De volgende bladzijden behelzen de tweede--herziene en veel
vermeerderde--uitgave van het Ontwerp der Spelling, door de Redactie
van het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1863 in het licht
gezonden. Het Ontwerp is nu eene Regeling geworden, het voorloopige
plan in een bepaald besluit veranderd; want de tijd was daar, dat
onze spelling tot in alle bijzonderheden voorgoed moest worden
vastgesteld. Reeds is de eerste aflevering van het Woordenboek
verschenen; de tweede ligt bijna gereed. Onze landgenooten, die
onzen arbeid met hunne belangstelling vereeren, hebben dus reeds de
spelregelen kunnen opmerken, die door ons zijn aangenomen. Maar wij
zijn hun nader rekenschap verschuldigd van de beginselen, die ons
daarbij hebben geleid; bovenal van de wijzigingen, die wij sedert
de verschijning van ons eerste Ontwerp noodzakelijk of raadzaam
hebben geacht.
Onze openlijke uitnoodiging, dat deskundigen ons hunne aanmerkingen en
bedenkingen op het voorgedragen spellingplan niet mochten onthouden,
is niet vruchteloos geweest. In verscheidene grootere en kleinere
geschriften, maandwerken, dagbladen enz. is het vraagstuk der
orthographie, dat een tijdlang gesluimerd had, met vernieuwden lust op
het tapijt gebracht en aan alle kanten besproken. Alle twijfelachtige
punten zijn opnieuw aan veelzijdige critiek onderworpen; de meest
verschillende meeningen hebben warme verdedigers gevonden; over
en weder is alles aangevoerd wat vóór of tegen te zeggen viel. Ook
aan belangrijke opmerkingen in bijzondere briefwisseling, van zeer
bevoegde handen, heeft het ons niet ontbroken. Van hoeveel invloed dit
alles geweest is, heeft reeds de eerste proeve van het Woordenboek
bewezen en zal in deze bladzijden nader blijken. Het spreekt wel
vanzelf, dat er onder de bedenkingen, die men geopperd heeft, veel
was waarmede wij ons niet konden vereenigen. Zoo het ergens moeilijk
is tot eenstemmigheid te geraken, het is vooral op het gebied der
orthographie, wier regeling, bij een zoo beperkt letterstelsel, een
aantal onoplosbare bezwaren medebrengt, en juist daardoor altijd tot
tegenstrijdige gevoelens aanleiding moet geven. De ervaring heeft het
ook nu weder op de afdoendste wijze getoond. Wat de een in ons Ontwerp
laakte, werd juist door den ander geprezen; de verandering, die dezen
het meest beviel, door genen het strengst afgekeurd. Reden genoeg om
uit eigen oogen te blijven zien en, met bedaarde overweging van alle
meeningen, naar niets anders te streven dan naar de waarheid alleen,
voor zooverre die althans in zaken van dezen aard bij benadering
kan worden bereikt. Daar kwam bij, dat het standpunt, waarop zich
onze geachte beoordeelaars plaatsten, niet altijd datgene was,
waarop wij behoorden vast te staan. Hun was het veelal om bijzondere
punten te doen, losse, op zich zelf staande vraagstukken omtrent de
schrijfwijze van deze of gene woorden, al naarmate eene geliefkoosde
overtuiging of gevestigde voorkeur medebracht; terwijl wij, die het
geheel behandelden, het gansche spellingstelsel in zijnen logischen
samenhang moesten beschouwen en alle bijzonderheden in onderling
verband aan algemeene beginselen toetsen. Bij iedere afzonderlijke
vraag moest ons de geheele reeks van soortgelijke vragen, en de band
die ze alle aaneenknoopt, voor oogen staan, ten einde te verhoeden,
dat nu eens deze, dan weder een andere maatstaf werd aangelegd, en
te zorgen, dat de eenheid in het geheele stelsel bewaard bleef. Moge
dan al onze keuze hier of daar bij den eersten aanblik inconsequent
schijnen, omdat zij wel eens strijdig is met den eenen of anderen
bijzonderen, maar ondergeschikten spelregel, bij nader inzien zal
zij blijken in overeenstemming te wezen met het geheel en met de
natuurlijke grondbeginselen der spelling, die uit het wezen en de
bestemming van het schrift noodwendig voortvloeien. Consequentie
