VI. De "geleerden" tegenover Taoïsme en Boeddhisme.

Het zou ons te ver voeren dien strijd in bizonderheden te volgen:

bovendien werden, gedurende de eeuwen, waarin die strijd werd gevoerd,

altijd weer dezelfde argumenten door de "geleerden", de aanhangers van

Confucius en Mencius, herhaald, evenals door hun tegenstanders. Terwijl

het Boeddhisme aan het Confucianisme verweet, dat het zich slechts

om dit leven, niet om het hiernamaals bekommerde, bracht dit laatste

de voorschriften der kinderlijke liefde op den voorgrond. Deze toch

veroordeelden dat zich van de wereld terugtrekken en de daarmee

samenhangende verwaarloozing der door de bloedverwantschap opgelegde

plichten.

Overigens moeten wij ter eere der Chineezen opmerken, dat weliswaar de

strijd tegen Boeddhisme en Taoïsme soms het karakter eener vervolging

aannam, doch dat deze vervolgingen nooit dat bloedig karakter droegen,

waarvan de geschiedenis, zoowel van het Christendom als van het

Mohammedanisme, zooveel voorbeelden weet aan te wijzen.

Wel werden tempels verwoest, kloosters ontbonden en de bewoners naar

de familie teruggezonden, doch bloedige offers werden aan de orthodoxe

leer niet gebracht en ook niet door haar verlangd. Bovendien duurde

het niet lang of het Confucianisme begon tegenover de eigenaardige

leerstukken van net Boeddhisme een andere houding aan te nemen dan

tegenover zijn wijsgeerige zedeleer.

Terwijl het voortging de leerstukken te bestrijden, nam het van de

wijsgeerige zedeleer heel wat over, zoodat ten slotte zelfs de werken

van de voornaamste voorstanders van Confucius, zoo vol waren van

Boeddhistische opvattingen en ideeën, dat men wel toe moet stemmen,

dat in dit opzicht het Boeddhisme een groote uitwerking had.

Tusschen Han Yü, die voor 1100 jaren de leer van Confucius

voorstond en Chu hi, die sedert het einde der 13e eeuw officieel als

vertegenwoordiger der orthodoxe uitlegging wordt beschouwd, bestaat

een dergelijk onderscheid, als er tusschen de strenge Rabbijnen

van Jeruzalem en de Alexandrijnsche Joden der nieuwe school bestaan

heeft. [149] Han Yü komt heftig op tegen het brengen van een reliquie

van Boeddha in het keizerlijk paleis en vraagt, wat de keizer met het

oude, halfvergane gebeente moet aanvangen. Hij sluit zijn pleitrede

hiermede, dat hij het bestaan van de godheid van het Boeddhisme

loochent en deze oproept om, als bewijs dat zij werkelijk bestaat,

hem, haren tegenstander te vernietigen. Dezelfde uitdaging als van

Bradlaugh, den bekenden Engelschen vrijdenker en afgevaardigde in het

lagerhuis, die den God der Christenen opriep om hem, den godloochenaar,

te verpletteren. Alleen Bradlaugh vatte, als zoon der democratische

19e eeuw, de zaak meer dramatisch, openhartig gezegd, dwazer op dan de

Chinees der 8e eeuw; hij toch stelde zijn eisch in een volksvergadering

en gaf God slechts vijf minuten om hem te vernietigen.

Wij laten nu volgen een uittreksel uit eene omschrijving van het

"heilige edict," die weliswaar niet oud is, (uit het begin der

18e eeuw), maar ons een duidelijk beeld geeft van het oordeel der

orthodoxie over Taoïsme en Boeddhisme.

