Christophorus Columbus schreef op het einde zijner dagen aan den
Koning van Castilië; »Van mijn jeugd af voer ik ter zee en ik ben
er mee voortgegaan tot heden. Dezen weg moeten zij kiezen, die de
geheimen dezer wereld willen leeren kennen."
De groot Genuees had gelijk. De geheimen dezer wereld, de waarheden der
wetenschap hebben hun oorsprong in de kennis der natuur. Zoo moeten
wij dan in onze herinnering allereerst aan die mannen een eereplaats
geven, die hun leven hebben gewijd aan het veroveren van den aardbol.
En geen treffender voorbeeld kunnen wij daarvan kiezen dan het
voorbeeld van den heldhaftigen man, die ten koste van een hardnekkigen
strijd tegen de ongenade van het lot en de vooroordeelen der menschen
een gansch halfrond aan onze planeet als toevoegde.
Christophoro Colombo werd geboren te Genua omstreeks 1436. Hij was
de zoon van een wollenkaarder en had twee broeders, Bartholomeus
en Jacob. Na te Genua een degelijke opvoeding ontvangen te hebben,
begon hij op zijn veertiende jaar zich als zeeman te bekwamen. Hij
deed een tocht naar Tunis en in 1477 een reis naar IJsland. Hij had
zich toen reeds te Lissabon gevestigd en trad daar in het huwelijk
met Felipa Monis de Palestrello, de dochter van een zeevaarder. Geen
plek ter wereld kon hem zoo bekoren als deze, want sedert een eeuw
verbaasde Portugal de wereld met zijne ontdekkingstochten. Reeds
rijpten stoute plannen in zijn brein. Hij bestudeerde nauwkeurig al
de nieuwe wegen die de zeevaarders voor het verkeer geopend hadden en
vatte weldra het grootsche voornemen op dier onderneming, die zijn
naam de onsterfelijkheid zou geven. Zijn doel was geenszins, zooals
men soms heeft gemeend, een nieuwe wereld te vinden; maar wel om,
dwars over den Atlantischen Oceaan Indië op te sporen en westwaarts
opzeilende het Oosten te ontmoeten.
Dit plan dat geenszins nieuw was, vervulde destijds vele gemoederen. De
wijze Toscanelli en anderen hadden er al over gedacht, maar Columbus
wijdde er zich geheel aan en maakte er zijn onherroepelijk levensdoel
van.
Columbus was arm en zijn werk onmetelijk. Allereerst wendt hij zich
tot zijn vaderstad, maar de stad Genua staat hem de middelen niet
toe, die hij van noode heeft, wil hij zijn plan verwezenlijken. Hij
draagt zijn plan vervolgens voor aan den koning van Portugal Joan
II, die het deed onderzoeken door een commissie van twee beroemde
aardrijkskundigen. Deze lieden hielden het denkbeeld van den zeevaarder
voor een hersenschim en hemzelven voor een zonderling. De koning echter
kon dit oordeel niet billijken en gaf zich een tijd lang over aan
den invloed van een man van vooruitgang en kennis, Pierre de Noronha,
die te recht begrepen had dat men, om de rijkdommen van Portugal te
vermeerderen, zeeën moest oversteken en nieuwe wegen zoeken en nieuwe
volken hechten aan de kroon.
Maar Joan II, weifelend van aard en zwak van wil, koos weldra de
partij van Columbus' vijanden en wees niet alleen het aanbod af van
den kundigen man, die voor Portugal een nieuwen zeeweg zou zoeken,
maar pleegde jegens hem het zwartste verraad. De trouwelooze vorst
knoopte onderhandelingen met Columbus aan, vroeg zijne kaarten te zien,
liet hem zijn plan ontvouwen in tegenwoordigheid van zijne raadslieden,
en toen hij al zijne geheimen bezat, ontzag hij zich niet een kleine
vloot uit te rusten, die in de door Columbus aangewezen richting den
Atlantischen Oceaan opvaren en den argeloozen zeevaarder berooven
zou van de vrucht zijner overpeinzingen.
Nauwelijks was de kleine vloot vier dagen ver den Oceaan ingevaren
of de zeelieden, door storm beloopen, werden door schrik overmand en
keerden met schade en schande in de haven terug.
Toen besloot Christophorus Columbus een land te verlaten, waar hij
niets dan de bitterste teleurstellingen ondervond. Ten tweeden male
begaf hij zich naar Genua. Hij hernieuwde er zijne voorstellen,
maar vond even weinig gehoor als vroeger. Hij liet zich echter door
niets ter wereld ontmoedigen. Nog eens klopte hij aan bij de grooten,
de hand ophoudende--maar ook het hoofd, als iemand die in 't belang
der menschheid de ontdekking eener nieuwe wereld komt afbedelen.
Hij verkeerde nu in den uitersten nood; de groote sollicitant had
slechts lompen om zich te kleeden. Daarbij verloor hij zijn gade en
moest zelf zijn jongen, een knaap van elf jaren, verzorgen. Eens zwierf
hij, in beklagenswaardige omstandigheden, door de omstreken van Palos
de Mogues, een stad in Andalousië en kwam bij toeval voor de poort van
een Franciscaner klooster. Hij klopt aan en vraagt een weinig brood en
water. De prior Juan Perez de Marchena noodt den vreemdeling bij zich,
ondervraagt hem, wordt getroffen door de waardigheid van zijn houding
en is een en al verbazing, wanneer Columbus hem zijn geschiedenis
verhaalt, zijn plannen ontvouwt en zijn verwachtingen mededeelt.
De gastvrijheid van den prior ging over in een warme vriendschap en,
dank zij dezen machtigen beschermer, kreeg hij toegang tot het hof
van Spanje en gehoor bij Ferdinand en Isabella.
Columbus begeeft zich nu naar Cordova, waar de koning verblijf houdt
en met kracht de vijandelijkheden voorzet tegen de Mooren. Na maanden
lang gewacht te hebben, werd hij eindelijk toegelaten. Bescheiden,
maar vrijmoedig vertoont hij zich, wetende dat hij een gunstelings
des Hemels is, uitverkoren om diens groote doeleinden te
verwezenlijken. Ferdinand echter ziet in de plannen van Columbus een
middel om ter zee met Portugal te wedijveren en neemt het besluit,
bevoegde beoordeelaars over deze plannen te raadplegen.
De door den koning in Salamanca samengeroepen raad bestond uit
geleerde monniken en grootwaardigheidsbekleeders der Kerk, mannen,
niet weinig vooringenomen tegen iemand, die zich verstoutte iets te
weten of hun eenige inlichtingen te geven. Deze lieden verwaardigden
zich den armen gelukzoeker een willig oor te leenen.
Columbus had ten overstaan van deze heeren niet op wetenschappelijke
vragen maar op bijbelteksten te antwoorden en op tegenwerpingen
als deze: dat de leer der tegenvoeters onvereenigbaar is met het
geloof. Waren er aan gene zijde van den Oceaan bewoonde landen, dan,
zoo beweerde men, kon men niet langer aannemen dat alle menschen
van Adam afstamden; immers hoe zouden diens nakomelingen in zoo oude
tijden de zee zijn overgestoken. Men gaf hem te kennen dat, volgens het
N. Testament, de aarde plat was en den vorm had van een grooten schijf;
men zeide verder dat de aarde, ware zij bolvormig, onbewoonbaar zou
zijn beneden de keerkringen, wegens de overmaat van warmte, die daar
heerschen zou. Zoo zag Columbus zich opnieuw aan de ellende ten prooi
en bovendien zag hij zich behandeld als een gek en een verdoemde.
Zich niet latende ontmoedigen, schreef de toekomstige wereldontdekker
aan den koning van Engeland; vervolgens in Mei 1489 zocht hij
Ferdinand en Isabella weder op, die van hun tocht tegen Malaga naar
Cordova teruggekeerd waren. Er was sprake van dat de samenkomsten
betreffende Columbus' plannen zouden hervat worden; maar jaren lang
bleef de beslissing uit, totdat eindelijk, in den winter van 1491,
de raad van Salamanca een verslag uitbracht, hetwelk het ontwerp van
den zeevaarder voor ijdel en onuitvoerbaar verklaarde, terwijl het
verder heette: een groot vorst paste het niet op zulke zwakke gronden,
als bij deze gelegenheid te berde waren gebracht, zich in zoodanige
groote ondernemingen te steken.
Wij zullen de verdere stappen van den onvermoeiden man niet volgen;
wij willen niet verhalen hoe hij zich ook tot den Franschen koning
Karel VIII wilde wenden; liever spoeden wij het oogenblik te gemoet,
waarop zijne volharding en zijn ijver ten laatste bekroond werden. In
Februari 1492 kreeg Columbus op nieuw gehoor bij koningin Isabella
en wel door tusschenkomst van Louis de Saint-Angel, ontvanger der
kerkelijke inkomsten van Arragon, tevens een van des zeevaarders
warmste aanhangers. Eenige vrienden, die medegekomen waren, bepleitten
zijn zaak met zooveel aandrang dat de koningin zich liet overhalen
en beloofde zich persoonlijk met de uitvoering te zullen belasten.
Zoo dan mocht Columbus eindelijk, na twintig jaren van volhardenden
strijd, in zee steken met den titel van admiraal en met de belofte
van onderkoning of gouverneur te zullen zijn van al de landen, die
hij ontdekken mocht. Drie schepen werden uitgerust, met wakker volk
aan boord. 't Waren zonderling gebouwde schepen, met hooge voor-
en achtersteven, gelijk wij ze dikwijls op oude platen hebben
gezien. Men ijst bij de gedachte dat met zulke schepen en zulke
eenvoudige hulpmiddelen zulk een gewaagde tocht over gansch onbekende
zeeën ondernomen werd; maar men voelt dan ook des te meer bewondering
voor den man, die op vijftigjarigen leeftijd--een leeftijd, waarop
zoo menigeen zijn loopbaan heeft volbracht--de zijne eerst begint
en door de ontdekking van een tweede halfrond een nieuw tijdperk zal
openen voor de geschiedenis der menschheid.