in het geheel en volstrekte consequentie in alle onderdeelen zijn
onvereenigbaar bij elk stelsel, dat, gelijk de spelling eener taal,
niet door één allesomvattend brein is bepaald en geregeld, maar de
samenvoeging is van partieele meeningen omtrent bijzondere punten,
die zich naast elkander vestigden en eerst allengs zich tot een geheel
vereenigden, waarin uit den aard der zaak de innerlijke overeenstemming
niet volkomen zijn kon, omdat niemand het geheel overzag. Bij de
beslissing van dien innerlijken strijd was het onze overtuiging,
dat het bijzondere en ondergeschikte ook in de spelling voor het
algemeene en hoogere moest onderdoen. Doch juist bij die omvattende
beschouwing van het geheel en al zijne deelen was herhaald onderzoek en
rijp beraad een dubbel onmisbaar vereischte, en daartoe hebben ons de
vele opmerkingen, twijfelingen en bezwaren, die wij mochten vernemen,
overvloedige stof gegeven. Niets hebben wij ter zijde gelegd zonder
aandachtige overweging. Zoowel de grondbeginselen, waarvan ons Ontwerp
uitging, als de bijzondere stellingen, die het bevatte, hebben wij
nogmaals opzettelijk overdacht, nauwkeurig beproefd en met de gemaakte
bedenkingen vergeleken. Menige wijziging, menige zelfs van gewicht,
is daarvan het gevolg geweest; en met te meer grond durven wij ons
vleien, dat de nu voor het Woordenboek vastgestelde spelling aan hare
wetenschappelijke en practische bestemming zal mogen voldoen.
Maar het was niet genoeg ons stelsel te herzien en te verbeteren,
het moest ook worden aangevuld door de behandeling van die vragen,
die tot hiertoe nooit opzettelijk werden beantwoord en toch voor
de regelmaat der spelling van groot gewicht zijn. Wij bedoelen
inzonderheid de scheiding der woorden bij het afbreken, en de keuze
der verbindingsletters tusschen de leden eener samenstelling. Bij
de eerste uitgave van ons Ontwerp was onze beraadslaging omtrent die
belangrijke punten nog niet geheel afgeloopen, zoodat wij het raadzaam
achtten ons daaromtrent eene nadere beslissing voor te behouden. Sedert
hebben wij het onderzoek geregeld voortgezet en tot een--zoo wij
hopen--bevredigend einde gebracht. De uitkomsten onzer overwegingen
bieden wij thans aan het publiek aan. Wij zijn er verre af te gelooven,
dat het ons gelukt zal zijn, vooral wat het ingewikkeld en netelig
vraagstuk der samengestelde woorden betreft, alle moeilijkheden
uit den weg te ruimen en de zaak te regelen op eene wijze, waarin
terstond iedereen genoegen zal nemen. Maar wie niet onbekend is met
de schromelijke verwarring, die op dit punt altijd geheerscht heeft,
wie het met ons betreurt dat een zoo gewichtig onderwerp tot dusverre
door schijnbaar onoverkomelijke bezwaren alle taalkenners afschrikte
en nooit ernstig behandeld werd, zal ten minste de poging goedkeuren,
die wij waagden, om het vraagstuk met moed aan te vatten en naar ons
beste weten op te lossen. Volkomen regelmaat en strikte consequentie
was uit den aard der zaak hier niet te bereiken. De vraag is alleen,
of de schikking, door ons ontworpen, zich aanbeveelt door billijke
inachtneming en behoedzame toepassing der grondbeginselen, die bij
eene verstandige spelling tot leiddraad moeten verstrekken. Zoo ja,
dan zal men wèl doen door zich over kleinigheden heen te zetten, die op
het eerste gezicht misschien vreemd kunnen schijnen, om liever de zaak
in haar geheel te beschouwen en de ordelijke regeling te erkennen,
die wij ook hier poogden te vestigen. Het wordt hoog tijd--voor
eene taal als de onze, die zoo onuitputtelijk vruchtbaar is in het
vormen van samenstellingen--dat er een einde kome aan die willekeur
en slordigheid in het schrijven van samengestelde woorden. Wie het
wèl met de taal meent, zal gaarne met ons medewerken om ook hier een
stelsel te doen aannemen, dat veroorlooft met helder bewustzijn een
vasten maatstaf te volgen.
