III. Mencius.

Meng (Mang) kó of Meng tsze=de wijsgeer Meng, verlatijnscht tot

Mencius, werd in het jaar 371 v. C. als afstammeling van de drie

groote familiën van Lu geboren: een geslacht dat in de dagen van

Confucius om de heerschappij in den staat had gestreden, maar

sedert verarmd en gedaald was. Zijn vader schijnt vroeg gestorven

te zijn: in ieder geval heeft hij geen invloed op de opvoeding en de

ontwikkeling van zijn zoon uitgeoefend: des te meer echter de moeder,

wier aandenken nog heden onder het volk voortleeft, als die van een

voorbeeld voor alle moeders. Zij zorgde, dat haar zoon in een goede

omgeving verkeerde en goed werd onderricht, spoorde hem door raad

en voorbeeld tot vlijt aan en bleef ook in zijn latere levensjaren

(zij stierf, toen Mencius reeds de 50 overschreden had) zijn trouwe

raadgeefster en steun. Toen haar zoon, dien zij op zijne rondzwervingen

vergezeld had, zijn ambt in het vorstendom Tsi wilde opgeven, doch

om harentwille aarzelde, moedigde zij hem zelf aan zijn eigen beter

inzicht te volgen en bracht zoo het oude voorschrift in toepassing,

dat de moeder haar zoon gehoorzaam moet zijn.

Over de leerjaren van Mencius is niet veel bekend: hij schijnt een

leerling van Confucius' kleinzoon te zijn geweest. In zijn vaderland

(de leenstaat, waar hij thuis behoorde) verzamelde hij een groot

aantal leerlingen rondom zich, in wier midden hij leefde en werkte

en die, zooals de gewoonte het toen medebracht, te zamen naar hun

krachten en middelen voor zijn levensonderhoud zorgden. Die rustige

leeraarsloopbaan schijnt hem echter niet bevredigd te hebben en in 331,

toen hij 40 jaar was geworden, trok hij met eenigen zijner leerlingen

er op uit om aan de hoven der kleine vorstendommen allereerst, zijn

loopbaan als politiek hervormer te beginnen. De tijd scheen voor

een dergelijke onderneming, door een zelfbewust man op touw gezet,

gunstig te wezen en het ontbrak Mencius noch aan zelfbewustzijn,

noch aan den moed om vrijuit te spreken. De voortdurende twisten,

waarin de kleine vorstendommen nu eens onderling, dan eens met het

machtige, opbloeiende Tsin verkeerden (want het centraal gezag, het

keizerschap, was feitelijk nog slechts een naam) had aan een menigte

politieke avonturiers de deur geopend tot de hoogste waardigheden en de

invloedrijkste ambten. Nog maar weinige jaren geleden, in 333, was het

een hunner, Suts'in gelukt, de meest beteekenende politieke daad van

dien tijd: den bond der zes staten Yen, Chao, Han, Wei, Tsi en Tsu,

tegenover Tsin tot stand te brengen. Welnu, wat Suts'in en anderen

mogelijk was geweest, kon den met volle verachting voor de politieke

avonturiers bezielden Mencius niet onbereikbaar voorkomen. Waarom

zou hij, die met een gansche schat van geleerdheid was toegerust en

die geen eigenbelang, maar edele doeleinden nastreefde, niet kunnen

verkrijgen, wat aan die lieden welke van hof tot hof trokken en zich

aan den meestbiedende aanboden, mogelijk toescheen? Zoo trok hij in

331 naar den naburigen staat Tsé, en nadat hij daar tot 323 zonder

veel succes een staatsambt had bekleed, naar Sung, Su, Tao, Tang,

Leang en van 318 tot 311 ten tweeden male naar Tsé. Eindelijk keerde

hij, ontmoedigd en ontgoocheld, na vele mislukte pogingen, in 309 naar

Lu terug. Daar leefde hij nog 20 jaren als ambteloos burger voort,

slechts in beslag genomen door zijn onderricht geven en de voltooiing

zijner werken. Hij stierf in 289 v. C., vergeten en zonder dat zijn

heengaan ontroering wekte, tenzij bij zijn naaste leerlingen. Wel

werd zijn waarde reeds door de schrijvers der 2e eeuw v. C. erkend,

welke alleen Confucius boven hem stelden, doch nog 1300 jaren gingen

voorbij, eer hij de keizerlijke canonisatie verkreeg en in Confucius'

tempels een plaats vond.

