DE BOEKDRUKKUNST.

De boekdrukkunst, zegt Ambroise Firmin Didot, scheidt de oude en de

nieuwe wereld. Volgens Lamartine's schoone uitdrukking, brengt zij

den mensch voor het heden en de toekomst, onmiddellijk en aanhoudend,

in aanraking met alles wat er schoon is gedacht. Men zegt dat de

spoorwegen en de telegraaf de afstanden hebben opgeheven; van de

boekdrukkunst kan men zeggen dat zij 't den tijd gedaan heeft. Zij

maakt allen tot elkanders tijdgenooten. Ik verkeer met Homerus, met

Cicero, en de Homerussen en de Cicero's van later tijd zullen omgaan

met ons.

In het begin van de 15de eeuw was men op het punt van schrijven en

miniatuurteekenen zeer ver gevorderd. Er waren bijbels vol van de

schoonste versieringen, de fijnste teekeningen, de geestigste prentjes,

zacht van kleur en schitterend van opgelegd goud, prachtuitgaven door

kunstenaarshanden verlicht. Maar dit was niet voor het volk, en ook

het gewone schrift vorderde te veel tijd en te veel inspanning dan dat

het voor weinig geld kon geleverd worden. Doch zie, daar verschenen

grove prenten, meest prenten van godsdienstigen aard, die met zwarte

omtrekken geteekend en met een onderschrift voorzien goedkoop van

de hand werden gedaan en waaronder het volk zijn gading vond. Het

waren gedrukte houtsneden, die de kunst meer algemeen maakte en die

de geboorte gaven aan het gedrukte boek.

Er was nog maar één kleine, schoon gewichtige, overgang noodig,

namelijk de letters, die op het hout uitgesneden stonden; afzonderlijk

te snijden, of te gieten, om ze daarna tot woorden samen te voegen--en

de eigenlijke boekdrukkunst, het drukken met beweegbare letter,

was gevonden.

Dien overgang tot de losse letter heeft Gutenberg tot stand

gebracht. Hij heeft de letter verlost en haar de plaats gewezen, die

zij tot dusverre in de drukkunst bekleedt. Gutenberg werd te Mainz

geboren. Hij was negentien jaren, toen keizer Frederik III aldaar zijn

»blijde inkomst" hield. Er brak bij die gelegenheid een twist uit

over den voorrang, dien de adel hebben zou bij de plechtigheden van

den dag, en ten gevolge van de oneenigheid hierover, werd hij--hij

was edelman--gebannen. Hij ging op reis, trok van stad tot stad,

bezag landen en volken, reisde langs den Rijn, door Zwitserland en

Duitschland, en kwam gedurende deze tochten op het denkbeeld boeken

te drukken. Te Straatsburg oefende hij zich in de kunst en nam hij

zijne eerste proeven.

Wel inziende van hoe groot gewicht zijne uitvinding was, ook als

tak van nijverheid, gevoelde hij behoefte aan hulp en vooral aan

menschen, die hem hunnen geldelijken steun verleenden. Hij vond onder

de grooten van Straatsburg weinig aanmoediging. Een jong edelman,

die zich met een gewoon handwerk bezig hield! Want dat hij een nieuwe

uitvinding aan het licht wilde brengen, had hij verzwegen uit vrees

dat een ander met den roem zou gaan strijken, die hem toekwam. Door de

aanzienlijken afgewezen, wendde hij zich tot dat volk, voor hetwelk

hij de baan der kennis openen zou. Hij associeerde zich met een paar

vermogende Straatsburgers, Andries Dritzehn en H. Riffe, later met

Fust, goudwerker en geldschieter te Mainz.

Nog kon Gutenberg er niet toe komen zijn geheim te verraden. Hij hield

zich of hij deze en gene kunstvoortbrengselen wilde vervaardigen, hij

polijste spiegels, hij sleep kostbare steenen, maar was in het geheim

met zijn uitvinding bezig. Met jaloersche liefde verborg hij zijn

kunst in de bouwvallen van het klooster van Sint Arbogast, en daar,

verre van de wereld en van alle onbescheiden blikken, gaf hij zich

aan haar over, zocht, werkte, peinsde, en sneed er de eerste letters

en zette er de eerste pers in elkaar; de eersteling dier monsters,

dier zwoegende wonderen van werktuigkunde, die in één enkel uur

twintig duizend bladen druks afleveren.

