De sterrekunde is de oudste aller wetenschappen. Zij is tegelijk met
de beschaving geboren. Maar de denkbeelden, die men zich in oude tijden
van de wereld maakte, verschillen niet veel van wat de eerste onkundige
de beste zich in het hoofd haalt bij het staren naar het hemelgewelf.
Vóór de 16de eeuw wist men weinig of niets van het oneindige, had
men geen besef van wat het heelal eigenlijk was. Men hield Jeruzalem
voor het middelpunt der aarde en de aarde voor een vast punt te
midden van zon, maan en sterren, die er, als dienende geesten,
om heen draaiden. De hemel was een gewelf, hetwelk dit grootsche
mechanisme omsloot.
Zou men de geheimen leeren doorgronden van het heelal, dan moest
allereerst dit groote feit ontsluierd, zoo geheel in tegenspraak met
het oogenschijnlijke, dat de aarde zoowel om haar as, als om de zon
ronddraait. De ontdekking van dit feit is Copernicus' roem.
De geschiedenis leert ons dat de menschen niet licht nieuwe waarheden
aanhangen, ja, dat zij deze, zoolang zij kunnen, verwerpen en met te
meer ijver, naar mate die waarheden minder tot de zinnen spreken. Men
kan dus wel begrijpen dat de genoemde waarheid zich niet zonder
tegenstand gelden deed. De dwaling, die zij ter zijde zette, was even
oud, als de wereld. Zij heeft haar leven duur verkocht.
Copernicus is aan het martelaarschap ontkomen. Hij was een stil,
nederig, teruggetrokken man; zijn bestaan vloot rustig daarheen, wijl
hij zijn tijd verdeelde tusschen de studie van den sterrehemel en de
uitoefening van de geneeskunst. Zoo hij de waarheid mocht opsporen
en den menschen goed mocht doen, bleef voor hem niets te wenschen
over. Hij was verlegen van aard en niet gerust omtrent de gevolgen,
die zijn ontdekking te weeg kon brengen, wanneer zij, zooals men het
noemt, ontijdig openbaar gemaakt werd. Verzweeg hij de waarheid al
niet, hij beleed haar toch niet in het openbaar, en liet het publiek
er buiten. Het wetenschappelijk geloof had geen martelaarschap noodig,
beweerde hij. In waarheid joegen de kerkelijke oneenigheden en de
kerkelijke vervolgingen hem schrik aan. Hij hield zich buiten het
gedrang, en redde zijn leven.
Maar het martelaarschap moest komen, en 't was Galileï die ten minste
durfde spreken en strijden en lijden.
Deze groote Italiaan was, na Copernicus één der eersten, die het
bouwwerk der eeuwen aantastte en het schudden en kraken deed. Hebben
de wereldontdekkers ons de teekening van den aardbol geleverd, de
omtrekken van zeeën en landen, deze sterrekundige wees de plaats aan,
die de aarde zelve in het hemelstelsel inneemt. Hij, de Columbus des
hemels, ontdekt een nieuwe wereld, die van het oneindige.
De ontdekking, waartoe hij gaande weg kwam, maakte zijn naam
onsterfelijk; maar kwam hem op veel tegenspoed te staan.
Galileï werd in 1564 te Pisa geboren en gaf in zijn jeugd de blijken
van een vroeg ontwikkeld verstand. Op een leeftijd, waarop men zich
met onbeduidende kinderspelen vermaakt, vond hij kleine werktuigen uit,
en stelde ze samen. Hij verbaasde zijn leermeester door zijn onbevangen
gemoed, de vlugheid van zijn immer werkenden geest, de snelheid zijner
bevatting, zijn zucht om zich zelven te oefenen. Zijn vaardigheid in
alles, wat den geest ontwikkelt, was verbazend. Hij hield veel van
muziek en teekenkunst, hij beoefende letterkunde en dichtkunst. De
kiem van het genie ontwikkelde zich voor aller oogen al meer en meer.
Zijn vader, een man met een groot gezin en weinig middelen, stond er
op dat de jonge Galileï een winstgevende betrekking koos. Hij zond hem
naar Pisa, om er de geneeskunst en de wijsbegeerte te leeren. Maar
de lessen zijner leermeesters, mannen van den ouden stempel, konden
dezen vurigen en hongerigen geest niet voldoen. Reeds nu had hij zijne
eigene gevoelens en wist hij zijn onafhankelijkheid te bewaren, ja,
den inwendigen drang tot tegenspraak smoorde hij niet, maar vrijmoedig
legde hij zijnen onderwijzers zijne bezwaren voor. De taak, die zijn
eigenaardig karakter hem aanwees, had maar een aanleiding noodig,
om zich aan hem te openbaren. En die aanleiding deed zich op.
Galileï telde nauwelijks negentien jaren, toen bij een zekere
gelegenheid zijn oog zich vestigde op één der hangende lampen van den
kathedraal van Pisa. Hij merkte op, hoe deze in een zachte beweging was
en bleef. Het bleek hem dat de lamp,--welke ook de lengte mocht zijn
der beschreven bogen,--hare slingeringen steeds in dezelfde tijdsruimte
volbracht, dat zij, in één woord, steeds dezelfde maat sloeg. De
jonge geleerde was over dit verschijnsel niet weinig verwonderd en
begreep dat hier groote gevolgen uit te trekken waren. Hij zon op de
mogelijkheid dat men de hoogte van een gebouw berekende naar den tijd,
dien een van boven vastgehecht koord voor zijne slingeringen noodig
had. Hij kwam zoo op de wetten van den slinger, die der wetenschap
zulke kostbare hulpmiddelen aan de hand doet, om den tijd te meten.
