AANTEEKENINGEN

[1] M. von Brandt, Die Chinesische philosophie und der

Staatsconfucianismus. Stuttgart 1898.

[2] Bij Indische of "Zend" woorden heb ik de lettergrepen, die, waar

onze Hollandsche opvatting anders zou doen vermoeden, lang moeten

worden uitgesproken, door een liggend streepje gekenmerkt bv. Surya,

Ramayana enz. Korte lettergrepen zijn, waar noodig door [breve]

aangewezen, bv. Brahma.

[3] Uit de Atharva. Veta. IV. 16.

[4] Die afscheiding was en is voor een goed deel nog van dien aard dat

personen van hoogere caste geen huwelijk met die van een lagere mogen

aangaan. De ongelukkige paria, die uit een onwettige vereeniging van

personen van verschillende caste wordt geboren, is het uitvaagsel

der Indische maatschappij. De Brahmanen en Kshatrya's staan als

"tweemaal geborenen" bovenaan.

[5] Wij zullen echter straks zien, dat er ook in het Brahmanisme een

theïstische strooming was en nog is.

[6] Man der laagste caste.

[7] Zie blz. 9.

[8] Een secte, eenigszins aan het Boeddhisme verwant.

[9] Het theïsme stelt, tegenover het pantheïsme, het zelfstandig

bestaan van God, diens persoonlijkheid, op den voorgrond.

[10] Essai sur la legende du Buddha. Paris 1875.

[11] Vleeschwording der godheid, m. a. w. die teekenen zouden toonen

dat hij een vleeschwording der godheid was.

[12] Een bekend Boeddhistisch geschrift.

[13] M. a. w. een der vroegere openbaringen van de godheid.

[14] God des doods, zie Brahmanisme op blz. 9.

[15] De vijf gehechtheden, hiermede worden bedoeld: lichamelijkheid,

gewaarwordingen, voorstellingen, neigingen en bewustzijn. De

bedoeling van dezen eenigszins duisteren zin, uit Boeddhistische

teksten ontleend, is waarschijnlijk: waar men de vijf gehechtheden

heeft achtergelaten zal geen ouderdom, ziekte of dood zijn. Waar men

dus verheven is boven strijd en moeite.

[16] Amrita, letterlijk: levensdrank.

[17] Rishi's, zie Brahmanisme blz. 8.

[18] Jina = iemand, die zijn lagere natuur bedwingt.

[19] Dit ziet op vroegere levens van den Boeddha.

[20] De boom, waaronder Boeddha tot het ware inzicht kwam.

[21] = Levensdrank onsterfelijk.

[22] Jaarlijks stierf de zonnegod als zonnepaard (ons sterrenbeeld

aries = de ram) om volgens de Indiërs alle vleesch te redden. Vandaar

ook het paardenoffer.

[23] M. a. w.: Wat is de oorzaak der wedergeboorte?

[24] M. a. w.: Waar de begeerte is gedood, daar wordt men van

wedergeboorte verlost.

[25] Mahavagga I. 5. 2 enz.

[26] Teeken van eerbied.

[27] Zie blz. 50.

[28] Mahavagga I. 6. 10.

[29] "Voleindigde", titel waarmee Boeddha zichzelf noemde, evenals

Jezus sprak van "de Zoon des Menschen".

[30] "Nirvana" een woord over welks beteekenis veel verschil is. De

Boeddhisten duiden er het hoogste heil mee aan, dat boven alle lust

is verheven.

[31] Hiermee worden bedoeld de vijf elementen, waaruit volgens het

Boeddhisme de menschelijke persoonlijkheid bestaat. Zij worden ook wel

genoemd de vijf Skandha's, en zijn: lichamelijkheid, gewaarwordingen,

voorstellingen, neigingen en bewustzijn.

[32] In den zin van "begeerte".

[33] Hernieuwd bestaan.

[34] Een geijkte formule zijn deze woorden ook thans nog in het

Boeddhisme.

[35] Feitelijk vormen de Boeddhisten, zooals wij nader zien zullen

een monnikengemeente, doch ook als leek kon men den verlichte eeren

en hem volgen op een afstand.

[36] Asceet.

[37] Men zie op blz. 51 en 52 Boeddha's bespiegeling onder den Bo-boom.

[38] getiteld: "De vraag van Upatisa" (een andere naam voor Sariputta.)

[39] Sanjaya's leerlingen.