Mencius was een veel strenger man dan Confucius: de humor van dezen

wijsgeer, die zich er over vermaken kon, dat een boer van hem, die

juist op de vlucht was, zeide, dat hij er uitzag als een verloopen

hond, was Mencius vreemd. Heerschzuchtig en strijdvaardig, laat Mencius

de grootste aanspraken gelden tegenover vorsten en staatslieden, die

hem hoffelijk tegemoet komen. Dikwijls zondigt hij, terwijl hij toch

plan heeft zichzelf niet te vergeten, niet slechts tegen de regelen

der etiquette, maar ook tegen die der hoffelijkheid. Toch verhindert

hem dit niet rijke geschenken van vorsten aan te nemen en met een

groot gevolg van menschen en rijtuigen op hunne kosten in het land

om te trekken. Hij is een strijder, die met grooten ijver tegen alle

leeringen in het krijt treedt, welke hem niet orthodox toeschijnen,

een sociaal politicus, die den regel "Alles voor het volk" met een

energie en een openhartigheid voorstaat, die aan den zachteren,

meer bedachtzamen Confucius vreemd was.

Ook zuiver philosophische vragen, zooals die van de natuur der

menschen, lichtte hij met veel meer beslistheid en uitvoerigheid

toe dan Confucius, die zich meestal met een eenvoudige bevestiging

vergenoegde. Ook tegenover een soort Cynische richting, [135] die

zich naast of nevens het Taoïsme steeds meer deed gelden en tegen de

meer humane richting der Mihisten trad hij met groote beslistheid op.

De veranderde tijdsomstandigheden brachten voorzeker mede, dat de

persoonlijke houding en de leerwijze van Mencius een andere was

dan die van zijn voorganger. Ook is het een feit, dat de dwalingen,

die Mencius meende te moeten bestrijden, zich eerst na den dood van

Confucius hadden ontwikkeld. De werken van Mencius leveren het bewijs,

dat vele der vragen en problemen, die ons thans zoo telkens weer

bezighouden, reeds toen aan de orde waren. Ook was het gevolg van den

strijd dikwijls als nu: dat ieder op zijn eigen standpunt bleef staan.

"Het volk" zegt Mencius, "is het belangrijkste element in een land,

dan volgen de godheden van akker en koren: de vorst is het minst

gewichtig." Bij een andere gelegenheid zegt Mencius tegen den vorst

"Wanneer een heerscher zijn ministers als zijn handen en voeten

beschouwt, zoo zien zij hem voor hun hart en hun maag aan. Als hij

hen beschouwt als zijn paarden en honden, dan zien zij hem voor een

gewoon mensch aan (iemand, die geen eerbied verdient). Ziet hij hen

aan als aarde en gras (waarop men treedt en dat men afmaait) dan zien

zij hem voor een roover en vijand aan."

Deze opvatting van de plaats en de plichten der hoogste staatsbeambten

staat niet in tegenspraak met het goddelijk recht der vorsten, zooals

de oude schriften dit erkennen.

"De hemel" zoo zegt het boek der geschiedkundige aanteekeningen,

"schiep, nadat hij het gewone volk had geschapen, heerschers en

onderwijzers voor hen, opdat dezen God ter zijde zouden staan, en

gaf hun macht en eer in het land."

Doch op een andere plaats in hetzelfde werk staat: "De hemel ziet,

zooals mijn volk ziet, de hemel hoort, zooals mijn volk hoort." Mencius

verklaart dit door te zeggen: "De hemel spreekt niet." Als hij, wien

de heerschappij ten deel viel, deze op goede wijze voert, is dat

een bewijs, dat de hemel hem deze heeft toevertrouwd. Voert hij die

slecht, zoo zal er iemand opstaan, (door den hemel daartoe geroepen),

die ze hem ontneemt. Zoo wierp de grondvester der Chau-dynastie den

laatsten, onwaardigen heerscher van het huis Shan van den troon en

toonde zich daardoor een werktuig des hemels en Mencius aarzelt niet,

koning Süen op te dragen diens voorbeeld te volgen en de Chau-dynastie

omver te werpen, die zich den troon onwaardig toonde.

