HET HISTORISCH MATERIALISME.

In het geschrift tegen Proudhon is reeds in de behandeling van de

stof, het wetenschappelijk standpunt van Marx, zijne philosophische,

historische en economische gezichtspunten duidelijk te zien. Dat nieuwe

standpunt was gewonnen, door eene vereeniging van het beste dat het

fransche Materialisme van de 18e eeuw in Holbach en Helvetius geleverd

heeft,--de revolutionaire kern uit die levensbeschouwing,--met het

uit de critiek op de speculatieve en de idealistische wijsbegeerte

der Hegelsche school, verkregen realisme.

De grondslag voor die levensopvatting--eene vereeniging van de oude

tegenstellingen van Denken en Zijn, of die van geest en stof,--was het

bestaande, de ervaring, de mensch. Het klassieke fransche materialisme

van de 18e eeuw, kòn de wereld niet opvatten als één proces; van de

in gestadige en voortdurende, historische voort-ontwikkelingsgang

zich bevindende materie.

Aan den anderen kant was het Idealisme van Hegel gedoemd om

te verstarren in de beschouwing van de "absolute idee." Bij de

Jong-Hegelianen ontwikkelde zij zich dan ook tot de zuivere burgerlijke

ideologie eenerzijds en tot de speculatieve wijsbegeerte anderzijds,

door het abstraheeren van de begrippen, van hunne eigen moeder:

de werkelijkheid.

Maar Hegel had toch reeds de evolutie in de geschiedenis geconstateerd

en ook de weg ontdekt, al was dit slechts door zuiver abstraheeren,

waarlangs dit geschiedde: de dialektische ontwikkeling in de

geschiedenis.

De begrippen "toeval" en "willekeur," waren reeds door Spinoza uit de

philosophische beschouwing der dingen buitengesloten en de causaliteit

tot eene absolute wet door hem verheven, waaraan alles in de natuur

zooals ook in den menschelijken wil, onderworpen was.

De groote gedachte van de vooruitgang in beschaving, die het

voornaamste voortbrengsel van de Hegelsche philosophie was,--de

dialektische ontwikkeling--heeft, als sleutel tot het begrip van

het verleden, de geschiedeniswetenschap op een hooger plan kunnen

stellen. De toepassing van de evolutionaire, dus dialektische

ontwikkeling op de menschelijke samenleving is, in wetenschappelijken

zin en beteekenis, niet verschillend van die, welke Darwin toepaste

op de biologie en waarmede hij tot zijne, voor de vooruitgang der

biologische wetenschappen zoo baanbrekende resultaten was gekomen. En

het is in het algemeen geen toeval, dat beide wetenschappelijke

ontdekkingen, voor natuur en samenleving van het grootste belang,

in een en denzelfden tijd zijn tot stand gekomen. Darwin en Marx

kenden elkander echter niet.

Maar in hetzelfde jaar,--alleen dit is er toevalligs aan--dat Charles

Darwin zijn "Ontstaan van de Soorten" publiceerde, zag ook van Marx

"Kritiek der Staathuishoudkunde" het licht. Dit was in 't jaar 1859.

Met de nieuwe levensbeschouwing lieten zich, noch het standpunt

van de "humanistische" socialisten, noch dat van de "utopistische"

socialisten vereenigen.

Vooral de laatsten hadden bij hunne beschouwingen, hoe nauw deze

dikwijls de werkelijkheid ook raakten, steeds ééne onveranderlijke

en vaste, "menschelijke natuur" aangenomen, waarvan zij ook steeds

uitgingen en ondanks alles steeds op terugkwamen. Dat deze niet

echter er was kon de geschiedenis aantoonen, zoodra zij maar op

hare reële basis, de menschheid zelve werd teruggevoerd. Wat is

echter de menschheid en wat beweegt haar? Wat maakt, in laatste

instantie de beweegkracht der geschiedenis uit? Is het het

toeval? Neen. Zijn het ideën dan? Maar deze wonen in menschen;

in de samenleving van produceerende en consumeerende, werkende en

niet-werkende individuen. En de ideën zelven, waren ook nooit eeuwige

en onvergankelijke, maar steeds naar den aard der samenleving die ze

produceerde, andere.

Trouwens, reeds om die eeuwige vastheid van de menschelijke "natuur"

had Hegel zich in zijne "Geschiedenis-philosophie" lustig gemaakt. Het

was namelijk met betrekking tot de socialistische Utopisten, die

zich het hoofd stuk peinsden over de "beste" wetgeving en over de

"beste" maatschappij.

En ook zelfs de burgerlijke geschiedschrijving, in den aanvang van

de 19e eeuw, van Augustin Thierry en Michelet voornamelijk, de eerste

in zijne geschiedschrijving van de burgerlijke revoluties in Engeland

en die van 1789 in Frankrijk, de tweede in zijne groote studiën over

de middeneeuwen; zoowel als de minister Guizot in zijn "Essai sur

l'histoire de France", hadden de samenleving zelve aangetoond als de

grondslag van de geschiedenis te zijn.

Die grondslag evenwel, is evenmin een vaste en steeds blijvende;

zij zelve verandert en deze hare verandering is niet minder dan die

van de samenleving en de gansche natuur, aan de wetten der evolutie

onderworpen.

De vrucht nu van de philosophische levensbeschouwing van Marx, die

gebouwd was op de dialektische ontwikkeling in natuur en samenleving,

hare revolutionaire vrucht dus, was het historisch materialisme. De

toepassing van deze beschouwingswijze op de geschiedenis, leidde tot

de opvatting van de burgerlijke samenleving, als te zijn gebaseerd op

de klasse-tegenstellingen van bezit, d. w. z. kapitaal eenerzijds en

niet-bezit, d. w. z. van arbeid anderzijds. De formuleering van het

begrip van den modernen klassenstrijd, was hiervan wederom het gevolg.

Toen Marx zich aan de ontleding zette van de burgerlijke, de

kapitalistische samenleving van tegenwoordig, teneinde uit deze

analyse bloot te leggen, de drijvende krachten die hare produktiewijze

voortbewegen en oplossen; een arbeid die aangevangen is met "Zur Kritik

der politischen Ökonomie" en voortgezet is in zijn hoofdwerk "das

Kapital"; ging hij, naar hij in de Voorrede van het eerste geschrift

ons mededeelt, uit van de volgende wetenschappelijke denkmethode,

die in groote trekken, de grondslag is te noemen van het historisch

materialisme. Hij zegt daar:

"Mijne onderzoekingen leidden tot het resultaat, dat

rechtsverhoudingen, zoowel als staatsvormen noch uit zich-zelf te

begrijpen zijn, noch uit de zoogenaamde algemeene ontwikkeling van den

menschelijken geest, maar veelmeer in de materieele levensverhoudingen

wortelen, welker totaal Hegel, naar het voorbeeld van de Engelschen

en Franschen uit de 18e eeuw onder den naam van de "burgerlijke

maatschappij" tezamenvat; dat evenwel, de anatomie der burgerlijke

maatschappij, in de staathuishoudkunde is te zoeken. De navorsching

van de laatste, in Parijs door mij aangevangen, heb ik te Brussel

voortgezet, waarheen ik tengevolge van het verbanningsbevel des heeren

Guizot heb moeten uitwijken. Het algemeene resultaat dat zich aan mij

opdrong, en dat eenmaal gewonnen, tot den leiddraad mijner studiën

werd, kan in het kort aldus worden geformuleerd:

"In de maatschappelijke produktie huns levens, leven de menschen onder

bepaalde, noodzakelijke, van hunnen wil onafhankelijke verhoudingen,

produktieverhoudingen, die met eene bepaalde ontwikkelingstrap hunner

materieele produktiekrachten in overeenstemming zijn. Het totaal

dezer produktieverhoudingen, vormt de economische structuur van de

samenleving, de werkelijke basis waarop zich een juridische en een

politieke bovenbouw verheffen, en welke aan bepaalde maatschappelijke

bewustzijnsvormen beantwoorden. De produktiewijze van het materieele

leven, bepaalt het sociale, politieke en geestelijke levensproces

in het algemeen. Het is niet het bewustzijn der menschen, dat hun

Zijn, maar omgekeerd, het is hun maatschappelijk Zijn, dat hun

bewustzijn bepaalt. Op eene bepaalde ontwikkelingshoogte hunner

ontwikkeling, geraken de materieele produktiekrachten der samenleving

in tegenspraak met de voorhanden produktieverhoudingen, of gelijk de

juridische uitdrukking daarvoor luidt, met de eigendomsverhoudingen,

waarbinnen dezen zich tot dusverre bewogen hebben. Dan slaan deze

verhoudingen, van uit ontwikkelingsvormen der produktiekrachten,

om, in kluisters derzelven. Er treedt dan een tijdstip van sociale

revolutie in. Met de verandering van de economische grondslagen,

wentelt ook de gansche bovenbouw langzamer of sneller om. Bij

de beschouwing van zulke omwentelingen, behoort men steeds te

onderscheiden tusschen de materieele, natuurwetenschappelijk-nauwkeurig

te constateeren omwenteling in de economische produktievoorwaarden en

de juridische, politieke, religieuze, artistieke of philosophische,

kortom ideologische vormen, waarin de menschen zich dat conflikt

bewust worden en het uitvechten. Zoomin als men, dat wat als een

individu geldt, beoordeelt naar datgene wat dit van zich-zelf denkt,

zoomin kan men eene zoodanige omwentelingsperiode uit haar bewustzijn

beoordeelen, maar moet veelmeer, dit bewustzijn uit de tegenstellingen

van het materieele leven, uit het aanwezig zijnde conflikt tusschen

maatschappelijke produktiekrachten en produktieverhoudingen worden

verklaard. Een samenlevingsvorm gaat niet ten onder, dan alvorens

alle produktiekrachten ontwikkeld zijn; voor dat zij ver genoeg

heen is; en nieuwe, hoogere produktieverhoudingen nemen hare plaats

niet in, alvorens de materieele bestaansvoorwaarden derzelven, in

den schoot der oude samenleving zijn uitgebroed. Hierom ook stelt

de menschheid zich steeds eene taak, die zij volvoeren kan; want

nauwkeuriger beschouwd, zal zij steeds vinden, dat die taak zelf,

slechts daar haren oorsprong vindt, waar de materieele voorwaarden

harer oplossing reeds voorhanden zijn, of minstens in staat van wording

verkeeren. In groote omtrekken kunnen Aziatische, antieke, feodale

en modern-burgerlijke produktiewijzen, als progressieve tijdperken

van de economische maatschappij-formaties worden gekarakteriseerd. De

burgerlijke produktie-verhoudingen zijn de laatste antagonistischen

vorm van het maatschappelijk produktieproces; antagonistisch,

niet in den zin van een individueel antagonisme, maar van een,

uit de maatschappelijke levensbehoeften der individuen voortkomend

antagonisme. Maar, de in den schoot der burgerlijke maatschappij

zich ontwikkelende produktiekrachten, scheppen tegelijkertijd ook

de materieele voorwaarden tot oplossing van dit antagonisme. Met

dezen vorm van samenleving, sluit daarom de voorgeschiedenis van de

menschelijke maatschappij af."

Het eerste groote resultaat van de geschieds-beschouwing, gelijk wij

die, èn in het geschrift over de Hegelsche Rechtsphilosophie èn in

dat tegen Proudhon geformuleerd zien, de beschouwing namelijk, dat

het de klassetegenstellingen zijn waarop de burgerlijke samenleving

gebaseerd is, was een geschrift dat tevens in zich bevatte, de eerste

samengedrongene, wetenschappelijke formuleering van het moderne

socialisme van Marx en Engels.

Gedurende Marx' oponthoud te Brussel werkten hij en Engels geducht

mede aan een blad "Die Deutsche Brusseler Zeitung" genaamd, dat onder

leiding van v. Bornstedt twee malen 's weeks verscheen en aan een

duitsch tijdschrift "Das Westphälische Dampfboot" genaamd. Zoo ook

stichtten zij onder de politieke vluchtelingen, welke zich toenmaals

in Brussel bevonden, de "Deutsche Arbeiterverein" in vereeniging met

Moritz Hesz, Sebastian Seiler, Ernst Dronke, Stephan Born en Wilhelm

Wolff, dezelfde, aan wien later het eerste deel van "das Kapital" werd

opgedragen. Het was in die Vereeniging dat Marx zijn voordracht hield

over "Loonarbeid en Kapitaal", die met het critisch-staathuishoudkundig

overzicht van Marx tegelijk zal worden behandeld.

Maar het is in deze periode te Brussel geweest, dat het

wetenschappelijk socialisme, of gelijk de beide mannen het toenmaals

om eene behoorlijke onderscheiding te maken noemden, het communisme

tot stand is gekomen.

Tegen het destijds in Duitschland geleerde "ware" socialisme

van Hesz, Karl Grün en anderen, richtte Marx de scherpste pijlen

zijner realistische critiek, door den politieken klassenstrijd op

den voorgrond te stellen, terwijl Engels in Puttman's "Burgerbuch"

met nadruk, zoowel Wilhelm Weitling, als ook Fourier ten sterkste

verdedigde tegen hunne aanvallen.

Marx en Engels wisten zéér goed, dat zij daarmede zoowel naar den

eenen als naar den anderen kant, een deel van hunne medestanders

van zich zouden af stooten. Maar met zich-zelf in 't reine zijn,

hun standpunt naar beide zijden scherp te kunnen afbakenen, dat was

hun eerste en gewichtigste doel naar zij meenden.

"Zonder partijen geen ontwikkeling, zonder scheiding geen vooruitgang",

had Marx reeds in 1842 geschreven. En hij meende dat men bij het

innemen van zijn eigen wetenschappelijk standpunt, vóór alles zuiver

moest staan.

Intusschen stonden Marx en Engels met de politieke vluchtelingen

in Londen, de sociaal-demokraten uit de "Chartistenbeweging" in

Engeland en voor een deel ook met de fransche sociaal-demokraten,

in eene nauwe betrekking. Nu bestond erin Londen zoowel als in

Parijs een "Bond der Rechtvaardigen", waartoe Engels noch Marx ooit

wenschten toe te treden. Hij was de stichting van Karel Schapper en

Heinrich Bauer, schrijvers, van Josef Moll, een horlogemaker, van den

miniatuurschilder Karl Pfänder en van den kleêrmaker Eccarius. Een

crisis in die organisatie ontstaan, deed Marx, Engels en Wilhelm Wolff

besluiten, zich bij de afgescheidenen te voegen en met hen den "Bond

der Communisten" op te richten. Als de eerste daad van dezen Bond

naar buiten is het, in 't najaar van 1847 ontworpen en in Februarij

1848 in het publiek verschenen

"Communistisch Manifest"

te beschouwen, dat de klassieke uiteenzetting bevat van alle

resultaten welke Marx en Engels uit hunnen praktischen strijd en

hunne theoretische studiën hadden vermogen te trekken.