Columbus verliet den 3den Augustus 1492 de haven van Palos, en na zoo
lang gestreden te hebben tegen de onkunde der menschen had hij nu te
strijden tegen de bijgeloovige vrees der schepelingen, de angsten die
de groote Oceaan hun veroorzaakte; en daarbij had hij al de zorgen
en moeiten en onzekerheden te torsen van een eerste proefreis.
Den 12den October 1492, na zeventig dagen varens, bespeurde hij voor
de eerste maal land, het kustland van Indië, zooals hij waande. Op een
eiland, dat hij San Salvador noemde, trad hij het eerst aan wal. De
inboorlingen ontvingen en begroetten hem met vreugdebetuigingen
en plechtig nam hij, namens den koning en de koningin van Spanje,
het land in bezit. Later ontdekte hij nog drie eilanden. Den 28sten
October landde hij op Cuba, een maand later op Hispaniola (Haïti). Hij
bouwde daar het fort Natividad, waar hij een bevelhebber met eenige
manschappen achterliet, en toen keerde hij naar Spanje terug.
Deze gedenkwaardige reis en deze gansche onderneming is zeker een der
grootste heldendaden, die de menschheid heeft verricht ter ontdekking
van nieuwe wegen en ter verovering van nieuwe wereldstreken.
De schok, dien deze ontdekking in de harten en op de verbeelding
teweegbracht, was verbijsterend. Men rekende er niet meer op
dat de drie schepen zouden terugkeeren. Met vele vreezen had men
de zeelieden zien vertrekken, die dezen gewaagden tocht hadden
ondernomen. De groote Oceaan, die door de Arabieren als de »donkere
zee" was aangeduid, had zich niet anders voorgedaan aan den geest,
dan als een grenzelooze afgrond. Nauwelijks had men dan ook vernomen
dat Columbus weergekeerd was en land gevonden had, of de geestdrift
steeg ten top. Toen de admiraal te Barcelona aankwam, waar de
koning en de koningin hem opwachtten, zag hij een talrijk en deftig
gezantschap naderen, hetwelk hem de stad binnenleidde. Zes Indianen,
die Columbus had meegenomen, openden den optocht. Daarna volgde een
verzameling levende papegaaien en nog onbekende opgezette dieren van
allerlei soort, planten, aan welke men geheime krachten toekende,
en gouden kronen, die een denkbeeld moesten geven van den rijkdom der
nieuw gevonden wereldstreken. Columbus zelf zat te paard en een soort
van eerewacht omstuwde hem. De straten waren opgepropt van menschen,
op de balcons en voor de vensters zaten en stonden tal van dames, en
de daken zelfs waren bezet. Men voerde den held in een groote zaal,
waar hij den koning en de koningin omringd vond van een schitterend
gevolg. Toen hij binnentrad stonden Ferdinand en Isabella op. Columbus
boog de knie, kuste de vorstelijke handen en deed hun het verhaal van
zijn reis. De eerbied en de bewondering, die men voor den edelen man
gevoelde, vermochten nauwelijks de aandoening te beteugelen, die het
verhaal bij allen opwekte. Toen hij echter zijn verhaal geëindigd had,
knielde de gansche vergadering neder en vereenigde zich aller stem
tot een plechtig Te Deum.
Ook de soberste zielen werden dronken van de zonderlingste en meest
overdreven droomen en verwachtingen. Ieder had den mond vol van het
ontdekte goudland, ieder droomde van een nieuw paradijs, een wonder-
en tooverland. En Columbus zelf hield het er voor dat de schatten
dier streken inderdaad onuitputtelijk waren.
Hij stond nu op het toppunt van glorie en voorspoed, doch het genot,
dat hij nu ondervond was ook zoo goed als het eenige loon, dat hem
zijn leven lang ten deel viel.
Den 25sten September 1493 ondernam hij zijne tweede reis. Hij was nu
commandant van zeventien schepen. Een groot aantal edelen maakten
de reis mee, en in het geheel bedroeg de bemanning der vloot 1200
koppen. Nu werden Guadeloupe en Jamaica ontdekt en St. Dominique en
Cuba doorreisd.
Columbus kwam in 1496 in Spanje terug. Hij bracht 225 passagiers en
30 Indianen met zich te huis. Maar deze thuiskomst verschilde veel van
de vorige. De Spanjaarden, die met hem wederkeerden, waren ontmoedigd,
ter neergeslagen en verbitterd tegen hem. Heengegaan met de onzinnigste
verwachtingen en weergekeerd in ziekelijken en ellendigen toestand,
hielden zij niet op de bitterste klachten te uiten tegen den man,
die hen op zulke groote rijkdommen had doen hopen. Waar was dat
tooverland, dat paradijs, dat beloofde land? In plaats van voorspoed
hadden de landontdekkers slechts beproevingen gevonden. Zij hadden van
niets te gewagen, dan van strijd tegen de inlanders, van moeite en
ontbering. Te vergeefs was het dat Columbus de geestdrift trachtte
aan te wakkeren; er was nu eenmaal asch gestrooid op den gloed;
de bewondering was vervangen door smaad.
De Spaansche koning en de koningin begroetten den admiraal met
belangstelling, maar tegelijk met zekere koelheid, en toen hij
het voorstel deed een derden tocht te ondernemen, werd hij maar al
te duidelijk gewaar dat de geheime tegenwerking en de laaghartige
ijverzucht zijner vijanden al vruchten begonnen te dragen.
Den 30sten Mei 1498 vertrok hij weder met zes schepen. Nog eens hadden
zijn onvergelijkelijke wilskracht en zijn kloeke en onbedwingbare geest
het pleit gewonnen. Hij ontdekte nu Trinidad, betrad het vasteland
van Amerika, en vond de golf van Para, de eilanden Conception en
Assumption. Maar hij had te strijden met opstand onder degenen, die
hij te Sint Dominique had achtergelaten, en onder velerlei moeite en
tegenwerking, die hij van de zijde zijner landgenooten ondervond,
deed hij vijf schepen naar Spanje vertrekken, en met deze verzond
hij brieven aan den koning, in welke hij zijne klachten en grieven
blootlegde.
Tengevolge van de kuiperijen aan het hof vaardigde Ferdinand naar
St. Dominique geen overheidspersoon en rechter af, zooals Columbus
verzocht had, maar een beul, don Francisco de Bobadilla, voorzien van
brieven van volmacht, waarin hij tot gouverneur der ontdekte gewesten
aangesteld en met een onbeperkt gezag bekleed werd. Te St. Dominique
aangekomen trad Bobadilla er als heer en meester op, vestigde zich
in het huis van den admiraal en gaf hem een afschrift van de brieven,
waarbij hem (Bobadilla) het oppergezag werd verleend. Vervolgens deed
hij den admiraal, zonder hem te hooren, in een vesting opsluiten,
te gelijk met zijne broeders, die in de nieuwe wereld waren
achtergebleven. Aan zekeren Alonzo de Villejo werd de taak opgedragen
hem naar Spanje over te brengen. Columbus onderwierp zich, zonder
een klacht te slaken; zoowel hij zelf als zijne broeders werden als
misdadigers, met ketenen beladen, naar een schip gevoerd, dat spoedig
zee koos. Villejo, die medelijden had met zijn gevangene, wilde zijne
ketenen los maken, maar de admiraal verzette zich hiertegen. »Ik wil
ze dragen," zeide hij, »als een bewijs van het loon, waarmee men
de diensten betaalt, die ik het land bewezen heb." »Deze boeien,"
zoo verhaalt ons Fernando Colombo, »heb ik steeds in mijns vaders
kamer zien hangen en hij beval ons dat wij ze bij hem zouden leggen,
als hij begraven werd."
Toen de zeereiziger in Spanje aanlandde, gebood de Koning, die zich
waarschijnlijk schaamde over Bobadilla's gedrag, dat de gevangenen
vrijgelaten zouden worden.
Columbus was nu diep ter neer geslagen. De wereld walgde hem. »De
wereld heeft mij meer dan duizendmaal slag geleverd," schreef hij,
»en ik heb altijd weerstand weten te bieden, tot op dezen dag, nu ik
mij niet verdedigen kan, noch met de wapenen, noch met beleid. Met
welk een uitgezochte barbaarschheid hebben zij mij in de diepte doen
nederzinken!" Maar staande gehouden door dien godsdienstigen zin,
die het kenmerk uitmaakt zijner eeuw, vervuld van het denkbeeld om
later het Heilige Graf te bevrijden, vatte de onvermoeide man het
plan op tot een vierde reis, die nu werkelijk, zooals hij meende,
Spanje rijk zou maken.
Hij vertrok van Cadix op den 9den Maart 1502, vergezeld van zijn
broeder Bartholomeus. Op deze reis ontdekte de zes-en-zestig-jarige
het eiland Guanaga, zeilde de kusten van Honduras en Mosquito langs,
bereikte Porto Bello op de landengte van Panama, zette op Veraguas
voet aan wal en ontdekte de rijke goudmijnen dezer gewesten. Hij
trachtte verder een volksplanting te vestigen aan de rivier de Belen;
maar de meesten van die hij er achterliet werden door de inboorlingen
vermoord, en toen hij de overigen ter hulp snelde werden zijne schepen
door storm beloopen en zoo goed als uit elkander geslagen.