Gutenberg begon al spoedig met den bijbel te drukken, maar zijne

geldmiddelen waren spoedig uitgeput, en hij zag zich nu wel genoodzaakt

zijn deelgenooten in kennis te stellen met zijn geheim. Immers, hij

had nieuwe hulp noodig. Riffe en Dritzehn wenschten nu mede hun deel

te hebben aan de glorie der uitvinding; en, zou niet alles schipbreuk

lijden, dan moest hij daar wel in toestemmen. Zijn naam verdween van

de associatie en hij was niet veel meer dan hun meesterknecht.

Dit is nog niet alles. Andries Dritzehn stierf en diens erven deden

hem een proces aan, dat hij verloor, zoodat hij als een veroordeeld en

geruïneerd man naar Mainz terugkeerde. Hij verbond zich nu met Fust en

Schöffer, richtte een nieuwe werkplaats op en drukte, onder den naam

van zijne deelgenooten in de zaak, bijbels en psalmboeken, niet meer

met de broze houten, maar met metalen, en daardoor tevens zuiverder

letter. Dit was omstreeks 1450. Maar ook Fust en Schöffer bezweken

voor de verzoeking van zich langzamerhand en onwillekeurig den roem

van Gutenberg toe te eigenen. In de opdracht eener Duitsche vertaling

van Livius, erkennen zij zelven dat »de boekdrukkunst te Mainz is

uitgevonden door den vernuftigen werktuigkundige Johan Gutenberg,"

maar eenige jaren later zijn zij deze bekentenis eenigszins vergeten

en kennen de eer der uitvinding voor een deel aan zich zelven toe.

Nog eenmaal wordt Gutenberg, nu door Fust, van alles beroofd. Hij

verlaat zijn vaderstad, verliest vrouw en kind en dreigt der armoede

ten prooi te worden; doch het ontbrak hem nimmer aan vrienden die

hem hielpen en hem in staat stelden zijn uitvinding te volmaken. Hij

stierf tevreden. Rijk was hij niet geworden, en zijn leven was een

voortdurende worsteling geweest. Van zijne negen-en-zestig jaren had

hij er bijna vijftig aan de drukkunst gewijd. »Ik vermaak aan mijn

zuster", zoo schreef hij in zijn testament, »al de door mij in het

klooster van Sint Argobast gedrukte boeken." Arme uitvinder! Hij had

niet meer te vermaken dan dit. Toch vermaakte hij aan de wereld een

uitvinding, waarvan zij in steeds toenemende mate den zegen ondervindt,

en die hij met zijn jeugd, zijn rust, zijn slaap en zijn uitwendig

levensgeluk niet te duur betaald heeft geacht.

Na Gutenberg's dood verbreidde de boekdrukkunst zich alom. Spoedig vond

men persen in alle groote steden van Frankrijk, Engeland, Duitschland,

Holland en Italië.

Met de boekdrukkunst ontwikkelt zich de graveerkunst. Toen Gutenberg

stierf, zag in deze wereld vol dood en opstanding Albrecht Dürer

het levenslicht. Hij werd in 1471 te Neurenberg geboren, in een

tijd toen de houtgravure begon te bloeien. Hij doorreisde in zijn

jeugd Holland, het vaderland der eerste graveurs, begaf zich naar

Venetië, waar hij de voorloopers van Titiaan bewonderen kon, kwam in

Weenen en wist den grooten mededinger en vijand van Lodewijk XI en

Karel VIII van Frankrijk, den duitschen keizer Maximiliaan I voor

zich te winnen. Albrecht Dürer heeft met het genie van zijn hoofd,

zijn hart en zijn hand het hout ziel en leven gegeven, een leven,

dat beurtelings bewondering, blijdschap, vrees, huivering wekt.

