Het zou ons te ver voeren dien strijd in bizonderheden te volgen:
bovendien werden, gedurende de eeuwen, waarin die strijd werd gevoerd,
altijd weer dezelfde argumenten door de "geleerden", de aanhangers van
Confucius en Mencius, herhaald, evenals door hun tegenstanders. Terwijl
het Boeddhisme aan het Confucianisme verweet, dat het zich slechts
om dit leven, niet om het hiernamaals bekommerde, bracht dit laatste
de voorschriften der kinderlijke liefde op den voorgrond. Deze toch
veroordeelden dat zich van de wereld terugtrekken en de daarmee
samenhangende verwaarloozing der door de bloedverwantschap opgelegde
plichten.
Overigens moeten wij ter eere der Chineezen opmerken, dat weliswaar de
strijd tegen Boeddhisme en Taoïsme soms het karakter eener vervolging
aannam, doch dat deze vervolgingen nooit dat bloedig karakter droegen,
waarvan de geschiedenis, zoowel van het Christendom als van het
Mohammedanisme, zooveel voorbeelden weet aan te wijzen.
Wel werden tempels verwoest, kloosters ontbonden en de bewoners naar
de familie teruggezonden, doch bloedige offers werden aan de orthodoxe
leer niet gebracht en ook niet door haar verlangd. Bovendien duurde
het niet lang of het Confucianisme begon tegenover de eigenaardige
leerstukken van net Boeddhisme een andere houding aan te nemen dan
tegenover zijn wijsgeerige zedeleer.
Terwijl het voortging de leerstukken te bestrijden, nam het van de
wijsgeerige zedeleer heel wat over, zoodat ten slotte zelfs de werken
van de voornaamste voorstanders van Confucius, zoo vol waren van
Boeddhistische opvattingen en ideeën, dat men wel toe moet stemmen,
dat in dit opzicht het Boeddhisme een groote uitwerking had.
Tusschen Han Yü, die voor 1100 jaren de leer van Confucius
voorstond en Chu hi, die sedert het einde der 13e eeuw officieel als
vertegenwoordiger der orthodoxe uitlegging wordt beschouwd, bestaat
een dergelijk onderscheid, als er tusschen de strenge Rabbijnen
van Jeruzalem en de Alexandrijnsche Joden der nieuwe school bestaan
heeft. [149] Han Yü komt heftig op tegen het brengen van een reliquie
van Boeddha in het keizerlijk paleis en vraagt, wat de keizer met het
oude, halfvergane gebeente moet aanvangen. Hij sluit zijn pleitrede
hiermede, dat hij het bestaan van de godheid van het Boeddhisme
loochent en deze oproept om, als bewijs dat zij werkelijk bestaat,
hem, haren tegenstander te vernietigen. Dezelfde uitdaging als van
Bradlaugh, den bekenden Engelschen vrijdenker en afgevaardigde in het
lagerhuis, die den God der Christenen opriep om hem, den godloochenaar,
te verpletteren. Alleen Bradlaugh vatte, als zoon der democratische
19e eeuw, de zaak meer dramatisch, openhartig gezegd, dwazer op dan de
Chinees der 8e eeuw; hij toch stelde zijn eisch in een volksvergadering
en gaf God slechts vijf minuten om hem te vernietigen.
Wij laten nu volgen een uittreksel uit eene omschrijving van het
"heilige edict," die weliswaar niet oud is, (uit het begin der
18e eeuw), maar ons een duidelijk beeld geeft van het oordeel der
orthodoxie over Taoïsme en Boeddhisme.