Zijn gestel, door ouderdom, moeite, zorg en lijden ondermijnd, was
tegen deze nieuwe beproevingen niet opgewassen. Wel slaagde hij er
in de ongelukkigen te bevrijden en streed hij nog een tijd lang tegen
geweldige stormen en gedurigen opstand van zijn volk; maar krankte en
uitputting wierpen hem neder. Dank zij de tegenwoordigheid van geest,
door zijn broeder betoond, ontsnapte hij het gevaar van door zijne
eigene schepelingen vermoord te worden. In dien treurigen toestand
viel hij te St. Dominique binnen, en den 7den November 1505 keerde
hij naar Spanje terug. Hij was negen-en-zestig jaren oud.
In Spanje aangekomen, vernam Columbus dat zijn »goed gesternte",
de koningin Isabella, overleden was. De koning wilde hem geen recht
verschaffen. Doch de dood was niet verre meer. Een wreedaardige krankte
sleepte hem onder het lijden van vele martelingen ten grave. Den
20den Mei van het jaar 1506 ontsliep hij met de woorden: »Vader,
in uwe handen beveel ik mijn geest."
Zoo stierf deze martelaar. Hebben zijn tijdgenooten het hunne gedaan
om zijn roem te verkleinen, de toejuiching van het nageslacht heeft
reeds lang het brommen van den haat en den nijd gesmoord. Het groet
met geestdrift den veroveraar, die den sluier heeft opgelicht,
waarachter, duizenden van jaren, een halve wereld in 't verborgen
sluimerde. Humboldt is de tolk van dien geestdrift, waar hij uitroept:
»Columbus heeft zich verdienstelijk gemaakt ten opzichte van de
gansche menschheid, wijl hij een oneindig aantal nieuwe dingen aan
haar nasporing heeft onderworpen. Het menschelijk denken heeft zich
door zijn ontdekking uitgebreid. Aan den aanvang van een nieuwen
tijdkring, op de grens waar de oude wereld en de nieuwe elkander
ontmoeten, staat deze edele en kloeke geest, de eeuw beheerschend,
die hem den stoot gaf en die op haar beurt van hem het leven kreeg."
Nu er dan alzoo een begin gemaakt was, ging men ijverig voort den
boeg naar de nieuwe wereld heen te wenden, maar nog steeds kostte die
voortgaande beweging moeite en verdriet. Welk loon ontving Fernando
Cortez voor de uitstekende diensten, die hij bewees? Hetzelfde loon,
dat Columbus gewonnen had. De veroveraar van Mexico werd blootgesteld
aan al de pijnigingen van een ellendig rechtsgeding. Aan het einde van
zijn roemrijke loopbaan, leidt hij aan het hof van Karel den Vijfde
een droevig bestaan. Voltaire vertelt dat hij geen gehoor bij den
keizer kunnende krijgen en hem toch willende spreken, met geweld door
de menigte drong, die het keizerlijke rijtuig omringde. Op de vraag
van Karel wie dit mocht zijn, zou hij geantwoord hebben: »Ik ben de
man, die u meer koninkrijken heeft geschonken, dan uw voorouders u
steden hebben nagelaten."
Nadat Amerika ontdekt was, maakte de Portugees Fernam Magalhaens
voor het eerst de reis om de wereld. Ook hij had hierbij veel te
strijden, reeds vóór hij uitzeilde. Portugees van geboorte, en door
zijn vaderland miskend, had hij in Spanje troost gezocht. Hij vond dien
bij Karel V; maar de ambtenaren van het ministerie van koloniën waren
kwalijk gezind jegens hem. Den 22sten October 1518, toen hij bezig
was zijn vloot van het noodige te voorzien, werd het volk tegen hem
opgeruid, omdat hij het wapen van Castilië verwijderd en door dat van
Portugal vervangen zou hebben, terwijl hij alleen zijn eigen wapenbord
aan boord had gebracht. Het scheelde weinig of hij werd gedood.
Karel V gaf zijn ongenoegen te kennen over deze bejegening, en zorgde
dat de tocht spoedig kon aangevangen worden. Maar onder welke treurige
vooruitzichten begon deze eerste reis om de wereld! Magalhaens
moest, om aan den wensch van den koning te gemoet te komen, onder
zijne schepelingen een man opnemen, die bijna evenveel gezag had als
hijzelf. Dit was Juan de Carthagena, die den titel van »Inspecteur
Generaal" droeg en gezagvoerder was over het derde schip der vloot. Hij
was door een machtig geestelijke aanbevolen en haatte Magalhaens. Nog
een ander vijand moest hij aan boord van zijn eigen schip dulden,
en wel een landgenoot, Estevan Gomez. Zoo vond de groote zeereiziger
zich omringd, niet van trouwe vrienden en medearbeiders, op wie hij
rekenen kon, maar van naijverige mededingers, die een stillen wrok
tegen hem koesterden.
Nauwelijks was de vloot uitgezeild--dit geschiedde den 20sten September
1520--of Juan de Carthagena begon het gezag van den opperbevelhebber
te ondermijnen. Hij sprak Magalhaens op vrijpostige wijze, als zijn
gelijke, aan en werd van dag tot dag aanmatigender. Eens zelfs waagde
hij 't, in tegenwoordigheid van eenige matrozen, Magalhaens met
dreigende woorden aan te vallen. Toen begreep deze dat hij handelen
moest. Hij greep zijn tegenstander in de borst en sloeg hem in de
boeien, als den minsten matroos.
Men was toen nog op de kust van Guinea. Magalhaens stak den Oceaan
over, wendde den boeg naar Brazilië en kwam in December 1520 in de
baai van Rio de Janeiro. Vervolgens zeilde hij langs de Amerikaansche
kust voort, in de hoop van dien doortocht te vinden, dien hij in het
Zuiden verwachtte en die later voor altijd zijn naam zou dragen. Het
koude seizoen was in aantocht en Magalhaens wilde in de haven van
San Julian overwinteren; maar nu begon de bemanning te morren. Te
midden van de kale, sombere, koude gewesten, waarin zij zich bevonden,
werden velen moedeloos en gaven hun verlangen te kennen, om den boeg
naar Spanje te keeren. Magalhaens stond als een rots. Geen bidden,
geen dreigen vermochten hem aan het wankelen te brengen. Hij gaf te
kennen dat hij liever sterven wilde, dan met schande naar Seville
wederkeeren, en met zijn veerkracht en moed wist hij de weerbarstige
schepelingen te bedwingen.
Het openlijke gemor nam een einde; maar in stilte bleef de tegenwerking
woelen en weldra brak zij geweldig los, onder voorgang van een
paar officieren, Luiz de Mendoza en Gaspard de Quesada. Een bloedig
tooneel volgde. Magalhaens, aan zich zelven overgelaten, moest, zou
hij niet als slachtoffer vallen, de oproerigen vellen. Hij besloot
tot het laatste, en zond op Luiz de Mendoza een welvertrouwd man af,
Gonzalo Givet de Espinoza. Deze overhandigde den officier een brief,
waarin de opperbevelhebber hem voor zich daagde. Luiz de Mendoza
weigerde te verschijnen en spotte met dit bevel. Maar toen wierp
Espinoza zich op hem en stiet hem zijn dolk in den hals.
Magalhaens ging met zooveel kracht, bekwaamheid en stoutheid op den
ingeslagen weg voort, dat hij de oproerige bemanning der Victoria en
Trinidad spoedig tot gehoorzaamheid dwong. Gaspard werd onthoofd. De
lijken der samenzweerders werden, ten aanschouwen van al het volk,
aan wal gebracht, en daar las één der officieren hun vonnis.
Toen deze daad van hoog gezag volbracht was--eene daad, die, hoe
verdedigbaar ook, de nagedachtenis van den bevelhebber niet tot eere
strekt--werd San Julian verlaten. Na den opstand van menschen te hebben
doorstaan, had hij met dien der elementen te doen. Met veel moeite en
onder groote gevaren bereikte hij Vuurland en ontdekte de zeestraat,
die zijn naam draagt en den doortocht, waarvan hij gedroomd had. Den
27sten November 1520 zette hij koers naar het Noord-Oosten en dreef
in die groote wijde zee, die toen zoo kalm was, dat men hem de Stille
Zuidzee noemde. Hier ontdekte hij de Marianen en zette eindelijk
op het eiland Zebou voet aan wal, om er de schepen van leeftocht te
voorzien. De vorst van dit eiland ontving de vreemdelingen met alle
teekenen van toegenegenheid. Magalhaens zocht de inboorlingen tot het
Christendom te bekeeren en bouwde zelfs een kerk, maar hij beging
de groote fout van den vorst van Zebou aan te stellen tot hoofd en
leenheer van al de andere vorsten van het eiland. Deze wilden niets
weten van die europeesche aanmatigingen; één van hen, de koning van
Mactan, bracht een leger op de been van niet minder dan zesduizend man,
en verzette zich daarmee tegen de vreemde indringers.
Magelhaens moest nu krijg voeren. Met een handvol volks trok hij
tegen den koning van Mactan op; maar vond het gehucht, waar deze zijn
residentie had, verlaten en stak het in brand. Nu kwamen de Indianen
opzetten en begroetten de Spanjaarden met steenen en pijlen, en dat
wel met zooveel hevigheid en met zulk een overmacht, dat Magalhaens
den terugtocht aannam en de schepen opzocht. Juist zou hij zich met
de zijnen in de sloepen begeven, toen een steenworp hem het been
verbrijzelde en hem neervelde. Een Indiaan maakte met een speer een
eind aan zijn leven. (27 April 1521.)
