MARX TEGEN PROUDHON.

Ten tijde dat Marx in Parijs leefde, verkeerde hij ook aldaar,

met den reeds hier genoemden franschen socialist Pierre Joseph

Proudhon. Proudhon was letterzetter geweest en had het, na een jeugd

van armoede en ontbering, tot een bekend schrijver gebracht. Marx

vertelt zelve, dat hij met Proudhon lange nachten achtereen

gediscussieerd had over economische vraagstukken. Marx leidde hem de

Hegeliaansche philosophie binnen, wat hij later evenwel betreuren

moest, daar Proudhon, doordien hij geen duitsch verstond, nooit in

staat is geweest Hegel zelve te bestudeeren in diens eigen taal. Hem

is daardoor van de denkbeelden van dien wijsgeer, altijd een valsch

denkbeeld bijgebleven. Nadat Marx Parijs verlaten had, kwam Proudhon

onder den invloed van den duitschen socialist Karl Grün.

In Juni van 1847 deed Marx in het fransch een geschrift het licht

zien, bij wijze van antwoord op Proudhon's geschrift "La philosophie

de la Misère" ("De philosophie der ellende") dat getiteld was:

"La misère de la philosophie" ("De ellende der philosophie") van

de grootste beteekenis, niet alleen om de polemiek, maar vooral

daardoor, omdat het de wetenschappelijke inleiding van Marx' lateren en

wetenschappelijken arbeid kan genoemd worden; zoowel in philosophisch

als in staathuishoudkundig opzicht.

In de "Voorrede" tot dit geschrift, die gedagteekend is uit Brussel,

den 15e Juni 1847 zegt Marx: "De heer Proudhon heeft het ongeluk op

eene eigenaardige wijze te worden miskend. In Frankrijk heeft hij

het recht, een slecht econoom te zijn, omdat men hem aldaar voor

een geducht duitsch philosoof houdt; in Duitschland daarentegen,

mag hij een slecht philosoof zijn, omdat hij daar doorgaat voor een

sterk fransch staathuishoudkundige. In onze dubbele hoedanigheid

van duitscher èn van econoom, zien wij ons genoodzaakt, tegen deze

dubbele dwaling op te komen.

"De lezer zal begrijpen, dat wij bij dezen ondankbaren arbeid,

meermalen de critiek van den heer Proudhon over de duitsche

philosophie, op den achtergrond zullen moeten laten treden en

daarnevens ons eenige bemerkingen over de politieke-economie in het

algemeen zullen moeten veroorloven."

Van de twee gedeelten, waaruit het geschrift bestaat, houdt het eerste

zich bezig met Proudhon's "geconstitueerde waarde."

Marx toont aan, dat de ruil der waren, naar de mate van de in

hen belichaamde arbeidstijd "de revolutionaire toekomsttheorie"

van Proudhon, niets anders is, dan wat de econoom Ricardo

heeft geconstateerd als te zijn de theorie van de burgerlijke

maatschappij. De waarde van den arbeid wordt bepaald door den

arbeidstijd die er benoodigd is, voor de voortbrenging van al datgene,

wat den arbeider voor zijn onderhoud en voor zijne voortplanting

noodig heeft. Ricardo heeft het dus al uiteengezet: "verminder de

onderhoudskosten der menschen door matiging van den natuurlijke

prijzen, der voor het leven noodzakelijke voeding en kleeding en gij

zult zien, hoe de loonen zullen dalen, zelfs wanneer de vraag naar

arbeiders ook sterk stijgt." De natuurlijke prijs van den arbeid,

is niets anders dan een minimum van het loon. Zoo is de door den

arbeidstijd gemeten waarde, noodzakelijkerwijs de formule voor de

moderne slavernij van den arbeider, inplaats van gelijk Proudhon

dit aannam, de "revolutionaire theorie" voor de emancipatie van het

proletariaat te wezen.

