Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-samaj.)

Reeds in het vorige hoofdstuk wezen wij op het eigenaardig karakter van

het Brahmanisme, dat, bij allen schijn van veelgodendom, toch zoekt

naar de éénheid in de veelheid. Wij zagen dat dit reeds in overoude

dagen den Indischen godsdienst kenmerkte, brengen wij ons maar eens

te binnen de hymne aan Varuna, die wij daar straks [7] aanhaalden. Er

waren echter kringen en tijdperken, waarin dat vergeten werd, doch

dan kwam er bijna altijd weer reactie ten gunste van de vereering van

één eenig wezen. Zoo had men bijvoorbeeld in de 12e, 13e, 15e en 16e

eeuw verschillende Vaishnava hervormers, die Vishnoe predikten als

den éénigen, den hoogsten god. Toch konden deze hervormers, vooral

door hun leer der avatara's, der vleeschwordingen van Vishnoe, er

niet in slagen het bijgeloof te boven te komen. Als Vishnoe nu eens

vleesch werd in een held, dan weer in een groot leeraar of in een

dier, ten einde zijn schepselen te verlossen, dan mochten er in deze

leer inderdaad verheven gedachten opgesloten liggen, toch moest zij

leiden tot telkens hernieuwden afgodsdienst.

In de 16e eeuw was er nog een andere, monotheïstisch gekleurde

hervorming, die der Kabir panti, welke onder den invloed stond van

het Mohammedanisme en trachtte Mohammedanen en Hindoe's door het

gemeenschappelijk geloof in éénen God te vereenigen. Doch ook deze

bereikte haar doel niet: groote strijd tusschen de Muzelmannen en de

aanhangers van het nieuwe geloof was het einde.

De beweging, waarvan wij thans iets willen meedeelen, was van anderen

aard. Zij ging en gaat niet om buiten den invloed van het Christendom:

geboren is zij uit het verlangen naar een reiner geloof, bij de

meer beschaafden in Indië gewekt door de aanraking met de Engelsche

overheerschers.

Rammohun Roy, die in het jaar 1774 in het stadje Radhanagar geboren

werd, kunnen wij noemen als den stichter der Brahmo-samaj. Zijn vader

was een Brahmaan van hooge caste, die hem een geleerde opvoeding

gaf. Zoo kwam het dat de zoon reeds op jeugdigen leeftijd de Perzische

en Arabische literatuur, den Koran incluis, bestudeerde. Toch verloor

hij daarbij ook zijn Indische studiën niet uit het oog. Weldra begreep

hij dat in de oud-Indische godsdienstige boeken, bepaaldelijk in de

Bhagavata Purana, waaruit zijn vader hem gewend had iederen morgen

een hoofdstuk te lezen, veel fabelachtigs voorkwam. Wat hem echter

sterk aantrok waren de Upanishads, de bespiegelingen der oude wijzen

over de Veda's.

De jongeling gaf zijn vrije gevoelens openlijk te kennen in een

geschrift over de afgoderij, dat hij op 16-jarigen leeftijd uitgaf

en dat hem den haat van al zijn familiebetrekkingen op den hals

haalde. Ja, om de vijandschap, die tegen hem ontstaan was moest hij

zelfs zijns vaders huis voor een tijd verlaten.

Hij zwierf nu in verschillende streken rond, in Benares bestudeerde

hij het Mohammedanisme, in Tibet had hij veel besprekingen met

Boeddhisten. Geen zorg en moeite was hem te groot om de waarheid te

leeren kennen. Hij las het O. T. in het Hebreeuwsch, den Koran in

't Arabisch, de Veda's in het Sanskriet, de boeken der Boeddhisten

(Tripitaka) in het Pali. Hij ging ook zelfs Grieksch leeren ten einde

het N. T. goed te leeren.