Galileï, van nu aan met zijn gansche hart zich aan de wetenschap
overgevende, verslond de geschriften der oude wiskunstenaars. Het
bestudeeren van Archimedes' vertoog over de Lichamen, die in
vloeistoffen drijven, stelde hem weldra in staat een nieuwe
hydrostatische balans te vervaardigen. Deze eerstelingen van zijn
arbeid, even belangrijk als vernuftig, maakten dat de aandacht op hem
gevestigd werd; in 1589 benoemde de Groothertog hem tot hoogleeraar
te Pisa. Galileï begon nu omtrent de beweging der lichamen een geheel
nieuwe reeks van proefnemingen te doen, en wel boven van den toren van
Pisa, door zijn hellenden stand daartoe bij uitnemendheid geschikt. De
eenvoudige en gezonde redeneeringen, waartoe de ontdekte feiten der
ervaring hem als van zelf brachten, waren geheel in strijd met de
zoogenaamde wetten der beweging, die door de Universiteit werden
aangenomen, en toen hij nu zijn oogen van de aarde naar den hemel
richtte, en den loop en de beweging van de hemellichamen gadesloeg,
moesten ook ten opzichte van hunne beweging de oude leeringen wijken en
zou de eerste schrede naar den roem ook die naar den tegenspoed zijn.
Galileï beschouwde met aanhoudende opmerkzaamheid de twee zoo gansch
tegenstrijdige hemelstelsels, dat van Ptolomaeus met zijn ingewikkeld
samenstel van cirkels en exentrieke kringen en dat van Copernicus,
dat de ernstigste onderzoekers door zijn eenvoudige grootheid
onweerstaanbaar trok.
Galileï, die door de Universiteit van Pisa al spoedig werd aangezien
voor een oproerkraaier en bijbelverguizer, voelde zich hier niet
meer op zijn gemak, en nam gretig het aanbod van den Senaat van
Venetië aan, die hem voor zes jaren den leerstoel aanwees voor de
mathematische wetenschappen aan de hoogeschool te Padua. Met nieuwen
moed en rusteloozen ijver toog hij weder aan den arbeid. Na den
thermometer te hebben uitgevonden, ontdekte hij in 1604 een nieuwe
ster, en verrijkte in 1609 de wereld met den teleskoop. Vernomen
hebbende, dat een hollandsch geleerde door een zekere samenvoeging
van glazen er toe gekomen was, voorwerpen op zeer grooten afstand
te onderscheiden, ging hij dadelijk aan het zoeken. Zoeken was bij
hem vinden. Weldra plaatste hij, onder het gejuich der menigte, den
eersten sterrekijker op den klokketoren van de St. Marcuskerk. Maar
het was hem niet genoeg van verre de schepen te bespieden, die op de
lagune dreven, den hemel te beschouwen was en bleef zijn doel.
Toen hij dit deed, doemde een nieuwe wereld voor hem op. Hij richtte
zijn kijker op de maan en zag nu hoe valsch de voorstelling was,
als zouden de hemellichamen het zuiverste rond vormen, en licht
in zichzelven hebben. Hij zag duidelijk dat de oppervlakte van
onzen satelliet, hoogten en laagten, bergen en valleien vertoont,
en een ongelijken omtrek heeft. Hij richtte zijn werktuig naar de
nevelvlekken en den Melkweg en zie, zij vertoonden myriaden van zonnen,
een stofgewemel van sterren, zooals Milton zei. Hij bezag Jupiter
en ontdekte zijne wachters. Terstond begreep hij dat die sterren
voor Jupiter waren, wat de maan voor onze aarde is. Hij staarde
de zon in 't gelaat en ontdekte zijne vlekken. Heel de wereld der
hemelen openbaarde zich aan zijn oog in dat aangrijpend oogenblik,
en alles, wat hij zag, voerde hem al meer en meer naar het stelsel van
Copernicus heen en verder en verder van de wijsheid en de wetenschap
zijner tijdgenooten weg.
De groote hemelontdekker, half verblind door het licht, dat zijne
ontdekkingen deden opgaan, gansch verloren in zijn studie, had geen
oor voor de tegenwerpingen, die men maakte met Aristoteles, den Bijbel
en de kerkvaders in de hand. Galileï was een oprecht christen, en
hoopte dat hij zijn wetenschappelijk geweten in overeenstemming zou
kunnen brengen met de gehoorzaamheid aan de Kerk. Te vergeefs raadde
men hem zich stil te houden, te vergeefs wees men hem op het wassend
aantal zijner tegenpartijders. De geleerde was op dit punt hardhoorig.
Galileï leefde in een tijd, waarin het ongeloof, ja, de twijfel
ten opzichte van het geloof der Kerk voldoende was, om iemand in het
verderf te storten. Eén woord--en Galileï was verloren. Dat ééne woord,
het woord »ketter", spraken zijne benijders uit.
Zoolang Galileï op venetiaansch gebied bleef, was de haat zijner
tegenstanders ijdel, maar in 1610 verliet hij Padua, om naar Toscane
terug te keeren. In 1611 begaf hij zich, voor het eerst van zijn
leven, naar Rome, ten einde alle kwade en lasterlijke geruchten
te weerspreken, en alle verdenking van zich af te weren; want de
Inquisitie begon te morren en te dreigen. Een Dominikaner monnik toch,
Domenicho Baccini, tastte de volgers van Copernicus en in 't bijzonder
Galileï aan. In 1616 werden door de Heilige Congregatie van den Index
de boeken van Copernicus en Foscarini in den ban gedaan en verboden;
boeken, waarin »die dwaze leer wordt volgehouden dat de aarde zich
beweegt en de zon stil staat", een leer ten eenemale in strijd met
Gods Woord. Galileï's naam was in dit kerkelijk besluit niet genoemd;
maar hij had in het geheim een scherpe vermaning gekregen en voor
geruimen tijd werd hem het zwijgen opgelegd.