Dürer stierf op den leeftijd van acht-en-vijftig jaren en heeft niet

alleen meesterstukken van graveerkunst nagelaten, maar ook schoon

goud en zilverwerk, beelden en bouwwerken. Deze groote kunstenaar

was meer dan een groot kunstenaar, hij was ook een goed burger,

met een hart vol geestdrift en moed. Hij stierf in armoede, zooals

blijkt uit een brief, dien hij op het eind van zijn loopbaan aan de

overheid van Neurenberg schreef.

»Voor negentien jaren riep mij de Raad van Venetië naar deze stad,

mij twee honderd dukaten 's jaars toeleggende. De stad Antwerpen

heeft mij drie honderd gulden en een fraai huis aangeboden. Zoowel

in de eerst- als in de laatst genoemde stad zou al mijn werk mij

afzonderlijk betaald worden. Ik heb het een en het ander afgeslagen

uit liefde voor u, voor deze goede stad en voor mijn vaderland. Beter

hier eenvoudig geleefd, dan elders in grootheid en weelde."

Dit was geheel naar Albrecht Dürer's aard. In dienzelfden brief,

een brief, die getuigenis aflegt van zijn edel karakter, verzoekt

hij de overheid van Neurenberg, dat ze een som van duizend florijnen

van hem zal aannemen, de vrucht van zijn arbeid en spaarzaamheid,

en dat ze hem jaarlijks vijftig gulden interest geven zal voor hem

en zijn vrouw, die beiden bij den dag ouder en zwakker worden.

Zelden is zulk een edel karakter gepaard gegaan met zulk een eenvoudige

ziel, als in dezen vermaarden duitschen kunstbroeder.

Het eerste boek bracht bij zijn verschijnen een niet geringe

ontsteltenis te weeg te midden van hen, die vijandig waren aan

het licht. De geschiedenis der eerste drukkers is dan ook vaak een

geschiedenis van vervolging. Het is nu eenmaal niet anders--elke

schrede op den weg van vooruitgang kost de menschheid bloed en tranen.

In 1490 stichtte Aldus Manutius te Venetië zijn beroemd geworden

drukkerij, een inrichting, die jaren lang van vader op zoon zou

overgaan en evenals die van Étienne in Frankrijk en van Elzevier in

Holland een europeeschen naam zou maken.

Aldus Manutius drukte, in weerwil van den oorlog, die Italië

verwoestte, in weerwil van de moeielijkheden en tegenspoeden des tijds,

voortdurend nieuwe en nuttige boekwerken, en zocht met lofwaardige

volharding te gemoet te komen aan de behoeften der studeerende

jeugd. »Ik heb de gelofte afgelegd," zoo schrijft hij in één der

voorredenen, waarmee hij zijne uitgaven voorzag, »ik heb de gelofte

afgelegd mijn leven te besteden aan het algemeen belang, en God

is mijn getuige dat het mij hiermee ernst is. Boven een rustig en

gemakkelijk leven heb ik een werkzaam en veel bewogen leven gekozen;

de mensch is niet geschapen voor genietingen, die een edelaardig

gemoed verwerpen moet, maar voor een eervol bedrijf. Laat de groote

hoop behagen scheppen in het lagere. Cato heeft het wèl gezegd: »'s

Menschen bestaan is als het ijzer. Maak er een getrouw gebruik van,

het zal blinken; laat het voor hetgeen het is, zoo zal het roesten."

In 1495 drukte Aldus de werken van Aristoteles af, en gaf hij

Theocritus en Hesiodus uit. Het volgende jaar verscheen zijn Thesaurus

Cornucopiae, een verzameling van werken over de Grieksche taal,

die allen nog onuitgegeven waren.

Karel VIII was juist in Italië binnen gevallen en Aldus schreef in

één zijner voorredenen: »'t Is eene zware taak latijnsche boeken en

nog zwaarder taak grieksche af te drukken, maar het zwaarst van alles

is de noodige zorg aan zulke zaken te besteden in moeielijke tijden,

zooals deze, waarin de wapenen vrij wat hooger worden geschat dan

de boeken. Nadat ik mij de genoemde taak gesteld heb, zijn zeven

jaren voorbijgegaan, maar ik heb in dien tijd nauwelijks één uur

rust genoten."