Dat een man, die zulke grondstellingen zonder terughouding uitsprak,

door de vorsten van zijn tijd en van later dagen niet bizonder geliefd

werd, kan men begrijpen. Toch: de door hem verkondigde beginselen

hebben niet weinig er toe bijgedragen om de vorsten, die over China

regeerden, een teugel aan te leggen en hen tot een rekenen met de

belangen des volks te nopen, waarvan anders zeker geen sprake ware

geweest.

Een andere uiting van Mencius ligt hun, die tegenwoordig China

regeeren, nog altijd na aan 't hart en vormt een van de gewichtigste

argumenten, die het aannemen van vreemde opvattingen in den weg staan.

Hij zeide namelijk: "Ik heb wel gehoord van lieden, die de gebruiken

van ons groote land aanwendden om barbaren te verbeteren, doch nog

nooit, dat iemand door barbaren verbeterd werd." En--in de oogen der

orthodoxe Chineezen zijn ook nog heden alle vreemdelingen barbaren.

Van de theorie van het vorst zijn "door Gods genade" is die der

"voorbeschikking" in het algemeen onafscheidelijk. Ook Mencius erkent

die laatste, doch met deze reserve, dat niets, wat uit slechtheid

of uit onvoorzichtigheid voortkomt, als door den hemel voorbeschikt

moet worden erkend. Zoo staat hij een soort getemperd fatalisme

voor: getemperd namelijk door deze overtuiging, dat de hemel niets

verkeerds kan verordenen. Hij zegt: "Alles is een beschikking (des

hemels) en de mensch moet deemoedig ontvangen, wat daaraan kan worden

toegeschreven. Daarom zal hij, die weet wat de voorbeschikking des

hemels beduidt, zich niet begeven bij een muur, die op omvallen

staat.--De dood, dien men vindt bij de vervulling van zijn plicht,

kan men gevoegelijk toeschrijven aan de beschikking des hemels, de

dood in handboeien en ketenen (die van een misdadiger) kan niet als

een vooruitbeschikte worden beschouwd."

De vraag, of de mensch van natuur goed of slecht is, heeft de Chineezen

veel bezig gehouden. Confucius en Mencius, de laatste echter veel

uitvoeriger en meer opzettelijk, oordeelen beiden dat de mensch

oorspronkelijk goed is. Sün kw'ang, die in de 3e eeuw v. C. leefde,

meent dat de oorspronkelijke natuur van den mensch slecht is en slechts

door opvoeding goed wordt. Han-Yü (768-824 n. C.) oordeelt dat de

natuur des menschen drieërlei kan zijn: een goede, tusschenbeide of

slechte. De middelste, die de kiemen voor het goede bevat, kan naar

beide zijden ontwikkeld worden. Deze opvatting bleef de toongevende,

totdat Chuhi (1130-1200) weer terugkwam op de oude grondstelling dat

de natuur des menschen goed was. Deze opvatting, ofschoon dikwijls

betwist, is sedert dien tijd de officieel geijkte gebleven.

In de behandeling van de quaestie der kinderlijke liefde staat Mencius

geheel op het standpunt van Confucius.

"Vijf dingen," zegt Mencius "worden naar de algemeene opvatting als

onkinderlijk beschouwd: traagheid in het gebruik zijner leden, hasard

en schaakspelen en drinken, streven naar geld en goed en zelfzuchtige

neiging tot vrouw en kinderen, zoodat men niet voor het onderhoud

zijner ouders zorgt, de lust zijner oogen en ooren volgen, zoodat

men zijn ouders in schande brengt en twistziek en strijdzuchtig zijn,

zoodat men hen aan gevaren blootstelt."

Op een andere plaats zegt hij: "Drie dingen zijn onkinderlijk, geen

nakomelingschap te hebben is het ergste van alle." Meer belangrijk zijn

voor ons echter zijn sociaal-politieke inzichten en zijn polemisch

optreden: de omverwerping van valsche leeringen, zooals de Chinees

dat noemt.