"Van ouds, heet het hier, hebben er drie secten bestaan; naast die

der geleerden, nog die van de Boeddhisten en de Taoïsten. Al het

spreken der Boeddhistische priesters heeft ten doel: zalig te worden,

en gelijk aan Boeddha, den stichter van hun godsdienst. Als een zoon

zijn familie verlaat en priester wordt, zoo zeggen zij, dat negen

geslachten zijner bloedverwanten zeker zijn in den hemel te komen. Denk

nu eens een oogenblik na. Waar is Boeddha? Wat is Boeddha? Boeddha

is het hart. Wat is nadenken over de boeken van Boeddha? Ieder uur

en ieder oogenblik denken aan de leiding van zijn hart. Is het goed,

zoo is het Boeddha. Daarom heet ook het eerste boek hunner secte:

"De weg des harten". De hoofdsom van wat deze weg des harten leert is,

dat het hart recht moet zijn, niet krom, waar, niet huichelachtig,

sterk, niet droomerig. Nijd, toorn en begeerten, deze drie fouten

moeten worden uitgeroeid; alles moet u slechts voorkomen als de bloem

door een spiegel, als de maan in het water, dan zult gij vrij zijn van

vrees en zorgen. Dat is: het hart volmaken. Daarom zegt ook Chu tsze

(Chu hi): de secte van Boeddha bekommert zich, noch om den hemel,

noch om de aarde, noch om iets anders binnen het heelal, zij denkt

slechts aan het hart. In die stelling ligt de geheele oorspronkelijke

leer van Boeddha.

Wat de Taoïsten betreft, zij hechten bizondere waarde aan "den

steen der wijzen", waarmee zij kwikzilver vast willen maken en lood

in goud veranderen, draken en tijgers temmen en wie weet wat voor

verborgenheden nog meer mede bereiden willen. Alles komt echter

neer op de versterking van de (dierlijke) levenskracht: een paar

jaar het leven verlengen dat is alles. Daarom zegt Chu tsze ook:

Waar het de Taoïsten vooral om te doen is, dat is de bewaring van den

levensgeest. In die stelling ligt de gansche leer van Tao opgesloten.

"Nu is het wel waar, dat de uitnemendsten onder de Boeddhistische

priesters, die in de kloosters op de beroemde heuvelen wonen en

het goed verstaan leeringen voor te dragen, alles op één woord: het

hart terugbrengen en dat de brave doctoren van Tao, die diep in de

kloven en holen der bergen naar de verkrijging der onsterfelijkheid

trachten, alles samenvatten in dit ééne: de wedergeboorte des geestes,

doch, als wij de zaak nu eens goed bekijken, dan zien wij nog wat

anders. Dat zich terugtrekken in de eenzaamheid, waar noch menschen

zijn noch de rook van menschelijke woningen is, dat met gekruiste

beenen in diep stilzwijgen neerzitten, wat is het anders, dan de

wederkeerige verplichtingen des levens met den wortel uittrekken

en verwoesten? Verre zij het van ons te denken, dat zij Boeddha

niet gelijk zouden kunnen worden of den rang der onsterfelijken

bereiken, doch: als zij dat kunnen, wie heeft sommigen ten hemel

zien varen en anderen midden op den dag hun vlucht opwaarts zien

nemen? Dat zijn alles slechts fopperijen. Toch gelooft het domme

volk alles en laat zich gemakkelijk wat op den mouw spelden. Zie

maar naar de strenge priesters van Boeddha en de doctoren van Tao,

die de menschen wedergeboren doen worden: zij allen verstoren--tot

geen enkel redelijk doel--de betrekkingen des menschelijken levens:

zij zijn voor de maatschappij nog niet de pluim van een veer waard!