"Van ouds, heet het hier, hebben er drie secten bestaan; naast die
der geleerden, nog die van de Boeddhisten en de Taoïsten. Al het
spreken der Boeddhistische priesters heeft ten doel: zalig te worden,
en gelijk aan Boeddha, den stichter van hun godsdienst. Als een zoon
zijn familie verlaat en priester wordt, zoo zeggen zij, dat negen
geslachten zijner bloedverwanten zeker zijn in den hemel te komen. Denk
nu eens een oogenblik na. Waar is Boeddha? Wat is Boeddha? Boeddha
is het hart. Wat is nadenken over de boeken van Boeddha? Ieder uur
en ieder oogenblik denken aan de leiding van zijn hart. Is het goed,
zoo is het Boeddha. Daarom heet ook het eerste boek hunner secte:
"De weg des harten". De hoofdsom van wat deze weg des harten leert is,
dat het hart recht moet zijn, niet krom, waar, niet huichelachtig,
sterk, niet droomerig. Nijd, toorn en begeerten, deze drie fouten
moeten worden uitgeroeid; alles moet u slechts voorkomen als de bloem
door een spiegel, als de maan in het water, dan zult gij vrij zijn van
vrees en zorgen. Dat is: het hart volmaken. Daarom zegt ook Chu tsze
(Chu hi): de secte van Boeddha bekommert zich, noch om den hemel,
noch om de aarde, noch om iets anders binnen het heelal, zij denkt
slechts aan het hart. In die stelling ligt de geheele oorspronkelijke
leer van Boeddha.
Wat de Taoïsten betreft, zij hechten bizondere waarde aan "den
steen der wijzen", waarmee zij kwikzilver vast willen maken en lood
in goud veranderen, draken en tijgers temmen en wie weet wat voor
verborgenheden nog meer mede bereiden willen. Alles komt echter
neer op de versterking van de (dierlijke) levenskracht: een paar
jaar het leven verlengen dat is alles. Daarom zegt Chu tsze ook:
Waar het de Taoïsten vooral om te doen is, dat is de bewaring van den
levensgeest. In die stelling ligt de gansche leer van Tao opgesloten.
"Nu is het wel waar, dat de uitnemendsten onder de Boeddhistische
priesters, die in de kloosters op de beroemde heuvelen wonen en
het goed verstaan leeringen voor te dragen, alles op één woord: het
hart terugbrengen en dat de brave doctoren van Tao, die diep in de
kloven en holen der bergen naar de verkrijging der onsterfelijkheid
trachten, alles samenvatten in dit ééne: de wedergeboorte des geestes,
doch, als wij de zaak nu eens goed bekijken, dan zien wij nog wat
anders. Dat zich terugtrekken in de eenzaamheid, waar noch menschen
zijn noch de rook van menschelijke woningen is, dat met gekruiste
beenen in diep stilzwijgen neerzitten, wat is het anders, dan de
wederkeerige verplichtingen des levens met den wortel uittrekken
en verwoesten? Verre zij het van ons te denken, dat zij Boeddha
niet gelijk zouden kunnen worden of den rang der onsterfelijken
bereiken, doch: als zij dat kunnen, wie heeft sommigen ten hemel
zien varen en anderen midden op den dag hun vlucht opwaarts zien
nemen? Dat zijn alles slechts fopperijen. Toch gelooft het domme
volk alles en laat zich gemakkelijk wat op den mouw spelden. Zie
maar naar de strenge priesters van Boeddha en de doctoren van Tao,
die de menschen wedergeboren doen worden: zij allen verstoren--tot
geen enkel redelijk doel--de betrekkingen des menschelijken levens:
zij zijn voor de maatschappij nog niet de pluim van een veer waard!