De zorgen, door ons aan de orthographie gewijd, hadden aanvankelijk
geen ander doel dan het bepalen der spelling ten dienste van het
Woordenboek. In dat werk, uit den aard bestemd om invloed te oefenen
op de ontwikkeling der taal, en dat derhalve aan zijne bearbeiders
eene zware verantwoordelijkheid oplegt, mochten wij niet gedachteloos
voortsukkelen in de eenmaal geijkte schrijfwijze, waarin eene halve
eeuw taalstudie talrijke gebreken en leemten had aangewezen, en die
eigenlijk aan niemand meer voldeed. Maar verder dan de behoeften van
het Woordenboek strekten zich onze bemoeiingen niet uit. In hoeverre
onze taalgenooten in Noord en Zuid onze spelling zouden goedkeuren:
of zij in ruimeren kring zou doordringen, misschien eenmaal de leuze
worden der zoo lang vergeefs gehoopte eenparigheid: dit alles moesten
wij geduldig aan den tijd overlaten. De uitkomst is nu reeds gunstiger
geweest dan wij immer dorsten vermoeden. Het algemeene verlangen om
eenmaal tot zekerheid en regelmaat te geraken, kwam onze pogingen te
gemoet, nog eer wij met den arbeid gereed waren. Men wenschte niets
liever dan verlost te worden van al dat weifelen en dobberen, dat
zooveel ongemak veroorzaakte en vooral belemmerend op het onderwijs
drukte. Bij die diepgevoelde behoefte viel aan ons Ontwerp eene
belangstelling ten deel, die wij te hooger waardeeren, omdat zij
reeds tot een belangrijk gevolg heeft geleid. De Belgische Regeering,
overtuigd van de noodzakelijkheid om de spelregels, in 1841 door
het Gentsche Taalcongres aangenomen, te doen herzien, heeft bij
Koninklijk Besluit van 25 Januari 1864 eene Commissie benoemd,
uit de voornaamste Vlaamsche taal- en letterkundigen bestaande,
en belast om de hervorming van het spellingstelsel te regelen. Die
Commissie stelde, als beginsel harer werkzaamheden vast, »dat men het
verschil van spelling, hetwelk al te lang onze taal in Vlaamsch en
Hollandsch heeft verdeeld, moest trachten te doen verdwijnen". Zij
nam het Ontwerp, door de Redactie van het Woordenboek in het licht
gegeven, tot leiddraad harer beraadslagingen, vereenigde zich in de
hoofdzaken met de regels, die daarin waren voorgedragen, en knoopte met
de Redactie eene briefwisseling aan ter nadere overweging van datgene,
waartegen zij bedenkingen had. Het verschil, dat meest ondergeschikte
punten betrof, werd spoedig vereffend en loste zich op in de meest
volkomene overeenstemming. Reeds heeft de Commissie, door de bekwame
pen van haren woordvoerder, Prof. Heremans, een even grondig als
sierlijk Verslag uitgebracht en openbaar gemaakt [2]; hare voorstellen
zijn bij Koninklijk Besluit van 21 November ll. bekrachtigd; de
nieuwe spelregels voor het onderwijs in de staatsscholen en voor de
stukken, van de Regeering uitgaande, vastgesteld, en reeds weinige
dagen daarna--met eene verrassende eenparigheid--door de Vlaamsche
schrijvers aangenomen en in de dagbladen ingevoerd. Zoo is dan nu
de eenheid van spelling tusschen Zuid en Noord, die men zoo lang als
eene volstrekte onmogelijkheid beschouwde en als eene hersenschim van
dweepzieke ijveraars uitkreet, na weinige jaren van verbroedering,
een werkelijk bestaand feit geworden; de eenheid der Nederlandsche