In 1618 verschenen er niet minder dan drie kometen aan den hemel,
en deze merkwaardige hemelverschijnselen voerden hem weder naar de
sterrekunde en het stelsel van Copernicus heen. In 1630 schreef hij
zijn beroemd geworden Dialoog, waarin hij zijn leer in den vorm van
een samenspraak voordraagt. Salviati en Sagredo zijn geestverwanten
en voorstanders van Copernicus; Simplicio is de verdediger der oude
leerstellingen van Ptolomaeus. Deze Simplicio is het toonbeeld van
het behoud, ja, van den hardnekkigen stilstand.
»Komt, laat ons de natuur bestudeeren," zegt Salviati, één der
sprekers.
»Waartoe zou het dienen?" antwoordt Simplicio. »Waartoe zich zooveel
moeite te geven, om niet? Ik houd mij maar aan 't geen de vaderen
gezegd hebben, ik wend mij tot de Schriftgeleerden, ik spreek wat
zij mij voorzeggen, en slaap rustig."
Verderop laat Galileï Simplicio zeggen:
»Als men maar goed christen is, dan is 't genoeg. Een heilige
onwetendheid vergoedt alles. Het is niet wenschelijk dat alle sluiers
worden opgeheven."
De Dialoog van Galileï schittert van vele fijne trekken en spottende
toespelingen, en is tevens vol van de ernstigste wetenschap. Dit
schoone, thans zoo goed als vergeten boek is niet alleen een
merkwaardig getuigenis voor de beweging der aarde, maar ook een warm
pleidooi ten gunste van het vrije onderzoek, een werk, een Socrates
waardig, een standaardwerk, dat de bewondering verdient van allen,
die onafhankelijkheid van oordeel en geestelijk leven op prijs
stellen. Het is een overwinning door de rede behaald op de vijanden
der menschelijke conscientie.
Urbanus VIII meende zich zelven te herkennen in het beeld van
Simplicio, die een goede ziel voorstelt, zooals er ten allen tijde
zijn zullen, een man, die op de meest dwaze manier gehecht is aan
het oude, en steeds in 't geweer is tegen het nieuwe.
De Paus, boos geworden op den geleerde, gaf hem aan de Inquisitie over.
In weerwil van zijne jaren en zijn lichaamszwakte moest hij zich
naar Rome begeven en aldaar te recht staan. Een merkwaardig geding
volgde. Hij werd allereerst op last van de Heilige Congregatie bij
den ambassadeur van Toscane in arrest genomen.
»De Pater-commissaris Lancio," verhaalt Galileï in een brief aan
Renieri, »kwam mij den volgenden dag afhalen en nam mij in zijn
koets met zich. Onder het rijden deed hij mij verschillende vragen en
scheen hij er bizonder op gesteld dat ik eenigszins de ergernis zou
goed maken, die ik aan gansch Italië gegeven had, met mijn bewering
dat de aarde zich beweegt. Tegen alles wat ik aanvoerde, tegen elk
betoog, tegen elk wiskunstig bewijs, bracht hij niets anders in dan:
»Terra autem in aeternum stabit", zooals de Schrift in Psalm 119
vs. 90 zegt. En zoo sprekende kwamen wij aan het Paleis van het Heilig
Officie. Ik werd dadelijk aan den heer assessor Vitrici voorgesteld,
die twee Dominicaner-monniken bij zich had. Zij deden mij beleefdelijk
weten dat ik mij in de volle Congregatie te verantwoorden had, mij
te kennen gevende dat, werd ik schuldig bevonden, de weg nog voor
mij open stond, om mijne verontschuldigingen aan te bieden."
Na een zeer lang onderzoek werd Galileï gedurende een twintigtal dagen
in arrest gehouden. Den 20sten Juni 1632 werd hij nog eens voor het
Heilig Officie geroepen en den daarop volgenden Woensdag voerde men hem
naar de kerk della Minerva, waar hem in tegenwoordigheid van kardinalen
en prelaten, leden der Congregatie, zijn vonnis gelezen werd. In dit
vonnis werd zijn boek verboden en hij zelf voor onbepaalden tijd
tot gevangenschap veroordeeld. Hij moest bovendien nog, geknield,
met de volgende woorden zijne gevoelens afzweren:
»Ik, Galileo Galileï, zeventig jaar oud, hier neergeknield voor uwe
Eminenties en met de oogen op de heilige Evangeliën, die ik hier
met mijne handen aanraak, ben schuldig geoordeeld, als hebbende de
ketterij staande gehouden en geloofd dat de zon het middelpunt der
wereld en een onbeweeglijk lichaam zou zijn, terwijl de aarde niet
het middelpunt der wereld zou wezen maar zich bewegen zou. Ik zweer
de bovengenoemde dwalingen af, vervloek en veracht ze."
Men wil weten dat Galileï opgestaan zijnde met den voet op den vloer
gestampt en gezegd zou hebben: »e pur si muove" (en toch beweegt ze
zich). Het is niet waarschijnlijk dat hij plotseling zoo stoutmoedig
zal zijn geworden en straffeloos zijne rechters aldus zal hebben
uitgedaagd. Maar was deze spreuk al niet op zijne lippen, de gedachte
lag toch in zijn hart.
Van toen af had Galileï zijn vrijheid verloren. De paus stond toe dat
hij zich naar Sienna begaf, tot den aartsbisschop Piccolomini. Later
mocht hij naar zijn villa bij Florence gaan, waar hij een gevangene
bleef tot zijn dood toe. De ongelukkige grijsaard had de bitterste
beproevingen te verduren. In 1634 verloor hij ééne van zijne dochters
en spoedig daarna werd hij blind. Met den stok in de hand, waarmee
hij zijn weg zocht door de hem welbekende lanen, of aan den arm van
de eenige hem overgeblevene dochter, een non, zag men hem dwalen door
zijn tuin. Keerde hij naar huis terug, dan was hem misschien één van
die kleine maar venijnige plagerijen bereid, waarmede zijne vijanden
zijn leven verbitterden. Aan de uitgave zijner boeken werden allerlei
moeielijkheden in den weg gelegd; men lette op de betrekkingen, die
hij aanhield, en den Inkwisiteur was opgedragen zich nu en dan te
komen verzekeren of Galileï wel nederig en stil was. Somber, gebogen,
een gebroken man, stierf Galileï in 1642, 78 jaren oud.