"Hoewel zij echter steeds zelfzuchtig waren en slechts dachten, aan
wat hun eigen persoon aanging, zoo hadden zij toch in oude tijden
geenszins de bedoeling om iemand anders te schaden. Nu is echter eene
klasse van personen onder hen opgestaan, die zonder middel van bestaan
of tehuis zich op de kloosters verlaten en in den tempel hun woning
nemen. Deze menschen schermen met den naam Boeddha en bedenken een
menigte dwaze sprookjes over hemelsche paleizen, onderaardsche holen,
zielsverhuizing en vergelding. Volgens hen is het allereervolste: een
priester te voeden en vrijgevig jegens de goden te zijn; zij noemen
dat: zaaien op den akker der zegeningen! Zij zeggen: "Geef altijd
en gij zult altijd hebben." En, opdat het volk hen gelooven moge,
voegen zij er bij: "Veracht de priesters, bespot Boeddha, bespot de
geboden, weiger vereering aan de goden, geef geen aalmoezen èn--gij
kunt zeker zijn van in de hel te worden geslingerd. De dondersteen
zal u treffen, de bliksem u verteren!" Alle soorten van sprookjes en
geschiedenissen vertellen zij om het volk bang te maken, opdat het
geloove, zich onderwerpe en betale. Eerst weten zij nog alleen maar den
lieden hun geld afhandig te maken, ten einde het in hun eigen zak te
steken. Langzamerhand echter gaan zij tot de grootste onbehoorlijkheden
over. Zij roepen--hoe zal ik het zeggen--vergaderingen op ter eere
van den versierden draak, de vrome wees, de reine bloem, waarin zij
de klokken luiden, de pauken slaan, waarin zij allerlei uitleggen en
bevelen en mannen en vrouwen te zamen brengen, die dag en nacht niet
uit elkaar gaan. Nu heet het wel, dat de lieden voor goede doeleinden
deze vergaderingen bevelen, doch ieder weet, dat het juist omgekeerd
geschiedt om booze dingen te doen.
"Gij eenvoudig volk kunt het valsche van het ware niet
onderscheiden! Was niet Boeddha, naar wat de boeken over hem zeggen,
de eerstgeboren zoon van koning Fan? en toch trok hij zich uit de
wereld terug en vluchtte geheel alleen op den top der besneeuwde bergen
om zich aan de deugd te wijden. Wanneer hij voor zijn eigen vader,
zijn moeder, zijn vrouw en kinderen geen zorg droeg, zijt gij dan
zoo dwaas nog te meenen, dat hij zorgen zou voor de groote menigte
en haar zijn wetten en leeringen zou verkondigen?
Het keizerlijk slot, de vertrekken der koningin, de troonzaal en de
feestzalen, dat alles verachtte hij. Zou het nu niet vreemd zijn,
als hij in verrukking kwam over de nonnen- en monnikenkloosters, de
tempels en kerkelijke gebouwen, die gij voor hem opricht? En indien
er werkelijk (zooals de Taoïsten leeren) een hoogste God in den hemel
leeft, zou Hij zich dan daar niet kunnen vermaken overeenkomstig Zijn
eigen smaak, zoudt gij dan voor Hem een lichaam van gesmolten goud
moeten maken en een huis, waarin Hij wonen kan?
"Al die onzinnige geschiedenissen over vasten en collecten,
tempelgebouwen en oprichten van beelden, zijn uitvindingen van
rondzwervende, nietswaardige priesters en monniken om u zand in de
oogen te strooien. En toch gelooft gij ze en gaat niet slechts zelf
in de tempels om te bidden en te wierooken, maar laat ook uw vrouwen
en dochters toe ditzelfde te doen. Met heur haar vol pommade en
met geblankette aangezichten, in roode kleeren met groene oplegsels
trekken zij uit om wierook in de tempels te branden en dringen zich
met Boeddhistische en Taoïstische priesters schouder aan schouder, arm
aan arm, gestompt door de opdringende menigte. Ik zie er het goede niet
van in dat zij meenen te doen, in tegendeel, zij doen veel schandelijke
dingen, die ergernis opwekken en aanleiding geven tot hoon en spot.
"Dan zijn er lieden, die bevreesd, dat hun lieve jongens en meisjes
niet lang genoeg zullen leven, ze aan den tempel overgeven om priesters
en priesteressen van Boeddha of Tao te worden, zich inbeeldend dat,
wanneer zij eenmaal hun huis hebben verlaten en zich aan de voeten
van grootvader Boeddha hebben neergezet, daardoor zeker hun leven
zal worden verlengd. Kan men dan, zoo zou ik willen vragen, volhouden
dat zij, die in onzen tijd priesters van Boeddha of Tao zijn, allen
den leeftijd van 70 jaar zullen bereiken, en er geen onder hen is,
die slechts kort leeft?
