Chun-Chiu beteekent letterlijk: herfst en voorjaar. De bedoeling
echter is om met die twee jaargetijden het geheele jaar aan te duiden,
alzoo: jaarboek. Het is een kroniek van het geheele Chineesche rijk
over 722-484 v. C., geordend volgens de chronologie van den vorst
van Lu. Deze kroniek wordt, door Mencius het eerst, aan Confucius
toegeschreven.
Ondanks den buitengewonen lof, dien de Chineesche verklaarders
voor dit werk hebben, is het een droog, onnauwkeurig en onvolledig
werk. Indien Confucius de maker van dit werk is, heeft hij daarbij al
zonderlinge beginselen gevolgd: nl. om personen en feiten, waarmede
hij niet ingenomen was, eenvoudig weg te laten.
Het dor geraamte dezer kroniek krijgt eerst leven door de drie
geschiedkundige vertellingen van Tso chiu ming, Kung yang en Ku liang,
waarvan vooral het eerste verhaal allerlei belangrijke bizonderheden
bevat.
De verhalen en verklaringen in dit boek zouden mondeling zijn
overgeleverd en eerst onder de dynastie van Han zijn opgeschreven. Wie
de commentatoren waren (sommige critici houden deze zelfs voor
mythische personen) is niet bekend.