In dit "Communistisch Manifest" wordt in enkele groote trekken

de economisch-sociale geschiedsdeduktie van de tijden der

lijfeigenschap in de middeneeuwen, tot aan onze huidige klassen- en

eigendomstegenstellingen doorgevoerd en komt het inzicht erin tot

uiting, en wordt er voor 't eerst in het bijzonder in aangetoond,

dat ook de tegenwoordige vorm van de samenleving tot den ondergang

is bestemd; terwijl alles wat de bourgeoisie in het werk stelt en

in het werk stellen moet, slechts de arbeid harer eigene ondergang

is. Naar de stelling van Hegel die eenmaal luidde: "dat in de

wereldgeschiedenis door de handelingen der menschen, nog in het

algemeen iets anders te voorschijn komt als zij bedoelen en bereiken,

als zij onmiddellijk weten en willen" is deze gansche beschouwingswijze

geformuleerd. Deterministisch is deze beschouwing der samenleving,

zoolang deze en voor zoover deze, kapitalistisch is.

Het "Manifest" dat aanvangt met de verklaring dat er "een spook over

Europa rondwaart," welk spook het communisme is--"dat dit communisme

bereids door de machten van Europa als een macht is erkend"--zegt

vervolgens: "dat het hoog tijd is geworden, dat de communisten hunne

beschouwingswijze, hun doel en hunne tendenzen, voor de geheele

wereld open en bloot leggen, om aan het sprookje van het communisme,

een manifestatie daarvan, tegenover te plaatsen." Tot dit doel hebben

zich communisten van verschillende naties in Londen bijeenverzameld

en een "Manifest" ontworpen, dat in het engelsch, fransch, duitsch,

italiaansch, vlaamsch en deensch gepubliceerd zal worden.

Het begint in zijn 1ste Hoofdstuk eene definitie te geven van de

begrippen: Bourgeoisie en Proletariaat.

"De geschiedenis van alle der nog toe bestaan hebbende maatschappijen,

is de geschiedenis van klasseoorlogen.

"Vrijen en slaven, patricieër en plebejer, baron en lijfeigene,

gildeburger en gezel, in 't kort, onderdrukten en onderdrukkers,

zij stonden in gestadige tegenstelling tot elkander, voerden een

ononderbroken, dan eens verkapte, dan eens open strijd tegen elkander,

die telkenmale met eene revolutionaire gedaante-verandering van de

gansche samenleving eindigde, of met den gemeenschappelijken ondergang

der strijdende klassen.

"In de vroegere tijdstippen der geschiedenis, vinden wij bijna overal

eene volledige geleding der samenleving in verschillende standen,

eene menigvuldige en trapsgewijze vorming van maatschappelijke

stellingen. In het oude Rome hadden wij de patriciërs, ridders,

plebejers en slaven; in de Middeneeuwen de feodaal-Heeren, Vasallen,

gildeburgers, gezellen, lijfeigenen en bovendien, bestonden er nog

in bijna alle deze klassen weder, bijzondere trapsgewijze indeelingen.

"De uit den ondergang van de feodale maatschappij voortgekomen

moderne burgerlijke maatschappij, heeft die klassetegenstellingen

niet opgeheven. Zij heeft slechts nieuwe klassen, nieuwe voorwaarden

van onderdrukking, eene nieuwe gestalte aan dien strijd, in de plaats

van de oude gegeven.

"Ons tijdstip, dat van de bourgeoisie, kenteekent zich echter daardoor,

dat zij deze klasse-tegenstellingen vereenvoudigd heeft. De gansche

maatschappij splitst zich meer en meer in twee groote, elkander

vijandige legers, in twee groote, elkander direkt tegenoverstaande

klassen: bourgeoisie en proletariaat.

"Uit den lijfeigene van de Middeneeuwen, werden de paalburgers der

eerste steden geboren; uit dezen paalburgers ontwikkelden zich weder

de eerste elementen der bourgeoisie.

"De ontdekking van Amerika, van de scheepvaart om Afrika, schiepen

voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische

en Chineesche markt, de koloniseering van Amerika, de ruil met deze

koloniën, de vermeerdering der ruilmiddelen en der waren over het

algemeen, verleenden aan den handel, aan de scheepvaart en aan de

industrie een ongekenden vlucht en daarmede aan het revolutionaire

element van de, in verval zijnde feodale maatschappij, eene even

snelle ontwikkeling.

"De tot nu toe bestaan hebbende feodale of gildenachtige bedrijfswijze

van de industrie, was niet meer toereikend voor de met de nieuwe

markten, steeds aangroeiende behoefte. De Manufaktuur trad in hare

plaats. De gildenmeesters werden verdrongen door de industrieele

middenstand; de verdeeling van den arbeid tusschen de verschillende

corporaties maakte plaats voor de verdeeling van den arbeid, in den

afzonderlijken werkplaats, gelijk die op zich-zelf reeds bestond.

"Maar steeds groeiden de markten aan, steeds steeg de behoefte. Ook de

Manufaktuur was niet meer voldoende. De stoom kwam en revolutioneerde

door middel van de machinerie de industrieele produktie. In plaats

van de Manufaktuur trad nu de moderne groot-industrie; in plaats van

den industrieelen middenstand traden nu, de industrieele millionairs,

de chefs van gansche industrieele legers, de moderne bourgeois in

het leven.

"De groot-industrie heeft de wereldmarkt in het leven geroepen, die

door de ontdekking van Amerika was voorbereid. De wereldmarkt heeft

aan den handel, aan de scheepvaart en aan de landcommunikatie eene

onmetelijke ontwikkeling gegeven. Deze heeft wederom op de uitbreiding

van de industrie teruggewerkt, en in dezelfde mate waarin industrie,

handel, scheepvaart en spoorwegen zich uitbreidden, in diezelfde mate

ontwikkelde zich de bourgeoisie, vermeerderde zij hare kapitalen,

drong zij alle, van af de Middeneeuwen traditioneel geworden klassen,

meer en meer naar den achtergrond.

"Wij zien dus hoezeer de moderne bourgeoisie-zelf, het produkt van een

lange ontwikkelingsgang, van een rij van omwentelingen in de produktie-

en verkeerswijze is.

"Ieder dezer ontwikkelingstrappen der bourgeoisie, werd

begeleid door eene, met hen in overeenstemming zijnde politieke

vooruitgang. Onderdrukte stand onder de heerschappij van de feodale

Heeren; bewapende en zich-zelf beheerende associatie in de gemeenten;

hier onafhankelijke stedelijke Republiek, daar derde belastingplichtige

Stand van de monarchie; dan, ten tijde van de op gildenorganisatie

berustende Manufaktuur, tegenwicht tegenover den adel in de Standen

of in de absolute monarchie; hoofdgrondslag van de monarchieën in

het algemeen, veroverde zij eindelijk, sedert het bestaan van de

groot-industrie en der wereldmarkt in de moderne constitutioneele

staten, voor zich uitsluitend de politieke heerschappij. De moderne

staatsmacht is slechts eene commissie, die de gemeenschappelijke

belangen van de gansche bourgeoisklasse bestuurt.

"De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire

rol gespeeld.