Reeds in de dagen van Mencius waren er lieden, die de maatschappij

voor verdorven hielden en in den terugkeer tot den alouden eenvoud

van zeden den eenigen weg ter ontkoming zagen. Zoo was er een secte,

die zich voor haar leer beriep op Shin nung, den "wonderbaren landman"

den tweeden der voorhistorische, mythische keizers, die in het "Boek

der veranderingen" als de vader van den landbouw wordt geëerd. Deze

eischte, dat de mensch in het algemeen en de vorst in het bizonder

zich zelf het voedsel moest verschaffen: d. w. z. zelf zaaien,

oogsten en koken moest. Aanhangers dezer secte waren naar Tang

gekomen, waar Mencius zich juist ophield en de vorst van Tang de

proef nam, om aan ieder der onderdanen, onverschillig van welken rang

of stand, een veld van gelijke grootte ter beschikking te stellen,

dat onveranderlijk en ondeelbaar op den oudsten zoon zou overgaan,

terwijl aan de jongere zonen, zoodra zij 16 jaar oud werden, eveneens

groote velden ten deel zouden vallen. De aanhangers van Shin nung,

die naar Tang gekomen waren, lieten zich hunne velden toedeelen,

doch maakten onder elkaar hun opmerkingen.

"Wijze en bekwame vorsten," zoo zeiden zij, "moesten evengoed als

hun volk en tegelijk met dat volk den grond bebouwen en de vrucht

(van hun arbeid) eten. Hun morgen- en avondmaaltijd moesten zij

(zelf) bereiden en tegelijk de regeeringszaken behartigen. De vorst

van Tang echter, die overigens vele goede eigenschappen bezat, had

korenschuren, schatkamers en arsenalen. Dat was immers het volk een

last opleggen? Hoe kon men hem een waardig en deugdzaam vorst noemen?"

Mencius nam een der ontevredenen onderhanden.

"Heer Hiu (zoo heette het hoofd van het gezelschap) zaait zijn koren

immers zelf en eet wat hij oogst?" "Ja," was het antwoord. "En hij

weeft linnen en draagt wat hij gemaakt heeft?"

"Neen, zijn kleeren waren van vilt." "Draagt hij een muts?" "Ja." "Een

zelf geweven?" "Neen, die ruilt hij voor koren." "Waarom weeft hij

die niet zelf?" "Dat zou hem te veel tijd kosten bij zijn werk om

den grond te bebouwen." "Kookt hij zijn eten in (metalen) potten en

steenen pannen en ploegt hij met een ijzeren ploegschaar?" "Ja." "Maakt

hij dat alles zelf?"

"Neen, hij ruilt het tegen koren in."

Toen sprak Mencius: "Zulke dingen tegen koren inruilen, is niet den

pottenbakker en metaalbewerker verdrukken, noch ook verdrukken de

pottenbakkers en metaalbewerkers den landman, als zij de door hen

vervaardigde artikelen tegen metalen omruilen. Voorts, waarom speelt

Hiu niet voor pottenbakker en metaalbewerker en maakt hij zelf alles

wat hij noodig heeft? Waarom gaat hij rond en handelt en ruilt met

de handwerkslieden, waarom rekent hij niet de moeite, die hem dat

kost?" De ander sprak: "Handwerk en landbouw kan men niet tegelijk

uitoefenen."

Mencius ging voort: "Dan is het zeker alleen de regeering des rijks,

die tegelijk met den akkerbouw kan worden waargenomen? Aanzienlijke

mannen hebben hunne bezigheden en kleine luiden evenzeer. Ieder

kan, wat hij noodig heeft, bij de handwerkslieden gereedgemaakt

vinden. Moest hij daarentegen alles, wat hij noodig heeft, zelf

maken, zoo moesten allen in het geheele rijk dagelijks op de straat

rondloopen. Daarom wordt er gezegd: Sommigen arbeiden met het hoofd

en anderen met de handen.

"Die, welke met hun hoofd arbeiden, regeeren de anderen, en die, welke

met hun handen arbeiden, worden door de anderen geregeerd. Die, welke

geregeerd worden, onderhouden hen die regeeren en zij die regeeren,

worden door de anderen onderhouden. Dat is de rechte verhouding,

zooals zij overal wordt erkend."