Zoo stierf Magalhaens; maar zijn taak was volbracht. De groote vraag
hoe de reis te maken om de wereld was opgelost.
Hoe nader wij komen aan den nieuweren tijd, des te meer zien wij deze
ontdekkingen den stoot geven tot nieuwe onderzoekingstochten.
Eerst opent Amerika, van het noorden tot het zuiden, der wereld een
breede baan; straks doemt het groote vasteland van Australië op,
met de eilanden der Stille Zuidzee, en ook het geheimzinnig Afrika,
het groote vraagstuk van zoovele eeuwen, opent zijne poorten voor
de beschaafde wereld. Eindelijk zijn het slechts de twee polen,
die, ten zuiden en ten noorden door ondoordringbaar ijs versperd,
het menschelijk onderzoek tarten.
De Poolstreken, die als het ware de spil der aarde aan hare uiteinden
omgeven, maken thans een punt uit van volhardend onderzoek. Engeland,
Zweden en Nederland stoomen en zeilen er heen om land en zee te
onderzoeken. Met name is het de Noordpool die men meer en meer zoekt
te naderen. En heeft thans Nordenskjöld een weg gevonden noordwaarts
naar China. Eeuwen reeds geleden is deze met zelfverloochening en
moed gezocht.
De weg, die naar de Noordpool voert, is als omzoomd met de lijken
der helden, die gestorven zijn. Moge ook »Nederlands vlag Euroop
den doortocht" niet gewezen hebben »door het ijzig Noord naar het
zengend Oost," toch hebben de Nederlanders behoord tot de eerste
Noordpoolvaarders, gelijk wij thans gelukkig weder ook behooren
tot de laatste. Ook ons volk heeft er zijne helden bij verloren,
martelaren voor het vaderland en voor den vooruitgang. Balthazar
Moucheron van Middelburg vatte het plan op--een plan reeds door de
Engelschen geopperd maar opgegeven--om den noordelijken doortocht
te zoeken naar China en Indië. Zijn plan leidde tot het uitrusten
van een klein eskader onder Cornelis Cornelisz Nay van Enkhuizen en
Willem Barentz. Zij zouden beproeven benoorden Novaja Zemlya een open
vaarwater te vinden. De schepen scheidden zich van elkander en Barentz
verkende de westkust van het genoemde eiland tot aan Kaap Nassau. Hier
stiet hij op het ijs en keerde terug. Nay was voortgedrongen door de
zeestraat bezuiden Waigatsj, die hij »Straat Nassau" noemde, zeilde
de Kara-Zee in; en meenende dat hij het open vaarwater naar China
al gevonden had, keerde hij met blijde tijding naar het vaderland
terug, tegelijk met Barentz, dien hij op den terugweg ontmoette. Na
een mislukten tocht in 1595, werd in 1596 door de stad Amsterdam een
derde tocht uitgerust onder Jacob van Heemskerk, Willem Barentz en Jan
Cornelis Rijp. Op dezen tocht ontdekten onze zeevaarders Spitsbergen,
't welk zij voor Groenland hielden en zeilden westelijk op tot 79°
30'; maar al spoedig gingen de twee schepen elk zijn eigen weg. Rijp
wilde rechtstreeks naar het oosten doordringen, Barentz Novaja
Zemlya aandoen. Rijp keerde onverrichter zake naar het vaderland
terug. Barentz bereikte zijn doel en voer de Westkust van Novaja
Zemlya in noordelijke richting langs en de Noordkaap om. Toen hij
verder oostwaarts op wilde, werd hij door het drijfijs genoopt aan
de Oostkust van het eiland een bocht binnen te loopen, waar hij
overwinterde. Hier verduurden de reisgenooten de bitterste koude. 't
Was de eerste poolwinter die door Europeanen werd doorgebracht. Eén
der tochtgenooten, Gerrit de Veer, heeft al dit lijden beschreven,
en niemand zal zonder aandoening het eenvoudig en verheven naieve
verhaal dezer overwintering lezen. Zij bouwden zich een houten hut,
het zoogenaamde »Behouden Huijs", sleepten er in, wat hun dienstig kon
zijn, rookten er hun pijp, aten er hun smakeloos geworden proviand
of de met levensgevaar geschoten beren, maar verloren, onder al hun
kommer, hun goeden luim niet, al zaten zij ook acht maanden lang in
duisternis en al hoorden zij ook niets dan het doffe, sombere gehuil
van den storm. De ontbering klom dag aan dag. Eindelijk, den 14den
Juni, braken de reizigers in twee open booten, die zij zelven gebouwd
hadden, door het ijs, zeilden de open zee in en ontmoetten Rijp,
die in November met hen in het vaderland terugkwam.
Den 20sten Juni was Barentz overleden, het oog op de kaart en de
plannen van den terugtocht met zijne mannen besprekend. »Mij dunkt,
het zal met mij niet lang duren!" Zoo sprak eenige oogenblikken voor
zijn dood de moedige man, man niet van woorden, maar van daden,
eenvoudig in zijn plichtsbetrachting en in zijn sterven. 't Leek
dit kloeke geslacht volkomen natuurlijk, dat het tot in Juni schip
en lading in het ijs bleef bewaken en zijn leven er voor zette. Het
sterft niet als een held in melodrama, maar gaat stil daarheen in de
groote rust, held door moed, en nog eens held door zijn eenvoud.
Bij het vertrek uit het »Behouden Huijs" had Barentz een stuk
opgesteld, een klein cedelken, waarop echter meer stond dan in
menig boek. Het bevatte het korte verhaal van de lotgevallen der
reisgenooten. Men deed het in een kruithoorn en hing het op in den
schoorsteen, »op avontuer offer yemant na hen quame, dat dien weten
mocht, wat hun bejegent was en hoe 't hen gegaan hadde."
Barentz' Behouden Huijs bleef op het strand van de IJshaven niet
minder dan 278 jaren verlaten en onopgemerkt staan. Doch den 7den
September 1871 kwam er »yemand na hen",--het was de Noorsche kapitein
Carlsen. Hij vond de overblijfselen van het huis nog overeind staan,
de slaapplaatsen, de hollandsche klok, hellebaarden, musketten,
tafelgereedschap, alles, zooals de Veer het beschreven had. Met
eerbied trad de Noor de eenzame hut binnen, waarboven zooveel storm
was heengegaan, waarbinnen zulke moedige en trouwe harten geklopt
hadden. Carlsen nam eenige zaken mee, die door een Engelschman,
later door het Nederlandsche gouvernement, werden overgenomen. Vijf
jaren later kwam Charles Gardiner, een Engelschman, op Nova Zemlya en
bracht een tweede lading voorwerpen mee, die de edelmoedige vinder
aan ons land ten geschenke gaf. Thans prijken deze onwaardeerbare
overblijfselen in den Haag, in de modelkamers der koninklijke marine,
blijvende lijdens- en zegeteekenen van ons voorgeslacht, blijvende
vingerwijzingen voor het nageslacht.
In den aanvang van de zeventiende eeuw zeilde een engelsch zeevaarder,
Henry Hudson genaamd, met een klein vaartuig de Oostkust van Groenland
langs, en kreeg een deel van Spitsbergen, door hem Nieuw-Land genaamd,
in het gezicht. In Amerika ontdekte hij de rivier en de baai die thans
zijn naam dragen. Ontzettend was zijn levenseinde. Hij was nauwelijks
een nieuwe baai van Noord-Amerika ingevaren, of, ten gevolge van den
langen duur der reis, begonnen de levensmiddelen te ontbreken. Het
scheepsvolk kwam in opstand en de kapitein werd, met zijn zoon en een
paar matrozen, in een sloep aan de golven prijs gegeven. Men heeft
nimmer iets van de ongelukkigen vernomen, die laaghartig verzaakt en
verraden werden.
Wie kent den naam niet van John Franklin en ten minste niet eenigszins
zijn treurige geschiedenis? In 1800 bij de engelsche marine in dienst
getreden, woonde Franklin onder Nelson den zeeslag bij Koppenhagen
bij en nam deel aan een onderzoekingstocht in Australië, op welken
hij in 1803 bij een schipbreuk dreigde om te komen. Bij Trafalgar
streed hij met moed en beleid. In 1804 werd hij gewond bij het beleg
van Nieuw-Orleans, hetwelk door Jackson met heldenmoed verdedigd
werd. Sinds 1818 wijdde Franklin zich aan de Noordpoolvaart, en in
1819 deed hij, in gezelschap van Richardson, Hood, Back en Hepburn,
te voet en onder ongehoorde ellende, een verkenningstocht langs het
Noorderstrand van Amerika, en wel over een lengte van niet minder
dan 900 kilometers.