Kepler mag men dezen zijnen grooten tijdgenoot veilig ter zijde
stellen. Hij werd te Weil in Wurtemberg geboren, den 27sten December
1571, 7 jaren na Galileï's geboorte, 28 jaren na Copernicus'
dood. De man, dien men eens de Wetgever van den Hemel zou noemen,
was op twaalfjarigen leeftijd bediende in een kroeg. Zijn moeder
Catharina Guldenmann, een eenvoudige herbergiersdochter, kon lezen
noch schrijven. Zijn vader Hendrik Kepler diende den hertog van Alva
in de Nederlanden. Bij zijn thuiskomst zette deze te Elmerdingen een
wijnhuis op en nam zijn zoon van school, opdat deze hem in de zaak
behulpzaam zou zijn. Het kind was echter klein en zwak van uitzicht;
het werd dus naar school teruggezonden en voor de godgeleerdheid
bestemd. Op dertienjarigen leeftijd werd onze knaap opgenomen in
het Seminarie van Maulbron. Hij maakte daar goede vorderingen, maar
liet de godgeleerdheid varen en wist, 22 jaren oud, een leerstoel
te verwerven in de wiskunde en wel te Grätz in Stiermarken, dat toen
ter tijde geregeerd werd door den aartshertog Karel van Oostenrijk,
die den roomsch-katholieken godsdienst beleed.
Aan Kepler was het onderwijs in de sterrekunde toevertrouwd. Weldra
werd hem opgedragen een almanak samen te stellen. Hij voegde er
eenige sterrekundige voorzeggingen bij, waarvan enkele goed uitkwamen,
zoodat hij er veler vertrouwen mee won. 't Is niet anders, de groote
sterrekundige was niet verheven boven het bijgeloof van zijn tijd,
volgens hetwelk de hemellichamen invloed uitoefenen op de menschelijke
lotgevallen. Hij meende dat de sterrewichelarij, dochter der
sterrekunde, haar moeder in het leven moest houden. Kepler intusschen
was er de man niet naar om dengene, die zich tot hem wendde, een rad
voor de oogen te draaien; en soms, wanneer men hem kwam raadplegen,
riep hij als Tiresias tot Ulysses: »Wat ik zeggen zal, zal òf wel òf
niet gebeuren!"
In zijn eerste werk (Mysterium Cosmographicum) gaf Kepler de eerste
proeven van zijn onafhankelijkheid van oordeel. Hij bracht ontzaglijke
bewijsstukken bij ten gunste van het stelsel van Copernicus en kwam
met edele verontwaardiging op tegen de rechtbank, die het hoofdwerk
van den grooten man op den Index geplaatst had.
In 1597 huwde hij een weduwe, even schoon als edel van geboorte. Zijn
echt was niet gelukkig, doch gaf hem aanleiding tot een niet
onbelangrijk werk, waarin de sterrekundige toonde hoe zijn vernuft
de kleinste omstandigheden wist aan te grijpen, om den vooruitgang
van ruime hulpmiddelen te voorzien.
»Toen mijn huwelijk gesloten was," zegt hij in de voorrede, »was er
een goede en ruime wijnoogst, zoodat de wijn goedkoop werd. Het was
dus de plicht van een goed huisbezorger er voorraad van op te doen
en de kelders te voorzien. Na eenige vaten wijn gekocht te hebben,
kwam de wijnkooper bij mij om den prijs van het vat te bepalen en
dus eerst den inhoud van het vat te berekenen. Hij deed dit op zeer
eenvoudige wijze. Hij liet een ijzeren staafje in ieder wijnvat neder
en bepaalde onmiddellijk den inhoud."
Kepler herinnerde zich bij die gelegenheid hoe anders men te werk gaat
aan de boorden van den Rijn, waar de wijn kostbaarder is. Men tapte
het vat af en telde één voor één de kannen, die het bevatte. Was de
oostenrijksche manier van handelen even juist als zij eenvoudig en
praktisch was? Dit wil Kepler weten en zoo vindt hij zich als van
zelf geleid tot het oplossen van geometrische vraagstukken, zwaarder
dan ze ooit behandeld waren. Hij kwam tot de volgende ontdekking.
»Onder den gunstigen invloed van een goeden genius, die, zonder twijfel
wiskunstenaar was, hebben de kuipers aan hunne tonnen juist dien
vorm gegeven, die, bij een bepaalde lengte van de met den peilstok
gemeten lijn, den grootst mogelijken inhoud verzekert, en daar nu,
om en nabij dit maximum, de afwijkingen van de inhoudsmaat maar zeer
luttel zijn, hebben zij geen merkbaren invloed op de hoeveelheid, die
dan met den peilstok even juist als vlug en praktisch berekend wordt."
Kepler was een der slachtoffers van de vervolgingen, die op het eind
der 16de eeuw Stiermarken in rep en roer brachten. Hij werd om zijn
geloof verbannen en was geheel geruïneerd. Men had gepoogd hem zijn
geloofsovertuigingen te doen verzaken, maar niemand die zijn eerlijk
hart kon omkoopen. De kunst van veinzen was hem vreemd. Hij vertrok
dus en greep met beide handen het voorstel aan, dat Tycho Brahé,
de sterrekundige van keizer Rudolf hem deed, om te Praag te komen en
hem daar bij zijne bezigheden te helpen.
Nieuwe teleurstellingen wachtten hem daar. Men had hem een goed
inkomen toegezegd; hij moest het echter gulden bij gulden afvragen.