Bij een andere gelegenheid, toen een zijner leerlingen hem vroeg,

of het recht was dat een geleerde, die geen ambt bekleedde, toch van

den beheerscher des lands zijn onderhoud ontving, ontwikkelde Mencius

de volgende inzichten:

"Als er geen ruil plaats vindt tusschen de producten van den arbeid

en geen ruil tusschen datgene wat de menschen tot stand brengen,

zoodat de een, met wat hij te veel heeft aanvullen kan, wat den ander

ontbreekt, dan zal de boer teveel koren en de huisvrouw te veel linnen

hebben. Als zulk een ruil plaats vindt, dan zullen schrijnwerker,

timmerman, wagenmaker en radmaker allen hun bestaan vinden. Nu is

hier een man, die thuis een goed zoon is en buiten het huis diegenen,

die ouder zijn dan hij met achting behandelt, die er voor waakt dat de

grondstellingen der oude wijzen voor het gebruik van latere geslachten

bewaard blijven--zou hij niets voor zijn onderhoud mogen hebben? Hoe

komt het, dat gij den schrijnwerker en de anderen in eere wilt houden

en niet hem, die welwillendheid en rechtvaardigheid bewaart?"

De leerling antwoordde: "Het doel des schrijnwerkers en der

anderen, die de meester vermeld heeft, is: om met hun handwerk hun

levensonderhoud te verdienen. Is het ook het doel van den edelen man,

daardoor zijn levensonderhoud te verdienen, dat hij de grondstellingen,

die de meester vermeldt, beoefent?" "Wat gaat u zijn doel aan," was

het antwoord. "Hij bewijst de diensten. Hij verdient onderhouden te

worden en gij onderhoudt hem: En--laat mij u vragen--betaalt gij een

man voor zijn bedoeling of voor zijn diensten? Voor zijn bedoeling

misschien? Een man slaat uw dakpannen stuk en maakt de muren van uw

huis vuil om zijn levensonderhoud te verdienen: zult gij hem inderdaad

daarvoor betalen?" "Neen," was het antwoord. "Ziet gij," sprak Mencius,

"niet voor zijn bedoeling betaalt gij een man, maar voor het werk,

dat hij gedaan heeft."

De algemeene grondstellingen voor het bestuur des lands, zooals

Mencius die opstelt, zijn niet minder interessant.

"Als een vorst personen van talent en deugd eert, bekwame lieden

aanstelt, zóó, dat alle ambten door de waardigsten worden vervuld,

dan zullen alle geleerden aan zijn hof komen.

"Als hij op de marktplaatsen slechts laat betalen voor de plaats, die

de kramen innemen, maar geen belasting op de waren legt, of wanneer

hij slechts de marktbepalingen handhaaft zonder kramengeld te vragen,

dan zullen zich op zijne marktplaatsen de handelaars verdringen.

"Wanneer aan de grenspoorten van een land slechts een persoonlijke

inspectie van de reizenden plaatsvindt, doch geen douanerechten worden

geheven, zoo zullen alle reizigers vol verlangen zijn om in dat land

te reizen.

"Als de boer slechts voor den arbeid op de staatsvelden wordt

opgeroepen en van zijn eigen velden geen belasting heeft op te

brengen, dan zullen alle boeren in het land met lust (op hun eigen

velden) arbeiden. (Het heele land was, althans in theorie, afgedeeld

in stukken van dezelfde grootte, welke stukken ieder weer in negen

deelen waren verdeeld. Het middelste dezer velden was staatseigendom:

het moest door de bezitters der andere acht velden bebouwd worden,

terwijl de opbrengst daarvan voor het onderhoud van den vorst en de

kosten van bestuur bestemd was).

"Als hij van de huisvaders (die de bestaande voorschriften vervullen)

de bijdragen niet int (welke slechts van hen worden geheven, die de

voorschriften niet vervullen) zoo zullen alle lieden in zijn staat

willen wonen.

"Als een vorst deze vijf voorschriften opvolgt, zullen de bewoners

aller naburige staten tot hem als tot een vader opzien. Zulk een vorst

zal geen vijand hebben en in waarheid een minister des hemels zijn:

hem moet (als den waardigste) de regeering des rijks ten deel vallen."