De moedige reizigers vorderden niet dan langzaam over de uitgestrekte
sneeuwwoestijnen, die hier en daar door diepe ravijnen doorsneden
werden. Zij waren zoo uitgeput, dat sommigen er het bewustzijn
bij verloren. Back werd met drie man vooruitgezonden, om de hulp
in te roepen van de bezetting van het fort »Enterprise", bij het
Slavenmeer. Ondertusschen toog ook Franklin, die zich hersteld
gevoelde, met de rest der tochtgenooten verder voort door de
sneeuw. Hij kon daags maar 5 of 6 mijlen vooruitkomen. Twee
mannen van Canada bezweken en men deelde onder elkander de
schoenzolen. Richardson, een engelsch matroos en een der
Iroqueezen, die deel namen aan den tocht, moesten in een tent
achterblijven. Franklin zette zijn wanhopigen tocht voort. Eindelijk
kreeg men het fort in het gezicht. Helaas! het was ontruimd geworden,
en er was niets te vinden. Zoo vervloog alle hoop, op het oogenblik
waarop de moedige onderzoekers zich gered waanden. Zij zagen elkander
aan en zonder te spreken barstten de helden in tranen uit. Met drie
man bleef Franklin in het fort en kookte soep van eenige beenderen,
die onder een hoop vuilnis waren achtergelaten. Twee dagen later
zag hij dokter Richardson met den matroos Hepburn naderen, die
onder weg vernomen hadden, dat de Iroquees Michel den heer Hood had
vermoord en die nu op hun beurt den Iroquees hadden gedood. Zoo
voegde zich ook nog de misdaad bij alles wat zij leden: honger,
kou, ellende en verlatenheid! Den 1sten November stierven nog
twee Canadeezen. Eindelijk, op den 7den November, terwijl Franklin
zich reeds trachtte te gewennen aan het denkbeeld, dat hij met het
overblijfsel zijner tochtgenooten van honger zou moeten sterven, zie,
daar kwamen Indianen aan, beladen met overvloed van levensmiddelen,
gezonden door den heer Back. Men moet in het verslag van Franklin's
reis het eenvoudig en hartverscheurend verhaal en dezen ganschen
tocht lezen, om den moed, de grootheid van ziel, de zelfverloochening
te bewonderen, bij dit alles toen ten toon gespreid--neen, in het
verborgen geofferd. En wil men weten wat deze mannen waagden, dan
moet men zich eenigszins een voorstelling kunnen maken van de kusten
van Noord-Amerika, zooals die toen ter tijde waren.
Een engelsche Maatschappij, ruilhandel willende drijven met de
Esquimo's, had zich in deze gewesten gevestigd, in ellendige houten
hutten, boven welke de engelsche vlag woei. De verschillende posten
van deze maatschappij bevonden zich hier en daar langs die onmetelijke
keten van meren, die zulk een eigenaardig karakter leenen aan dit
gedeelte van Noord-Amerika. Sneeuw, koude, al de ongenade van het
Noorden, heerschen hier in deze groote ijswoestenijen. Hier hadden
Franklin en de zijnen soms niets anders dan wat pemmican te eten,
een soort van geperst vleesch, dat zij, om den maag te vullen,
gebruikten met een soort van mos. Hoe is het mogelijk dat mannen,
die eens zulke martelingen hebben ondergaan, zich ten tweedemale
aan zulke gevaren wagen! Maar Franklin behoorde tot die menschen,
die zich door niets laten afschrikken.
In 1825 ondernam Franklin een tweeden en vruchtbaarder tocht. In
1845 waagt hij zich nog eens in de onbekende oorden en raakt
verdwaald of gevangen te midden van ijsbergen, die hem den weg
versperren. Althans hij is in 1845 voor altijd verdwenen. Men weet
met welk een toewijding, welk een bezorgdheid, welk een onvermoeide
volharding Lady Franklin, gesteund door haar land, achtereenvolgens een
gansche reeks van onderzoekingstochten heeft uitgerust ter nasporing
van haar man. Heldhaftige pogingen zijn in het werk gesteld om hem
te vinden, maar zij zijn te vergeefs geweest. Eerst in 1857 en 1859
heeft men op Koning Willems Land de lijken en andere overblijfselen
van de moedige mannen mogen vinden.
Franklin was een man van grooten moed, maar ook van groote
goedheid. Zijn vriend Parry zeide van hem: »'t Was een man die het
gevaar nimmer den rug toekeerde en daarbij zulk een week hart had,
dat hij geen mug zou dooden."
Op dergelijke wijze is de Franschman Jules de Blosseville verdwenen
en omgekomen. In 1833 scheepte hij zich in op la Lilloise, waarmee
hij als commandant de reis naar Groenland deed. Hij teekende de
kaarten van het zuidelijk gedeelte van dit land, waar hij bovendien
belangrijke waarnemingen deed ten opzichte van den magneet. Het laatste
wat men van hem vernomen heeft is, dat hij, door het ijs gedwongen,
ergens te Vapna Fjord was binnen gevallen. Men heeft noch van hem,
noch van zijne bemanning ooit iets vernomen of een spoor gevonden.
Van de Noordpoolstreken, met hun eeuwigdurend ijs en sneeuw,
met hun eeuwig grijs en wit, hun kou en hun klappertanden, naar
Afrika's tropische gewesten, met hun bonten dos en weelderigen
groei en stikkende hitte, is zeker een geduchte overgang. Maar de
menschelijke onderzoekingsgeest en moed vinden wij er op gelijke
wijze vertegenwoordigd.
Een der eersten, die Europa verlaten heeft om de streken van
Midden-Afrika te onderzoeken, is René Caillé geweest. Hij werd in 1799
te Maugé, in Frankrijk, geboren. Spoedig wees, werd hij door een oom
opgevoed en naar school gezonden. Op vijftienjarigen leeftijd viel
hem een exemplaar van Daniël de Foe's »Robinson Crusoe" in handen,
en dit boek wekte zijn verbeeldingskracht in zulk een mate op, dat de
zucht naar avonturen en reizen hem geen rust liet. Zijn levensroeping
was gevonden, zijn toekomst afgebakend. Hij had hooren zeggen en
gezien dat de kaarten van Afrika groote oningevulde vakken toonden,
waar landen lagen, die nog ontdekt moesten worden. Hij was 16 jaar,
hij had 60 francs op zak--en vertrok.
Te Rochefort lagen twee schepen gereed, de Loire en de Medusa,
beiden naar Senegal bestemd. Had hij zich op de Medusa ingescheept,
hij zou met zoovele anderen omgekomen zijn bij een der vreeselijkste
tooneelen, die de zee ooit heeft opgeleverd. De schipbreuk der Medusa
behoort tot die verschrikkingen, die niet licht uit het geheugen der
menschen zullen verdwijnen.
Op de Loire kwam Caillé goed en wel te Senegal. Hij trok naar Saint
Louis, bezocht Guadaloupe en nam als vrijwilliger deel aan den tocht
van Partarrieu door de gewesten van Gjolof, Foutah en Bondoe. Hierna
kwam Caillé naar Frankrijk terug, om zich te laten genezen van de
koorts. Maar nauwelijks was hij de schade, door zijn ondernemingszucht
aan zijn gezondheid toegebracht, te boven, of hij vertrok weder
naar Senegal en bood baron Roger zijne diensten aan. Roger was een
groot bevorderaar van ontdekkingsreizen. Niet zonder moeite kreeg
Caillé eenige koopwaren mede en met dezen begon hij te reizen onder
de Mooren van den stam Berâkerah. Al verder dwalende, van kamp tot
kamp, kwam hij na 8 maanden meer dan 200 kilometers ten noordwesten
van Polos. Nauwelijks was hij te Saint Louis terug of hij ondernam
een reis naar Tomboctoe.
René Caillé was geen man van aanzien en had evenmin aanbevelingsbrieven
in zijn zak. Zijn persoon boezemde het vertrouwen in, dat ieder
avonturier zou inboezemen. 't Was te vergeefs, dat hij om nieuwe
koopwaren vroeg. Men weigerde hem zelfs een paspoort naar de engelsche
nederzettingen van de Gambie. Van ontmoediging wist deze kloeke
volhouder niet. Hij vertrok te voet, bereikte Gorea Sierra Leone
en wendde zich tot den gezaghebber van Freetown. Na de vernedering
eener nieuwe weigering te hebben ondervonden, werd Caillé nu koopman
in indigo, nam het arabisch kostuum aan, gaf zich uit voor een jong
Egyptenaar van Alexandrië, en ondernam gansch alleen, zonder hulp,
zonder bescherming, zonder andere hulpmiddelen dan die van zijn eigen
geestkracht en wil, een tocht, waarvoor zoovele andere reizigers met
de beste aanbevelingen en hulpmiddelen waren teruggedeinsd.
René Caillé vertrok den 19den April 1827 van Kakouty en werd spoedig
vergeten. Maar omstreeks het midden van het volgende jaar werd de
geleerde wereld door een belangrijk feit in beweging gebracht. Een
Franschman, die te Toulon ontscheept was, was doorgedrongen in de nog
onbezochte en geheimzinnige streken van Midden Afrika. Hij kwam van
Tomboctoe. 't Was Caillé. Zijn aankomst was een ware gebeurtenis. Ieder
ondervroeg den reiziger, die geheel op zich zelf dit groote vraagstuk
der landontdekking had opgelost, en het Aardrijkskundig Genootschap
van Parijs kende hem den prijs toe, bestemd voor den reiziger, die
Tomboctoe zou hebben bezocht. Toen men vernam op welke wijze Caillé
er in geslaagd was zulke uitkomsten te verkrijgen, werden zijn moed
en volharding om het zeerst geroemd--wat zij verdienden. Na het land
van Inanke, Touta, Gjalo, Baleija en Amana te zijn doorgetrokken,
was hij den Niger overgestoken, wat nog niemand gedaan had, en zoo in
onbekende streken gekomen te midden van negerstammen, bij welke hij
vijf maanden verblijf hield. Hij leed de vreeselijkste smarten. Het
vreemde, ongezonde en karige voedsel, dat hij gebruikte, deed hem
scheurbuik en koorts krijgen; hij verloor een paar beenderen uit het
verhemelte, doch kwam alleen door zijn groote wilskracht en zijn
sterk gestel dit alles te boven. Den 9den Januari 1828 had Caillé
zijn gezondheid herkregen, en zocht nu langs een geheel nieuwen weg
den Niger op bij Gjeny. Na een maand lang duizend gevaren te hebben
doorgestaan, kwam hij te Tomboctoe aan. Maar om terug te keeren wilde
hij de woestijn door. Ondertusschen tot ellende, ja tot den bedelstaf
vervallen, schoot hem niets anders over dan zich bij een karavaan aan
te sluiten en een paar maanden lang ten doel te staan aan allerlei
smaad en kwade bejegening.