[40] Rishi's, zie over hen blz. 8.

[41] Volgens het Boeddhistische geschrift "Dhamma pada", een

verzameling, grootendeels van spreuken.

[42] Jataka: d. w. z. verhalen over vroegere levens.

[43] De leer, de wet.

[44] De Boeddhistische monniken hadden en hebben haar en baard

afgeschoren.

[45] De oudste naam der Boeddhisten.

[46] Dat later het Boeddhisme de verdrukten hielp verlossen, zullen

wij zien als wij over koning Açoka handelen.

[47] Zie blz. 63.

[48] d. i. kloosters.

[49] Zie bladz. 58.

[50] Het verhaal over Visakha in Mahavagga. VIII. 15.

[51] Maha Prajapati.

[52] Deze aanhaling zoowel als het thans volgend verhaal naar Digka

Nikaya.

[53] H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof

in Burma). vertaald door F. Ortt. 's-Gravenh. 1900.

[54] Volgens Anguttara Nikaya.

[55] Zie blz. 56.

[56] Een Cingaleesch Boeddhistisch geschrift.

[57] Dit is de waarschijnlijke afwerking van dezen niet afloopenden

zin.

[58] De hooge verlichting in de rede.

[59] Ook Prof. Rhys Davis, die overigens daartoe wel geneigd is,

erkent het geloof der oude Boeddhisten in een bovennatuurlijke

kennis, Abhinna, en bovenzinnelijke vermogens, Iddhi. Men zie zijn

Buddhism. 1899. pag. 174.

[60] Hier wordt geteekend "de kracht van vriendelijke gedachten", ook

tegenwoordig wel bekend, waarop wij wellicht later nog terugkomen. Men

zie ook blz. 76.

[61] Dhammapada.

[62] Dhammapada.

[63] Het licht van Azië. vert. door

Dr. H. U. Meyboom. Amsterdam. 1881. blz. 166, 167.

[64] Zie bladz. 172. a. w.

[65] Bhikshu = bedelaar, Muni = zwijgende, omdat de monniken zwijgend

rondgingen met hun aalmoezenschaal.

[66] Chineesch spreekwoord.

[67] De boven aangehaalde spreuken zijn aan verschillende

Boeddhistische geschriften ontleend.

[68] Uit Mahavagga, deze rede zou gericht zijn tot de duizend

kluizenaars van Uruvela.

[69] Men vergelijke ook op blz. 71 het gesprek met een Brahmaan over

het ware offer.

[70] Uit Mahavagga.

[71] Uit Doedha-vitakha Sutta.

[72] Naar het water.

[73] Chineesche uitdrukking voor Nirvana.

[74] Soort van vergiftige slang.

[75] Een soort vogel.

[76] Of Iddhi = door haar in "verrukking van zinnen" te brengen.

[77] Letterlijk: oud man, een soort Boeddhistische heilige.

[78] Vrouwenverblijf.

[79] Indische wetboek van voor-Boeddhistischen oorsprong. Thans

o.a. nog in Birma geëerd.

[80] Lieden die tot geen caste behooren, dus verachtten in de

maatschappij.

[81] Soort muziekinstrument.

[82] Goudstukken.

[83] nl. Boeddha, Dharma, Sangha: de verlichte, de leer, de gemeente.

[84] Mahayana, groote overtocht, Hinayana, kleine overtocht. Alzoo

heeten de twee scholen, waarin het oorspronkelijke Boeddhisme zich

splitste en die beiden hun eigenaardige opvattingen en litteratuur

bezaten.

[85] Açoka was koning over een deel van Indië in de 3e eeuw voor

Christus.

[86] Rahat of Arahat: een, die niet meer wederom geboren behoeft

te worden.

[87] Zie pag. 56.

[88] Samyuttaka Nikaya.

[89] Zie H. Fielding. De ziel van een volk, vertaald door

F. Ortt. Drukkerij "Vrede" 's-Gravenh. 1900.

[90] Vgl. blz. 112.

[91] Dit Atman beschouwen zij als Brahma in den mensch, het goddelijke

in ons, vgl. blz. 12, 13.

[92] n.l. diegenen, die als Makhali Gosala, zie blz. 74, gelooven

dat het ik, na een aantal zielsverhuizingen doorgemaakt te hebben,

't zij goed of boos, in den dood ondergaat.

[93] Milinda is de Grieksche koning Menander, die ongeveer 100 jaar

voor Christus leefde en Indië aan zich onderwierp.

