijn leven te

geven voor de glorie van God. Gij hebt mij al dikwijls gezegd dat

gij medelijden met mij hadt, welnu, ik heb medelijden met u, die u

»dwingen" laat. Dat is geen taal voor een koning, en zoo iets zoudt

gij, noch de Guises, noch heel uw volk op mij vermogen, want ik ben

niet bang voor den dood."

Eenigen tijd later, in 1589, blies de brave man in een der hokken

van de Bastille den laatsten adem uit.

Wat al edele en wijze mannen zouden wij Palissy ter zijde kunnen

stellen: André Vesale, de vader der dierlijke ontleedkunde,

Ambroise Paré, de groote heelkundige, Paracelsus, de voortreffelijke

scheikundige. Doch wij gaan deze voorbij om ons op te houden bij

Michel Servet.

Michel Servet werd in 1509 in Arragon geboren, studeerde in de rechten

te Toulouse en mengde zich in de godsdiensttwisten van zijn tijd. Te

Straatsburg wekte hij de verbazing des eenen en de verontwaardiging

des anderen op, want zijne leeringen waren bij uitstek vrijzinnig,

zoodat hij door zijne tegenstanders »die ondeugende en vinnige

Spanjool" genoemd werd. In Duitschland wekten zijne Samenspraken,

waarin kerkelijke leerstukken besproken werden, zulk een ergernis,

dat hij zich achter den aangenomen naam van Michel de Villeneuve

moest verschuilen en zoo naar Frankrijk uitwijken.

Te Parijs verwierf hij zich den graad van doctor in de medicijnen,

en maakte hij een grooten opgang zoowel met zijne lessen als met

zijne werken. Tot zijn ongeluk--ontmoette hij Calvijn en daagde hem

uit tot een soort van twistgesprek, waarbij de eerste zaden gestrooid

werden van die vijandschap, die tot zoo vreeselijken strijd klimmen

zou. Onrustig van aard, vestigde Servet zich achtereenvolgens

te Parijs, te Lyon, te Charlieu, te Avignon, waar hij tegelijk

geneeskundige en corrector bij een drukkerij was. Voortdurend

bezig met godgeleerde zaken, wilde hij Calvijn tot zijne meeningen

overhalen, gaf een groot werk uit, la Restitution du Christianisme,

en prikkelde zijn tegenstander tot steeds heftiger ergernis. Servet

was, als Calvijn, protestant; maar hij was, wat wij in onze dagen een

»liberaal" zouden noemen, zoodat Calvijn besloot Servet's boosheden

voor goed te stuiten. Hij gaf aan de Inquisitie stukken tegen hem

in handen. Wel wist Servet te ontkomen, maar hij waagde zich in

Genève en viel daar zijn fellen en onverbiddelijken tegenstander in

handen. Calvijn liet hem gevangen nemen en leidde in eigen persoon

het rechtsgeding, waarbij zijn tegenstander ter dood veroordeeld werd.

Den 27sten October 1553 werd Servet als ketter levend verbrand. Hij

was vier-en-veertig jaren oud. Terwijl hij naar den brandstapel ging,

werd hij door Farel, die hem in zijn laatste oogenblikken bijstond,

vermaand, dat hij zijne dwalingen zou herroepen, maar de wijsgeer

bleef onverzettelijk. Hij ging moedig en met vasten tred op den

brandstapel af, en toen de vlammen hem omhulden, hoorde men hem een

hartverscheurenden kreet slaken.