"Hoewel zij echter steeds zelfzuchtig waren en slechts dachten, aan

wat hun eigen persoon aanging, zoo hadden zij toch in oude tijden

geenszins de bedoeling om iemand anders te schaden. Nu is echter eene

klasse van personen onder hen opgestaan, die zonder middel van bestaan

of tehuis zich op de kloosters verlaten en in den tempel hun woning

nemen. Deze menschen schermen met den naam Boeddha en bedenken een

menigte dwaze sprookjes over hemelsche paleizen, onderaardsche holen,

zielsverhuizing en vergelding. Volgens hen is het allereervolste: een

priester te voeden en vrijgevig jegens de goden te zijn; zij noemen

dat: zaaien op den akker der zegeningen! Zij zeggen: "Geef altijd

en gij zult altijd hebben." En, opdat het volk hen gelooven moge,

voegen zij er bij: "Veracht de priesters, bespot Boeddha, bespot de

geboden, weiger vereering aan de goden, geef geen aalmoezen èn--gij

kunt zeker zijn van in de hel te worden geslingerd. De dondersteen

zal u treffen, de bliksem u verteren!" Alle soorten van sprookjes en

geschiedenissen vertellen zij om het volk bang te maken, opdat het

geloove, zich onderwerpe en betale. Eerst weten zij nog alleen maar den

lieden hun geld afhandig te maken, ten einde het in hun eigen zak te

steken. Langzamerhand echter gaan zij tot de grootste onbehoorlijkheden

over. Zij roepen--hoe zal ik het zeggen--vergaderingen op ter eere

van den versierden draak, de vrome wees, de reine bloem, waarin zij

de klokken luiden, de pauken slaan, waarin zij allerlei uitleggen en

bevelen en mannen en vrouwen te zamen brengen, die dag en nacht niet

uit elkaar gaan. Nu heet het wel, dat de lieden voor goede doeleinden

deze vergaderingen bevelen, doch ieder weet, dat het juist omgekeerd

geschiedt om booze dingen te doen.

"Gij eenvoudig volk kunt het valsche van het ware niet

onderscheiden! Was niet Boeddha, naar wat de boeken over hem zeggen,

de eerstgeboren zoon van koning Fan? en toch trok hij zich uit de

wereld terug en vluchtte geheel alleen op den top der besneeuwde bergen

om zich aan de deugd te wijden. Wanneer hij voor zijn eigen vader,

zijn moeder, zijn vrouw en kinderen geen zorg droeg, zijt gij dan

zoo dwaas nog te meenen, dat hij zorgen zou voor de groote menigte

en haar zijn wetten en leeringen zou verkondigen?

Het keizerlijk slot, de vertrekken der koningin, de troonzaal en de

feestzalen, dat alles verachtte hij. Zou het nu niet vreemd zijn,

als hij in verrukking kwam over de nonnen- en monnikenkloosters, de

tempels en kerkelijke gebouwen, die gij voor hem opricht? En indien

er werkelijk (zooals de Taoïsten leeren) een hoogste God in den hemel

leeft, zou Hij zich dan daar niet kunnen vermaken overeenkomstig Zijn

eigen smaak, zoudt gij dan voor Hem een lichaam van gesmolten goud

moeten maken en een huis, waarin Hij wonen kan?

"Al die onzinnige geschiedenissen over vasten en collecten,

tempelgebouwen en oprichten van beelden, zijn uitvindingen van

rondzwervende, nietswaardige priesters en monniken om u zand in de

oogen te strooien. En toch gelooft gij ze en gaat niet slechts zelf

in de tempels om te bidden en te wierooken, maar laat ook uw vrouwen

en dochters toe ditzelfde te doen. Met heur haar vol pommade en

met geblankette aangezichten, in roode kleeren met groene oplegsels

trekken zij uit om wierook in de tempels te branden en dringen zich

met Boeddhistische en Taoïstische priesters schouder aan schouder, arm

aan arm, gestompt door de opdringende menigte. Ik zie er het goede niet

van in dat zij meenen te doen, in tegendeel, zij doen veel schandelijke

dingen, die ergernis opwekken en aanleiding geven tot hoon en spot.

"Dan zijn er lieden, die bevreesd, dat hun lieve jongens en meisjes

niet lang genoeg zullen leven, ze aan den tempel overgeven om priesters

en priesteressen van Boeddha of Tao te worden, zich inbeeldend dat,

wanneer zij eenmaal hun huis hebben verlaten en zich aan de voeten

van grootvader Boeddha hebben neergezet, daardoor zeker hun leven

zal worden verlengd. Kan men dan, zoo zou ik willen vragen, volhouden

dat zij, die in onzen tijd priesters van Boeddha of Tao zijn, allen

den leeftijd van 70 jaar zullen bereiken, en er geen onder hen is,

die slechts kort leeft?