[94] Zie blz. 95 enz.

[95] Uit Dhammapada.

[96] Cariya Pitaka. III. 15.

[97] M. a. w. naar alle vier de windstreken, zie blz. 78, waar

hetzelfde onderwerp wordt aangeroerd.

[98] Cullavagga. VII. 3.12.

[99] Zie blz. 100, 101.

[100] Kant verhaalt dat hij door deze voortgezette oefening deelen

van zijn lichaam, die anders niet onder de heerschappij van zijn

geest stonden, kon beheerschen.

[101] Samyuttaka Nikaya. vol. I fol. gha.

[102] Ook dit verhaal naar Samyuttaka Nikaya. vol. II. fol. ja.

[103] Blz. 324. a. w.

[104] Geen slangendemon in menschengedaante.

[105] Een der oudere monniken, die hem voordraagt.

[106] Waarschijnlijk vertoefden de oudste volgelingen vooral onder

boomen; doch ook tegenwoordig zijn de kloosters altijd met boomen

omgeven.

[107] Zeer kleine munt.

[108] M. a. w. zich beroemen op zijn liefde tot een eenzaam,

bespiegelend leven.

[109] De ziel van een volk blz. 175.

[110] Waarbij een monnik uit de heilige boeken voorleest.

[111] Pitaka's = korven, de drie heilige boekverzamelingen der

zuidelijke Boeddhisten, waarvan het eerste handelt over Vinaya (de

orde). Het tweede over Dharma (de leer), het derde over Abhidharma (het

geloof). Ieder dier afdeelingen bestaat uit tal van geschriften. Vele

zijn uitgegeven en vertaald in de verzameling "Sacred books of

the East."

[112] Vlg. op bl. 70 het gesprek met Ananda.

[113] Cullavagga XI. 4.

[114] a. w. blz. 17.

[115] Zie blz. 119.

[116] Fielding a. w. blz. 108 en volg.

[117] Naam, dien Açoka droeg.

[118] Grafteeken, gedenkteeken.

[119] De bedoeling schijnt te zijn dat deze boomen 's nachts de

monniken tot toevlucht zullen strekken.

[120] Over het laatstgenoemde zie bl. 109-111 van dit werk. Upatishya

of Upatissa is een andere naam voor Sariputta, zie blz. 58 en 59.

[121] Waarschijnlijk waren er ook olifanten bij, die worden heel wat

ouder dan menschen.

[122] Zie blz. 118 en 119.

[123] Woorden, die Boeddha zou geuit hebben, toen hem onder den

Boddhiboom de verlichting ten deel viel.

[124] Zie blz. 126.

[125] deze zijn: 1 geen leven vernietigen. 2 niet stelen. 3 zich

voor onreinheid wachten. 4 niet liegen. 5 geen bedwelmende dranken

gebruiken. 6 niet op verboden tijden eten. 7 van dansen, zingen,

muziek en tooneelvoorstellingen zich onthouden. 8 geen kransen,

parfumerieën, zalven of sieraden gebruiken. 9 geen hoog of breed bed

gebruiken. 10 geen goud en zilver aannemen.

[126] Vragen, het ontstaan der wereld betreffende.

[127] Toch had ook deze wijsheid, gelijk wij zien zullen, een

"metaphysischen grondslag." Goed staatsburger zijn behoort ook tot

het opvolgen van 's hemels ordeningen.

[128] Daar is thans nog de groote tempel ter eere van Confucius,

waar den heiligen ouden wijze geschenken worden gebracht.

[129] Wij vergeten daarbij echter het woord niet, dat niemand groot

is voor zijn kamerdienaar.

[130] Mannen van rang dragen twee zwaarden.

[131] Hsiao-king.

[132] Tahio.

[133] Chung yung.

[134] Daarom offeren ook gesnedenen, die in hun jeugd door de ouders

verkocht zijn om hen te laten ontmannen, aan de gestorven ouders niet,

daar dezen hun de vervulling van den plicht der kinderlijke liefde

onmogelijk gemaakt hebben. Volwassenen, die zichzelf voor dit doel

verkocht hebben, brengen die offers wel: evenals de Boeddhistische

(uiteraard ongehuwde) priesters.

[135] De Cynici vormden een wijsgeerige school in het oude

Griekenland. Zij versmaadden alle beschaving en trachtten naar den

grootsten eenvoud: men denke aan Diogenes en zijn ton!