"Wederom is er nog een andere klasse van bizonder domme lieden, die
wijl hun ouders krank zijn, zichzelf den goden als offer aanbieden. Zij
beloven, dat, als hun ouders gezond worden, zij zullen trekken naar
een heiligen berg om daar te bidden en wierook te verbranden; bij
iedere schrede zullen zij zich neerwerpen, totdat zij op den top van
den berg komen, vanwaar zij zich dan naar beneden storten. Indien zij
daarbij het leven al niet inschieten, armen en beenen breken zij er
toch bij. Zij zelf zeggen: "Ons eigen leven prijs te geven om dat onzer
ouders te redden is het grootste bewijs van kinderlijke liefde." De
omstanders prijzen hen ook als goede kinderen, doch, zij bedenken niet,
dat op die wijze het lichaam weg werpen, dat zij toch van hunne ouders
ontvingen, integendeel een zeer onkinderlijk gemoed verraadt.
"Verder zegt gij, dat de Boeddha-vereering zeer voordeelig is, dat,
als men papieren afbeeldingen van geld verbrandt, geschenken offert en
vast, uw God Boeddha alle ongeluk van u zal afwenden, uwe zonden zal
wegnemen, uw geluk vermeerderen en uw leven verlengen zal. Denkt nu
eens na. Van ouds heet het: De goden zijn goed. Was dit nu met Boeddha
het geval, hoe kan hij dan begeerig verlangen, dat gij hem met uw
goudpapier en uwe geschenken zoudt bewegen om u te beschermen? En als
gij hem geen goudpapier verbrandt en geen gaven op zijn altaar legt zal
Boeddha op u toornig zijn en zijne straffen u toezenden! Dan is immers
uw god Boeddha een onwaardige! Neemt nu eens uw districtsrechter. Al
zoudt gij hem ook nooit hoffelijkheden bewijzen en vleien, toch zal
hij u, als gij maar goede en vlijtige menschen zijt, die uw plicht
doet, met groote welwillendheid behandelen. Overtreedt gij echter de
wetten, pleegt gij daden van geweld en matigt gij u de rechten van
anderen aan, zoo zal hij, al hebt gij ook allerlei middelen en wegen
om hem te vleien, toch ontevreden over u zijn en zulk gespuis uit de
maatschappij weten te verwijderen.
"Gij zegt, dat uwe vereering van Boeddha u vergeving der zonden
verschaft, doch, stelt nu eens, dat gij in een of ander opzicht de wet
hebt overtreden en in de rechtszaal verschijnen moet, om uw straf te
vernemen, meent gij dan, dat de rechter u zal sparen, al roept gij ook
nog zoo dikwijls, al ware het duizend malen: Genadigste heer rechter?
"Gij wilt echter, om voor ieder geval gedekt te wezen een paar
Boeddhistische en Taoïstische priesters bij u hebben, opdat zij u de
heilige boeken voorlezen en u de biecht afnemen: want gij gelooft,
dat het voorlezen der boeken de ellende verdrijft, geluk aanbrengt en
het leven verlengt. Maar stel nu eens, dat gij u tevreden stelt met
de verschillende gedeelten van dit "heilig edict" eenige duizende
of honderdduizende malen te lezen, zonder daarnaar te handelen,
meent gij dat de keizer daarover bizonder verrukt zal zijn, u met
geld beloonen en in het ambt bevorderen zal?"
Tot dusverre dit "heilig edict." We kunnen er uit zien, dat zeven
eeuwen niet veel hebben veranderd in de opvatting der Chineesche
geleerden. Doch--terwijl de dogmatische zijde van het Boeddhisme weinig
genade vond in de oogen der orthodoxe volgelingen van Confucius, heeft
zich, sedert de Sang-dynastie, in de school van Chu hi, een sterke
neiging tot Boeddhistische en Taoïstische bespiegelingen vertoond. In
het bizonder wat betreft vragen over de kosmogonie, het ontstaan
der wereld. Terwijl de geleerden zich met bespiegelingen over deze
onderwerpen bezig hielden, wijdden zij zich ook, sinds de 12e eeuw,
aan de oplossing van vraagstukken, die ons als spel moeten voorkomen,
doch die daarom niet minder de knapste koppen uit dien tijd in beslag
namen en daarom althans een korte vermelding verdienen.