"De bourgeoisie, waar zij tot heerschappij is gekomen, heeft alle

feodale, patriarchale en idyllische verhoudingen verstoord. Zij

heeft de bontgekleurde feodale banden, die den menschen aan hunne

natuurlijke meesters verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen

anderen band tusschen mensch en mensch overgelaten, dan die van het

naakte belang, dan die van de gevoellooze "bare betaling". Zij heeft

de heilige rilling van de vrome dweperij, de ridderlijke begeestering,

de klein-burgerlijke weemoed, verdronken in het ijskoude water van

de egoïstische berekening. Zij heeft de persoonlijke waarde, in de

ruilwaarde opgelost en in de plaats van de tallooze, op vrijbrieven

berustende privilegiën en vrijheden, de eene, die van de gewetenlooze

handelsvrijheid gesteld. Zij heeft in één woord, in plaats van de met

religieuze en politieke illusies omhulde uitbuiting, de openlijke,

de onbeschaamde, direkte en dorre uitbuiting geplaatst.

"De bourgeoisie heeft alle tot dusver eerwaardige en met vrome

schuwheid beschouwde handelingen, van hunnen schijn van heiligheid

ontdaan. Zij heeft den arts, den jurist, den priester, den poëet en

den man van de wetenschap tot hare betaalde loonarbeiders gemaakt.

"De bourgeoisie heeft de familieverhouding van haren

roerend-sentimenteelen sluier beroofd en haar teruggevoerd tot op

een zuiver finantieele verhouding.

"De bourgeoisie heeft ons het geheim onthuld, hoe de brute

krachtsuiting, die de reaktie zoo zeer bewondert in de Middeneeuwen,

in de luiste dagdieverij hare beste aanvulling kan vinden. Maar eerst

heeft zij ons bewezen, wat de werkzaamheid van menschen tot stand kan

brengen. Zij heeft nog gansch andere wonderwerken tot stand doen komen

als de Pyramiden van Egypte, romeinsche waterleidingen en gothische

Cathedralen dat waren; zij heeft nog geheel andere tochten tot stand

weten te brengen, als de Volkerentochten en de Kruistochten dat waren.

"De bourgeoisie kan niet bestaan, zonder de produktie-instrumenten,

d. w. z., zonder de produktieverhoudingen, dus de

gezamenlijke maatschappelijke verhoudingen, voortdurend

te revolutioneeren. Onveranderde instandhouding van de oude

produktiewijzen, was daarentegen de eerste bestaansvoorwaarde van

de vroegere industrieele klassen. De voortdurende omwenteling van

de produktie, de ononderbroken schokking van alle maatschappelijke

toestanden, de eeuwigdurende onzekerheid en de toestand van

bewogenheid, onderscheidt de periode der bourgeoisie van al de

vroegere. Alle vaste, ingewortelde verhoudingen, mitsgaders

hunne gevolgen van oude en traditioneele voorstellingen

en beschouwingswijzen, zijn door haar opgelost geworden;

alle nieuwgevormde verouderen, nog voor zij zich hebben kunnen

vastnestelen. Al het bestaande en vaststaande verdampt, al het heilige

wordt ontwijd, en de menschen worden er eindelijk wel toe gedwongen,

hunne levenspositie en wederzijdsche betrekkingen, met nuchtere oogen

te gaan bekijken.

"De behoefte aan een steeds uitgebreider afzetmarkt voor hare

produkten, jaagt de bourgeoisie over den ganschen aardbol. Overal

moet zij zich inburgeren, overal inwerken, overal moet zij connekties

aanknoopen.

"De bourgeoisie heeft door hare exploitatie van de wereldmarkt, aan

de produktie en de consumptie van alle landen, eene cosmopolitische

gestalte gegeven. Zij heeft tot groote droefenis van de reaktionairen,

der industrie den nationalen bodem onder de voeten weggerukt. Over-oude

nationale industrieën zijn door haar vernietigd geworden en worden

er dagelijks nog meer vernietigd. Zij worden verdrongen door

nieuwe industrieën, welker invoering tot eene levenskwestie voor

alle beschaafde naties wordt; door industrieelen, welke niet meer

inheemsche ruwprodukten, maar de, van de verst verwijderde streken

komende ruwprodukten verwerken en welker fabrikaten, niet alleen in het

land zelve, maar in alle werelddeelen verbruikt worden. In de plaats

van de oude, door de produkten van het land zelf bevredigde behoeften,

komen er nieuwe, welke de produkten van de verstverwijderde landen

en klimaten, tot hunne bevrediging noodig hebben. In de plaats van

de oude lokale en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid,

trad een alzijdig verkeer, eene alzijdige afhankelijkheid der

verschillende naties van elkander. En zooals het in de materieele

produktie ging, zoo ging het ook in de geestelijke produktie. De

geestelijke voortbrengselen der naties elk op zich, zijn gemeen-goed

geworden. De nationale eenzijdigheid en bekrompenheid wordt meer

en meer onmogelijk gemaakt, en uit de vele nationale en lokale

litteraturen, vormt zich ééne wereldlitteratuur.

"De bourgeoisie trekt, door eene snelle verbetering van alle

produktie-instrumenten, door de oneindig vergemakkelijkte

communikaties, alle,--ook de barbaarsche--naties, binnen den kring

harer beschaving. De goedkoope prijzen harer waren, zijn de zware

artillerie, waarmede zij alle chineesche muren platschiet, waarmede

zij den hardnekkigsten vreemdenhaat der Barbaren tot capitulatie

dwingt. Zij dwingt alle naties, de produktiewijze der bourgeoisie zich

eigen te maken, willen deze niet te gronde gaan; zij dwingt ze, deze

zoogenaamde beschaving bij zich-zelf in te voeren, d. w. z. bourgeois

te worden. In een woord, zij schept zich een eigen wereld, naar haar

eigen beeld.

"De bourgeoisie heeft het platte land onderworpen aan de heerschappij

van de steden. Zij heeft enorme steden geschapen. Zij heeft het getal

van de stedelijke bevolking, tegenover dat van het land in hoogen

graad doen toenemen en een beduidend deel van de bevolking aan het

idealisme van het landleven onttrokken. Gelijk zij het land van de

stad, zoo heeft zij de barbaarsche en half-barbaarsche landen van de

beschaafde, de boerenvolkeren van de bourgeoisvolkeren, het Oosten

van het Westen afhankelijk gemaakt.

"De bourgeoisie heft meer en meer de versplintering van de

produktiemiddelen, van het bezit en van de bevolking òp. Zij heeft

de bevolking geaglomereerd, de productiemiddelen gecentraliseerd en

den eigendom, in weinige handen geconcentreerd. Het noodzakelijke

gevolg hiervan, was de politieke centralisatie. Onafhankelijke,

nauwelijks verbonden provinciën met verschillenderlei belangen, wetten,

regeeringen en tollen, werden tezamengedrongen tot ééne natie, ééne

regeering, ééne wet, één nationaal klassebelang en ééne douanelinie.

"De bourgeoisie heeft in hare, nauwelijks honderdjarige

klasseheerschappij, méér massale en méér kolossale produktiekrachten

geschapen, als alle aan haar voorafgegane generaties,

tezamen. Onderwerping van natuurkrachten, machinerie, toepassing van

de chemie op de akkerbouw; stoomscheepvaart, spoorwegen, elektrische

telegraphen, exploitatie van gansche werelddeelen, bevaarbaarmaking

van stroomen, gansche, als uit den grond gestampte bevolkingen--welke

vroegere eeuw had er eenig begrip van, dat zulke produktiekrachten

in den schoot van den maatschappelijken arbeid, te sluimeren lagen!