[136] Diogenes leefde in de 4e eeuw v. C. Van hem is bekend dat hij den

strengsten eenvoud betrachtte: een ton was zijn woning. Van Alexander

den Groote vroeg hij als gunst slechts dat de vorst wat op zijde zou

gaan om hem niet te berooven van 't genot van den zonneschijn.

[137] Zie blz. 165.

[138] vgl. Ev. n. Johannes, hfdst. I.

[139] "Jehovah". Een juistere uitspraak is Jahve.

[140] Zie blz. 176 enz.

[141] Wij zouden hier eerder "bemoeizucht" verwachten.

[142] of liever Boeddhistisch in den geest van "den grooten overtocht",

het latere, sceptische Boeddhisme, zie blz. 118 en 119.

[143] Alchimie = het zoeken van den steen der wijzen, necromantie =

het bezweren der dooden.

[144] Dat de mensch in een droom of onder suggestie in een

ongelooflijk korten tijd veel kan doorleven is een feit, door nieuwere

onderzoekingen bevestigd.

[145] De aanhangers van Confucius en Mencius.

[146] de Taipings, die in 1864 van zich deden spreken, wilden de

Mandschoe dynastie verdrijven en het zuiver Chineesche element op den

voorgrond stellen. De gansche beweging werd echter in bloed gesmoord.

[147] men zie over het Lamaïsme blz. 150 enz. van dit werk.

[148] incubi zijn geesten, die als mannen met vrouwen den bijslaap

uitoefenen, succubi zijn geesten, die dit als vrouwen met mannen doen.

[149] deze laatsten wilden wel de Joodsche traditie handhaven, doch

hadden zeer veel aan de denkbeelden der Grieken ontleend en in hun

philosophie opgenomen.

[150] de vertegenwoordiger van het "gewijzigde" Confucianisme, zie

blz. 182, 216 en 221.

[151] Zie blz. 216 enz.

[152] In China zijn geen wettig aangestelde advocaten, daardoor werden

rechtszaken behandeld door "winkeladvocaten", die niet zeer in eere

staan, doch bij domme menschen toch maar al te veel invloed hebben. In

de omschrijving van deze sententie worden zij geducht doorgehaald,

o. a. dit: heeft men ooit gehoord dat een dezer lieden een natuurlijken

dood stierf? (m. a. w. zulke ellendelingen treft des hemels straf).

[153] Zooals men weet leeft de zijderups op den moerbeiboom.

[154] Met die valsche leeringen wordt niet alleen op het Taoïsme

en het Boeddhisme, maar ook op het Christendom, bepaald in zijn

Roomsch-Katholieken vorm gedoeld. Over het Christendom handelt deze

omschrijving: "Zelfs de leer van de "secte van den heer des hemels"

(zoo noemen de Chineezen het R. K. geloof) die over den hemel spreekt

en over de aarde zwetst en over dingen zonder schaduw en wezen, is

valsch en bedorven. Dewijl echter de leeraren van dezen godsdienst

met de sterrekunde bekend zijn en in de wiskunde ervaren, gebruikt de

regeering hen om den kalender te verbeteren. Dat bewijst echter bij

lange niet, dat hun godsdienst goed is. Gij moet hen tot geen prijs

geloof schenken. De wet is streng tegen al deze valsche secten. De

straf die hen treft is dezelfde als die voor mannelijke en vrouwelijke

toovenaars is vastgesteld. De regeering heeft deze wet uitgevaardigd om

het volk te verhinderen kwaad te doen en het aan te moedigen goed te

doen, van verdorvenheid te wijken en tot de waarheid terug te keeren,

gevaar te vermijden en rust te verkrijgen."

Deze uitspraak is een van de krachtigste hindernissen, die de

toelating van het Christendom in den weg staan en misschien nog lang

zal nawerken.

[155] de bedoeling is deze: iedere klasse heeft hare eigene bezigheid,

waaraan zij vast moet houden: de geleerde, de landman, de handwerksman,

de koopman. Doen zij dat niet, dan ontbreekt hun bestendigheid,

en al arbeiden zij ook den ganschen dag, zoo brengen zij toch niets

tot stand. Daarom moet ieder vasthouden aan datgene, wat hij eenmaal

begonnen heeft. Behalve de vier zooeven genoemde klassen zijn er nog

soldaten--verder nog een klasse van arme lieden, die geen land hebben

om te bebouwen, geen geld om handel te drijven, en die geen handwerk

hebben geleerd. Tot dezen wordt hier gezegd: "Gij kunt niet anders

dan u als daglooners verhuren om in uw levensonderhoud te voorzien,

uw rug en uw schouders moeten dragen, weest echter eerlijk en vlijtig,

en noch aan eten noch aan drinken zal het u ontbreken."