Ho tu Loh shu, "het plan van Ho en de rol van Loh", is de Chineesche
naam voor de mythische overleveringen, waarop blijkbaar "het groote
plan" van den graaf van Ki berust. Het "groote plan" is de titel
van een der geschriften van Shu-king, het boek der historische
opteekeningen, dat in acht afdeelingen voorschriften behelst over
de wijze, waarop het volk door de volkomenheid van den vorst en de
daaruit voortvloeiende voortreffelijkheid der regeering gelukkig en
tevreden kan worden. Dit geschrift werd blijkbaar tegen het einde der
12e eeuw door den keizer Wu aan den graaf van Ki meegedeeld, welke,
hoewel door den laatsten heerscher der Shang dynastie ingekerkerd,
toch de aan dezen gezworen trouw wilde houden en den nieuwen keizer
niet wilde huldigen. Ja toen hij door dezen in vrijheid werd gesteld,
vluchtte hij naar Korea, met welk land hem Wu ten slotte zou hebben
beleend.
In het gedeelte van den commentaar op I-king, dat aan Confucius
wordt toegeschreven, heet het: De gele rivier (Ho) bracht het plan
voort en de rivier Loh de rol. In de "gesprekken" zegt Confucius:
de rivier brengt geen plan meer voort, en op een andere plaats vindt
men: de rivier bracht het plan van het paard voort.
Naar deze grondslagen fantaseerde Kung Ngan Kwoh, een afstammeling van
Confucius in het 12e lid, een man die in de 2e eeuw voor Christus bij
het terugvinden en verklaren der kanonieke geschriften een groote rol
speelde, de volgende geschiedenis: Een draak (een gevleugeld paard)
steeg op uit de wateren der gele rivier. Hij vertoonde op zijn rug
een rangschikking van zinnebeelden, waaruit de (fabel) keizer Fu hi
het systeem van Pa kwa (acht maal drie letters) afleidde. Ook toonde
een goddelijke schildpad aan den witten Yü een rol, die beschreven
was met getallen van uit één tot negen teekens bestaande waaruit dan
Yü den grondslag zijner negenvoudige wijsbegeerte zou hebben gevormd.
Sedert de dynastie van Han hebben de Chineesche geleerden zich met
deze beide mystieke openbaringen (het plan en de rol) het hoofd
gebroken, doch onder de dynastie van Sung werd, voor het eerst
tijdens de regeering van keizer Hwei Tsung (1106-1125) beproefd om
die zinnebeelden in beeld te brengen en uit hen de grondslag eener
diepzinnige of kinderachtige (het oordeel hierover is verschillend)
philosophie der getallen af te leiden. Eerst onder Sung's regeering
nam men echter deze quaestie met ernst ter hand en slechts een enkele
geleerde dier dagen, An yang sin, die van 1017-1072 leefde, heeft het
gewaagd het bestaan van het paardeplan en de schildpadrol te loochenen.
De volgende eeuwen hielden aan de commentaren van Chu hi [150] en
zijn school vast; eerst tegen het einde van de 16e eeuw begon zich
de kritiek daartegen te verheffen, en korten tijd voor den val van
den laatsten keizer uit de dynastie Ming richtte een aantal van
beroemde geleerden aan dezen het verzoek om de oudere teksten en
commentaren aan de staatsexamens ten grondslag te leggen: dat wil
zeggen den invloed der Boeddhistische en Taoïstische leeringen op
het staats-Confucianisme te breken.
De met den ondergang der Ming-dynastie en der verovering van China door
de Mandschoeren gepaard gaande strijd en onrust lieten het denkbeeld
echter niet tot uitvoering komen, maar het telt nog talrijke aanhangers
onder de Chineesche letterkundigen, al vindt het ook in den nieuweren
tijd geen bepaald officieuse uitdrukking in een protest tegen het
aanhouden der nog steeds als orthodox geldende verklaringen van Chu hi.