In 1796 keerde hij weer naar huis terug, de vrede met zijn familie werd

gesloten en meer dan ooit gaf hij zich nu aan zijn Sanskrietstudiën

over. Doch: tegelijk leerde hij met even grooten ijver het Engelsch

en zocht van de Europeesche maatschappij te leeren. Na den dood zijns

vaders in 1803 begon hij de dwalingen van het Brahmanisme met kracht

te bestrijden. Hij trad in Engelsch-Indischen staatsdienst en maakte

zich daarin bemind bij diegenen, over wie hij gesteld was. Ook bij deze

praktische werkzaamheden verwaarloosde hij echter zijn godsdienstige

studiën niet. Een meer nauwgezet onderzoek van de Veda's leidde

hem tot de denkwijze, dat de oude godsdienst der voorvaderen geen

afgodendienst was geweest, maar vereering van den éénigen God. Ten

einde dit in het licht te stellen gaf hij verschillende gedeelten

van de Veda's, vooral van de Upanishad's in het licht.

Ook bewoog hij zich op praktisch gebied: hij toonde aan dat nergens

in de Veda's werd voorgeschreven of goedgekeurd dat, zooals in Indië

gebruikelijk was, de weduwe zich verbrandt op het lijk van haar

echtgenoot. De beweging, die hij tegen dit weduwenoffer (Sati) in

't leven riep, heeft er toegeleid, dat de Sati in 1829 door de wet

in Britsch-Indië werd afgeschaft.

't Viel hem echter niet gemakkelijk als hervormer op te treden,

de lieden van zijn eigen caste en kring wendden zich van hem af,

tegenstanders vielen hem aan. Hij week dus naar Calcutta uit, en daar

had hij onder de Hindoe's en onder de Jaina's [8] grooten invloed. Zijn

doel was om zijn landgenooten tot de ware monotheïstische leer van

Veda's en Upanishad's terug te brengen.

Hier in Calcutta werd daartoe een vereeniging gesticht, "de

geestelijke vereeniging" geheeten. De leden waren echter niet bestand

tegen de voortdurende vijandschap, waarmede zij te strijden hadden:

èn--langzamerhand vielen zij af. Alleen de stichter bleef over, doch

deze, geenszins ontmoedigd, verdubbelde zijn pogen. Ook kwam hij

tot meerdere waardeering van het Christendom. De lessen van Jezus

trokken hem zóó aan, dat hij in 1820 een werkje uitgaf, getiteld:

"De voorschriften van Jezus, den gids tot vrede en geluk." Hij vond

de leer van het Christendom meer in overeenstemming met de zedelijke

beginselen dan die van andere godsdiensten. Evenwel, het orthodoxe

Christendom met zijn dogma's van drie-eenheid en godheid van Jezus

stond hem tegen, en hij wist zelfs een zendeling, zekeren Adam,

van zijn orthodox geloof te bekeeren tot zijn eigen opvatting.

Rammohun Roy was van oordeel dat de ééne God der waarheid zich overal

openbaart. Wat er heiligs en goeds is in de Veda's, de geschriften der

Christenen, den Koran, het Zend Avesta: het is alles aan goddelijke

openbaring te danken. Wat overeenkomt met het natuurlijk en gezond

oordeel van het verstand en met het gevoel van het menschelijk hart,

dat is waar. De eenige vader wil dat wij allen liefhebben, zoo sprak

hij, onverschillig hun land, caste, kleur of geloof. Men ziet, het was

een vrijzinnig geloof. Maar was het toch tevens niet echt-Brahmaansch,

in alle openbaringsvormen te herkennen den geest van den Al-Eene?

Rammohun Roy deed wat hij kon om zijn denkbeelden te

verspreiden. Iederen Zaterdagavond hielden hij of zijn vrienden

godsdienstige samenkomsten. De dienst was daarbij in vier deelen

verdeeld: reciteeren uit de Veda's, voorlezen uit de Upanishad's,

een godsdienstige toespraak, het zingen van godsdienstige liederen.

Ten slotte kon de eerste "Theïstische [9] Hindoekerk" worden gesticht

in 1830. Hare leden noemden zich Brahmo Samaj (vereeniging van "die

in God gelooven"). Een nieuwe secte wilde hij daarmede niet stichten:

wel voorbereiden dat Hindoe's, Christenen en Mohammedanen zich in

den dienst van den Eéne zouden ontmoeten.