Teneinde zijne utopie te steunen, verklaarde Proudhon, dat zich

aanbod en vraag ontwijfelbaar dekken zullen, wanneer de waarde van

een produkt bepaald wordt door de in hem belichaamde arbeidstijd. Voor

deze meening heeft hij het schijnbaar historische bewijs aangevoerd,

dat de nuttigste dingen, den geringsten produktietijd vorderen; dat

de samenleving steeds met de gemakkelijkste industrieën aanvangt,

en dan, geleidelijk tot de produktie van dingen voortgaat die grooter

arbeidstijd vorderen en aan hare behoeften beantwoorden.

Marx voerde hiertegen aan, dat die dingen zich op gansch andere manier

hebben voltrokken dan Proudhon wel denkt. Op het moment waarop de

civilisatie een aanvang neemt, begint ook de produktie zich op te

bouwen op de tegenstelling der beroepen, der standen, der klassen

en ten slotte, op de tegenstelling tusschen den opgehoopten en den

onmiddellijken arbeid. Zonder tegenstelling geen vooruitgang; dat is

de wet welke de beschaving tot op heden gevolgd heeft. Tot nu toe,

hebben zich de produktiekrachten op grond van deze heerschappij der

klassentegenstellingen ontwikkeld. De geschiedenis evenwel toont

ook aan, dat de manier waarop de produkten zich tegen elkander

ruilen, in het algemeen zich richt, naar de manier waarop zij

voortgebracht worden. De individueele ruil beantwoordt aan een

bepaalde produktiewijze, die op klasse-tegenstellingen berust. Het

verbruik van de produkten wordt bepaald door de sociale verhoudingen,

waarin de consumenten zich tot elkander bevinden en deze verhoudingen,

berusten op de tegenstellingen der klassen. Weshalve zijn katoen,

aardappelen en brandewijn, de steunpunten van de burgerlijke

maatschappij, de voorwerpen van algemeen verbruik? Omdat zij

de maatschappelijk-nuttigste produkten zijn, of omdat zij als de

ellendigste produkten, in eene op ellende gegrondveste samenleving,

het natuurnoodzakelijke voorrecht genieten, tot gebruik van de groote

massa te dienen?

Eerst in eene komende samenleving, waarin de klassetegenstellingen

zullen zijn verdwenen, waarin geene klassen meer zullen bestaan, zal

het gebruik niet meer van het minimum van den produktietijd afhankelijk

zijn, die men aan de verschillende voorwerpen besteedt, maar de

produktietijd zal dan afhankelijk zijn van hunne maatschappelijke

nuttigheid.

In de burgerlijke maatschappij, worden aanbod en vraag niet door de,

in de arbeidswaarde opgesloten waarde der producten geregeld, maar

de oszillatorische (schommelende) beweging van vraag en aanbod, vormt

uit den arbeidstijd, hunne waardemeter. Elke nieuwe uitvinding, welke

het mogelijk maakt in één uur te produceeren, wat tot nog toe in twee

uren geproduceerd is kunnen worden, òntwaardigt alle gelijksoortige

produkten welke zich op de markt bevinden. De concurrentie dwingt den

producenten het produkt van twee uren, evenzoo goedkoop te verkoopen,

als het produkt van één uur arbeids. De concurrentie zet de wet door,

waarnaar de waarde van een produkt door de, tot zijn voortbrenging

noodwendige hoeveelheid arbeidstijd wordt bepaald. Niet den tijd

waarin een zaak wordt geproduceerd, maar den tijd waarin zij kan

worden geproduceerd, bepaalt hare waarde en dit minimum kan alleen

door de concurrentie worden bepaald. Het feit dat de arbeidstijd,

als de maat van de ruilwaarde dient, wordt op deze wijze tot de

wet van eene bestendige waarde-vermindering van den arbeid, die met

overproduktie en industrieele anarchie hand aan hand gaat.