"Wederom is er nog een andere klasse van bizonder domme lieden, die

wijl hun ouders krank zijn, zichzelf den goden als offer aanbieden. Zij

beloven, dat, als hun ouders gezond worden, zij zullen trekken naar

een heiligen berg om daar te bidden en wierook te verbranden; bij

iedere schrede zullen zij zich neerwerpen, totdat zij op den top van

den berg komen, vanwaar zij zich dan naar beneden storten. Indien zij

daarbij het leven al niet inschieten, armen en beenen breken zij er

toch bij. Zij zelf zeggen: "Ons eigen leven prijs te geven om dat onzer

ouders te redden is het grootste bewijs van kinderlijke liefde." De

omstanders prijzen hen ook als goede kinderen, doch, zij bedenken niet,

dat op die wijze het lichaam weg werpen, dat zij toch van hunne ouders

ontvingen, integendeel een zeer onkinderlijk gemoed verraadt.

"Verder zegt gij, dat de Boeddha-vereering zeer voordeelig is, dat,

als men papieren afbeeldingen van geld verbrandt, geschenken offert en

vast, uw God Boeddha alle ongeluk van u zal afwenden, uwe zonden zal

wegnemen, uw geluk vermeerderen en uw leven verlengen zal. Denkt nu

eens na. Van ouds heet het: De goden zijn goed. Was dit nu met Boeddha

het geval, hoe kan hij dan begeerig verlangen, dat gij hem met uw

goudpapier en uwe geschenken zoudt bewegen om u te beschermen? En als

gij hem geen goudpapier verbrandt en geen gaven op zijn altaar legt zal

Boeddha op u toornig zijn en zijne straffen u toezenden! Dan is immers

uw god Boeddha een onwaardige! Neemt nu eens uw districtsrechter. Al

zoudt gij hem ook nooit hoffelijkheden bewijzen en vleien, toch zal

hij u, als gij maar goede en vlijtige menschen zijt, die uw plicht

doet, met groote welwillendheid behandelen. Overtreedt gij echter de

wetten, pleegt gij daden van geweld en matigt gij u de rechten van

anderen aan, zoo zal hij, al hebt gij ook allerlei middelen en wegen

om hem te vleien, toch ontevreden over u zijn en zulk gespuis uit de

maatschappij weten te verwijderen.

"Gij zegt, dat uwe vereering van Boeddha u vergeving der zonden

verschaft, doch, stelt nu eens, dat gij in een of ander opzicht de wet

hebt overtreden en in de rechtszaal verschijnen moet, om uw straf te

vernemen, meent gij dan, dat de rechter u zal sparen, al roept gij ook

nog zoo dikwijls, al ware het duizend malen: Genadigste heer rechter?

"Gij wilt echter, om voor ieder geval gedekt te wezen een paar

Boeddhistische en Taoïstische priesters bij u hebben, opdat zij u de

heilige boeken voorlezen en u de biecht afnemen: want gij gelooft,

dat het voorlezen der boeken de ellende verdrijft, geluk aanbrengt en

het leven verlengt. Maar stel nu eens, dat gij u tevreden stelt met

de verschillende gedeelten van dit "heilig edict" eenige duizende

of honderdduizende malen te lezen, zonder daarnaar te handelen,

meent gij dat de keizer daarover bizonder verrukt zal zijn, u met

geld beloonen en in het ambt bevorderen zal?"

Tot dusverre dit "heilig edict." We kunnen er uit zien, dat zeven

eeuwen niet veel hebben veranderd in de opvatting der Chineesche

geleerden. Doch--terwijl de dogmatische zijde van het Boeddhisme weinig

genade vond in de oogen der orthodoxe volgelingen van Confucius, heeft

zich, sedert de Sang-dynastie, in de school van Chu hi, een sterke

neiging tot Boeddhistische en Taoïstische bespiegelingen vertoond. In

het bizonder wat betreft vragen over de kosmogonie, het ontstaan

der wereld. Terwijl de geleerden zich met bespiegelingen over deze

onderwerpen bezig hielden, wijdden zij zich ook, sinds de 12e eeuw,

aan de oplossing van vraagstukken, die ons als spel moeten voorkomen,

doch die daarom niet minder de knapste koppen uit dien tijd in beslag

namen en daarom althans een korte vermelding verdienen.