In 1497 had Aldus een volledige uitgave ten einde gebracht van de

werken van Aristoteles. De geschriften van Plato, Hippocrates en

Galliënus zouden volgen. »Zoolang ik leef," zeide hij, »zal ik mij

beijveren mijne tijdgenooten van goede boeken te voorzien, zoo van

letterkundigen als van wetenschappelijken aard." Hij hield woord.

In 1506 werden de werkzaamheden aan zijne drukkerij gestaakt ten

gevolge van de troebelen des oorlogs, die Europa en met name Italië

teisterden. Als erfgenaam van de aanspraken, die het fransche

koningshuis op het koninkrijk Napels maakte, kwam Lodewijk XII,

in bondgenootschap met Ferdinand den Katholieke, Frederik III uit

Genua verjagen, ten einde het zelf in bezit te nemen; ook Venetië

moest bij deze gelegenheid vernederd worden en Aldus had het ongeluk

een der slachtoffers te zijn van dezen rampzaligen oorlog. Hij werd

van zijne bezittingen beroofd, en verloor zijn tijd met reizen en

trekken, of hij zijn goed ook terug mocht krijgen. Zoo keerde hij

eens van Milaan, toen hij plotseling, zonder eenige bijzondere reden,

door de soldaten van den hertog van Mantua gevangen genomen en in

den kerker geworpen werd. Men ketende hem daar, alsof men met een

gevaarlijken misdadiger te doen had. Deze schandelijke aanslag op de

vrijheid van een ijverig burger, die de glorie uitmaakte van zijn stad

en van zijn tijd, wekte groote verontwaardiging. Door zijne vrienden

opgeëischt, keerde hij naar zijn huis en haardsteê terug, maar arm en

zonder hulpbronnen. Dank zij zijn doorzettenden ijver en zijn geduld,

verrees zijn drukkerij weder uit haar asch. Hij gaf van 1507-1513 de

treurspelen van Euripides uit, Plinius, Plutarchus, de Commentariën

van Caesar, Cicero's brieven en de werken van Pindarus. Hij was weder

in zijn element.

»Er zijn nu vier jaren voor den arbeid verloren gegaan," zoo zegt hij

in de voorrede van zijn Pindarus, »en de geesel des oorlogs heeft

gansch Italië al dien tijd getroffen. Ik moest Venetië verlaten om

mijn grond en tuin weder te krijgen, die ik niet door eigen schuld,

maar door de ongenade der tijden verloren had."

Aldus, de oude, zooals hij genoemd wordt, om hem van zijne opvolgers

te onderscheiden, stierf den 6den Februari 1516, zes-en-zestig jaren

oud. Na vijf-en-twintig jaren van noesten arbeid, na al zijne krachten,

al zijn geest tot het welzijn van de menschen te hebben besteed,

ging hij heen zonder fortuin en aan zijn kinderen niets nalatende,

dan een goeden en geachten naam.

Van een anderen aard waren de vervolgingen door Robert Estienne

ondergaan, die, wegens een grieksche vertaling van den Catechismus

van Calvijn, zich de vijandschap van de Sorbonne op den hals haalde,

maar uit Frankrijk ontsnapte, te Genève een drukkerij oprichtte (1551)

en deze dienstbaar maakte aan de zaak der Hervorming. Twintig jaren

was hij met de Sorbonne in strijd geweest; meer dan eens dreigde

hem de mutsaard, nu eens omdat hij den bijbel in groot formaat had

afgedrukt, dan eens omdat hij een kleiner uitgave gegeven had van

het Nieuwe Testament.