Marx stelt de utopie van Proudhon gelijk, met den wensch van iemand

die gaarne zoû zien, dat de waren in zulke proporties zouden worden

voortgebracht, dat men ze tot de gewone, hem believende prijs van de

hand zou kunnen zetten. Hij wijst erop, dat het van-huis-uit eene

burgerlijke illusie geweest is, zich den individueelen ruil zonder

klasse-tegenstellingen voor te spiegelen; om zich de burgerlijke

maatschappij, als een toestand van harmonie voor te stellen en als eene

van eeuwige gerechtigheid, die niemand veroorlooft zich te verrijken,

op kosten van anderen. Maar de "juiste proportie tusschen aanbod en

vraag" was slechts mogelijk in die tijden, waarin de produktie-middelen

beperkt waren, waarin den ruil zich binnen buitengewoon enge grenzen

voltrok; waarin de vraag het aanbod, de consumptie, de produktie

beheerschte. Zij is onmogelijk geworden met het ontstaan van de

groot-industrie, die al reeds door de instrumenten waarmede zij

werkt gedwongen is, gedurig in steeds grootere mate te produceeren;

die niet op de vraag kan wachten; die met natuur-noodzakelijkheid de

gestadige, aan elkander opvolgende wisselingen van prosperiteit en

depressie, krisis, stilstand, nieuwe prosperiteit en zoo vervolgens,

door moet maken. "In de huidige maatschappij," gaat Marx voort, "in de

op individueelen ruil gebaseerde industrie, is de anarchie die er in

de productie heerscht, de bron van zóóveel ellende, maar gelijktijdig

óók de oorzaak der vooruitgang. Nochtans, van tweeën een: of men wil

de juiste proporties van vroegere eeuwen, mèt de produktiemiddelen van

onzen tijd,--en dan is men reaktionair en utopist tegelijk,--of men wil

de vooruitgang zonder de anarchie, en dan moet men afstand doen van het

behoud der produktiekrachten op de basis van den individueelen ruil."

Marx toont vervolgens aan, hoe het met de bijzondere

nuttigheidstoepassingen, die Proudhon gemaakt had omtrent het goud

en het zilver, eigenlijk precies is gesteld.

Goud en zilver, zouden volgens Proudhon de eerste waren zijn, welker

waarde tot constitueering zijn gekomen en uit de souvereine wijding

zegt Proudhon: "die erop werd gedrukt door de zegels van de vorsten,

is er het geld uit voortgekomen." "Het geld," antwoordt Marx hierop,

"is niet een zaak maar eene maatschappelijke verhouding; een schakel in

den ganschen keten van de economischen verhoudingen en als zoodanig

op het innigst met hen verbonden. Gelijk de individueele ruil,

beantwoordt het aan eene bepaalde produktiewijze. Het believen

der souvereinen heeft het geld niet geschapen. Inderdaad, men

moet wel èlke historische kennis missen, om niet te weten, dat de

souvereinen zich ten allen tijden hebben moeten schikken naar de

maatschappelijke verhoudingen, maar dat zij dezen nooit de wet hebben

kunnen voorschrijven! Zoowel de politieke, als de burgerlijke wetgeving

proclameeren en protocoliseeren, slechts het willen van de economische

voorzienigheid; het recht is slechts de officieele erkenning van

dat feit. Het zegel der souvereinen drukte op het goud niet zijne

waarde, maar het gewicht; maar juist in hunne eigenschap als munt,

als waardeteeken, zijn goud en zilver onder alle waren de eenige,

die niet door hare produktiekosten worden bepaald, wat dan ook door

D. Ricardo reeds lang en helder in het licht gesteld is geworden. Het

geld, als praktische proef op de geconstitueerde waarde van Proudhon,

past daarop, zooals een tang op een varken past."

Om het problema te verklaren, dat de samenleving voortdurend rijker

wordt en de arbeider voortdurend armer, vatte Proudhon de samenleving

op, als de Prometheus in persoon, wier levenswerkzaamheid aan andere

wetten gehoorzaamt, dan de levenswerkzaamheid van de individuen. De

"geconstitueerde waarde" evenwel, zal elken arbeider een steeds grooter

produkt verzekeren dan dat hij op elken arbeidsdag, door de vooruitgang

van den gemeenschappelijken arbeid behaalt. Marx merkt daartegen

op: "In de engelsche maatschappij heeft de arbeidsdag in zeventig

jaren, een overschot van 2700 procent aan produktiviteit gewonnen;