Toen Tycho Brahé stierf, werd Kepler tot keizerlijk sterrekundige
benoemd, op een ruime jaarwedde. »De jaarwedde is goed," schreef
hij aan een vriend, »maar de kas is slecht voorzien. Ik verbeuzel
mijn tijd met aan de deur van den betaalmeester te kloppen." Tot
armoede vervallen moest Kepler, om in zijn onderhoud te voorzien,
kleine almanakken maken, ja horoscoop trekken.
Met behulp van de papieren van Tycho Brahé, waarover hij de
vrije beschikking had, was hij nu weldra in staat een paar groote
werken te ondernemen, en van nu aan begint het tijdperk van zijn
glorie. Hij maakte in het bijzonder zijn werk van de planeet Mars,
en na een negenjarige onafgebroken studie van dit onderwerp, na een
geestesinspanning, die hem soms tot waanzinnig wordens toe afmatte,
kwam hij er toe de beweging van Mars met de meeste juistheid te
bepalen en wel door de werking van twee opmerkelijke wetten. Die
wetten waren ook van toepassing op de andere planeten; zij maakten
dat Newton de algemeene aantrekkingskracht in het heelal ontdekte en
zij hebben Kepler's naam voor altijd beroemd gemaakt. Zij vormen toch
den onomstootelijken grondslag voor de nieuwere sterrekunde.
Na keizer Rudolf's dood liet zijn opvolger Matthias, die minder met
de wetenschap op had, de sterrewacht te Praag deerlijk vervallen. Zoo
kon Kepler het hier niet houden. Hij werd benoemd tot leeraar aan
het gymnasium van Linz, en nam die benoeming gaarne aan; maar nieuwe
jammeren volgden. Zijn vrouw begon aan toevallen te lijden, werd
krankzinnig en stierf weldra. Voorts verloor Kepler drie kinderen. Zijn
moeder, die zeventig jaren oud was, werd in de gevangenis gezet,
wegens tooverij en hekserij. Men weet haar alle openbare onheilen;
men vertelde dat zij in de tooverij onderwezen was door een tante,
die als heks verbrand was; men verweet haar dat zij omgang hield
met den duivel; men zeide van haar dat zij nooit iemand aanzag en
dat men haar nimmer had zien weenen. Kepler kwam haar te hulp en
had vijf jaren lang strijd te voeren, om zijn moeder te redden. De
rechters lieten intusschen de oude Catharine Kepler de marteltuigen
zien, die zij tot hun beschikking hadden en dreigden haar er mee, om
haar tot een bekentenis te dwingen. Maar niets vermocht haar moed te
doen wankelen. Haar kloeke houding redde haar van het schavot, maar
wischte den smet niet uit, dien deze gebeurtenis, hoe onverdiend ook,
op den naam haars zoons wierp.
Weder bevond Kepler zich in de diepste armoede. Hij wist zich echter
ongevoelig te maken voor het ongeluk en vergat zijne tegenspoeden,
wanneer hij met zijn gedachten in de hooge sfeeren der hemelen
opklom, wanneer hij zijn geest liet dwalen door de oneindige ruimte,
luisterde naar den vasten maatslag der hemelsche muziek, die zijn
verbeelding hoorde in de eeuwige beweging der hemelbollen. In een
allerzonderlingst werk: De Harmonie des Heelals, heeft Kepler gepoogd
die Muziek der Natuur op te teekenen. Hierbij moge zijn geest zich
soms met hersenschimmen hebben bezig gehouden, soms ook verheft
hij zich op de vleugelen van het waarachtig genie. Men ziet er den
edelen en bezielden droomer op eens in hooge vlucht opstijgen; men
ziet een heldere glans schijnen te midden der diepe duisternis. Op
het eind van zijn boek komt hij neder op het zuiver wetenschappelijk
betoog en maakt hij de wet openbaar, die al de bestanddeelen van
ons wereldstelsel samenbindt en aan de groote spillen van zoovele
hemelbollen den duur harer omwentelingen voorschrijft.
Te midden van de vreugde, die hem de studie der natuur verschafte,
kende Kepler van het leven slechts de harde, de strenge
zijde. Ferdinand, Matthias' opvolger, wilde den protestantschen
godsdienst in Stiermarken uitroeien. Kepler moest nu weder zijn
woonplaats verlaten en verbond zich eenigen tijd aan den hertog
van Wallenstein. Hij had een tweede huwelijk aangegaan met Susarine
Rittinger, die hem zeven kinderen schonk. Hoe vele verdrietige reizen
heeft hij moeten doen, om de achterstallige geldelijke uitkeeringen op
te vorderen. Arbeid, zorg, verdriet putten eindelijk zijne krachten
uit. Hij stierf 59 jaren oud. Te Regensburg ligt hij begraven, waar
de bezoeker in de St. Pieter zijn graf kan vinden met dit opschrift,
door hem zelven vervaardigd. »Ik heb de hemelen gemeten, thans meet
ik de schaduwen der aarde. Hemelsch zijn rede en vernuft. Hier rust
slechts der lichamen schaduw."
Aldus stierf Kepler, de stoutmoedige onderzoeker, die reeds bij de
eerste schreden op het gebied der sterrekunde de hoop voedde van het
raadsel der natuur tot een oplossing te brengen. Zijn leven lang,
zien we hem als voortgedreven door den drang zijner ziel naar de
waarheid. Steeds jaagt de dorst naar kennis hem voort; nimmer houdt de
hoogmoed der wetenschap hem op. Fier en stout zoolang hij zoekt, heeft
men van hem gezegd, wordt hij nederig en als ootmoedig, zoodra hij
gevonden heeft, en in zijn blijdschap geeft hij de eer aan God. Zijn
ziel, zoo groot als edel, kende ijdelheid noch naijver. Hij zocht
noch toejuiching noch huldebetoon. Zijn glorie staat in de hemelen
geschreven en de sterren verheffen met hun regelmaat en orde zijn naam.
