Het doel van dit geschrift is juist niet om eene volledige geschiedenis
der Chineesche philosophie te geven of al de vraagstukken, welke deze
heeft trachten op te lossen onder het oog te zien. Daartoe toch zouden
zeer uitvoerige, boekdeelen vullende uiteenzettingen, noodig zijn,
die van het geduld van den lezer te veel zouden vergen. De bedoeling
is op beknopte en verstaanbare wijze te schilderen het eigenaardige
der Chineesche philosophie en hoe zij op de ontwikkeling van het
Chineesche volk heeft gewerkt.
In hoeverre in oude tijden Turanische of Arische invloeden zich in
China hebben doen gelden, en vanwaar de sporen van deïsme komen, die
men in den ouden staatsgodsdienst ontwijfelbaar vindt, is hierbij
van minder belang. Gewichtiger en belangrijker is het feit, dat de
beschaving van het Chineesche volk, zooals wij die voor het eerst
in historische tijden ontmoeten, aanstonds iets van ouds gevestigds,
iets afgewerkts, afgeronds heeft: waarvan wij den aanvang niet kunnen
ontdekken, en die zich wel duizend jaar lang, tot aan den intocht
van het Boeddhisme vrijwel onveranderd heeft gehandhaafd.
Wel vindt men ook in China sagen over oude dagen, waarin het volk
's winters in holen, 's zomers in een soort nesten in boomen leefde,
waarin het gebruik van het vuur onbekend was en de bewoners nog niet
geleerd hadden visschen en vogels te vangen: doch wat op dezen,
ook naar Chineesche opvatting voorhistorischen tijd betrekking
heeft, vinden wij in latere werken, niet als een herinnering aan
een vaststaande traditie, maar aan legenden, van onheugelijke tijden
bestaande.
Wat de standvastigheid der Chineesche zeden betreft, noemen wij het
feit, dat de offergereedschappen uit den tijd der Hsia dynastie evenzoo
gevormd zijn als die uit den laatsten tijd der Chau-dynastie, hoewel
twintig eeuwen beide dynastiën scheiden. Ook bleven de ceremoniën,
gebruiken en zeden in godsdienst, wijsbegeerte en zedeleer gedurende
dien tijd onveranderd. Hieruit leide men echter niet af dat de geest
van het Chineesche volk al dien tijd rustte, integendeel: zelden
is er een tijd geweest, waarin het Chineesche volk meer geestelijk
leven ontwikkelde dan van de 6e tot de 4e eeuw voor Christus. Doch:
dit geestesleven openbaarde zich vooral in het bewaren, verklaren en
uitwerken van wat eenmaal overgeleverd was. Het was meer om uitleggen
te doen dan om iets nieuws in het leven te roepen.
De Chineesche philosophie heeft, gelijk wij dat ook bijna overal elders
zien, van af de oudste tijden zich in twee richtingen ontwikkeld. De
eene, waarvan Lao tsze als vertegenwoordiger mag gelden, bewoog zich
in metaphysisch-theosophische richting, de andere, waarvan Confucius
als hoofd wordt erkend, in ethisch-materialistische, of--juister
uitgedrukt, ethisch-politische richting. In het stelsel van Lao
tsze of Li R (het Taoïsme) treedt op den voorgrond "het inwendig
licht," dat 's menschen leven moet leiden, in dat van Confucius
de verschillende verhoudingen: tot ouders, familie, staat enz. die
's menschen plichten bepalen.
Wij zouden echter verkeerd doen ons Lao tsze en Confucius voor te
stellen als stichters eener nieuwe leer: beiden deden niets anders
dan de leer van vroegere gezaghebbenden overleveren, wier uitspraken
lang voor hun tijd de bron der Chineesche wijsheid vormden.
Uit den langen strijd tegen het Taoïsme, een strijd die sedert het
begin onzer jaartelling ook tegen het van elders ingevoerd Boeddhisme
was gekant, is ten slotte het Confucianisme als overwinnaar
te voorschijn getreden. Nog heden is dit: evenals reeds voor
tweeduizend jaren, de orthodoxe richting: haar aanhangers hebben
in den loop der eeuwen de regeering des volks verkregen. Toch:
ook deze richting van de Chineesche philosophie heeft zich niet
vrij kunnen houden van allerlei, aan het gebied van den godsdienst
ontleende, vreemde bijvoegselen. De oude rijksgodsdienst: een uit
het Shamanisme ontstane vermenging van natuur-, geesten-, helden-
en vooroudervereering: die bij de voornamen in een aantal ambtelijke
ceremoniën, bij het volk in grof bijgeloof verloopt, heeft vooral
omtrent de vooroudervereering op deze philosophie invloed uitgeoefend,
terwijl ten opzichte van kosmogonische [126] en dergelijke vragen,
Boeddhistische en Taoïstische invloeden zich hebben doen gelden:
de laatste vooral sedert de 12e eeuw na Christus.