Jammer dat zijn levensdraad zoo spoedig werd afgesneden: hij stierf

namelijk reeds in 1833, en wel te Bristol in Engeland, waar hij

een belangrijke politieke opdracht had te vervullen. Hij stierf als

Brahmaan, zijn bediende omwikkelde zijn lijk met het gewijde koord;

bij al zijn strijd was toch gebleven de innige gehechtheid aan het

oude geloof.

Gelijk men zich voorstellen kan was zijn dood een zware slag voor

de nieuwe beweging. Zij vond echter weldra een uitnemend leider

terug in Debendra-nath. Deze heeft eigenlijk de nieuwe gemeente

georganiseerd, van welke hij sedert 1841 deel uitmaakte. Hij stelde

een beginselverklaring der Brahmo Samaj op. Ieder lid is verplicht:

"Zich van afgoderij te onthouden, geen geschapen voorbeeld te

aanbidden, maar door de liefde van God en door het doen van de

werken, die Gode aangenaam zijn, te vereeren: den grooten God, den

Schepper, Onderhouder en Vernietiger, de oorzaak aller ontwikkeling,

den Ongedeelde, den Eéne, zooals er geen tweede is, een heilig leven

te leiden en vergeving te zoeken door de zonde vaarwel te zeggen."

Ook werd een liturgie, uit gebeden, aanroepingen, liederen en

overdenkingen bestaande, saamgesteld.

Langzamerhand breidde nu de nieuwe stichting zich uit onder de

voortreffelijke leiding van Pandit Ram Chandra Vidija-bag-ish, den

leeraar der nieuwe gemeente, totdat zij in 1847 bijna achthonderd

leden telde.

Er kwamen echter moeilijke dagen. Verschil rees omtrent de Veda's:

waren zij werkelijk boeken van goddelijk, onfeilbaar gezag--òf waren

ook zij vol van dwalingen? Ten slotte werd vastgesteld, dat noch

Veda's, noch Upanishad's als onfeilbare gidsen zouden gelden. Alleen

wat met het zuivere theïstische geloof overeenstemde moest worden

aanvaard, en dit geloof rustte op twee grondslagen: de natuur en het

inwendig licht.

Intusschen verspreidden de "in God geloovigen" zich ook door

andere steden en streken van Indië en gaf Debendra-nath nieuwe

kracht en vastheid aan de beweging door de uitgave van zijn werk:

Brahma Dharma (de theïstische godsdienst), waarin voorkwamen: de

vier grondbeginselen van het Indisch Theïsme, de straks aangehaalde

verklaring en goedgekeurde aanhalingen uit de Veda's, de Upanishad's

en latere Hindoe werken.

Die vier grondbeginselen zijn de volgende:

I In den beginne, voor dit heelal bestond, was het ééne hoogste

wezen. Hij heeft het gansch heelal geschapen.

II Hij is eeuwig, verstandig, oneindig, vol van zegeningen,

zelfgenoegzaam, zonder vorm, eenig, zoodat er geen tweede is als Hij,

al doordringend, al besturend, al beschermend, alwetend, almachtig

en onbewegelijk, volmaakt en zonder vergelijking.

III Alleen door hem te dienen, kan het geluk worden verzekerd in deze

en in de volgende wereld.

IV Liefde tot Hem en het volbrengen van de werken, die Hij lief heeft,

vormen zijne vereering.

Wie met deze beginselen instemming betuigde kon lid worden van de

Calcutta Brahmo Samaj. Wie meer volledig wilde worden ingewijd moest

de zeven, straks genoemde, verklaringen afleggen.