Tycho-Brahé zag te Korudstorp in Denemarken het levenslicht op
den 15den October 1546. Zijn vader Otto Brahé, van oude en edele
afkomst, had niet minder dan tien kinderen en bestemde Tycho voor den
krijgsdienst. Wat kon de spruit van een edel geslacht anders worden
dan soldaat? Toch mocht Tycho, dank zij den invloed van zijn oom,
de hoogeschool bezoeken. Hij werd in 1559 naar Kopenhagen gezonden
en daar ontwikkelde zich in hem die zin voor sterrekundige studie,
die hem beroemd gemaakt heeft. Den 21sten Augustus 1560 zou er een
zonsverduistering plaats vinden en Tycho werd bij die gelegenheid diep
getroffen door het feit, dat zulke verschijnselen zich met zooveel
juistheid laten voorspellen. Hij besloot zich in de geheimen dezer
kunst te laten inwijden, en al werd hij in 1562 naar Leipzig gezonden,
om er in de rechten te studeeren, de hemel hield zijn oog, zijn hart,
zijn wil geboeid. Al zijn vrijen tijd en al zijne spaarpenningen
maakte hij aan zijn lievelingsstudie dienstbaar, en hiermede bracht
hij het door eigen studie zóóver, dat hij bij gelegenheid van de
conjunctie van Jupiter en Saturnus, in 1563, met behulp van eenige
grove werktuigen belangrijke fouten ontdekte in de Alphonsische tafels
en in die van Copernicus.
Bij den dood van zijn oom, in 1565, kwam Tycho naar Denemarken terug,
om er zijn erfenis te aanvaarden. Zijn liefde voor de sterrekunde vond
bij zijne ouders niet weinig afkeuring en van zijne vrienden moest hij
er niet weinig over hooren; immers waren zulke bezigheden beneden de
waardigheid van een edelman. De jeugdige sterrekundige gekrenkt over
de bejegening, die hij ondervond, verliet zijn vaderland, hield zich
eenigen tijd te Wittenberg op, bracht twee jaren in Rostock door,
en zette aldaar zijne onderzoekingen met ijver voort. Daar had hij
een duel en werd hem de neus afgeslagen, die, zegt men, zoo wél door
een kunstneus van goud en zilver vervangen werd, dat men de verminking
bijna niet zien kon.
Van Rostock ging Tycho naar Augsburg, waar hij met behulp der
gebroeders Hainzel een quadrant vervaardigde met een straal van 9 à 10
meters. Hij kwam in 1571 in het vaderland terug, en won een ijverig
vriend en voorstander in zijn oom Steno Bille, die steeds de partij
van zijn neef had opgenomen, wanneer deze door de hatelijkheden en
spotternijen van zijne bekenden vervolgd werd. Steno Bille stond
Tycho Brahé een gedeelte af van zijn woning, om er een sterrewacht
van te maken. Hier--bij Steno Bille--heeft Tycho Brahé zijn besten
tijd gehad. Hier heeft hij op den 11den November 1573 een nieuwe
ster ontdekt in het sterrenbeeld Cassiopea. Deze ster verscheen
waarschijnlijk den 5den November voor het eerst aan den hemel. Ze bleef
zestien maanden zichtbaar, nam merkbaar toe in glans, in die mate,
dat zij Jupiter dreigde te overschitteren en eerlang bij daglicht
te zien zou zijn, maar langzamerhand taande deze buitengewone glans,
en in Maart 1574 was zij niet meer zichtbaar.
Tycho Brahé ergerde zijne betrekkingen op nieuw door zich in 1573
in het huwelijk te verbinden met een boerendochter; maar de Koning,
Frederik II, stoorde zich daar niet aan en beschermde hem, ja, gaf hem
levenslang de vrije beschikking over het eiland Huen bij Kopenhagen.
Het eiland Huen in de Sond is bijna rond van gedaante, heeft een omtrek
van omstreeks negen kilometers en rijst aan alle kanten langzamerhand
van de kust naar het binnenland omhoog, waar zich een ruim en effen
bergvlak vormt. De Koning liet hier een groote sterrewacht bouwen,
voorzien van alles wat de sterrekundige waarneming bevorderen kon en
tevens van de noodige vertrekken voor Tycho en zijn gezin en zijne
bedienden. Rondom het gebouw was een groote vierkante ruimte, door
hooge en stevige muren afgesloten, wier hoeken naar de vier windstreken
gekeerd waren. Er waren torens en platten, en alles wat er noodig was,
en dit schoone paleis der wetenschap droeg den naam van Uraniaburg.
Behalve een bibliotheek en een museum bevond er zich ook een
onderaardsch gewelf met zestien stookplaatsen, waar Tycho de alchemie
beoefende, hopende dat hij daar omlaag in zijn retorten een schat van
goud zou vinden, die hij weder aan zijne studiën daar boven op de
sterrewacht besteden zou. Dit alles kostte den Koning een millioen
rijksdaalders, en men zegt dat Tycho Brahé een dergelijke som aan
zijne inrichting ten koste legde. Zooveel is zeker, dat hij zijne
bezittingen al te krachtig aansprak en de Koning hem een jaargeld
van 2000 rijksdaalders moest toeleggen, terwijl hij hem voorts eenige
landerijen in Noorwegen en een canonicaat bij de kerk van Rothschild
schonk--wat waarlijk niet gering was.
De glans, die van het paleis van Huen straalde met zijn gebouwen en
nevengebouwen, zijn weergalooze verzameling sterrekundige instrumenten
en zijn vermaarden geleerde, trok een menigte van leerlingen naar
Denemarken heen. Sommigen van deze studeerden voor rekening van den
Koning, anderen werden door steden en scholen gezonden, weder anderen
werden door Tycho zelven onderhouden. Telkens kwamen er bovendien
voorname of geleerde gasten op Huen.