d. w. z. in het jaar 1840 produceerde hij zeven-en-twintig maal méér

dan in 1770." Volgens Proudhon nu, zou men de vraag volgenderwijs

moeten stellen: "Waarom was de engelsche arbeider van 1840 niet

zeven-en-twintigmaal rijker, dan die van 1770?" Om nu zulk een vraag

te poseeren, moet men natuurlijk van te voren aangenomen hebben, dat

de engelschen dien rijkdom zonder de historische voorwaarden hadden

kunnen produceeren, waaronder hij is voortgebracht; gelijk daar zijn:

opeenhoping van privaat-kapitalen, moderne arbeidsverdeeling, machinaal

bedrijf, anarchische concurrentiewijze, loonsysteem, in één woord,

louter die dingen, welke op klassetegenstellingen berusten. Dit

waren n.l., juist de bestaansvoorwaarden voor de ontwikkeling der

produktiekrachten en van het arbeidsoverschot. Het was zoomede,

en ten einde deze ontwikkeling van de produktiekrachten en dit

arbeidsoverschot te kunnen erlangen, noodzakelijk, dat er klassen

bestonden die profiteerden en anderen die ontbeerden. Wat is dus den

door Proudhon opgewekte Prometheus in laatste instantie? Het is de

samenleving, het zijn de maatschappelijke verhoudingen gebaseerd op

de klassetegenstellingen.

Deze verhoudingen zijn niet die van individu tegenover individu,

maar van arbeider tegenover kapitalist, van pachter tegenover

grondbezitter enz. Hef deze verhoudingen op en gij hebt de gansche

samenleving opgeheven; uw Promotheus is niets meer dan een phantoom

zonder armen of beenen geworden, d. w. z. zonder machinebedrijf, zonder

arbeidsverdeeling; dien het in één woord aan alles ontbreekt, wat gij

hem oorspronkelijk gegeven hebt, om uit hem, het arbeidsoverschot te

kunnen erlangen. En Marx voegt hieraan toe: "dat het volgens Proudhon's

theorie praktisch voldoende zou wezen, onder den arbeiders eene gelijke

verdeeling van alle de verworven rijkdommen te ondernemen, zonder aan

de produktievoorwaarden, op een of andere manier iets noodig te hebben

te veranderen." En dan voegt Marx hier reeds bij voorbaat aan toe: "dat

eene zoodanige verdeeling zekerlijk aan den individueelen deelhebbers,

geen bijzonder groote mate van welstand zal kunnen verzekeren."

Proudhon heeft zich ook onledig gehouden met een critiek op de

burgerlijke economie en het is hierover, dat Marx in het tweede

gedeelte van de "Misère de la philosophie" het zijne te zeggen heeft.

Proudhon schreef: "Wij geven geen geschiedenis naar de orde des

tijds, maar naar de opvolging van de ideën. De economische phazen of

categorieën, treden in hunne manifestaties dan gelijktijdig, dan in

omgekeerde reeksen op... Die economische theorieën hebben niet voor

het minst hunne logische opeenvolging en hunne geleding in de rede;

deze orde vleien wij ons te hebben ontdekt."

"De economen," zegt Marx hierop, "stellen de burgerlijke

produktieverhoudingen, arbeidsverdeeling, crediet, geld etc. als vaste,

onveranderlijke en eeuwige categorieën voor. De heer Proudhon nu,

wil ons met een gebaar van de onderlegdheid in deze, die categorieën,

principes, wetten en ideën verklaren! De economen toch verklaren ons

hoe men onder de hier boven gegeven verhoudingen produceert, wat

zij ons niet verklaren," zegt Marx, "hoe deze verhoudingen zelven

voortgebracht worden, d. w. z. de historische bewegingen, waardoor

ze in het leven geroepen worden. De materialen der economen zijn het

voortbewogen en het bewegende leven van de menschen; de materialen

van den heer Proudhon zijn de dogma's van de economen. Zoodra men

evenwel de historische ontwikkeling van de produktieverhoudingen

niet voortzet,--en deze categorieën zijn niets dan de theoretische

uitdrukkingen derzelven,--zoodra men in deze categorieën slechts

van-zelf ontstane denkbeelden, van de werkelijke verhoudingen

onafhankelijke gedachten ziet, is men,--of men wil of niet--gedwongen,

de oorsprong dezer gedachten naar de beweging van de zuivere rede

te verleggen."