"Wij hebben dus gezien: De produktie- en verkeersmiddelen, op welker

grondslag zich de bourgeoisie kon verheffen, werden in de feodale

maatschappij voortgebracht. Op een gegeven ontwikkelingshoogte

dezer produktie- en verkeersmiddelen bleken de verhoudingen,

waarin de feodale maatschappij produceerde en ruilde, met de

feodale organisatie der Agrikultuur en der Manufaktuur, in één

woord, de feodale eigendomsverhoudingen bleken met de ontwikkelde

produktiekrachten, niet meer in overeenstemming te zijn. Zij hielden

de produktie tegen, in plaats van die te bevorderen. Zij moesten dan

ook springen en zij sprongen.

"In hunne plaats trad de vrije concurrentie, met de aan haar

beantwoordende maatschappelijke en politieke constitutie, met de

economische en politieke heerschappij van de bourgeoisklasse.

"Onder onze oogen nu, voltrekt zich eene gelijke beweging. De

burgerlijke produktie- en verkeersverhoudingen, de burgerlijke

eigendomsverhoudingen, de moderne burgerlijke maatschappij, die zulke

geweldige produktie- en verkeersmiddelen te voorschijn getooverd heeft,

gelijkt den heksenmeester, die de onderaardsche machten, die hij zelve

te voorschijn had geroepen, niet meer bezweren kan. Sedert tientallen

van jaren is de geschiedenis van de industrie en van den handel,

slechts de geschiedenis van den opstand der moderne produktiekrachten

tegen de eigendomsverhoudingen, welke de levensvoorwaarden zijn

voor de bourgeoisie en voor hare heerschappij. Het is voldoende, de

handelscrisissen aan te duiden, welke met hunne periodieke terugkeer,

steeds dreigender het bestaan van de gansche burgerlijke samenleving

tot eene kwestie van tijd maken. In de handelscrisissen breekt eene

maatschappelijke epidemie los, welke in alle vroegere tijdstippen als

iets onzinnigs zou zijn beschouwd: de epidemie van de overproduktie. De

maatschappij bevindt zich plotseling teruggezet in een toestand

van oogenblikkelijk barbarisme; een hongersnood, eene algemeene

vernietigingsoorlog schijnen haar alle levensmiddelen afgesneden te

hebben; de industrie, de handel schijnen vernietigd. En waarom? Omdat

zij te véél beschaving, omdat zij te véél levensmiddelen, te véél

industrie, te véél handel bezit. De produktiekrachten, die haar ter

beschikking staan, dienen niet meer tot bevordering der burgerlijke

eigendomsverhoudingen; integendeel, zij zijn te geweldig voor deze

verhoudingen geworden, zij worden door haar juist tegengehouden. En

zoodra zij dezen tegenstand overwinnen, brengen zij de gansche

burgerlijke samenleving in wanorde en, brengen zij het bestaan van den

burgerlijken eigendom, in gevaar. De burgerlijke verhoudingen zijn te

eng geworden om de door haar voortgebrachte rijkdom te bevatten. En

waardoor overwint de bourgeoisie nu de crisissen? Aan den eenen kant,

door eene gedwongen vernietiging van een massa van produktiekrachten;

aan den anderen kant, door de verovering van nieuwe markten en de

radikale uitbuiting van de oude markten. Waardoor dus? Daardoor, dat

zij nog veelzijdiger en nog veel geweldiger crisissen voorbereidt en

de middelen om die crisissen te voorkomen, juist worden verminderd.

"De wapenen waarmede de bourgeoisie het feodalisme tegen den grond

geslagen heeft, richten zich nu tegen de bourgeoisie zelve.

"Maar de bourgeoisie heeft niet alleen de wapens gesmeed die haar

ten dood zullen brengen; zij heeft ook de menschen voortgebracht, die

deze wapens tegen haar zullen voeren. Dit zijn de moderne arbeiders:

het proletariaat.

"In dezelfde mate waarin de bourgeoisie, d. w. z. het kapitaal zich

ontwikkelt, in diezelfde mate ontwikkelt zich óók het proletariaat;

die klasse van moderne arbeiders, die slechts zoo lang te leven

hebben, als zij arbeid kunnen vinden en die slechts zoo lang arbeid

vinden, als hunnen arbeid het kapitaal vermeerdert. Deze arbeiders

die zich stuksgewijs verkoopen moeten, zijn een waar, zooals elk

handelsartikel dat is en daarvandaan gelijkmatig aan alle wisselingen

van de concurrentie, aan alle schommelingen van de markt onderworpen.

"De arbeid van de proletariërs heeft door de uitbreiding van de

machinerie en de verdeeling van den arbeid, elk zelfstandig karakter

en daarmede alle bekoorlijkheid voor den arbeider verloren. Hij is

een gewoon aanhangsel van de machine geworden, van wien slechts de

eenvoudigste, eentonigste en gemakkelijk aan te leeren handgrepen

worden verlangd. De kosten die de arbeider veroorzaakt, bepalen zich

daarvandaan tot die van de bloote levensmiddelen-hoeveelheid die

hij noodig heeft tot zijn onderhoud en tot voortplanting van zijn

geslacht. De prijs eener waar, ook die van den arbeid, is echter

gelijk aan die harer produktiekosten. In dezelfde mate, waarin

de walgelijkheid van den arbeid toeneemt, in diezelfde mate neemt

het loon àf. Meer nog, in dezelfde mate waarin de machinerie en de

verdeeling van den arbeid toenemen, in diezelfde mate neemt ook de

massa van den te verrichten arbeid toe, hetzij door vermeerdering

van de arbeidsuren, hetzij door vermeerdering van de in een bepaalden

tijd te leveren hoeveelheid arbeids, versnelde loop der machines enz.

"De moderne industrie heeft de kleine werkplaats van den patriarchalen

meester doen veranderen in de groote fabriek van den kapitalistischen

ondernemer. Arbeidersmassa's tezamengedrongen in de fabriek, worden

aldaar op militaire wijze georganiseerd. Zij worden als ordinaire

industrie-soldaten, onder het toezicht van een volledige hiërarchie van

onder-officieren en officieren geplaatst. Zij zijn niet alleen knechten

der bourgeoisklasse, maar zij worden dagelijks en op elk uur van dien

dag geknecht door de machine, door den opzichter en voor alles, door

den individueelen bourgeois zelf, die fabrikant heet. Dit despotisme is

zooveel te kleiner, zooveel te hatelijker, zooveel te verbitterender,

naar mate het te openlijker de uitbuiting als zijn doel proklameert.

"Hoe minder de handenarbeid geschiktheid, en krachtsuiting gaat

vereischen, d. w. z. hoe meer de moderne industrie zich ontwikkelt,

des te meer wordt de arbeid der mannen verdrongen door die van

de vrouwen. Geslachts- en ouderdomsverschillen zijn niet meer

maatschappelijk-geldig voor de arbeidersklasse. Er zijn slechts

arbeidsinstrumenten van hen over, die naar gelang van ouderdom en

van geslacht, verschillende kosten opleveren.

"Is de uitbuiting van den arbeider door de fabrikanten eenmaal in

zooverre gedaan, dat hij zijn arbeidsloon in gereed geld uitbetaald

krijgt, dan vallen de andere deelen van de bourgeoisie hem op het lijf,

in den vorm van den huisheer, den winkelier, den pandjeshuishouder,

enz.