Men zal zich wellicht verwonderen dat Boeddhistische en Taoïstische
invloeden hier werkzaam konden zijn: waar zij van de zijde van de
gevestigde leer zooveel vervolging moesten ondergaan. Men bedenke
echter dat het bij deze vervolgingen minder te doen was om de
onderdrukking of uitroeiing van dogmatische ketterijen, dan wel
om den staatkundigen invloed, welken de priesters van beide secten
trachtten te verkrijgen, tegen te gaan en vooral om het grondbeginsel
van het Confucianisme: de voortplanting der familie, die door het
geweldig toenemen der kloosters bedreigd werd, staande te houden. Wat
de kloosters betreft: er waren er b. v. in 845 n. C. 4600 met nog
40,000 kleinere stichtingen: terwijl toen het aantal monniken en
nonnen 260,000 beliep.
Wat heeft aan het Confucianisme nu het overwicht gegeven? Zeker in de
eerste plaats dat het--in plaats van den eisch om de wereld te verlaten
en in mystieke bespiegeling op te gaan, een eisch, dien Taoïsme en
Boeddhisme stelden--deelname aan de praktische eischen des levens
aanbeval en daarvoor aanzien en eer als belooning stelde. Tegenover
deze leeringen van Lao tsze en Boeddha stond dus de leer van Confucius
als "wereldwijsheid"--een levensrichting, die voor den praktischen
Chinees groote aantrekkelijkheid moest bezitten. [127]
Lang voor Confucius en lang na hem waren er in China personen, die
men met de Brahmaansche en Boeddhistische wijzen, met de Joodsche
profeten en met de Grieksche wijsgeeren kan vergelijken. Half
rhetoren, half politici, trokken zij in de kleine vorstendommen
van hof tot hof, menigmaal met een tot duizenden aangroeiend gevolg
van leerlingen. Terwijl zij, leerend en afkeurend, zich zeer op hun
wijsheid lieten voorstaan, waren zij vaak voor de vorsten, dikwijls
ook voor het volk, lastige menschen. Voor de praktische staatslieden
waren zij een gruwel en een spot. Daar hun zelden belangrijke posten
waren toevertrouwd ging hun gezag en invloed meestal spoedig door
de kuiperijen der beambten en adellijke familiën, die in ieder
der leenstaatjes, waaruit het groote rijk bestond, om den voorrang
kampten, te gronde. De dynastie van Shang, die van ongeveer 1766
v. C. in China had geheerscht, was in 1122 v. C. door die van Chau
omvergeworpen. Wuwang, de eerste koning uit dit nieuwe geslacht,
die ongeveer te gelijk met den Israëlietischen koning Saul (1110
v. C.) den troon besteeg, was een geleerde, vrome en dappere vorst,
maar hij beging de fout (misschien echter door den staatkundigen
toestand gedwongen) het groote rijk, dat vroeger slechts één heer,
den keizer, gekend had, in een aantal leenstaten van verschillende
grootte en macht (er waren er tusschen de 40 en 125 in verschillende
tijden) te verdeelen. Voor den keizer bleef slechts een onbeduidend
gebied bewaard. De nadeelige gevolgen van dezen maatregel bleven
niet uit: de leenheeren hadden voortdurend strijd met elkaar, de
zwakke keizers konden er geen orde onder houden, het rijk gaf een
beeld van de grootste verwarring te aanschouwen. Ieder landsheer,
groot en klein, dacht er slechts aan zijn gebied en zijn macht te
vergrooten ten koste van zijn buurman. En in den kring der staatjes
zelve leefden de voorname beambten, de adellijke familiën en de
politieke partijen in voortdurende twisten. In 't kort: een beeld,
zooals het Duitsche rijk niet zoo heel lang geleden nog te zien gaf.