Hoe nu brengt deze zuivere, eeuwige en onpersoonlijke rede deze

gedachten voort? Hoe doet zij, om ze voort te brengen?

Marx maakt zich daarbij vervolgens lustig, over Proudhon's manier om

à la Hegel te abstraheeren van de werkelijkheid, van de menschen en

van de maatschappelijke beweging. Zoo hebben de metaphysici, die zich

verbeeldden door middel van zulke abstrakties te kunnen analyseeren

en die, hoe meer zij zich verwijderden van de voorwerpen des te meer

waanden daarin door te dringen, hunnerzijds het recht te zeggen,

dat de dingen dezer wereld slechts stiksels zijn op het stramien

dat gemaakt wordt door de logische categorieën. Hier hebben wij het

verschil tusschen den philosoof en den christen. De christen kent

slechts één vleeschwording van den Logos, in weerwil van de logiek,

de philosoof is met die vleeschwording in het geheel nog niet aan

het einde. Dat alles wat bestaat, dat alles wat op de aarde en in

het water is, door abstraktie tot eene logische categorie kan worden

teruggebracht, dat men op deze manier, de totale werkelijke wereld

kan doen verdrinken in de wereld van de abstrakties, de wereld der

logische categorieën, is geen wonder. Alles wat bestaat, alles wat op

de aarde en in het water is, bestaat alléén door middel van beweging

van den een of anderen aard. Zoo brengt de beweging der geschiedenis,

de sociale betrekkingen; de industrieele beweging, de industrieele

produkten voort, enz.

Wat is de absolute methode? De abstraktie der beweging. Wat is de

abstraktie der beweging? De beweging in abstrakten toestand. Wat is

de beweging der abstrakte toestanden? De zuiver-logische formule der

beweging of de beweging der zuivere rede. Waarin bestaat die beweging

der zuivere rede? In het in zich-zelf vast te stellen, in zich-zelf

tegen te stellen, ten slotte zich weder tezamen-zetten. In het zich

als thesis, antithesis en synthesis formuleeren; of: zich te stellen,

zich te negeeren en hare negatie dan weder opnieuw te negeeren.

Eenmaal daartoe gekomen, zich als thesis te stellen, splitst zich

deze thesis, terwijl zij aan zich-zelf tegenover komt te staan, in

twee elkander tegensprekende ideën: in positief en negatief; in Ja en

Neen. De strijd dezer beiden, elkander tegengestelde elementen, vormt

de dialektische beweging. Het Ja wordt Neen, het Neen wordt Ja, het Ja

wordt gelijktijdig Ja en Neen; op deze manier houden de tegenstellingen

elkander in evenwicht, neutraliseeren zij zich, heffen zij elkander

op. Deze nieuwe gedachte nu, splitst zich wederom in twee elkander

weêrsprekende ideën, die hunnerzijds wederom eene nieuwe synthesis

vormen. Uit deze voortbrengingsarbeid komt de groep der gedachten

voort. Die gedachtengroep gaat in dialektische richting voort, als

eene eenvoudige categorie, en verkrijgt daardoor tot antithesis,

een tegenovergestelde groep. Uit deze twee gedachtengroepen, ontstaat

dan eene nieuwe gedachtengroep, de synthesis van beiden.

Zooals uit de dialektische beweging der enkelvoudige categorie, de

groep ontstaat, zoo ontstaat uit de dialektische beweging der groepen,

de rij, en uit de dialektische beweging der rijen, het gansche systeem.