"De tot dusver bestaan hebbende kleine middenstand, de kleine

industrieelen, kooplieden en renteniers, de handwerker en de boer,

alle deze klassen zinken tot het proletariaat af; deels hierdoor,

omdat hun klein kapitaal voor het bedrijf van de groote industrie

niet toereikend is, deels daardoor, omdat hunne geschiktheid door de

nieuwe produktiewijze van hare waarde wordt beroofd. Zoo wordt het

proletariaat gerecruteerd uit alle klassen der bevolking."

Na een schildering van het ontstaan en het verloop van den strijd van

het proletariaat, ongeveer gelijk aan die welke in het geschrift tegen

Proudhon voorkwam, gaat het "Manifest" verder ons den klassenstrijd

schilderend.

"Van alle klassen die heden ten dage tegenover de bourgeoisie

zich geplaatst zien, is alléén het proletariaat de werkelijk

revolutionaire klasse. De overige klassen komen om, en gaan onder

met de groot-industrie; het proletariaat is haar eigen produkt.

"De middenstanden, de kleine industrie, de kleine koopman, de

handwerker, de boer, zij allen bestrijden de bourgeoisie, om hun

bestaan als middenstand voor den ondergang te vrijwaren. Zij zijn

aldus beschouwd, niet revolutionair, zij zijn conservatief. Sterker

nog, zij zijn reaktionair, zij zoeken het rad van de vooruitgang

terug te draaien. Als zij revolutionair zijn, dan zijn zij het met

betrekking tot hun aanstaande overgang tot het proletariaat, maar

alsdan verdedigen zij niet hunne tegenwoordige, maar hunne toekomstige

belangen; dan verlaten zij hun eigen standpunt, om zich op dat van

het proletariaat te stellen".........

"Elke samenleving die tot nog toe bestond, berustte gelijk wij

gezien hebben, op de tegenstelling van onderdrukkende en onderdrukte

klassen. Om evenwel een klasse te kunnen onderdrukken, moeten haar de

voorwaarden verzekerd zijn, waarop zij, minst genomen haar geknecht

bestaan kan voeren. De lijfeigene heeft zich in de lijfeigenschap tot

medelid van de commune opgewerkt, zooals de kleine burger tot bourgeois

onder het juk van het feodale absolutisme. De moderne arbeider

daarentegen, in plaats van zich met de vooruitgang van de industrie

te kunnen verheffen, zinkt steeds dieper onder de bestaansvoorwaarden

zijner eigene klasse. De arbeider wordt een pauper en het pauperisme

ontwikkelt zich nog sneller, dan de bevolking en dan de rijkdom. Het

wordt hiermede klaar en duidelijk, dat de bourgeoisie ongeschikt is

nog langer de heerschende klasse der samenleving te blijven en de

levensvoorwaarden harer klasse, der samenleving als eene regelende wet

op te dwingen. Zij is ongeschikt tot heerschen, omdat zij ongeschikt

is hare slaven, het bestaan, zelfs binnen het raam hunner slavernij

te verzekeren; omdat zij gedwongen is hun te laten neerzinken tot eene

positie, waarin zij hen voeden moet, in plaats van door hen gevoed te

worden. De maatschappij kan niet meer onder haar leven, d. w. z. haar

leven, laat zich niet meer vereenigen met dat der samenleving.

"De wezenlijke voorwaarde tot het bestaan en de heerschappij der

bourgeoisklasse, is de ophoping van den rijkdom in de handen van

privaat-personen, de vorming en vermeerdering van het kapitaal; de

voorwaarde van het kapitaal is: de loonarbeid. De loonarbeid berust

uitsluitend op de concurrentie der arbeiders onderling. De vooruitgang

van de industrie, welker willooze en weêrstandslooze draagster de

bourgeoisie is, stelt echter in plaats van het isolement van den

arbeider door de concurrentie, hunne revolutionaire aaneensluiting door

de vereeniging. Met de ontwikkeling der groot-industrie wordt aldus

ook de grondslag onder de voeten der bourgeoisie weggerukt, die waarop

zij produceert en de produkten zich toeëigent. Hare ondergang en de

zegepraal van het proletariaat zijn beiden gelijkelijk onvermijdelijk."

Het tweede gedeelte van het "Manifest" behandelt den "proletariër

en den communist" en de verhouding waarin beiden tot elkander staan,

benevens eene uiteenzetting van wat de communisten willen:

"De theoretische stellingen der communisten berusten geensdeels op

ideën, op principes die door dezen of genen wereldverbeteraar zijn

uitgedacht.

"Zij zijn de algemeene uitdrukkingen van feitelijke verhoudingen, van

een bestaanden klassenstrijd, eene, zich onder onze oogen afspelende

historische beweging. De afschaffing van de tot nu toe bestaande

eigendomsverhoudingen, is niet iets dat aan het communisme in het

bijzonder eigen is.

"Alle eigendomsverhoudingen waren aan een gedurige historische

wisseling, aan eene gestadige historische verandering onderworpen. De

fransche revolutie bijv., schafte den feodalen eigendom, ten gunste

van den burgerlijken af.

"Wat het communisme karakteriseert, dat is niet de afschaffing van

den eigendom in het algemeen, maar de afschaffing van den burgerlijken

eigendom."

De moderne burgerlijke privaat-eigendom is echter de laatste en

meest volkomene uitdrukking van de voortbrenging en de toeëigening

der produkten, welke op klassetegenstellingen, op de uitbuiting van

den een door den ander berusten.

In dezen zin kunnen de communisten hunne theorie in deze eene

uitdrukking: "opheffing van het privaat-bezit" samenvatten.

Vervolgens weêrlegt het "Manifest" alle tegenwerpingen, die er

gemaakt zijn geworden tegen de doeleinden der communisten. In

de eerste plaats, dat zij "den eigendom" willen afschaffen. Het

antwoordt hierop: "dat de communisten niet den eigendom als zoodanig

willen afschaffen, om die reden, dat zij dat niet zouden kunnen. Iets

anders is het, dat zij den privaat-eigendom willen doen vervangen door

de gemeenschappelijke. Die privaten eigendom namelijk, welke zich

beweegt in de tegenstelling, tusschen kapitaal en loonarbeid. Het

kapitaal is geen persoonlijke maar eene maatschappelijke macht. Het

is een produkt van gemeenschappelijken arbeid en kan slechts door

eene gemeenschappelijke werkzaamheid van vele leden, in laatste

instantie van die van alle leden der gemeenschap, in beweging worden

gezet. Wordt het in gemeenschappelijk, aan alle leden der samenleving

toebehoorend eigendom veranderd, dan verandert niet de persoonlijke

eigendom in gemeenschappelijk, maar het maatschappelijk karakter van

den eigendom verandert, doordien dit zijn klasse-karakter verliest."

"In de burgerlijke maatschappij is de levende arbeid slechts een middel

om den opgehoopten arbeid te doen vermeerderen. In de communistische

samenleving, zal de opgehoopte arbeid slechts een middel zijn om

het levensproces van den arbeider te verruimen, te verrijken en

te bevorderen.

"In de burgerlijke samenleving heerscht dus het verleden over het

heden, in het communisme zal het heden over het verleden heerschen. In

de burgerlijke samenleving is het kapitaal zelfstandig en persoonlijk,

terwijl het werkende individu ònzelfstandig en ònpersoonlijk is."....

"Gij werpt ons voor," zoo roept het Manifest den tegenstanders toe,

"dat wij uw eigendom willen afschaffen! Zeker, dat is zoo!"