Het voornaamste der nieuwe leer was voorts het volgende: "Het inwendig

licht en het boek der natuur vormen den oorspronkelijken grondslag van

het Brahmaansch geloof, doch de godsdienstige waarheid wordt dankbaar

aanvaard, zoowel uit ieder gedeelte der oude Hindoesche geschriften als

uit andere gewijde boeken. God is de hemelsche Vader, een persoonlijk

wezen met zedelijke eigenschappen. Die God is nimmer vleesch geworden,

doch Hij draagt zorg voor het heil Zijner schepselen. Tot Hem te bidden

is niet vergeefs. Berouw is de eenige weg tot verzoening, vergeving

en verlossing. De mensch is bestemd om ook op godsdienstig gebied

zich steeds meer te volmaken. Goede werken, barmhartigheid, kennis

verwerven, bespiegeling en vereering zijn de eenige godsdienstige

plechtigheden: boetedoeningen en pelgrimstochten zijn zonder nut. Het

eenige offer is zichzelf Gode te wijden, de eenige pelgrimstocht is

het gezelschap der goeden te zoeken, de eenige ware tempel is het

reine hart. Onderscheiding van casten is er niet."

Zoo was het programma, naar men ziet, doortastend genoeg. Toch bleef

men in de praktijk aan zeer veel van den ouden godsdienst hangen, en

sommigen, daaronder de invloedrijke leeraar Narain Bose stelden ook

op den voorgrond dat het doel niet moest zijn den ouden godsdienst

af te breken maar dezen te volmaken.

Anderen, die sedert 1858 hun geestelijken leidsman vonden in Keshab

Chandar Sen, oordeelden anders. Zij wilden vooral breken met alles

in de oude, vastgewortelde maatschappelijke instellingen, wat met

hun geestelijken godsdienst niet overeenkwam. Men beseft hoe moeilijk

deze taak was, hoeveel stille en openlijke vijandschap er op dezen weg

viel te bestrijden, hoeveel misverstand uit den weg te ruimen. Toch,

Keshab Chandar Sen, toen 20 jaar oud, deinsde er niet voor terug.

Zijn levensweg was anders geweest dan die van zijn voorganger Rammohun

Roy. Eerst opgevoed in een omgeving van Hindoesch bijgeloof, ontving

hij later in Calcutta een Engelsche opvoeding. Voor de Europeesche

wetenschap bezweek het oude geloof. Doch zonder godsdienstig geloof

kon eene natuur als hij niet leven. Hij zocht naar betere kennis

van God. Op zekeren dag kreeg hij eenige preeken van Narain Bose in

handen en tot zijn verwondering bemerkte hij dat er in Calcutta reeds

een Theïstische kerk bestond. Aanstonds sloot hij zich daarbij aan.

Weldra nam hij in de broederschap een belangrijke plaats in. Eerst

werkte hij onder leiding van Debendra-nath ongeveer vijf jaar lang,

maar een persoonlijkheid als de zijne moest wel op den voorgrond

treden.

Keshab Chandar Sen was met de tot nu toe ingevoerde hervormingen

niet tevreden. Hij wilde alles wat op casten-verschil wees

afgeschaft zien. Als een begin op dien weg bepleitte hij dat

allen, die de godsdienstoefeningen der nieuwe kring leidden,

het gewijde hemd, waardoor de hoogere casten zich onderscheidden,

zouden afleggen. Debendra-nath wilde het zelf wel afdoen, maar zoo'n

verplichting anderen niet opleggen.

Dit gaf wrijving tusschen de behoudende en de vooruitstrevende

elementen. Trouwens, dit niet alleen, achtereenvolgens kwamen nog

tal van hervormingen aan de orde, waarop Keshab Chandar Sen en de

zijnen aandrongen. Zoo bijvoorbeeld een verandering in de Sraddha,

of den dienst der gestorven voorvaderen, welks ritus niet met de ware

Brahmaleer omtrent een toekomstig leven overeenkwam. Dan, wijziging van

het ceremonieel bij geboorte, naamgeving en lijkverbranding. Verder,

een meer gepaste inwijding voor hen, die tot de gemeente toetraden.

Ook wilde men de vrouwen opvoeden en verheffen. Zij werden aangemoedigd

om toe te treden, velen deden dit en woonden dan den dienst bij achter

gordijnen of in een afzonderlijk vertrek.