Men passe deze rijen op de categorieën der Staathuishoudkunde

toe, en men bekomt de logiek, benevens de methaphysiek der

Staathuishoudkunde, of met andere woorden, men heeft de aan de gansche

wereld bekende economische categorieën, in een minder bekende spraak

vertaald. "Proudhon," zegt Marx, "is nog maar nauwelijks tot de twee

eerste schreden van deze dialektische methode gekomen, die welke van

Hegel stammen en die door Proudhon, in plaats van voortontwikkeld,

op klagelijke wijze plat zijn gedrukt. Hij geloofde de wereld,

door middel van de beweging der ideën te kunnen verklaren, terwijl

hij slechts de gedachten die in ieders hoofd wonen, systematisch

gereconstrueerd en volgens eene absolute methode geklassificeerd

heeft." Marx gaat dan verder:

"De sociale verhoudingen zijn nauw verbonden met de

produktiekrachten. Met het verwerven van nieuwe produktiekrachten

veranderen de menschen hunne produktiewijzen; met de manier om

hun levensonderhoud te winnen, veranderen zij tevens al hunne

maatschappelijke verhoudingen. De handweefmolen, bracht eene

samenleving voort met feodale heeren, de stoomweefmolen eene

samenleving van industrieele kapitalisten. Maar dezelfde menschen,

welke aan de sociale verhoudingen, naar de mate hunner materieele

produktiewijze hunne gestalte geven, geven ook aan de principes, aan

de ideën, aan de categorieën eene gestalte, en deze eveneens naar de

mate hunner maatschappelijke verhoudingen.

"Hierdoor zijn deze ideën, deze categorieën evenzoomin eeuwige,

als de verhoudingen welke zij opgedrukt zijn. Zij zijn historische,

vergankelijke en voorbijgaande producten.

"Wij leven te midden van eene voortdurende aangroeiing der

produktiekrachten, eene verstoring der sociale verhoudingen, eene

vervorming van ideën. Onbewegelijk is slechts de abstraktie der

beweging,--mors immortalis."

"De economen," zegt Marx, "gaan op zonderlinge wijze te werk. Volgens

hen bestaan er slechts twee soorten van instellingen: kunstmatige en

natuurlijke. De instellingen van het feodalisme waren kunstmatige,

die der bourgeoisie, zijn natuurlijke voor hen. Zij gelijken daarin

op de theologen, die ook twee soorten van religie onderscheiden,

n. l. die welke zij te verdedigen hebben en die welke zij te

bestrijden hebben. De eerste berust, op eene "openbaring Gods", de

ander is "een uitvinding van menschen". Wanneer de economen zeggen,

dat de tegenwoordige verhoudingen--de verhoudingen der burgerlijke

produktie--natuurlijke zijn, dan geven zij daarmede te kennen, dat

het verhoudingen zijn, waarin de voortbrenging van den rijkdom en

de ontwikkeling der produktiekrachten, zich volgens natuurwetten

ontwikkelen. Daarmede zijn deze verhoudingen-zelf, van den invloed

van den tijd onafhankelijke natuurwetten geworden. Het zijn eeuwige

wetten, welke de samenleving steeds te regeeren hebben. Aldus wás er

eens geschiedenis, maar bestaat zij van nu af aan niet meer. Er was

eenmaal geschiedenis, omdat er feodale inrichtingen hebben bestaan en

omdat men in deze feodale inrichtingen produktieverhoudingen vond,

volkomen verschillend van die der burgerlijke samenleving, welke de

economen als natuurlijke, en dus als eeuwige willen aangezien hebben.

"Ook het feodalisme had zijn proletariaat: dat van de lijfeigenschap,

hetwelk in zijnen kiem, het burgerdom bevatte. Ook de feodale produktie

had twee antagonistische elementen, dewelken men eveneens zou kunnen

noemen: de goede en de slechte zijde van het feodalisme"....

"Toen de bourgeoisie er bovenóp was gekomen, vroeg zij noch

naar de goede, noch naar de slechte zijde van het feodalisme. De

produktiekrachten, welke zich onder het feodalisme hadden ontwikkeld,

vielen haar in den schoot. Alle oude economische vormen, de

privaat-rechtelijke betrekkingen welke met hen in overeenstemming

waren; de politieke toestand, welke de erkende uitdrukking der oude

samenleving was, werden verbroken.

