VOORREDE.

De Martelaars der Wetenschap heet dit boek. Het heet zoo in navolging

van den ouden »Martelaarsspiegel", waarin de daden werden vermeld,

de moed en de godsvrucht verheerlijkt van die helden, die voor hun

geloof wisten te sterven. Niet over deze, over andere geloofshelden

handelt dit boek. Het wil een spiegel zijn, waarin gij de martelaars

der wetenschap aanschouwt, hun geloof, hun strijd, hun lijden.

Groot zeker zijn de zegeningen, die de eigenlijke martelaars ons

hebben geschonken. Zij, die voor een godsdienstige overtuiging hebben

geleefd en gestreden, hebben tegenover het doodend gezag van Staat

of Kerk de vrijheid des geestes gehandhaafd. Zij hebben de liefde

onderhouden voor het onderzoek en voor de waarheid, waar deze aan

banden werden gelegd. Zij hebben ons getoond welk een vrede, welk

een blijdschap er blijft, ja groeit, te midden van vervolging en

druk. Zij hebben ons geleerd alles op te offeren voor de heiligste,

innigste overtuiging. Uit de theaters en renperken, van de schavotten

en de brandstapels, uit de gevangenissen en uit de ballingschap,

uit het stil en onderworpen, maar volhardend en onverschrokken lijden

dezer helden en heldinnen gaat een kracht uit, die u ook dan bezielt,

wanneer de overtuigingen, waarvoor zij vielen, de uwe niet zijn.

Een paar martelaars, die van godsdienstvervolging te lijden hadden,

komen op de volgende bladzijden voor. Daar hebt gij een Servet,

een Palissy, een Ramus en anderen; maar welk een boek ware dit

werkje geworden, wanneer het ook een martelaarsspiegel in de oude

beteekenis van het woord had willen zijn. Want de godsdienst heeft

de meeste martelaars. De godsdienst brengt de harten in beweging,

wekt de aandoeningen op, en bezielt den mensch met een liefde en

geestdrift, die van geen wijken weten. Aan de eene zijde verheft hij

den man der hervorming boven alle vrees, elk schikken en plooien;

aan de andere zijde vervult hij den man des behouds van het denkbeeld,

dat toegeven ontrouw en verraad is. Iedere godsdienstige hervorming is

gekocht ten koste van strijd en bloed. Het is waar, wat er gezegd is:

wij zijn duur gekocht. De schimmen van zoovelen, die in Rome vielen,

staan voor ons op. Zij werden aan palen verbrand, zij moesten in het

theater de treurspelrollen vervullen, op het einde waarvan zij een

echten dood stierven door zwaard, vergif of verminking, zooals het

stuk het meebracht. De schimmen rijzen voor ons op van de Albigenzen,

voortgedreven, verjaagd, zich verschuilend voor de vervolging. Johan

Huss, onze vaderen, de Hugenoten, door de dragonades van schuilplaats

tot schuilplaats nagezeten en over de kling gejaagd, door de dweepzucht

aan de banken der galeien geketend: het rijst alles voor ons op in

den grooten Martelaarsspiegel van den godsdienst, en boven die allen

verheft zich Golgotha's heuvel met het kruis,--dat kruis, 't welk

voor het christelijk gevoel het lijden heeft geadeld, allermeest

waar het geleden wordt voor beginselen van menschenliefde, vrede en

waarheid. Aan al deze martelaars zijn wij onze vrijheid verschuldigd,

aan al deze martelaars dankt het geweten de erkenning van zijn heilig

recht. Wie hen vergat, zou de grootste weldoeners van de menschheid

vergeten, de verdedigers van onze edelste schatten.

Doch ook de wetenschap heeft hare martelaars. Genieten wij de

zegeningen der beschaving, zijn wij door haar verlicht geworden,

ook als kinderen der beschaving zijn wij duur gekocht, duur gekocht

door het lijden en strijden, door de tranen en de opofferingen van

onze broeders. Ook op dit gebied geen vordering zonder kamp, zonder

worsteling.

Daar is in de wereld een groote neiging om de dingen te laten zooals

zij zijn, een neiging des behouds. De wereld zoekt haar zelfbehoud,

het behoud van zich zelve, zooals zij op een gegeven oogenblik

is. Telkens wordt zij door de kracht van een genie voortgestuwd; maar

ter plaatse, waar zij door die kracht gebracht is, blijft zij gaarne

staan, en telkens weer blijft zij staan, zoodat elke vooruitgang

nieuwe inspanning, nieuwen strijd, nieuwe overwinning eischt. Het

is niet anders. Moge de goede tijd komen, waarin men den hervormer,

den man van nieuwe denkbeelden en uitvindingen, zonder achterdocht,

zonder spottenden glimlach aanziet! Die goede tijd zal komen. Immers

naarmate de wetenschap zich uitbreidt en er nieuwe overwinningen

worden behaald, wordt het rijk der rede en dat der kennis grooter

en dat ongelukkige rijk der duisternis, des bijgeloofs en des

vooroordeels kleiner, waaruit al de kuiperijen, al de tegenstand,

al het zuchten, dood en verderf voortkomen. Ja, die goede tijd

komt. Edison's uitvindingen mogen een ongeloovige vraag wekken: men

is wijs geworden en oordeelt niet zonder ze te hebben onderzocht. Het

denkbeeld dat de natuur onuitputtelijk is in wonderen zet zich vast,

en wij begroeten elke nieuwe uitvinding met blijdschap. Intusschen

zullen wij niet vergeten wat er vooraf is gegaan, voordat het zoover

met ons is gekomen. Wij willen hen eeren, die onder strijd en lijden

het licht hebben ontstoken. Daartoe strekke dit boek. Wij genieten

van de voordeelen--mogen wij ook belang stellen in de vraag hoe

ze verworven zijn, en gevoel hebben voor die grootheid van ziel,

waarmee ze verkregen zijn en waarmee alleen voor het vervolg iets

groots verkregen kan worden.

De hier volgende tafreelen zijn grootendeels de vertaling van

een fransch werk, getiteld: Les Martyrs de la Science. Sommige

gedeelten, die naar mijn oordeel minder belangrijk en kennelijk

alleen door des schrijvers vaderlandsliefde ingegeven waren, heb

ik achterwege gelaten. Een paar beelden daarentegen, zooals die van

Freule Tinne, Spinoza, Balthasar Bekker, Jan Swammerdam e. a.--naar

ik hoop niet onbelangrijk--heeft mijn vaderlandsliefde mij er bij

doen voegen. Verder heb ik hier en daar, met name aan het slot,

een paar indrukken, bij het overbrengen ontvangen, weergegeven.

Dat dit boek den lezer iets leere; dat het, kan het zijn, een goeden,

bezielenden indruk nalate; dat het al wat jong is, tot denken, tot

arbeid, tot zelfstandigheid, tot volharding aanspore en een gezonde

levensbeschouwing bevordere, is mijn wensch.

Jo. DE VRIES.

Haarlem, September 1880.

De martelaars der wetenschap · 第 2 / 27 题