In Frankrijk teruggekomen, kreeg hij zijn verdiende loon. Hij werd
ridder van het legioen van eer; het verhaal zijner wonderbare reizen
werd op last van het gouvernement uitgegeven, en men bezorgde hem
een jaargeld en een ambt bij de administratie van het land van den
Senegal. Maar zijn rust en glorie duurden kort. De ziekte die hij in
Afrika had opgedaan, greep hem met dubbele woede aan en maakte hem
tot een martelaar te meer van den grooten arbeid der ontdekking. Hij
overleed op negen-en-dertigjarigen leeftijd, op den 17den Mei 1838.
Wij slaan een paar andere Franschen over, Mage en Quintin, die
omstreeks de jaren 1860-1869 zich verdienstelijk gemaakt hebben
door hunne onderzoekingen tusschen den Niger en den Senegal, van
welke de eerste bij zijn terugkomst schipbreuk leed en met al zijne
medeschepelingen in de golven omkwam. Wie verhaalt wat zij te lijden
hadden van het klimaat en van de inboorlingen, en welke offers zij
gebracht hebben aan hun zucht om het onbekende land te verkennen?
Maar grooter mannen wachten ons, mannen, die omdat zij beter geslaagd
zijn dan anderen, ook grooter plaats innemen. David Livingstone
behoort zeker onder deze gerekend te worden. Hij speelt de hoofdrol
op het tooneel der aardrijkskundige onderzoekingen en is tevens een
der edelste karakters onzer nieuwe beschaving, een voorbeeld van
toewijding zoowel waar het de wetenschap als waar het de menschheid
geldt. Livingstone werd den 19den Maart 1813 te Blantyre in Schotland
geboren. De beroemde reiziger heeft zelf zijn leven beschreven en
spreekt met trots van zijne voorvaderen, die de eer van het geslacht
nimmer verzaakten. »Wees eerlijk!" was hun devies en het was het
zijne. Maar hij was meer dan het devies van hem eischte: hij was
edelmoedig, hij was goedhartig en groot door de kracht van zijn
wil. Van zijn tiende jaar af moest David Livingstone met zijn arbeid
voorzien in de behoefte van het gezin, waartoe hij behoorde. Hij
deed het nederige werk van een arbeider in een katoenfabriek te
Blantyre. Des avonds wijdde hij zich aan zijne studiën. Overdag legde
hij zijne boeken geopend in zijn nabijheid, en bij het dreunen der
machines las hij wat hij er van lezen kon. »Hieraan", zegt hij, »dank
ik het vermogen om mij gansch en al te onttrekken aan al het leven,
dat men om mij heen maken mag, en rustig te zitten lezen of schrijven
te midden van spelende kinderen of wel van een troep dansende en
huilende wilden."
Hij was reeds negentien jaar en nog was hij maar wever op een
fabriek. Zijn loon, dat ondertusschen wat verhoogd was, stelde hem in
staat, 's avonds een zekeren cursus van geneeskunst en godsdienst bij
te wonen. Hij werd een door en door godsdienstig man, met een kloek,
mannelijk, gezond geloof. Zijn vaderland droeg hij een innige liefde
toe en niets kwam hem zoo benijdbaar voor als zich toe te wijden aan
de leniging van menschelijke ellende. Ondertusschen promoveerde hij,
na volhardende studie, in de genees- en heelkunde.
Livingstone had deze kennis opgedaan, met het doel haar dienstbaar
te maken aan het heil der Chineezen, onder wie hij als zendeling en
geneeskundige arbeiden wilde. Hij bood zijne diensten aan bij het
zendingsgenootschap te Londen, juist op denzelfden tijd waarop Moffat
in Engeland terugkwam, na lange jaren onder de Afrikanen te hebben
doorgebracht. Livingstone won goeden raad in bij dezen uitnemenden
zendeling, en ondernam op den leeftijd van zeven-en-twintig jaren
een zendingstocht naar Afrika.
Na een lange zeereis gemaakt te hebben, landde hij aan de Kaap, waar
hij eenige jaren doorbracht en met Moffat's dochter in het huwelijk
trad. Een waardiger levensgezellin, een vrouw met meer moed, liefde
en toewijding, zou hij nergens gevonden hebben. Livingstone drong
tot het land der Bechuranas door, een volkje dat nog door niemand
bezocht geworden was. Van den aanvang van zijn nieuwe loopbaan
af nam hij zich voor de europeesche levenswijs vaarwel te zeggen
en zich tegen alle vermoeienis te verharden. Zoo ondernam hij een
reeks van reizen, van meer dan 130 kilometers lengte, 't zij te voet,
't zij in een met ossen bespannen wagen. De inboorlingen hadden hem
eerst uitgelachen wegens zijn weinig indrukwekkend voorkomen. »Hij is
zwak," zeiden zij, »hij houdt het niet lang uit." Maar Livingstone,
die dit oordeel gehoord had, reisde met versnelden pas voort, en
dwong zijne reisgenooten te volgen, die weldra eerbied kregen voor
zijne kracht en volharding. Een gevecht met een aantal leeuwen,
die voor zijne geweerschoten op de vlucht gingen of gedood werden,
maakte bovendien een diepen indruk. Een dezer dieren greep hem bij
den bovenarm en verminkte dien zoo, dat het den reiziger na dien tijd
steeds moeielijk viel het geweer te schouderen, en na zijn sterven zijn
lijk herkend werd aan de sporen, die van de wonden overgebleven waren.
Eerst in 1849 besluit Livingstone naar het Noorden van Afrika te
trekken. Met de heeren Murray en Oswel volgt hij de Zoega en bereikt
het Ngami-meer, na een afstand van 4800 kilometers te voet afgelegd
te hebben.
In 1851 waagt Livingstone zich in de nog niet doorreisde gewesten van
de Mekalodo. Hij trekt door Sebitoane, de hoofdplaats van dit gebied,
dringt dieper door en staat versteld van de schoone natuurtooneelen,
die zich voordoen aan zijn oog: weelderige landouwen, besproeid
door rivieren en stroomen, rijke, vruchtbare dalen en schoone meren,
bewoond door een rustige, nijvere bevolking. Nu gaat het van ontdekking
tot ontdekking. Na groote gevaren, ongehoorde vermoeienissen, steeds
nieuwe krachtsinspanning, komt hij in 1852 aan de Westkust van Afrika,
te Saint-Paul de Loanda, een portugeesch station. Hoe voortvarend
ook, hier moet hij een tijd lang vertoeven en uitrusten van zijn
vermoeienissen. Hij wordt ernstig krank, en maanden lang strijdt hij
met den dood. Maar het leven behoudt de overhand, hij herstelt en zijne
klachten keeren weder. Maar in plaats van nu zich zelven te sparen en
op rust te zinnen, vat hij onmiddellijk zijne oude reisplannen weder
op. Hij wil Afrika in zijne gansche breedte doorreizen, vat den tocht
moedig aan en komt in 1856 te Quilimane aan Afrika's Oostkust.
Na dezen prachtigen zegetocht komt Livingstone rijk aan ontdekkingen
in Londen terug. Overal juicht men hem toe en de gouden eerepenningen
van de Aardrijkskundige Genootschappen, zoo van Parijs als van Londen,
worden hem toegekend. Het verslag van deze reis heeft Livingstone
zelf opgesteld onder den titel van »Zendingsreizen en onderzoekingen
van Zuid-Afrika."
Na dit boek afgewerkt te hebben, trekt hij weder naar het Zuiden
en gaat op nieuwe ontdekkingen uit. Zijn reis naar de Zambesi
zal steeds merkwaardig blijven. Verrassing op verrassing valt den
reiziger te beurt bij de talrijke stroomen, die deze rivier voeden,
en de merkwaardige streken, die er door worden besproeid. Maar dit
vruchtbare land werd voor Livingstone een plaats der beproeving. Hij
verloor er zijn trouwe en moedige vrouw, die de kracht en den moed
gehad had zijn levensgezellin en reisgenoote te zijn.
Na op nieuw naar Engeland te zijn teruggekeerd, wil hij de bronnen
van de Zaïre zoeken, en hij verlaat zijn vaderland om het nimmer
weder te zien.
Weder nieuwe veroveringen! Hij is in geheimzinnige oorden verdwenen,
maar wordt door Stanley, den kloeken verslaggever van de New-York
Herald te Oudjidji, bij het meer Tanganyika, wedergevonden. Stanley
biedt hem de noodige hulp en geeft der wereld bericht aangaande den
moedigen onderzoeker. Zijn krachten zijn uitgeput. Toch acht hij zijn
taak niet volbracht en wil hij die ten einde toe afwerken. In 1872
verdwijnt hij, en meer dan een jaar verloopt er, voor men iets van
hen verneemt. Eindelijk weerklinkt plotseling het bericht dat hij
niet meer is, en gansch Europa, dat het oog op hem gevestigd hield,
verschrikte bij de mare.