Dan stelde men aan de orde, hervorming van het huwelijk. Men wilde

afgeschaft zien de kinderhuwelijken, zoo nauw saamgeweven met

Indische zeden, maar tot zooveel misbruik en ellende voerend, ook

wilde men dat de veelwijverij zou worden opgeheven en dat de weduwen

vrijheid zouden hebben te hertrouwen. Ook wilde men tal van dwaze

en overtollige ceremoniën bij het huwelijk afschaffen. Dit ongeveer

waren de bedoelingen der meer vooruitstrevenden.

Toch, ook de meer behoudenden, gingen in veel mede. Narain Bose

was de eerste om in zijn eigen familie het opnieuw huwen van een

weduwe toe te laten, waarvoor men hem in zijn geboortedorp haast

steenigde. Debendra-nath gaf het voorbeeld door voor grooten eenvoud

te zorgen bij het huwelijk van zijn tweede dochter, dat op 26 Juli

1861, in tegenwoordigheid van tweehonderd geloofsgenooten, plechtig,

zonder overdreven feestvertoon, werd voltrokken. Dit was de eerste

huwelijkswijding volgens den ritus der Brahmo Samaj.

Keshab Chandar Sen ging echter nog verder. Hij voltrok in 1864

een huwelijk tusschen twee personen van verschillende caste: wat

Debendra-nath zeer mishaagde.

Chandar Sen voelde zich onder de Brahmo Samaj niet recht thuis: hij

zag nog te veel van den ouden castengeest en van het oude bijgeloof

en gevoelde de noodzakelijkheid om den bijl te leggen aan den wortel

van den ouden stam. 't Eind was dat er een scheuring ontstond tusschen

vooruitstrevenden en meer behoudenden. De eersten scheidden zich af

en stichtten in November 1866 een nieuwe vereeniging: de Brahmo Samaj

van Indië geheeten.

Haar doel was, zooals Chandar Sen in zijn openingsrede op 11 November

verklaarde, alle Brahma-vereerders in één lichaam te vereenigen en

een organisatie over geheel Indië te verkrijgen. In 1869 opende deze

nieuwe gemeente haar bedehuis.

Haar optreden kenmerkte zich door groote godsdienstige bezieling.

Haar programma luidt aldus:

God is de eerste oorzaak van het heelal. Door Zijn wil schiep Hij

alle voorwerpen uit niets en onderhoudt Hij deze bij voortduring. Hij

is Geest, geen stof. Hij is volmaakt, oneindig, almachtig, vol van

genade en heiligheid. Hij is onze Vader, Beschermer, Meester, Koning

en Verlosser.

De ziel is onsterfelijk. De dood is slechts de oplossing van het

lichaam. Er is geen nieuwe geboorte na den dood: het toekomstig

leven is een voortzetting en ontwikkeling van het tegenwoordig

leven. De menschen die nu leven zijn de embryo's van de menschen,

die zijn zullen.

De ware (heilige) schriften zijn tweeërlei: het boekdeel der natuur en

de natuurlijke denkbeelden, in den geest ingeplant. De wijsheid, macht

en genade van den Schepper staan in het gansche heelal beschreven. Alle

denkbeelden over onsterfelijkheid en zedelijkheid zijn oorspronkelijke

overtuigingen, in des menschen zijn gegrond.

God wordt nimmer mensch door een menschelijk lichaam aan te nemen. Zijn

goddelijkheid woont in ieder mensch en openbaart zich in sommigen met

groote kracht. Mozes, Jezus Christus, Mohammed, Nanak, Cartanya en

andere groote leeraren verschenen op bepaalde tijden en brachten vele

heilsgoederen aan de wereld. Zij mogen aanspraak maken op algemeene

dankbaarheid en liefde.

De Brahma godsdienst is verschillend van alle andere godsdienststelsels

der wereld, toch maakt hij het wezen van allen uit. Hij is niet

vijandig tegen andere gelooven. Wat daarin waars is, aanvaardt hij. Hij

is gegrond op het wezen des menschen en is daarom eeuwig en algemeen,

noch ook beperkt tot leeftijd of landstreek.