Grooter onheil stond Dolet te wachten. Steven Dolet werd in Orleans

geboren, in het jaar 1509. Na de hoogeschool van Parijs bezocht te

hebben, ging hij naar Padua en bracht er zijne studiën ten einde. Drie

jaren later werd hij secretaris bij den ambassadeur te Venetië, Jean

de Langeac, en volgde de lessen van Battista Egnazio over Cicero

en Lucretius. In 1532 vinden wij hem te Toulouse. Hij studeert er

in de rechten en is er het hoofd der partij, die voor de verboden

studentenvereenigingen ijvert, ter oorzake waarvan hij gevangen

gezet wordt. Door den bisschop van Rieux verlost werd hij nu bij de

eene partij even geliefd als bij de andere gehaat. Hij spaarde zijne

vijanden niet en werd uit Toulouse gebannen. Dolet toog nu naar Lyon,

waar hij zijne Commentaires de la langue Latine liet drukken, een

veel omvattenden arbeid, waaraan hij, van zijn zestiende jaar af,

zijn tijd, zijn rust, de genoegens der jeugd en zijn gezondheid had

opgeofferd. De jeugdige schrijver droeg zijn werk op aan Frans I,

aan wien hij te Mons werd voorgesteld. De Koning nam hem in zijne

bescherming en verleende hem zelfs het privilege van te mogen drukken

en te laten drukken alle boeken, die hij schrijven of vertalen mocht.

Een nieuw avontuur maakte dat hij deze hooge bescherming wel noodig

had. Zijne vijanden zonden een moordenaar op hem af, en toen deze

op hem aanviel, werd hij door Dolet gegrepen en gedood. Beschuldigd

van moord, werd hij nauwelijks verhoord, en zonder Frans I ware hij

misschien toen reeds uit het land der levenden verdwenen.

Dolet, die zich de ondersteuning van den Koning waardig wilde maken,

besloot nu zelf aan het drukken te gaan. »Ik zal met alle macht,"

zoo verzekerde hij, »den schat der letterkunde vermeerderen; ik zal

de afgestorven zielen der Ouden aan mij verbinden door hunne werken

met de meeste zorg te drukken. Ook zal ik mijn pers dienstbaar maken

aan de geschriften mijner tijdgenooten. Maar evenzeer als ik de

meesterstukken zal aannemen, evenzeer zal ik het onwaardig geschrijf

afwijzen van krabbelaars, die de schande zijn hunner eeuw."

Hij gaf nu verscheidene goede boeken uit met voorredenen. Die voor

Plato's »Samenspraken" bestaat uit een welsprekend gedicht, aanvangende

met de woorden:

»Al lang genoeg geleefd in 't duister!"

Zijne drukken voeren als zinnebeeld of wapen een bijl of snoeimes,

gehouden door een hand, die uit een wolk te voorschijn komt en die

een tak van een knoestigen boom schijnt te willen afsnijden. Op de

fransche boeken leest men daarbij: »Bewaar mij, o Heer! voor der

menschen laster!"

Dolet gaf zich geheel aan zijn drukkerij over, maar zijne vijanden

hielden niet op hem te vervolgen. In 1542 werd hij van zijn vrijheid

beroofd, onder voorwendsel dat hij kettersche boeken uitgaf. Vijftien

maanden lang zuchtte hij in den kerker en nog eens dankte hij zijn

vrijheid aan 's Konings gunst.

Den 14den Februari 1543 leverde een vonnis van het Parlement van

Parijs dertien zijner werken aan de vlammen over, als bevattende een

vervloekte, verderfelijke en kettersche leer. Ried de voorzichtigheid

tot de vlucht, de vaderlandsliefde en het goed geweten hielden

hem tegen. Hij verdedigde zich met het wapen van den spot, en deze

Rabalais onder de uitgevers wist uitermate goed met dit wapen om te

gaan. De uitgever wreekte den schrijver.

In November 1544 vergaderde de Theologische Faculteit van Parijs,

behandelde de uitgaven van Dolet en vond in een vertaling van Plato's

»Axiochus" aan Socrates het woord toegekend: »Na den dood zijt gij

niets." Deze zinsnede werd voor kettersch verklaard, als zijnde met

opzet en tegen Plato's bedoeling verkeerd vertaald. Nu werd Dolet als

hereticus relapsus (een ten tweede male tot dwaalleer vervallen ketter)

op de pijnbank gebracht, tot een nuttig onderwijs voor zijne makkers,

zooals het in het vonnis luidt, en vervolgens geworgd en verbrand op

den 8sten Aug. 1546. [2]

Maar wat men Gutenberg of Dolet ook mocht aandoen en hoe veel

boeken men vonnissen en verbranden mocht--het licht scheen er maar

te helderder door, geweld en domheid stelden er zich maar te meer

door ten toon.

De martelaars der wetenschap · 第 14 / 27 题