De thans in China regeerende Mandschoe-dynastie heeft meer dan
een harer voorgangsters voor de bewaring en onderhouding van het
Confucianisme gedaan. Zeker wel omdat zij, door eerbied voor wat
den Chineezen het dierbaarste is, de vreemde overheersching minder
drukkend wilde doen schijnen. Zij heeft echter ook meer dan eene der
vroegere regeeringen het Confucianisme voor haar doeleinden gebruikt
en zijne leeringen voor staatsdoeleinden pasklaar gemaakt. De sterkste
uitdrukking vindt deze politiek in het door keizer Kang hi in 1670
bekend gemaakte "heilige edict", dat in zestien afdeelingen alles
samenvat, wat de onderdaan heeft in acht te nemen.
De keizer gaf deze verordeningen, toen hij 16 jaar oud was:
waarschijnlijk daartoe genoopt door het politiek drijven van met het
Taoïsme samenhangende vereenigingen. Als grond van zijn edict gaf hij
deze overweging, "dat de zedelijkheid sedert eenigen tijd dagelijks
was afgenomen en de harten der menschen niet meer dezelfde waren als
vroeger." Als vader zijns volks wilde hij in weinige stellingen de
grondregelen aangeven, die zijn leerlingen tot richtsnoer in alle
betrekkingen des levens moesten dienen en wier opvolging hen zelve
goed en gelukkig, hem echter tot heerscher van een talrijk, goed
gevoed en beschaafd volk zou maken.
Het edict moest op den 1en en den 15en van iedere maand overal openlijk
worden voorgelezen, wat ook thans nog in zooverre geschiedt, dat een
der afdeelingen wordt voorgelezen, verklaard en uitgelegd. Behalve
de beambten, die daarbij krachtens hun betrekking tegenwoordig moeten
zijn, komen er echter gewoonlijk slechts enkele toehoorders.
Bij herhaling heeft men beproefd om bij deze voorlezingen een grooteren
kring van toehoorders bijeen te brengen; zoo voor eenige jaren in
Canton, met het doel om de zendelingen tegen te werken.
Iedere afdeeling bestaat uit zeven teekens, van welke de eerste drie
het voorschrift behelzen, de laatste drie het doel, dat men door de
opvolging van het geschrift bereikt: een in China zeer gebruikelijke
verbinding van nuttigheid en leering. Het vierde teeken is in iedere
afdeeling hetzelfde en beteekent "om" of "opdat".
Van ieder der 16 sententiën schreef keizer Yung Cheng, de zoon
en opvolger van Kang hi, in 1724 een verklaring, welke bij de
voorlezingen de plaats van vroegere verklaringen inneemt. Een nog
uitvoeriger omschrijving werd later in 't licht gegeven door zekeren
zout-commissaris in Shensi, Wang Yü po geheeten. Deze wordt als een
waar meesterstuk beschouwd, omdat zij zoo begrijpelijk is en door het
invlechten van historische voorbeelden, aanhalingen en spreekwoorden
zoowel leerzaam als onderhoudend mag heeten. De straks aangehaalde
pleitrede tegen Boeddha en Tao [151] is hier weggelaten. Overigens zijn
er vele pogingen gedaan om "het heilige edict" populair te maken. In
1681 gaf zekere districts-magistraat in Anhui, Liang Yen nien,
een werk uit met 200 platen, welke, evenals de daarbij behoorende
geschiedenissen bestemd waren om de voorschriften des keizers op te
helderen en te illustreeren.
In 1879 werd een ander dergelijk werk in Shanghai door een Chineesch
photographisch instituut gepubliceerd en in Canton bestaat een
omschrijving van het edict in verzen.
We laten nu, hier en daar een enkele opmerking makend, de verschillende
sententiën van dit edict volgen:
1. Neemt de kinderlijke en broederlijke plichten in acht, opdat de
wederkeerige betrekkingen des levens behoorlijk in stand blijven.
2. Acht uw bloedverwanten, opdat gij de voordeelen van een goede
verstandhouding moogt toonen.
3. Leeft op goeden voet met uw naburen, opdat gij rechtsquaesties
moogt vermijden. [152]
4. Legt u toe op den landbouw en het kweeken van moerbeiboomen [153]
om voldoende voeding en kleeding te hebben.