Ho tu Loh shu, "het plan van Ho en de rol van Loh", is de Chineesche

naam voor de mythische overleveringen, waarop blijkbaar "het groote

plan" van den graaf van Ki berust. Het "groote plan" is de titel

van een der geschriften van Shu-king, het boek der historische

opteekeningen, dat in acht afdeelingen voorschriften behelst over

de wijze, waarop het volk door de volkomenheid van den vorst en de

daaruit voortvloeiende voortreffelijkheid der regeering gelukkig en

tevreden kan worden. Dit geschrift werd blijkbaar tegen het einde der

12e eeuw door den keizer Wu aan den graaf van Ki meegedeeld, welke,

hoewel door den laatsten heerscher der Shang dynastie ingekerkerd,

toch de aan dezen gezworen trouw wilde houden en den nieuwen keizer

niet wilde huldigen. Ja toen hij door dezen in vrijheid werd gesteld,

vluchtte hij naar Korea, met welk land hem Wu ten slotte zou hebben

beleend.

In het gedeelte van den commentaar op I-king, dat aan Confucius

wordt toegeschreven, heet het: De gele rivier (Ho) bracht het plan

voort en de rivier Loh de rol. In de "gesprekken" zegt Confucius:

de rivier brengt geen plan meer voort, en op een andere plaats vindt

men: de rivier bracht het plan van het paard voort.

Naar deze grondslagen fantaseerde Kung Ngan Kwoh, een afstammeling van

Confucius in het 12e lid, een man die in de 2e eeuw voor Christus bij

het terugvinden en verklaren der kanonieke geschriften een groote rol

speelde, de volgende geschiedenis: Een draak (een gevleugeld paard)

steeg op uit de wateren der gele rivier. Hij vertoonde op zijn rug

een rangschikking van zinnebeelden, waaruit de (fabel) keizer Fu hi

het systeem van Pa kwa (acht maal drie letters) afleidde. Ook toonde

een goddelijke schildpad aan den witten Yü een rol, die beschreven

was met getallen van uit één tot negen teekens bestaande waaruit dan

Yü den grondslag zijner negenvoudige wijsbegeerte zou hebben gevormd.

Sedert de dynastie van Han hebben de Chineesche geleerden zich met

deze beide mystieke openbaringen (het plan en de rol) het hoofd

gebroken, doch onder de dynastie van Sung werd, voor het eerst

tijdens de regeering van keizer Hwei Tsung (1106-1125) beproefd om

die zinnebeelden in beeld te brengen en uit hen de grondslag eener

diepzinnige of kinderachtige (het oordeel hierover is verschillend)

philosophie der getallen af te leiden. Eerst onder Sung's regeering

nam men echter deze quaestie met ernst ter hand en slechts een enkele

geleerde dier dagen, An yang sin, die van 1017-1072 leefde, heeft het

gewaagd het bestaan van het paardeplan en de schildpadrol te loochenen.

De volgende eeuwen hielden aan de commentaren van Chu hi [150] en

zijn school vast; eerst tegen het einde van de 16e eeuw begon zich

de kritiek daartegen te verheffen, en korten tijd voor den val van

den laatsten keizer uit de dynastie Ming richtte een aantal van

beroemde geleerden aan dezen het verzoek om de oudere teksten en

commentaren aan de staatsexamens ten grondslag te leggen: dat wil

zeggen den invloed der Boeddhistische en Taoïstische leeringen op

het staats-Confucianisme te breken.

De met den ondergang der Ming-dynastie en der verovering van China door

de Mandschoeren gepaard gaande strijd en onrust lieten het denkbeeld

echter niet tot uitvoering komen, maar het telt nog talrijke aanhangers

onder de Chineesche letterkundigen, al vindt het ook in den nieuweren

tijd geen bepaald officieuse uitdrukking in een protest tegen het

aanhouden der nog steeds als orthodox geldende verklaringen van Chu hi.