In het eind van April 1873 was de groote reiziger juist de moerassen
doorgetrokken, die de Loeapoela van het bergvlak van Lobisa scheidt,
toen de noodzakelijkheid hem dwong aldaar te blijven. Zijn geest
was onvermoeid, maar zijn gestel was ondermijnd, zoo door koorts
en dyssenterie als door vijfentwintig jaren van afmattenden arbeid
en ontbering. Den 4den Mei van genoemd jaar blies hij, omringd van
eenige getrouwe dienaren, op het bergvlak van Lobisa den laatsten
adem uit. Hij was 57 jaren oud.
De vierde expeditie die ter opsporing van Livingstone was uitgezonden,
kwam ongeveer een maand vóór zijn dood te Zanzibar aan. De luitenants
Cameron en Murphy en dokter Dillon, die den tocht leidden, namen
zijn lijk in ontvangst. Den 16den April 1874 werd het op engelschen
bodem ontscheept. Naar London overgebracht, werd het door William
Fergusson onderzocht en het been van den bovenarm, dat voor dertig
jaren door leeuwentanden was gekneusd, stelde den dokter in staat,
de indentiteit van de kostbare overblijfselen te bewijzen.
Op Zaterdag 18 April 1874 bereikte het lijk, te midden van een
ontelbare en eerbiedig gestemde menigte zijn laatste rustplaats,
de abdij van Westminster.
Wanneer men de vorderingen nagaat, die de wetenschap aan Livingstone
dankt, wordt men van bewondering en eerbied vervuld. Vóór hem bestond
er in Afrika een gansch onbekende oppervlakte van niet minder dan 3
millioen vierkante kilometers. 't Was een eenvoudigen jongen werkman
van Glascow voorbehouden er de bakens te planten voor de groote wegen
der toekomst en er te arbeiden aan de bevrijding der inboorlingen,
voor welke hij zoo goed als een profeet en weldoener was.
Zijn dood is voor de gansche maatschappij een waar verlies
geweest. Niet elken dag ontmoet men zulke uitverkorenen, die alle
deugden bezitten en te gelijk alles durven, en maar al te zelden
gaat inspanning, strijd, doodsverachting en ontbering gepaard met een
toewijding, die alleen het belang van de wetenschap en de menschheid
op het oog heeft.
Afrika is het tooneel geweest van de grootste zelfopoffering en
toewijding op het punt van landontdekking. Daar zijn: Mungo Park,
vermoord of verdronken te Bousa aan den Niger, in 1805; Nightingale,
overleden aan de koorts, 1841; Duranton, overleden in 1843; Eduard
Vogel, verraderlijk vermoord in 1856 door den sultan van Ouadaï; en
wij mogen onder degenen, die zich op dit gebied verdienstelijk hebben
gemaakt, ook één onzer landgenooten tellen en dat wel een vrouw:
de welbekende freule Alexandrina Tinne. Het reizen was van haar
kindsheid af haar element. Haar vader bekleedde ambten in Engeland
en Suriname, was koopman te Liverpool, en reisde sinds 1842 met zijn
vrouw en zijn zevenjarig dochtertje Europa door. Na den dood van
den heer Tinne zetten zijn vrouw en haar dochter het reizend leven
voort. Zoo trokken zij samen in 1853 naar Spanje, Noorwegen, Italië,
Egypte, Palestina en Nubië. Hier vond Freule Tinne het terrein, waarop
zij zich te huis gevoelde. Afrika had haar steeds aangetrokken. »Zij
vloog er heen als een vlinder in de kaars", zoo zeide zij. Helaas,
zij zou er zich de vleugels zengen. Doch vóór haar dood zou zij eerst
den slavenhandel zoeken te keer te gaan en onbekende streken bezoeken,
de wetenschap aan menschenliefde parende. Zij doorkruiste het Noorden
van Afrika, zij volgde den Nijl; waar was zij niet?
Haar moeder bezweek in 1862, maar haar geest hield stand. Eindelijk zou
zij een lievelingsdenkbeeld verwezenlijken. Zij zou de Algerijnsche
Sahara door, en tot in het hart van Afrika dringen. Daar, waar haar
als kind reeds de ledige plek op de kaart zoo gehinderd had, daar wilde
zij heen. Eens mislukt de tocht. Zij keert na een zware en moeielijke
reis van Marokko naar Alexandrië en Egypte terug. Maar zij geeft
het niet op, zij wil naar de Toearegs en Bornoe. Zij trekt er heen
met een gezelschap Arabieren, negers, Soedaneezen en twee blanken. De
afpersingen der Toearegs deden meer dan eens oneenigheid ontstaan in de
karavaan, en toen de eischen der gidsen en der roovers, die zich bij
het reisgezelschap aansloten, niet meer konden worden ingewilligd,
werden de Hollanders met freule Tinne jammerlijk vermoord. Freule
Tinne gaf op al hare reizen blijk van grooten moed, van onvermoeiden
onderzoekingsgeest. De eene tocht was nog niet afgeloopen of de andere
werd uitgerust. Een werk, »Plantae Tinneanae", waarin de tropische
planten worden beschreven, die zij verzamelde, blijft getuigen van
haar wetenschappelijken zin, en in het hart van menige vrijgekochte,
ja, bij allen, met wie zij in aanraking kwam, zal zij blijven leven
om haar liefde en haar groot karakter.
Niet alleen het ijs van de Noordpool en de zandwoestijnen van
Afrika, neen, ook andere streken zijn getuigen geweest van wat
ondernemingsgeest en dorst naar kennis vermogen. Overal lokt het
onbekende den mensch aan, ja het schijnt hem toe te wenken dat hij
zal komen en zich zelven zal offeren.
Op Aziatischen bodem stierf Francis Garnier. Officier der Fransche
marine was hij tevens een der stoutmoedigste voorgangers en
wegbereiders in vreemde gewesten.
Na van 1866-1868 aan het hoofd eener Fransche expeditie Achter-Indië
doorreisd en later bij het beleg van Parijs met zijne mariniers
onvergankelijke lauweren te hebben behaald, trok hij op last van
het Fransche Gouvernement naar het rijk der Annamieten en wel naar
Tong-King, ten einde, zoo mogelijk, de rivier de Bo-Ve van de zee af
tot de grenzen van de Yun-Nan voor den franschen handel te openen. Hij
had de beschikking over een kanoneerboot met zes en vijftig koppen en
dertig infanteristen en mariniers. In October 1873 verliet hij Saigon
en kwam in Kua-Kam. De annamitische hoofden en de mandarijnen ontvingen
hem met blijkbaren tegenzin en namen straks alle mogelijke, ook de
leelijkste, middelen te baat, om zich van hen te ontdoen. Garnier
begreep dat hij iets doen moest om de Annamieten eerbied in te
boezemen en nam met niet meer dan 180 man de Citadel van Ha-Noi in,
die door 7000 man werd verdedigd. Dadelijk daarop nam hij het geheele
eiland Tong-King in bezit. Eenigen tijd later echter werd hij zelf
in de vesting Ha-Noi belegerd en, bij gelegenheid van een uitval,
gestruikeld zijnde laaghartig vermoord en onthoofd.
De eer van het eerst Australië te hebben betreden, komt aan de
Nederlanders toe, die het dan ook Nieuw Holland doopten.
In 1642 zeilde Abel Tasman het »groote Zuidland" om, zooals het ook
werd geheeten, en ontdekte van Diemens Land, zoo genoemd naar den
toenmaligen gouverneur van Neerlands Indië. Eerst in 1770 verscheen er
weder een landontdekker van naam, de beroemde Engelsche zeereiziger
James Cook. Hij bereikte het eiland aan de oostelijke kust, waar het
zoo goed als geheel onbekend was.
James Cook werd in 1728 te Morton in Engeland geboren. Hij was
de negende spruit van een boerenknecht, werd achtereenvolgens
winkelbediende en scheepsjongen en leerde zichzelven de beginselen
van het teekenen, de mathesis en de sterrekunde. Drie malen deed
hij de reis om de wereld en telkens bracht hij een oogst van nieuwe
ontdekkingen mee. Op zijn eerste reis, in 1768, was hij vergezeld
van twee geleerden, Banks en Solander, die op Otaiti den doorgang van
Venus voorbij de zon zouden gadeslaan, en deed hij een verkenningstocht
langs de kust van Nieuw-Zeeland.
Cook kwam over de Oost-Indiën naar Europa terug en het Zuiden
van Australië omzeilende, dreigde zijn schip, de Endeavour, te
stranden. Cook trad echter behouden aan land, nam de kust namens
koning George III in bezit en noemde het gebied »Nieuw Wales".
Na zijn tweeden tocht, een reis van drie jaren, volbracht te hebben,
werd hem opgedragen een nader onderzoek in te stellen naar de landen
van Australië. Twee schepen werden te zijner beschikking gesteld, de
Resolution en de Adventure. Hij ontdekte Nieuw-Caledonië, na eerst de
Nieuwe Hebriden te hebben bezichtigd, en bracht een aantal belangrijke
wetenschappelijke mededeelingen mee over de streken, die hij bezocht
en de inwoners, dieren en de planten, die hij er gevonden had.
In 1776 zeilde hij voor de derde maal uit. Nu gold het de vraag,
of er, door het Noorden van Amerika heen, een weg bestond van
Europa naar Azië. Hij maakte een reis om de nieuwe wereld, bereikte
de Noordwestkust van Amerika en zocht nu door de Behringstraat de
Hudsonsbaai te bereiken; maar een groote ijsvlakte stelde zich in den
weg der reizigers, zoodat zij terug moesten keeren. Cook ging weder
langs de kust van Amerika, begaf zich naar de Sandwich-eilanden,
om er te overwinteren, bereikte Owahaï en liet in een der baaien van
dat eiland het anker vallen. Helaas, hij zou het er niet weder lichten.