"Van af het oogenblik, waarin de arbeid niet meer kan worden omgezet

in kapitaal, geld of grondrente, in 't kort tot een monopoliseerbaar

iets kan worden gemaakt.... van dat oogenblik af, verklaart gij den

persoon voor opgeheven."

"Gij stemt aldus toe, dat gij onder den persoon, niemand anders

verstaat dan den bourgeois, den burgerlijken bezitter. En deze persoon

nu, zal zeer zeker moeten ophouden te bestaan!

"Het communisme beneemt niemand de macht zich maatschappelijke

produkten toe te eigenen, het beneemt alleen hem de macht, door middel

van vreemden arbeid anderen te onderdrukken."

"Men wierp ons voor, met de opheffing van het privaatbezit zal alle

werkzaamheid ophouden te bestaan en eene algemeene luiheid zal er

heerschen.

"Ware dat zoo, dan moest de burgerlijke maatschappij reeds sinds

lang aan luiheid te gronde gegaan zijn; want die in haar arbeiden,

worden niet rijker en die in haar rijker worden, arbeiden niet. De

gansche bedenking loopt uit op de tautologie, dat er geen loonarbeid

meer bestaat, zoodra er geen kapitaal meer bestaat."

Het "Manifest" weerlegt vervolgens alle aanklachten, die van

ideologisch, philosophisch en religieus standpunt gemaakt zijn tegen

het Communisme. "Met de levensverhoudingen der menschen," zegt het,

"met het maatschappelijk bestaan, veranderen ook hunne voorstellingen,

beschouwingen en begrippen, in één woord verandert hun bewustzijn. Wat

bewijst de geschiedenis anders, dan dat de geestelijke voortbrenging,

verandert met de materieele? De heerschende ideën van een zekeren tijd,

waren altijd maar de ideën van de in dien tijd heerschende klasse.

"Men spreekt van ideën welke eene gansche samenleving revolutioneeren;

men constateert daarmede het feit, dat zich binnen het raam van de

oude samenleving de elementen tot eene nieuwe gevormd hebben dat met

de oplossing der oude levensverhoudingen; de oplossing der oude ideën

gelijken tred houdt.

"Toen de oude wereld aan het òndergaan was, werden de oude godsdiensten

overwonnen door de christelijke religie. Toen de christelijke ideën

in de 18e eeuw het aflegden tegen de verlichtings-ideën, streed de

feodale maatschappij haren doodstrijd met de toenmalige revolutionaire

bourgeoisie. De ideën van de gewetens- en religievrijheid, waren

slechts de weerklank van de heerschappij der vrije concurrentie,

op het gebied van de wetenschap".....

De tegenwerping, dat er toch "eeuwige waarheden" zooals vrijheid,

gerechtigheid enz., zijn, die aan alle maatschappelijke toestanden

gemeen zijn, weêrlegt het Manifest met te zeggen:

"Onder vrijheid verstaat men in de tegenwoordige burgerlijke

produktieverhoudingen, den vrijen handel, den vrijen koop en verkoop.

"Vervalt evenwel den schagger, dan vervalt ook den vrijen

schagger. De tirades over den vrijen handel, gelijk alle overige

vrijheidsredevoeringen van onze bourgeoisie, hebben over het algemeen

maar eenigen zin tegenover den gebonden schagger, tegenover den

geknechten burger van uit de Middeneeuwen, niet echter, tegenover

de communistische opheffing van den schagger, der burgerlijke

produktieverhoudingen en der bourgeoisie zelf."

"Gij zijt er verontrust over dat wij den privaat-eigendom willen

opheffen. Maar in uwe bestaande maatschappij, is het privaat-bezit voor

negen tiende harer leden reeds opgeheven; bestaat het juist dáárdoor

dat het voor 9/10 niet bestaat! Gij werpt ons dus voor, dat wij een

eigendom wenschen op te heffen, hetwelk de eigendomloosheid van de

overgroote massa, als eene noodzakelijke voorwaarde voorop stelt.".....

"En de opheffing der familie" dan, welke men den communisten verwijt!

"Waarop", vraagt het Manifest, "berust de tegenwoordige burgerlijke

familie? Op het kapitaal, op den privaten winst. Volkomen ontwikkeld

bestaat zij slechts bij de bourgeoisie; maar zij verkrijgt hare

aanvulling in de gedwongen familieloosheid van de proletariërs en de

publieke prostitutie.

"De familie der bourgeois valt natuurlijk weg met het wegvallen van

deze hare aanvulling, en beiden verdwijnen met het verdwijnen van

het kapitaal.

"Werpt gij ons nu voor, dat wij de uitbuiting van de kinderen

door hunne ouders opheffen willen? Dan stemmen wij met dat verwijt

volkomen in.

"Maar, zegt gij, wij heffen de intiemste verhoudingen op, doordien

wij in de plaats van de huiselijke opvoeding die van de samenleving

willen plaatsen!

"Maar wordt niet uwe opvoeding door de samenleving bepaald? Door

de maatschappelijke verhoudingen, binnen welke gij opvoedt, door

de direktere of indirektere inmenging van de maatschappij, door

middel van de scholen enz. De communisten hebben de inwerking van de

samenleving op de opvoeding niet uitgevonden: zij veranderen haar

karakter alleen, zij ontrukken alleen de opvoeding aan den invloed

van de heerschende klasse.

"De burgerlijke tirades over familie en over opvoeding, over de intieme

verhoudingen van ouders tot kinderen, zijn evenwel te ellendiger,

naarmate te meer door en ten gevolge van de groot-industrie,

alle familiebanden van den proletariër zijn vaneengereten en zijne

kinderen tot eenvoudige handelsartikelen en produktie-instrumenten

zijn geworden."

Het "Manifest" wijst er dan vervolgens op, dat de communistische

revolutie de radikaalste zal zijn, omdat zij zal breken met

de traditioneele eigendomsverhoudingen, geen "wonder dat in hare

ontwikkelingsgang op het radikaalst gebroken wordt met de traditioneele

ideën."

Als eerste schrede van de arbeiders om tot de verheffing van het

proletariaat te geraken, wijst het "Manifest" de "verovering van

de demokratie aan." "Het proletariaat," zegt het verder, "zal zijne

politieke heerschappij daartoe aanwenden, der bourgeoisie voor en na

al het kapitaal te ontrukken, alle produktiemiddelen in handen van

den Staat, d. w. z. van het als heerschende klasse georganiseerde

proletariaat te centraliseeren en de massa der produktiekrachten,

zoo snel mogelijk te doen vermeerderen.".......

"Zijn in den loop van de ontwikkeling de klasseverschillen

verdwenen en is alle produktie in handen van de geassocieerde

individuen samengetrokken, dan heeft de Staat zijn politiek

karakter verloren. De politieke macht in den eigenlijken zin,

is de georganiseerde macht van de eene klasse, tot onderdrukking

van de andere. Wanneer het proletariaat in den strijd tegen de

bourgeoisie, zich noodzakelijk tot klasse vereenigt; door een

revolutie zich tot heerschende klasse maakt en als heerschende

klasse, gewelddadig de oude produktieverhoudingen opheft, dan heft

het met deze produktieverhoudingen, de bestaansvoorwaarden van de

klassetegenstellingen, der klassen over het algemeen op, en daarmee

tegelijk: zijne eigene heerschappij als klasse.