Rustig zou Tycho Brahé zijn leven op dit eiland vol bekoring gesleten
en geëindigd hebben, wanneer Frederik II lang genoeg was blijven
leven, om hem te beschermen. Maar de Koning stierf, en het hof,
dat tot dusver een schijn van belangstelling getoond had in Huen's
paleis en in de sterrekunde; maar in het geheim den sterrekundige
met nijdige oogen aanzag, begon zich tegen de inrichting en haren
geleerde te keeren. Eerst duldde men hem, maar straks werd er in zijn
nadeel gewerkt, en eindelijk bracht men het met kuipen en verdacht
maken zóóver, dat Tycho Brahé plotseling zijn jaargeld door koning
Christiaan zag intrekken. Daarna werd hij met zijn vrouw en negen
kinderen van het eiland gejaagd, zoodat hij niet meer werken kon. In
1597 ging hij naar Kopenhagen. Toen besloot hij zijn land te verlaten,
waar hij, bij al de vernederingen, van de zijde van zijn hoofdvijand
Walchendorp ook nog persoonlijke beleediging en gewelddadige aanranding
te verduren had. Zoo verliet hij Denemarken, er zijn roem maar ook
zijne vijanden achterlatende.
Gelukkig telde hij onder de edelen en vorsten van Europa vrienden en
beschermers, zooals de graaf van Rantsau, die hem op zijn kasteel
Wandeburg, bij Hamburg, gastvrij ontving, en hem met zijn gansche
gezin herbergde. Hier schreef hij in 1597 zijn werk Astronomiae
instauratae mechanica (de werktuigkunde van de nieuwe sterrekunde),
waarin hij, met behulp van de noodige platen, zijne sterrekundige
werktuigen beschreef en hun gebruik aanwees. Ook schreef hij hier
zijne werken over de chemie. Een proefstuk van dit werk werd met
een lijst van 1000 sterren aan keizer Rudolf II toegezonden, die een
groot liefhebber was van alchemie en sterrekunde. In dezen vorst vond
hij eenigszins zijn Frederik van Denemarken weder. Rudolf riep Tycho
Brahé naar Praag en ontving er hem met de meeste warmte. Spoedig was
hij hier met zijn gezin en zijne instrumenten bij zich. Hij genoot
een jaargeld van 3000 kronen en kreeg het kasteel Renach om er zich
te vestigen. Hier vond hem Kepler, toen negen-en-twintig jaren oud,
en hier werkten de beide groote sterrekundigen met elkander. Maar
het duurde niet lang. Zijn gestel was geschokt; de miskenning en
den haat, in zijn vaderland ondervonden, trok hij zich sterk aan,
en hij stierf den 24sten October van het jaar 1600, in den ouderdom
van vier-en-vijftig jaren.
Geen beter praktisch hemelbeschouwer dan Tycho Brahé. Zijne werktuigen
zijn even schoon als talrijk. Zijn vernuft, om oude werktuigen te
verbeteren en nieuwe uit te denken, was onuitputtelijk. En niet alleen
was hij in het bespieden van den sterrenhemel uiterst bekwaam, maar
zijne waarnemingen hebben ook hare waarde behouden tot op dezen dag.
Intusschen staat Tycho Brahé met velen in de rij van groote
sterrekundigen; een man als Newton daarentegen treedt uit de rij te
voorschijn als een verheven, onvergetelijk eenling. Lagrange heeft van
Newton gezegd, dat hij de hoogste openbaring was van het menschelijk
genie, en Voltaire getuigt van hem: zijn grootheid is boven allen
lof verheven en mag hem door niemand benijd worden.
Met hoe groot een geest ook begiftigd, hoe volmaakt ook, waar het zijn
wetenschap en zijn ontdekkingen gold, was Newton in alledaagsche zaken
niet grooter, dan gewone stervelingen. Hij was onrustig, bij uitstek
prikkelbaar. Heeft hij soms geleden, hij had het zichzelven te wijten.
Isaäc Newton kwam den 28sten December 1642 in een nederige boerenwoning
te Woolstop, in Lincolnshire, ter wereld. Hij was zóó zwak, dat men hem
maar weinig dagen levens toedacht. Hij werd echter een stoere knaap,
leerde op de dorpsschool lezen en schrijven en werd bij een apotheker
in de kost gedaan, om de colleges te Grantham te kunnen volgen. Na een
paar jaar studeerens werd hij door zijn moeder teruggeroepen; maar hij
toonde zich weinig ingenomen met het boerenbedrijf. Hij peinsde over
allerlei zaken en las oude boeken. »Hij zal een geleerde worden,"
zeiden zijne ouders. Zij namen dus het besluit hem te Cambridge te
laten studeeren en zoo ging hij naar Grantham terug, opdat hij zich
aldaar voor de academie zou voorbereiden. De jonge Isaäc Newton had
inderdaad neigingen, die zonderling mochten heeten, wanneer men zijn
leeftijd in aanmerking nam. Inzonderheid stond ieder versteld over
zijn zin voor werktuigkunde. Nu eens vervaardigde hij een molen, dan
een wateruurwerk, dan weder vliegers van nooit aanschouwde afmetingen,
of hij teekende een zonnewijzer op den muur der ouderlijke woning.