[156] Tien of honderd familiën vormen eene vereeniging, die solidair

voor elkaars medeleden verantwoordelijk is. Zoo worden b.v., als

iemand een deserteur heeft geherbergd, de vijf huizen rechts en de

vijf huizen links medegestraft. Toen er in 1891 opstand in Mongolië

was, werd deze organisatie weer in herinnering gebracht en scherp

doorgevoerd. In ieder huis moest een tafel zijn, waarop de namen van

alle bewoners van het huis stonden vermeld.

[157] Trigrammen, uit drie, hexagrammen, uit zes letters bestaande

teekens, waaraan men een geheimzinnige waarde toekende. Zie ook

blz. 221 en 222.

[158] 220-205 v. C.

[159] deze leefde van 371-288 v. C.

[160] Zie blz. 180.

[161] zie bladz. 228 enz.

[162] Zie blz. 191.

[163] Zie blz. 202 enz.

[164] Zie blz. 193 enz.

[165] Iran omvat de landstreek tusschen den Indus ten oosten en de

Tigris en Euphraat ten westen, den Oxus ten noorden en de Perzische

golf ten zuiden. Perzië en Medië vormen hiervan gedeelten.

[166] Anquetil du Perron. Zend-Avesta, ouvrage de Zoroastre en 3

vol. 4o, Paris 1771.

[167] zij zijn: de oude Gatha's, de jongere Gatha's en het jonger

Avesta.

[168] zie bladz. 8 en 9 van dit werk.

[169] Yasna 44, 3-7.

[170] Yasna 31, 11.

[171] Yasna 44. 3, 4, 7.

[172] zie blz. 8.

[173] zie bladz. 250 enz.

[174] Zij zijn dus: Vohumano, Asa, Armaiti, Khsatra, Haurvatat en

Ameretat.

[175] zie blz. 251.

[176] Dit gebed luidt: Waar het gewenschte (ware) leven is, daar is de

ordening uit gerechtigheid (Asa), die de daden des levens van vromen

zin schept en behoort aan Mazda Ahura het rijk, dat hij geschapen

heeft tot bescherming der vervolgde geloovigen.

[177] Zie blz. 251.

[178] Tevens vuurgod en wel god van het bliksemvuur, dat de

bovenaardsche wateren doet stroomen.

[179] Hemelsche geesten.

[180] De onderdanen van koning Yima, de menschen der oudheid, werden

niet ouder dan dien leeftijd: zij hadden een eeuwige jeugd.

[181] Zie Brahmanisme, blz. 8.

[182] Vayua, de god van den dampkring, is slechts aanbiddelijk

voorzoover hij tot Asa's rijk behoort.

[183] of: na.

[184] In den hier aangehaalden tekst wordt gedacht aan dienaren van

Mazda, die zelfs hun bebouwde velden en de heilige stroomende wateren

verlaten om niet met de daevadienaren besmet te worden.

[185] Het zaad en de adem hadden ook hun kracht aan het vuur te

danken. Bij het gebed hield de Mazda-dienaar een linnen doek voor

den mond om het "vuur van den adem" zuiver te houden.

[186] Zie Brahmanisme blz. 11.

[187] Dakhma's geheeten.

[188] "Kibleh", letterlijk: het tegenovergestelde, dus: het

tegenbeeld. We denken hierbij aan een bekend Hervormd Kerkgezang,

namelijk Gezang 15:1, daar heet het o.a. van de zon: "Zij is de

spiegel, die ons 't beeld, Van uwe volheid mededeelt En uitlokt

tot vertrouwen."

[189] Drie dagen lang liet men een lijk geheel onaangeroerd. Volgens

het Zend-Avesta was eerst daarna de scheiding tusschen lichaam en

ziel volkomen.

[190] Prof. C. P. Tiele kwam tot dezelfde resultaten in zijn werk

"Geschiedenis van den Godsdienst in de Oudheid", Deel II. 1ste

helft. De godsdienst onder de Iranische volken.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 78 / 78 题