De thans in China regeerende Mandschoe-dynastie heeft meer dan

een harer voorgangsters voor de bewaring en onderhouding van het

Confucianisme gedaan. Zeker wel omdat zij, door eerbied voor wat

den Chineezen het dierbaarste is, de vreemde overheersching minder

drukkend wilde doen schijnen. Zij heeft echter ook meer dan eene der

vroegere regeeringen het Confucianisme voor haar doeleinden gebruikt

en zijne leeringen voor staatsdoeleinden pasklaar gemaakt. De sterkste

uitdrukking vindt deze politiek in het door keizer Kang hi in 1670

bekend gemaakte "heilige edict", dat in zestien afdeelingen alles

samenvat, wat de onderdaan heeft in acht te nemen.

De keizer gaf deze verordeningen, toen hij 16 jaar oud was:

waarschijnlijk daartoe genoopt door het politiek drijven van met het

Taoïsme samenhangende vereenigingen. Als grond van zijn edict gaf hij

deze overweging, "dat de zedelijkheid sedert eenigen tijd dagelijks

was afgenomen en de harten der menschen niet meer dezelfde waren als

vroeger." Als vader zijns volks wilde hij in weinige stellingen de

grondregelen aangeven, die zijn leerlingen tot richtsnoer in alle

betrekkingen des levens moesten dienen en wier opvolging hen zelve

goed en gelukkig, hem echter tot heerscher van een talrijk, goed

gevoed en beschaafd volk zou maken.

Het edict moest op den 1en en den 15en van iedere maand overal openlijk

worden voorgelezen, wat ook thans nog in zooverre geschiedt, dat een

der afdeelingen wordt voorgelezen, verklaard en uitgelegd. Behalve

de beambten, die daarbij krachtens hun betrekking tegenwoordig moeten

zijn, komen er echter gewoonlijk slechts enkele toehoorders.

Bij herhaling heeft men beproefd om bij deze voorlezingen een grooteren

kring van toehoorders bijeen te brengen; zoo voor eenige jaren in

Canton, met het doel om de zendelingen tegen te werken.

Iedere afdeeling bestaat uit zeven teekens, van welke de eerste drie

het voorschrift behelzen, de laatste drie het doel, dat men door de

opvolging van het geschrift bereikt: een in China zeer gebruikelijke

verbinding van nuttigheid en leering. Het vierde teeken is in iedere

afdeeling hetzelfde en beteekent "om" of "opdat".

Van ieder der 16 sententiën schreef keizer Yung Cheng, de zoon

en opvolger van Kang hi, in 1724 een verklaring, welke bij de

voorlezingen de plaats van vroegere verklaringen inneemt. Een nog

uitvoeriger omschrijving werd later in 't licht gegeven door zekeren

zout-commissaris in Shensi, Wang Yü po geheeten. Deze wordt als een

waar meesterstuk beschouwd, omdat zij zoo begrijpelijk is en door het

invlechten van historische voorbeelden, aanhalingen en spreekwoorden

zoowel leerzaam als onderhoudend mag heeten. De straks aangehaalde

pleitrede tegen Boeddha en Tao [151] is hier weggelaten. Overigens zijn

er vele pogingen gedaan om "het heilige edict" populair te maken. In

1681 gaf zekere districts-magistraat in Anhui, Liang Yen nien,

een werk uit met 200 platen, welke, evenals de daarbij behoorende

geschiedenissen bestemd waren om de voorschriften des keizers op te

helderen en te illustreeren.

In 1879 werd een ander dergelijk werk in Shanghai door een Chineesch

photographisch instituut gepubliceerd en in Canton bestaat een

omschrijving van het edict in verzen.

We laten nu, hier en daar een enkele opmerking makend, de verschillende

sententiën van dit edict volgen:

1. Neemt de kinderlijke en broederlijke plichten in acht, opdat de

wederkeerige betrekkingen des levens behoorlijk in stand blijven.

2. Acht uw bloedverwanten, opdat gij de voordeelen van een goede

verstandhouding moogt toonen.

3. Leeft op goeden voet met uw naburen, opdat gij rechtsquaesties

moogt vermijden. [152]

4. Legt u toe op den landbouw en het kweeken van moerbeiboomen [153]

om voldoende voeding en kleeding te hebben.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 26 / 78 题