Cook en zijne reisgezellen knoopten al spoedig betrekkingen aan met
de inboorlingen. Nooit nog, zoo verklaarde de groote zeevaarder,
heb ik wilden gevonden, die zoo weinig wantrouwend en zoo vrijmoedig
waren als deze. Zij zonden de waren, die zij verkoopen wilden, naar
de schepen, en kwamen vervolgens zelven op de schepen om den prijs
te bepalen. Ook moet tot hun eer gezegd worden dat zij bij dezen
ruilhandel geen enkele maal hebben gepoogd de Engelschen te bedriegen.
Maar dit vriendschappelijk verkeer zou spoedig door twist en strijd
worden afgebroken. De inboorlingen wapenden zich met steenen en
zochten hunne landgenooten te verhinderen de Engelschen, bij het
inschepen hunner gevulde watertonnen, bij te staan. Cook liet vuren;
maar nu volgde er zulk een jacht van steenen, dat de Engelschen op de
vlucht gedreven werden, die al zwemmend zich in veiligheid zochten
te brengen, terwijl de eilanders den sloep vermeesterden. Cook,
vreezende dat zijn gezag een al te gevoeligen knak zou krijgen,
besloot den volgenden dag aan land te gaan en den koning met de
voornaamste hoofden des lands gevangen op het schip te brengen en hen
als gijzelaars bij zich te houden, zoolang totdat de sloep zou zijn
teruggegeven. Nauwelijks echter was hij geland, of hij zag zich met
de zijnen van wilden omringd; weder dreigden zij, en Cook schoot er
een neer; maar nu volgde een groote verwarring. De wilden gunden de
Engelschen den tijd niet hunne geweren te laden, zij vielen op hen aan,
zoodat Cook hun ried ordelijk terug te trekken. Hij zelf stelde zich
tusschen zijne makkers en den vijand; zoo lang hij hen in het oog
hield, durfden zij hem niet aan, want zij hadden een bijgeloovige
vrees voor hem; maar nauwelijks had hij zich omgekeerd, om aan de
manschappen zijne bevelen te geven, of hij werd met een dolk in den
rug getroffen, en zonk neder met het aangezicht in de zee. Nu zetten
de eilanders het op een schreeuwen en juichen, en koelden hun woede
aan het deerlijk verminkte lijk van den moedigen zeeheld, die stierf
op het veld van eer.
Na Columbus is Cook zeker de meest gevierde en geliefde
zeereiziger. Geen wonder, Cook was als geschapen voor de roeping,
die hij volgde. Hij had een herculische lichaamskracht, zijn geest
en karakter waren als uit metaal gegoten, en zijn koelbloedigheid
evenaarde zijn geestdrift en zijn ijvervuur. Cook had een buitengewone
lengte. Hij mat 1 meter en 79 centimeter. Zijn gelaat was streng
van uitdrukking. Hij was stilzwijgend, gehard en hardvochtig; maar
rechtvaardig in den hoogsten graad.
De groote Stille Zuidzee heeft nog meer martelaars aan te wijzen. La
Perouse, een fransch zeeofficier, werd omstreeks 1780 door zijn
regeering uitgezonden, om de reizen van Cook voort te zetten en een
doorvaart te zoeken langs het Noorden van Amerika. Met De Langle
zou hij ongekende oorden verkennen, een onderzoek instellen naar de
walvischvangst in het Zuiden, en naar de pelterijen in het Noord-Westen
van Amerika, de nog weinig bezochte Westkust van dit werelddeel
bezoeken, de zeeën van China en Japan bezeilen, Australië aandoen,
en in al die streken planten en metalen zoeken, de inboorlingen
bestudeeren, handelsverkeer openen.
Twee fregatten, de Boussole en de Astrolabe, lagen te Brest gereed. La
Perouse zou over het eerste, De Langle over het andere bevel voeren. La
Perouse vaarde kaap Horn om, zeilde noordwaarts op naar den berg
van St. Hélie en ontdekte onder anderen de baai van Monti. Verder
ging het langs de Sandwich-eilanden naar de Filippijnsche eilanden,
naar Japan en de Oostkust van Azië. Daar werd De Langle, wijl hij de
schepen van versch regenwater liet voorzien, bij het instappen van den
sloep door prauwen met inboorlingen omringd, die hem met knuppelslagen
vermoordden. Robert de Paul Lamanon, die als natuurkundige de reis
medemaakte, werd met elf matrozen aan zijne zijde gedood.
La Perouse verliet dit noodlottig oord en landde den 26sten Januari
1783 te Botany-baai. Hij schreef een langen brief aan den minister
van marine, waarin hij den uitslag zijner ontdekkingstochten en het
verlies zijner reisgenooten mededeelde, met bericht dat hij naar
Frankrijk onder zeil ging.
Dit was la Perouse's laatste brief. Men hoorde niets, noch omtrent
hem zelven, noch omtrent zijne schepen, totdat in 1826 de engelsche
zeekapitein Peter Dillon op de klippen der Hebriden de overblijfselen
vond der schepen, met een paar kanonnen en ankers. Dit was alles, wat
van de Astrolabe en de Boussole overig was; maar 't waren welsprekende
getuigen van het vreeselijk einde van dezen roemruchtigen zeetocht.
Doch wij willen naar Australië terugkeeren. Een duitsch onderzoeker,
Leichardt, vatte in 1848 het plan op de binnenlanden te bezoeken van
het vasteland van Australië. Eerst slaagde hij er in, dit onbekende
land in noord-westelijke richting te doorsnijden, daarbij een weg
afleggende van 3000 kilometers. Hierdoor aangemoedigd, vatte hij het
plan op het eiland in zijn grootste breedte, van het Westen naar
het Oosten, te doorkruisen. Hij vertrok in het begin van 1848 van
Brisbane en bereikte de rivier de Cagoon, die 480 kilometers van
de zee ligt. Maar sedert ontving men geen tijding van den moedigen
reiziger. Tien jaren later vonden de gebroeders Gregory eenige sporen
van deze expeditie bij de rivier Victoria.
Omstreeks dienzelfden tijd deed een australisch volkplanter Kennedy
zijn best de oostelijke kusten van Carpentaria te verkennen. Hij
drong zoolang voort tot zijne levensmiddelen uitgeput raakten. Al
zijne reisgenooten verlieten hem, op een inboorling na, die 't moest
aanzien hoe de ongelukkige Kennedy door de afschuwelijke menscheneters
der binnenlanden doodgeslagen werd. Zelf ontkwam de getrouwe ter
nauwernood, om de treurige tijding over te brengen.
Het vreeselijk uiteinde van Kennedy en Leichardt weerhield noch
de gebroeders Gregory, noch anderen de woeste binnenlanden te
doorkruisen, en onder deze is Burke de eerste geweest, die het vaste
land van Australië, van Melbourne tot de golf van Carpentaria, is
doorgetrokken. Ook hij heeft dezen roem met zijn leven betaald.
De Ier Thomas O'Hara Burke vertrok uit Melbourne, op den 2Osten
Augustus 1860, aan het hoofd van een volledig uitgerust gezelschap,
waaronder de sterrekundige Wills. Op het einde van September bereikte
hij, tusschen 25° en 26° zuiderbreedte, den grooten steenwoestijn,
waar vóór 15 jaren de reiziger Start zes maanden in de grootste
moeilijkheden had doorgebracht en zijn reismakker Poole van dorst was
omgekomen. Burke en de zijnen waren gelukkiger. Zij kwamen ongedeerd
aan de andere zijde van de groote woestijn, die door de juist gevallen
regenbuien overal meren en oazen vertoonde. De tochtgenooten drongen
in de vallei van Yappar door, en hun veerkracht werd niet weinig
versterkt toen zij aan gewisse teekenen ontdekten dat de zee niet
verre meer wezen kon. Burke en de zijnen hadden nog maar een vlakte
door te trekken, en zij waren er, maar ongelukkig was die vlakte
met ondoordringbaar struikgewas bezet. De reizigers waren zwak,
de paarden en kameelen waren voor het grootste gedeelte gestorven,
en die overgebleven waren weigerden verder te gaan. De levensmiddelen
begonnen schaars te worden. Onder die omstandigheden terug te keeren
was een moeielijke zaak, doch er schoot niets anders over, en bij dezen
terugtocht stierven Burke en Wills van vermoeienis en uitputting in
de vallei van Cooper.
Zij hadden hun weg geteekend. Een kleurling, John Mac Douall Stuart
gelukte het, eenigen tijd later, denzelfden tocht tot zijn einddoel
voort te zetten en de zee te bereiken, dien Burke alleen van verre
had hooren ruischen.
Zoowel door deze heldhaftige pogingen, als door zoo menige onderneming
van jonger datum en gelukkiger uitslag, zooals die van Landsborough,
Mac Kinlay, Hardwicke, Cowle, Gilles, Warburton, begint Nieuw-Holland,
evenals Afrika, meer bekend te worden. Toch blijft er nog genoeg te
doen over. [1] Ten Noord-Westen levert het land van Tasman ten Noorden
het land van Arnhem, ten Noord-Oosten het land van Carpentaria en het
schiereiland van York nog altijd een ruim veld op, waar toekomstige
landontdekkers roem behalen en kennis vermeerderen kunnen. Men rekent
dat van de 6 353 000 vierkante kilometers, die de oppervlakte van
dit eiland uitmaken, een derde gedeelte nog nader onderzocht moet
worden. Zoo blijkt wel dat het werk van den enkelen mensch weinig
beteekent, en de verovering van den aardbodem een arbeid is voor de
eeuwen, die zeker maar langzaam voltooid wordt.