Alle menschen behooren tot ééne broederschap. De Brahma godsdienst

kent geen onderscheid van hooge en lage caste. Het doel van dezen

godsdienst is allen tot één huisgezin te vereenigen.

Er zijn vierderlei plichten: 1. plichten tegenover God, zooals:

geloof in Hem, liefde, vereering en aanbidding. 2. plichten tegenover

onszelf, zooals: bewaring van ons lichamelijk welzijn, verkrijging van

kennis, heiliging der ziel. 3. plichten tegenover anderen, zooals:

waarachtigheid, rechtvaardigheid, dankbaarheid, het bevorderen van

het welzijn van alle menschen. 4. plichten tegenover dieren en lagere

schepselen, zooals vriendelijke behandeling.

Iedere zondaar moet de gevolgen van zijn eigen zonden dragen, vroeg

of laat, in dit of in een volgend leven.

De mensch moet naar heiligheid streven door vereering van God,

onderdrukking der hartstochten, berouw, de natuur en goede boeken

te onderzoeken, goed gezelschap te zoeken en in de eenzaamheid te

overpeinzen. Deze dingen zullen, door de werking van Gods genade, tot

verlossing leiden. Verlossing is bevrijding der ziel van den wortel

van het bederf en haar voortdurend groeien in heiligheid. Dit groeien

duurt tot in eeuwigheid, en de ziel wordt meer en meer goddelijk

en gelukkig in Hem, die de bron is van oneindige heiligheid en

vreugde. Het nabijzijn van God is de hemel der Indische Theïsten.

Naar men ziet zijn hier verscheiden denkbeelden aan het Christendom

ontleend. Ook de godsdienstoefeningen hebben gewoonlijk op Zondag

plaats. Zij zijn ongeveer aldus ingericht: eerst een lied, dan

een aanroeping van God door den leeraar, door een ander lied

gevolgd. Vervolgens vereering van God, gezongen door de geheele

gemeente, voortgezet door den voorzanger alleen. Dan eenige minuten

van stille overpeinzing en gemeenschap met God. Vervolgens wordt,

door de geheele gemeente, staande, het volgende gebed gesproken:

"Leid ons, o God, van onwaarheid tot waarheid, van duisternis

tot licht, van dood tot onsterfelijkheid. O, Vader der waarheid,

openbaar u toch aan ons. Gij zijt genadig, bescherm ons steeds in

uwe grenzenlooze goedheid. Vrede! Vrede!" Dan volgt een gebed voor

de gansche wereld, door den voorganger alleen, gevolgd door een ander

lied en door het zeggen van teksten uit Hindoesche en andere gewijde

schriften. Eindelijk een preek, gevolgd door gebed, zegen en lied.

Jammer genoeg ontstond er in deze vereeniging in 1878 weer een nieuwe

scheuring. De uitgetredenen stichtten zich een eigen bedehuis. Doch op

al de bijzondere lotgevallen der verschillende Indische Theïstische

groepen in te gaan zou ons te ver voeren. Wij merken alleen nog op,

dat er reeds in 1883 over Engelsch Indië 170 gemeenten bestonden, de

een wat meer behoudend, de ander wat meer kritisch staande tegenover

de Hindoesche overlevering, maar toch allen getuigenis afleggend

van nieuwen levensgloed. Onder de hoofdleiders moeten wij nog noemen

Mozoomdar, die eenige jaren geleden op het parlement der godsdiensten

in Chicago zoo meesleepend wist te getuigen.

Van harte hopen wij dat deze verlichte Indiërs hun vaderland van

bijgeloof mogen zuiveren en dat zij de vele schatten, in de gewijde

boeken van hun volk verborgen, in ruime mate ook tot de westerlingen

mogen helpen brengen. Want, de tempel der toekomst zal worden

saamgevoegd uit vele kostelijke steenen, aangebracht uit vele landen.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 7 / 78 题