Zooveel zeker had de groote Spinoza niet te lijden, die ons thans

een oogenblik zal bezig houden. Toch werd ook zijn vrede door de

menschen verstoord. Deze beroemde wijsgeer, die zich verdiepte in de

groote vragen omtrent het bestaan van God, het wezen van den mensch,

het karakter der deugd, die in zijn »Ethiek" of »Zedeleer" zulke

verhevene beginselen uitsprak, de verwezenlijking van den mensch en van

het menschelijke zocht in het zoeken en het kennen van het goddelijke,

die de deugd zelve als den waren staat der zaligheid beschreef, is niet

om niet beroemd geworden. Spinoza werd 24 November 1632 te Amsterdam

geboren uit een deftig portugeesch-israëlietisch geslacht. Hij ontving

zijn opvoeding voor een deel van zekeren dokter Frans van den Ende,

een man, die later als godverzaker uit Amsterdam gebannen werd, of

vrijwillig uitweek, en wiens leeringen met die der Synagoge geheel in

strijd waren. Door den omgang met dezen geneesheer, door het lezen van

de schriften van Cartesius, door de beoefening der natuurwetenschappen,

door zijne gesprekken met vrijzinnige Amsterdammers, dwaalde ook

Spinoza al verder en verder van de Synagoge af, en daar hij zijne

gevoelens vrij uitsprak, begonnen zijn persoon en zijn ongeloof groot

opzien te baren. Men deed hem aanbiedingen. Men moet hem van wege

de Synagoge een jaarwedde van f1000 hebben aangeboden, »om slechts

bij haar te blijven en voor de leus naar de kerk te gaan." Spinoza

weigerde natuurlijk en bijna had hem die weigering het leven gekost,

want op een avond, bij het uitgaan van de Synagoge, werd de ponjaard

van een sluipmoordenaar tegen hem getrokken; hij wist den stoot

te keeren, maar hij kon zijn doorboorden mantel bewaren, als een

gedachtenis aan het rampzalig werk der dweepzucht. Hij besloot

nu Amsterdam te verlaten, en vond voorloopig huisvesting bij een

protestantschen vriend te Ouderkerk. Spoedig daarna werd hij door

den banvloek van de Synagoge getroffen. Dit geschiedde den 27 Juli

1656. Ondertusschen hield Spinoza zich bezig met het slijpen van

glazen, waarmee hij in zijne behoeften voorzag. Stil en ingetogen

leefde hij achtereenvolgens te Rijnsburg en te 's Gravenhage. Hij was

onbaatzuchtig, eenvoudig, een vriend der menschen, al heette hij bij

de Joden en bij vele Christenen een »gevaarlijk" mensch. Hij bleef,

hoe hatelijk hij ook behandeld werd, de prediker en de beoefenaar

der edelste verdraagzaamheid. In 1677 stierf hij. Toen in 1678 zijn

»Ethica" uitkwam, bleek wel duidelijk wat zijn lot zou geweest zijn,

wanneer het boek bij zijn leven ware uitgekomen. Zijne werken werden

bij plakkaat van de Staten van Holland en West-Friesland met »de

hoogste indignatië" verboden. Nog in 1714 werden een paar boekjes,

die voor Spinosistisch doorgingen, in Middelburg op het schavot vóór

het stadhuis, ter plaatse waar men gewoon was crimineele justitie te

oefenen, door de hand van den scherprechter verscheurd en verbrand.

Heeft de Synagoge Spinoza gebannen, de Hervormde Kerk heeft Balthazar

Bekker afgezet. Men kon in zijn tijd de menschheid moeilijk grooter

dienst bewijzen, dan haar vrij te maken van haar onzinnig geloof aan

den Duivel. Dat geloof nam de verbeelding en de ziel zoozeer in bezit,

wekte zooveel vrees, bijgeloof en vooroordeel, het spookte zoo akelig

rond met zijne heksen en zijne tooverijen en geheimzinnige kunsten,

dat wij er ons in onze dagen nauwlijks een voorstelling van kunnen

maken. Het beroemde werk van Jacob Sprenger »de heksenhamer" bevatte

een volledige leer of geloofsbelijdenis omtrent den Satan en de

tooverij, met allerlei uitleggingen van de werkingen des Boozen,

en veel bedreiging tegen degenen, die zich met hekserij bezig

hielden. Doch wat baatte dreigen en straffen, zoolang dit ongelukkig

geloof als een akelige nachtmerrie de zielen bleef benauwen? In 1691

verscheen Balthasar Bekker's »Betooverde Wereld." Thans gold het

niet de vraag, hoe men den Duivel moest en kon ontgaan, en zich

redden van zijne listen; maar de vraag of hij bestond. Bekker,

die aan de hoogescholen van Groningen en Franeker gestudeerd had,

was toen predikant te Amsterdam. Reeds vroeger had hij in den reuk

gestaan van groote onrechtzinnigheid, en nu werd het er niet beter

op. Als volger van de leer van Cartesius bestreed hij het geloof aan

duivelen en den invloed van booze geesten op de lichamen en op de

zichtbare wereld. Als menschenvriend zag hij met schrik hoe velen,

ten gevolge van de afschuwelijke heksenprocessen, om het leven

waren gekomen, hoe velen op allerlei andere wijzen de slachtoffers

waren geworden van deze reusachtige dwaling. En terwijl nog zoo goed

als de geheele wereld beefde voor den Booze, een ieder zijn naaste

achterdochtig aankeek en honderd dingen aan den invloed van den Duivel

werden toegeschreven, terwijl nog het gansche heir van Zijne Helsche

Majesteit spookte op de heiden en in de harten, verscheen Balthasar

Bekker's boek als een gebeurtenis, een feit van gewicht. Het heeft een

licht doen opgaan over het ellendig bijgeloof, het is èn in ons land

èn elders de dageraad geworden van een beter toekomst. Doch wat kon

de wereld met dezen zoon des lichts anders doen, dan zeggen dat hij

een duisterling was? De wereld kan niet, zoo maar op eens, ongelijk

hebben. Neen, dat ging niet aan. Zoo heeft de classis van Amsterdam

dezen weldoener dan ook behoorlijk geschorst en hem later uit zijn

bediening ontzet. Immers leerde de Bijbel dat er een duivel was.

Balthasar Bekker was een van die mannen, die zijn eigen oordeel

volgde. »Zie nooit met eens anders oogen," had zijn vader, mede

predikant, hem geleerd, en hij heeft de les wel ter harte genomen,

tot schade van zijn welvaart naar de wereld, tot winst van zijn

medemenschen. De slag toch, dien hij het bijgeloof toebracht, is

doodelijk geweest.

De martelaars der wetenschap · 第 16 / 27 题