"Wil men nu de feodale produktiewijze juist beoordeelen, dan

moet men haar opvatten, als een op de tegenstelling gebaseerde

produktiewijze. Men moet aantoonen, hoe den rijkdom binnen

het raam van deze tegenstelling voortgebracht werd; hoe de

produktiekrachten zich--gelijktijdig met de tegenstrijdigheid der

klassen--ontwikkeld hebben; hoe eene dezer klassen, de slechte zijde,

het maatschappelijk euvel steeds aangroeide, totdat de materieele

voorwaarden harer emancipatie tot rijpheid gekomen waren. Verklaart

dit niet duidelijk genoeg dat de produktiewijze, de verhoudingen

waarin de produktiekrachten zich ontwikkelen niets minder als

eenige wetten zijn, maar eene bepaalde ontwikkelingstoestand der

menschen en hunne produktiekrachten vertegenwoordigen, en dat

een in de produktiekrachten der menschen opgetreden verandering,

noodzakelijkerwijs eene verandering in hunne produktieverhoudingen

teweeg brengen moet? Daar het vóór alle dingen hierop aankomt, niet

van de vruchten der civilisatie, de verworven produktiekrachten

uitgesloten te zijn, wordt het noodzakelijk de overgebleven vormen

waarin zij geschapen werden, te verbreken. Van dat oogenblik af,

wordt eene revolutionaire klasse conservatief.

"De bourgeoisie vangt met een proletariaat aan, dat zelve op zijne

beurt, een overblijfsel is van het proletariaat uit de feodalistische

periode. In het verloop harer historische ontwikkeling, ontwikkelde

de bourgeoisie noodzakelijkerwijs haar antagonistisch karakter, dat

zich bij haar eerste optreden slechts omsluierd, nog in latenten

toestand deed kennen. In die mate waarin de bourgeoisie zich

ontwikkelt, ontwikkelt zich in haren schoot een nieuw proletariaat:

het moderne proletariaat. Het ontwikkelt zich in eenen strijd tusschen

de proletariërsklasse en de bourgeoisklasse; een strijd die, alvorens

zij aan beide zijde wordt gevoeld, bespeurd, op hare waarde geschat,

begrepen, toegestemd en eindelijk luide wordt geproclameerd, zich

voorloopig maar bij gedeelten en in voorbijgaande conflikten, in

verstoringswerken openbaart. Aan den anderen kant, wanneer allen

die tot de moderne bourgeoisie behooren hetzelfde belang hebben,

in zooverre zij ééne klasse, tegenover de andere klasse vormen,

dan hebben zij aan elkander tegenovergestelde belangen, zoodra

zij-zelf tegenover elkander staan. Deze tegenstelling van belangen,

komt voort uit de economische voorwaarden van het burgerlijke

leven. Van dag tot dag wordt het hierom duidelijker, dat de

produktieverhoudingen waaronder de bourgeoisie zich bevindt, niet

een éénvormig, éénzijdig karakter hebben, maar een tweeslachtig. Dat

onder dezelfde verhoudingen, waaronder den rijkdom wordt geproduceerd,

ook de ellende wordt voortgebracht; dat onder dezelfde verhoudingen

waarin de ontwikkeling van de produktiekrachten haren weg gaat,

zich eene repressiekracht ontwikkelt; dat deze verhoudingen den

burgerlijken rijkdom, d. w. z. den rijkdom der bourgeoisie slechts

kunnen voortbrengen, onder voortgezette vernietiging van den rijkdom

der leden dezer klasse individueel en onder de voortbrenging van een

steeds aangroeiend proletariaat."

"Hoe meer den toestand dezer tegenstellingen naar den voorgrond

treedt, des te meer geraken de economen, de wetenschappelijke

vertegenwoordigers van de burgerlijke produktiewijze, met hunne eigene

theorieën in tegenspraak en vandaar de verschillende scholen die er

onder hen bestaan.