Op een andere plaats treedt Mencius op tegen het systeem van

belasting heffen op het bouwland, dat in zijne dagen, toen de

vorsten en de regeeringen steeds meer noodig hadden, reeds in alle

staten was ingevoerd.--"Zulke belastingen" zegt hij, "worden naar

het gemiddelde van vele jaren berekend en opgesteld. In goede jaren,

wanneer de oogst rijk is geweest, kan veel genomen worden zonder dat

het drukkend schijnt, doch in slechte jaren, wanneer de opbrengst den

arbeid niet vergoedt, moet de belasting toch betaald worden. Als hij,

die de vader des volks wil zijn (de vorst) de schuld er van draagt,

dat zorgen geschreven staan op het aangezicht des volks en dat dit,

als het een jaar heeft gearbeid, niet weet waarmee het zijn ouders

zal onderhouden en moet zien, hoe aan de middelen te komen om de

belasting te betalen, totdat ouden en kinderen omkomen in de slooten

langs den weg, waar blijven dan de vaderlijke betrekkingen tot het

volk?" "Zij, die van hun levensonderhoud verzekerd zijn, staan vast in

de deugd: die dit niet zijn, geven zich aan de ondeugd over, en--er

is geen verkeerdheid, verderf en teugelloosheid, waaraan zij zich

niet schuldig maken. Als zij dan wegens hun overtredingen vervolgd

en gestraft worden: is dat niet hun valstrikken zetten: hoe kan zoo

iets geschieden onder de heerschappij van een welwillend vorst?"

Wat den regel: goed met goed en kwaad met kwaad vergelden, aangaat:

Confucius en Mencius trekken in dezen één lijn: alleen was sedert de

dagen van den eerste het getal van hen, die aan de mogelijkheid van

kwaad met goed te vergelden geloofden, niet onbelangrijk toegenomen.

In den philosoof Mih tih namelijk, over wiens leven weinig bekend is

(vermoedelijk leefde hij ongeveer 50 jaar na Confucius) had de leer

der "algemeene liefde" een begaafden en krachtigen verdediger gevonden.

"Het is de taak der wijzen," zoo heet het in een door zijn

leerlingen uitgegeven werk, "daarvoor te zorgen dat het rijk

goed wordt geregeerd. Daarom moeten zij weten, waaruit wanorde en

verwarring ontstaan, want, zonder deze kennis kunnen zij hun taak

niet vervullen. Wij kunnen hen dus vergelijken met een arts, die

beproeft de ziekte van eenig persoon te genezen. Daartoe moet deze

eerst de oorzaak der krankheid doorgronden; dan kan hij met de genezing

beginnen, terwijl zonder deze kennis zijn pogen tevergeefs zal zijn."

"Het is de taak der wijzen zorg te dragen voor de goede regeering des

rijks. Zij moeten dus nagaan de oorzaak der verwarring, en wanneer

zij dat doen zullen zij bemerken, dat deze ligt in het gebrek aan

wederkeerige liefde.--"

Wanneer een minister en een zoon onkinderlijk (zonder piëteit)

zich gedragen tegenover zijn heerscher en zijn vader: zoo is dat

wanorde. Een zoon heeft dan zichzelf lief en heeft zijn vader

niet lief, aldus doet hij zijn vader onrecht en trekt hij zichzelf

voor. Een jongere broeder, die den oudere niet liefheeft, een minister

die zichzelf liefheeft en niet zijnen vorst; zij allen doen den ander

onrecht en stellen zichzelf op den voorgrond: dit zijn allen gevallen

van wanorde. Evenzoo als de vader den zoon, de oudere broeder den

jongere, de vorst den minister minder bevoordeelt dan zichzelven. Hoe

kunnen zulke dingen voorkomen? Uit gebrek aan wederkeerige liefde. Neem

het geval van een dief of een roover, het is daarmede juist eveneens

gesteld. De dief heeft zijn eigen huis lief en niet dat van zijn

buurman: daarom besteelt hij het huis van zijn buurman ten bate van het

zijne. Zoo is het ook met den roover. Zoo ook met de hooge ambtenaren,

die met elkaars familiën in strijd leven, zoo met de vorsten, die

de staten hunner buren aanvallen. Alle verkeerde verhoudingen in het

rijk hebben denzelfden oorsprong: gebrek aan wederkeerige liefde.

"Wanneer nu algemeen wederkeerige liefde in het rijk heerschte, wanneer

de menschen anderen liefhadden zooals zichzelf, zouden dan zulke dingen

kunnen voorkomen? Zouden er dan dieven en roovers zijn? Wanneer ieder

het huis van zijn naaste op dezelfde wijze beschouwde als zijn eigen

huis, zouden dan diefstallen mogelijk zijn? Zouden dan ministers en

vorsten elkaar wederkeerig bestrijden en beoorlogen?"