Op negentienjarigen leeftijd werd Newton student te Cambridge. Hij gaf
zich met hart en ziel aan de studie der mathematische vakken over,
en reeds bij den aanvang van zijn loopbaan verraste hij de wereld
met een drietal ontdekkingen omtrent de ontbinding van het licht en
de algemeene aantrekkingskracht in het heelal. Hij onderscheidde
zich door een zeer eigenaardig karakter. Met een meer dan gewone
zedigheid bedeeld, schuwde hij alle openbaarheid. Gaarne ging hij
stil zijn weg--en dit is levenslang een karaktertrek van Newton
gebleven. Hij was vijf-en-twintig jaren oud, toen een der grootste
overwinningen op het gebied der natuurkunde door hem behaald werd. Hij
deed een zonnestraal door een prisma gaan, en merkte op, dat die
straal samengesteld was uit een zevental verschillende stralen, met
ongelijke straalbreking. Deze ontledende of analytische proeve door
een samenstellende, synthetische, vervangende wist hij vervolgens,
door een nieuwe straalbreking, de zeven stralen weer tot één te brengen
en zoo het witte licht te herstellen. Deze ontdekking gaf een gansch
andere richting aan de dioptrica en zou later de grondslag worden van
de spectraal-analyse, die ons in staat stelt het gehalte der sterren
te herkennen aan het licht, dat zij afwerpen.
Na eenige jaren in Cambridge te hebben doorgebracht, kwam Newton in
zijn klein en onaanzienlijk Woolstrop terug. Hier was het dat hij,
in zijn tuin gezeten, een appel vóór zich op den grond zag vallen. Dit
gansch gewone geval, waargenomen door zijn oog, opgenomen in zijn ziel,
werd de aanleiding tot een nieuwe ontdekking. Hij vraagde zich af
welke toch de oorzaak zijn mocht dier geheimzinnige kracht, door welke
ieder voorwerp naar de aarde wordt getrokken. Had die kracht, wat ze
wezen mocht, grenzen? Zij werkt nog op de hoogste bergen, zou zij ook
op een tien-, honderd-, duizendmaal grooter afstand werken? Strekt
zij zich uit tot de maan? Een gewoon denker zou die vraag misschien
ontkennend beantwoord hebben. Immers ware het zoo, dan moest ook onze
wachter op de aarde vallen. Newton dacht er juist anders over. Is 't
niet door onze dagelijksche ervaring bekend genoeg, dat een voorwerp,
hetwelk in horizontale richting door de lucht geworpen wordt, des
te verder nedervalt, naarmate het van grooter hoogte en met grooter
snelheid weggeworpen wordt? Plaats u in gedachten op een toren van
90.000 mijlen hoogte, dit is de afstand van de aarde naar de maan,
en werp nu dit hemellichaam met de snelheid van een kwartmijl per
seconde--dat is ongeveer de snelheid van de maan--in de ruimte, dan
is het duidelijk dat het veel verder zal nederkomen, dan de straal
der aarde reikt, die toch niet meer dan 15000 mijlen bedraagt. Daar
de maan bij die beweging niets verliest van haar snelheid, gaat ze,
om zoo te zeggen, in horizontale richting voort, en dezelfde kracht,
die een steen of appel op de aarde doet nedervallen, houdt daarentegen
de maan op een eerbiedigen afstand, zonder dat ze op onze aarde valt,
wier afmetingen daartoe te gering zijn. Deze en dergelijke overwegingen
maken slechts het allereerste begin uit van het betoog. De waarheid
was gevonden; doch haar nog niet tot onbedriegelijke zekerheid kunnende
brengen achtte hij het zijns onwaardig over dit onderwerp iets in het
licht te zenden. Hij zag in hetgeen hij gevonden had de grondslagen
voor een groot en schoon gebouw, en heeft twintig jaren gearbeid voor
hij de vlag op het dak zette.
In 1669 werd Newton tot hoogleeraar te Cambridge benoemd, en in
1672 tot lid van de Koninklijke Maatschappij te Londen. Hij zond
den president der Maatschappij een door hem uitgedachte en door
hem vervaardigde teleskoop, die de algemeene bewondering gaande
maakte. Zijn leer omtrent het licht bracht de gemoederen in heftige
beweging en wekte bij Robert Hooke zulk een tegenspraak, dat de groote
natuuronderzoeker, verbitterd en ontmoedigd, er een oogenblik aan
dacht de studie vaarwel te zeggen.
In 1684 en 1685 bracht Newton zijn werk over de »Grondbeginselen" ten
einde. Hij ontvouwde daarin de groote wet van de aantrekkingskracht
in het heelal. Niet ten onrechte wordt Newton de vertrouweling der
natuur genoemd. Hoe wist hij uit deze kracht, die als een vaste
en geheime band al de bestanddeelen des heelals samenhoudt, al de
groote verschijnselen te verklaren van het wereldstelsel. Trouw aan
zijn genomen besluit, wilde hij niets openbaar maken. Maar Halley
en anderen drongen zóó bij hem aan, dat hij week. Het werk, in 1687
uitgegeven, wekte bewondering en tegenspraak beiden. Leibnitz en
Huijgens verwierpen Newton's theorie, de eerste zelfs met een groote
mate van verbittering tegen de nieuwere denkbeelden.
Newton zocht zijn troost in nieuwe studie en nieuwe ontdekkingen;
maar de strijd had hem zóó aangegrepen, dat hij eenige jaren later in
zijn briefwisseling een weemoed en ziekelijke onrust verried, die tot
een soort van waanzin klom. Gedurende eenige jaren, omstreeks 1692,
liep dit groot genie gevaar krankzinnig te worden. Gelukkig ging dit
gevaar voorbij; maar al herstelden zich zijn geestvermogens volkomen,
hij deed geene ontdekkingen meer en gaf alleen zulke werken uit,
als reeds lang door hem waren gereed gemaakt.
Hij had een gelukkigen ouderdom. Door zijne tijdgenooten is hij niet
minder vereerd geworden dan door het nageslacht.
Isaäc Newton werd acht-en-tachtig jaar, en al was hij niet in den
eigenlijken zin een slachtoffer der wetenschap, aan hem blijkt het toch
ook weder dat men niet straffeloos een genie is. Zijne vrienden van
Woolstrop hadden het bij hun haardvuur en op hun akkers gemakkelijker
en rustiger. De wetenschap is een gevaarlijke vriendin.