taal, die te lang in Vlaamsch en Hollandsch verdeeld scheen,
voorgoed en duurzaam gevestigd, door gelijkheid van spelling,
als door een uiterlijk merkteeken, gewaarborgd. Zoo hebben de
Congressen, waarin menigeen niets dan eene ijdele vertooning zag,
eene practische uitwerking gehad, die meer dan iets anders heilrijke
vruchten zal dragen voor de toekomst onzer taal. Alleen door oprechte
waarheidsliefde en onderlinge welwillendheid is dit verblijdend
resultaat tot stand gekomen: de hereeniging op taal- en letterkundig
gebied met onze broeders uit het Zuiden, die de staatkunde eenmaal
van ons gescheiden heeft. Om die hereeniging nader te bevestigen, is
het nu dubbel wenschelijk, dat ook in Noord-Nederland de onzekerheid
der orthographie weldra plaats make voor vastheid en regelmaat. Naar
de begrippen, hier te lande aangenomen, kan dit onderwerp niet door
de bemoeiing der Regeering worden geregeld. Vrijwillige instemming
moet alles beslissen. Maar reeds doen zich de voorteekenen op,
dat de eenparigheid ook hier niet zal uitblijven. Meer dan één
onzer voornaamste schrijvers heeft zich reeds met de spelling
van het Woordenboek vereenigd, en van alle zijden ontvangen wij de
blijken van de levendige belangstelling, die de zaak in den kring der
Nederlandsche onderwijzers heeft opgewekt. De bereidwilligheid, door
zoovelen betoond, om de voorgestelde wijzigingen in de spelling door
leer en voorbeeld ingang te doen vinden, legt ons de verplichting op
om van onzen kant, erkentelijk voor de goedkeuring aan onze pogingen
geschonken, de taak gemakkelijk te helpen maken door het leveren van
die practische hulpmiddelen, die voor het onderwijs en het algemeen
gebruik onontbeerlijk zijn. Wij hopen eerlang ten dienste der scholen
een beknopt overzicht te geven van de spelregelen, door ons voor het
Woordenboek aangenomen en in deze Verhandeling breedvoerig ontvouwd;
om daarna eene Woordenlijst voor de spelling te doen volgen, waarbij
men in ieder voorkomend geval zal kunnen te rade gaan. Eerst dan zal
onze orthographische werkzaamheid zijn afgeloopen, en zullen wij ons
voortaan onverdeeld aan de lexicographie kunnen wijden. De voldoening,
die de eene helft onzer taak ons zoo ruimschoots heeft opgeleverd,
geeft moed om in de andere, waarin de sympathie onzer landgenooten
ons niet minder krachtdadig steunt, met frisschen ijver te volharden.
Leiden,
4 Februari 1865. M. D. V.
Door de groote belangstelling van het publiek in de zaak der
spellingherziening is binnen weinige weken een herdruk onzer
Grondbeginselen noodzakelijk geworden. Wij hebben van deze gelegenheid
gebruik gemaakt, om hier en daar enkele uitdrukkingen te wijzigen,
en tevens bij een paar punten ons gevoelen nader te staven, naar
aanleiding der bedenkingen, onlangs van eene geachte zijde daartegen
in het midden gebracht, die voor 't overige deels in het jongste
stuk van den Taalgids breeder zijn beantwoord, deels in de volgende
nummers zullen beantwoord worden. Buiten dit weinige is deze uitgave
aan de vorige gelijk gebleven.
Leiden,
4 Juli 1865. M. D. V.
Deze derde druk is door mij opnieuw herzien, waar het noodig
scheen gewijzigd, en met de tweede uitgave van onze Woordenlijst in
overeenstemming gebracht.
Leiden,
30 Sept. 1872. M. D. V.