Hoe echter dit doel te bereiken? De leerlingen twijfelen aan

de mogelijkheid, doch Mih tih zegt: "Door algemeene wederkeerige

liefde en door de ruiling van wederkeerige voordeelen. Ieder moet een

anderen staat, een andere familie, een ander persoon beschouwen als

zijn eigen (staat, familie, persoon). Zijn er in de geschiedenis geen

voorbeelden, dat waar vorsten eenvoudige kleeding, sobere voeding of

dappere daden beminden, hun ambtenaren hen daarin navolgden? Als dus

thans de grondregel der algemeene liefde niet heerscht, zoo komt dat

slechts hierdoor, dat de vraag in de hoogste kringen niet met die

belangstelling wordt behandeld, welke zij verdient: de vorsten toch

staan er onverschillig tegenover, inplaats van door lof en belooningen

de menschen tot uitoefening der algemeene wederkeerige liefde te

brengen en den tegenstand daartegen door geld- en andere straffen

te breken. Indien dit geschiedde zou de uitoefening dezer algemeene

liefde en de ruil van wederkeerige voordeelen alle hindernissen

overwinnen, evenals het vuur noodzakelijk omhoog gaat en het water

naar beneden vliet."

Het getuigt voor de vastheid, welke de orthodoxe opvatting van

kinderlijke liefde in het Chineesche volk zich verworven had, dat

de verklaring van Mencius, dat allen gelijkelijk lief te hebben de

bizondere genegenheid tusschen vader en kind niet genoegzaam tot

haar recht deed komen, voldoende was om het systeem van Mih tih,

dat in den tijd van Mencius veel ingang reeds had gevonden, geheel

omver te werpen.

De andere tegenstander, met wien Mencius in het krijt trad, staat van

ons denken en gevoelen verder af dan Mih tih. Dit was de Taoïstische

Cynicus Yang Chu, een man, over wiens leven weinig bekend is, zoo

weinig dat wij zelfs niet weten of hij een tijdgenoot van Confucius of

van Mencius was. Plaatsen uit Taoïstische geschriften doen ons denken

aan den tijd van Confucius, doch de heftigheid, waarmede Mencius hem

bestrijdt pleit voor de meening, dat hij diens tijdgenoot was.

Mencius schrijft aan Yang Chu de grondstelling toe: "Ieder voor zich,"

en zegt dat een opvolging dezer grondstelling den mensch tot een

dier maken zou. Doch, in de uitspraken, aan Yang Chu toegeschreven,

vinden wij dit nergens uitdrukkelijk geleerd. Veeleer schijnt Yang

Chu een soort van Chineesche Diogenes [136] te zijn geweest, die het

leven als een onvermijdelijk kwaad beschouwde en diegenen, die zich

daarvoor veel zorg en moeite gaven, bespotte.

Zuiver philosophisch zijn Mencius' uiteenzettingen over de

"hartstochtelijke natuur." "Meester," zegt een zijner leerlingen,

"wanneer gij een hoogen adellijken titel verkreegt en eerste minister

werd van het vorstendom en het dan zoover bracht, dat uw vorst de

eerste onder alle vorsten des rijks werd, ja zelfs de keizerlijke

waardigheid verkreeg, het zou niet te verwonderen zijn: doch, wanneer

gij in zulk een positie kwaamt, zou uw geest niet onrustig worden?"

Mencius antwoordde: "Neen. Toen ik 40 jaar was (aldus vóór hij zijn

hervormersloopbaan begon) had ik het evenwicht des geestes gevonden."

"En is er een middel om dat te bereiken?" "Ja." "De een vreest niets:

noch wonden noch gevaar: al was degene, die hem bedreigde ook in het

bezit van 10.000 strijdwagens. De ander beproeft zichzelf: vindt hij

dat hij ongelijk heeft, zoo vreest hij ook den kleinsten man: vindt

hij het recht aan zijne zijde, zoo zal hij strijden tegen duizenden

en tienduizenden. De laatste is zeker boven den eerste verheven. De

philosoof Kau zegt: "wat gij niet in woorden kunt uitdrukken, zoek dat

niet in uw verstand, wat gij niet vindt in uw verstand, zoek daarnaar

niet met hartstochtelijke inspanning." Met dit laatste stem ik in,

doch geenszins, dat men niet in zijn verstand moet zoeken, naar wat

men met woorden niet uitdrukken kan. Want--de wil is de leidsman der

hartstochtelijke natuur en deze doordringt en bezielt het lichaam. De

wil is de heer en de hartstochtelijke natuur is hem onderworpen. Daarom

zeg ik: "Wees vast van wil, en dwing de hartstochtelijke natuur niet

tot iets, wat buiten haar aard ligt. Als alleen de wil werkzaam is,

beheerscht deze de hartstochtelijke natuur, is die laatste daarentegen

alleen werkzaam, zoo beheerscht zij den wil. De hartstochtelijke

natuur is grof en sterk. Als zij ongedwongen kan opgroeien en niet

beleedigd wordt, vervult zij alles tusschen hemel en aarde. Zij is de

gezellin van rechtschapenheid en verstand: zonder haar is de natuur

des menschen de verkwijning nabij. Zij komt voort uit de bijeenvoeging

van vele rechtmatige handelingen en niet uit enkele daarvan. Als

het verstand niet met haar in overeenstemming is, zoo verdwijnt de

natuur. Blijkbaar verstaat Mencius onder "hartstochtelijke natuur"

(letterlijk beteekent het Chineesche woord "wolkachtige damp") den

nooit rustenden drang tot werkzaamheid, die men juist bij de meest op

den voorgrond tredende personen vindt. Een drang, die met verstand

moet samengaan (energie) en die aan den wil onderworpen moet zijn,

doch waaraan men geen dwang tot iets buiten haar aard mag opleggen.

Het is niet zonder belang om bij wat Mencius hier zegt te vergelijken

wat de beroemde Fransche psycholoog T. A. Ribot 2300 jaar na hem

schreef over de "hartstocht" in den boven anderen uitblinkenden

mensch. Deze dan zegt in zijn werk "Les maladies de la Volonté"

(de ziekten van den wil) het volgende:

"De meest volkomen samenwerking (van willen en kunnen) is eigen aan de

krachtigen, de zeer werkzamen: wat ook het terrein hunner werkzaamheid

zij: men denke aan Cesar, Michel Angelo of Vincentius da Paula. Zij

wordt in één enkel woord saamgevat als: eenheid, standvastigheid,

macht. De uitwendige eenheid van hun leven ligt in de eenheid van hun

doel: altijd nagestreefd, naar gelang van de omstandigheden nieuwe

medewerking en aanpassing zoekend. Doch deze uitwendige eenheid is

slechts de uitdrukking der inwendige: die van het karakter. Juist

omdat zij dezelfde blijven, blijft ook hun doel hetzelfde. Hun

inwendige drijfkracht is een machtige, onuitroeibare hartstocht, die

de ideeën in haar dienst neemt. Deze hartstocht: dat is hun wezen,

dat is de psychische uitdrukking van hun gestel, zooals de natuur dat

heeft gewrocht. Wat blijft ook alles, dat uit dezen samenhang zich

verwijdert, als in de schaduw, zonder kracht, onvruchtbaar, vergeten

als een plant, die slechts op een andere leeft! Zij geven te zien het

voorbeeld van een leven, dat steeds met zichzelf in overeenstemming

is, omdat bij hen alles samenwerkt, tot elkaar komt en overeenstemt.

"Zelfs in het gewone leven ontmoet men deze karakters. Doch deze

doen niet van zich spreken: omdat de verhevenheid van het doel,

de omstandigheden en vooral de macht van de hartstocht hun ontbrak,

hebben zij slechts de standvastigheid overgehouden. Onder een anderen

vorm hebben de groote, in de geschiedenis bekende Stoïci (Epictetus,

Thraseas; hun grooten wijze laat ik weg, als zijnde slechts een

"abstract ideaal") dit hooge type van wilskracht bereikt, en wel in

zijn negatieven vorm--het zelfbedwang--overeenkomstig het beginsel

der school: Verdraag en onthoud u." Tot zoover Ribot.

Veertig jaren na den dood van Mencius, die in 289 v. C. overleed,

stortte de Chau-dynastie ineen en in 221 verklaarde de vorst van Tsin,

die al zijn mededingers had overwonnen, zich tot eersten goddelijken

keizer van China. Zoo stichtte hij een nieuw rijk op de puinhoopen

van het oude.

Wat de oude Confuciaansche richting der wijsbegeerte onder hem te

lijden had en hoe zij onder de Han-dynastie daarentegen weer tot eer,

aanzien en invloed geraakten, hebben wij reeds vermeld.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 23 / 78 题