"In de plaats van de oude burgerlijke samenleving met hare klassen

en klassetegenstellingen treedt dan eene associatie, waarin de vrije

ontwikkeling van een ieder, de voorwaarde voor de vrije ontwikkeling

van allen is."

Het "Manifest" behandelt in zijn derde gedeelte achtereenvolgens,

de vormen van socialisme, gelijk men die in de dagen vóór 1848 in

West-Europa aantrof: 1e. Het Reaktionaire socialisme, waaronder

a. "feudale socialisme", b. het "klein burgerlijk socialisme" en

c. het "duitsche" of het "ware socialisme" gerekend werden. Dan

2e. het "Conservatieve of het bourgeois-socialisme" en ten 3e. het

"Critisch-utopistische socialisme".

In het vierde gedeelte stelt het "Manifest" de positie in het licht,

die de Communisten tegenover de verschillende oppositioneele partijen

innemen.

"De communisten", zegt het, "strijden voor de bereiking van de

onmiddellijk voor de hand liggende doeleinden en belangen der

arbeidersklasse, maar zij vertegenwoordigen in de tegenwoordige

beweging de toekomst dier beweging".... "Zij laten geen

oogenblik verloren gaan om bij den arbeider een zoo mogelijk klaar

bewustzijn, over de vijandige tegenstelling tusschen bourgeoisie en

proletariaat te voorschijn te roepen".... "In één woord de communisten

ondersteunen overàl elke revolutionaire beweging, tegen de bestaande

maatschappelijke en de politieke toestanden gericht.

"In alle deze bewegingen verheffen zij de eigendomskwestie, welke

meer of minder ontwikkelde vorm deze ook mag hebben aangenomen,

tot de principieele kwestie van de beweging.

"De communisten arbeiden voorts overal aan de verbinding en de

verstandhouding der demokratische partijen van alle landen".

"De communisten versmaden het hunne inzichten en doeleinden te

bemantelen. Zij verklaren het ronduit, dat hun doel alleen kan worden

bereikt door de gewelddadige omverwerping van de tot nu toe bestaande

maatschappelijke orde. Mogen de heerschende klassen, sidderen voor eene

communistische revolutie! De proletariërs hebben niets te verliezen

dan hunne ketenen! Zij hebben daarentegen een wereld te winnen!"

"Proletariërs aller landen vereenigt U!"

Aldus eindigt dit klassieke dokument van het wetenschappelijke

socialisme. Van af zijnen tijd dagteekent de eigenlijke

sociaal-demokratie.

Wij moeten verder Marx' kleineren arbeid, na hem vluchtig te hebben

aangestipt laten rusten, om ons met zijn hoofdwerk de "Critiek op de

staathuishoudkunde" die later volkomener is gemaakt door "Das Kapital",

bezig te houden.

Na de Revolutie van 1848 in Duitschland, door de verandering van de

toestanden, welke Marx e. d. weder de gelegenheid verschaften naar

Duitschland terug te keeren, richtte hij met medewerking van vrienden

waaronder ook Engels in Keulen de "Neue Rheinische Zeitung" op. Het

eerste nummer van dit blad, dat zich onmiddellijk in de politiek

op streng demokratischen en in sociale dingen op communistischen

grondslag plaatste, verscheen 1 Juni 1848. Onder zijne tijdelijke

medewerkers telde het blad o. a. de jonge Ferdinand Lasalle, die

eenige jaren later in Duitschland als pionier der socialistische

beweging zulk een groote rol zou spelen.

Maar de reaktie had in Duitschland en vooral in Pruissen, spoedig

weder gezegevierd en met meer dan twee dozijn processen beladen wegens

wederspannigheid, en voornamelijk om haar aansporen tot het weigeren

van belastingbetalen aan eene regeering, die de pas verworven rechten

der burgerij met voeten trad, moest de "Neue Rheinische Zeitung"

den 19e Mei 1849 ophouden te verschijnen.

Freiligrath de dichter had voor dit laatste nummer de volgende

dichtregelen geschreven:

"Kein offner Hieb in offner Schlacht--

Es fällen die Nücken und Tücken,

Es fällt mich die schleichende Niedetracht

Der schmutzigen Westkalmücken!

Aus dem Dunkel flog der tötende Schaft,

Aus dem Hinterhalt fielen die Streiche--

Und so lieg' ich nun da, in meiner Kraft,

Eine stolze Rebellenleiche!"

Marx toog weder naar Parijs, waar hij de later beroemd geworden

historische schets van de fransche Revolutie van 1848 schreef,

die de eerste toepassing van zijn geschiedschrijvingsmethode op de

gebeurtenissen van den dag was.

Deze artikelen-reeks later uitgegeven onder den titel: "de Burgeroorlog

in Frankrijk," is later aangevuld met een niet minder prachtige

historische analyse van de overwinning der reaktie in Frankrijk onder

Napoleon III, door Marx betiteld met "Der 18e Brumaire des Louis

Bonaparte." Ook over de duitsche Revolutie van 1848 zijn toen door

Marx artikelen geschreven, die voor eenige jaren geleden uitgegeven

zijn onder den titel: "Revolutie en Contra-Revolutie in Duitschland

in 1848."

Volledigheidshalve moet hier nog melding worden gemaakt, dat na een

proces, dat men den leden van den "Communistenbond" in Duitschland

aandeed wegens hoogverraad en waarbij een aantal hunner veroordeeld

werden, dezen Bond opgeheven moest worden. Marx heeft de gansche

historie van dien Bond, benevens zijn karakter en ook dat van de

op de revolutie gevolgde reaktie, terneergeschreven in een boekje:

"Het Keulsche Communisten-proces" genaamd.

Marx toog, nadat ook Parijs hem voor de tweede maal als woonplaats

ontzegd was, naar Londen, om zich daar voor goed te vestigen. Aldaar

moest hij werken om zijn brood, door journalistieken arbeid te

verrichten en had hij inmiddels ook eenige kinderen gekregen. Maar

wat hem het meest in Londen bleef aantrekken, dat was de gelegenheid

die hij aldaar vond, om zijne economische studiën voort te

zetten. Eerstens, omdat Engeland het groote proefveld was voor iemand,

die in die dagen de groot-industrie met al hare voor- en nadeelen,

licht- en schaduwzijden wilde leeren kennen. Tweedens, omdat er in het

"British Museum" een ongekende hoeveelheid materiaal was te vinden

voor politiek-economische studiën. Derdens omdat Londen zelf, de

interessantste plaats was tot waarneming van het burgerlijk leven; en

ten laatste, door het nieuwe ontwikkelingsstadium waarin de burgerlijke

samenleving gekomen was door de ontdekking van de Californische en

Australische goudmijnen. Marx zelf verklaarde hieromtrent:

"De physikus beschouwt natuurprocessen, of daar waar zij in hunnen

scherpst afgeteekenden vorm en van storenden invloeden onberoerd

zijn waar te nemen; of zoo mogelijk, maakt hij experimenten onder

voorwaarden, welke hem eene zuivere ontwikkeling van het proces

kunnen verzekeren. Wat ik in dit werk trachtte na te vorschen (in

"Das Kapital" n. l.) is de kapitalistische produktiewijze en de

aan haar beantwoordende produktie- en verkeersverhoudingen. Hunne

klassieke verblijfplaats is tot nu toe nog Engeland. Dit is de reden,

waarom dit land als hoofd-illustratie mijner theoretische ontwikkeling

dienst doet." Aldus luidt het in de "Voorrede" van het eerste deel van

"Das Kapital".

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 36 / 72 题