"Wij hebben de Fatalistische economen, die in hunne theorie

evenzoo onverschillig zijn tegenover datgene, wat zij de euvelen

van de burgerlijke produktiewijze noemen, als de bourgeois-zelf

in de praktijk dat is tegenover het lijden van den proletariër,

die hem aan het verzamelen van zijn rijkdommen geholpen heeft. Zij

onderscheiden zich in klassieken en romantieken. De Klassieken,

zooals Adam Smith en Ricardo, vertegenwoordigen eene bourgeoisie,

die nog in strijd is met de resten van de feodale maatschappij en die

slechts hieraan arbeidt, de economische verhoudingen van de feodale

smetten te zuiveren; de produktiekrachten te vermeerderen en der

industrie en den handel nieuwe drijfkrachten te verschaffen. Het aan

deze kampen deelnemende proletariaat kent, door dezen koortsachtigen

arbeid in beslag genomen, slechts voorbijgaand en toevallig lijden,

beschouwt hetzelve ook als zoodanig. De economen gelijk Adam Smith

en Ricardo, welke de geschiedkundigen dezer periode zijn, hebben

bloot de missie te bewijzen hoe de rijkdom onder de verhoudingen der

burgerlijke produktie verworven werd; deze verhoudingen in categorieën,

in wetten te formuleeren en aan te toonen, in hoeverre deze wetten,

deze categorieën voor de produktie van den rijkdommen voortreffelijker

zijn, dan de categorieën der feodale samenleving. De ellende is in

hunne oogen slechts de smart, die met elke geboorte gepaard gaat,

zoowel in de natuur als in de industrie.

"De Romantieken behooren tot onze periode, die waarin de bourgeoisie

zich in eene direkte tegenstelling bevindt met het proletariaat;

die waarin de ellende in een even zoo groote mate aangroeit als

de rijkdom. De economen doen zich daarin voor als geblaseerde

fatalisten, en werpen, van uit de hoogte van hun standpunt een

trotschen blik van verachting op de menschelijke machines, die dien

rijkdom voortbrengen. Zij herhalen alle de door hunne voorgangers

gegeven uiteenzettingen, maar de onverschilligheid, die bij dezen

naïviteit was, is bij hen tot koketterie geworden.

"Komt alsnu de Humanitaire school aan de beurt, welke zich de

slechte eigenschappen van de bestaande produktie-verhoudingen zoozéér

aantrekt. Deze zoekt, ten einde haar geweten gerust te stellen, de

werkelijke contrasten zoo goed het gaat te bemantelen; zij beklaagt

oprechtelijk den nood van het proletariaat, de teugellooze concurrentie

der bourgeois onder elkander; zij raadt het proletariaat aan matig

te zijn, vlijtig te werken en weinig kinderen voort te brengen; der

bourgeoisie beveelt zij eenig overleg aan bij haren produktieijver. De

geheele theorie van deze school bestaat in eindelooze onderscheidingen

tusschen theorie en praktijk, tusschen de principes en de resultaten;

tusschen de idee en de toepassing; tusschen inhoud en vorm; tusschen

het wezen en de werkelijkheid; tusschen het recht en de feiten;

tusschen den goeden en den slechten kant.

"De Philantropische school is de volkomener gemaakte Humanitaire

school. Zij loochent de noodzakelijkheid der tegenstellingen. Zij wil

alle menschen tot bourgeois maken. Zij wil de theorie verwerkelijken,

in zooverre dezelve zich onderscheidt van de praktijk en het

antagonisme niet in zich sluit. Vanzelfsprekend is het in de theorie

gemakkelijk van de tegenspraken te abstraheeren, waaraan men bij elken

schrede in de werkelijkheid zich stoot. Deze theorie zou daarom die der

geïdealiseerde werkelijkheid moeten heeten. Deze philantropen willen

dus de categorieën behouden, welke de uitdrukking der burgerlijke

verhoudingen zijn, zonder de tegenspraak die in haar wezen opgesloten

ligt, en die van haar niet is te scheiden. Zij verbeelden zich nog

ernstig de burgerlijke praktijk te bestrijden en zij zijn toch nog

meer bourgeois, dan alle anderen!

"Gelijk de economen de wetenschappelijke vertegenwoordigers van

de bourgeoisklasse zijn, zoo zijn de Socialisten en Communisten de

theoretici van de klasse van het proletariaat. Zoolang het proletariaat

nog niet genoegzaam ontwikkeld is om zich als klasse te constitueeren

en daarvandaan, den strijd van het proletariaat met de bourgeoisie

nog geen politiek karakter draagt; zoolang de produktiekrachten nog

in den schoot van de bourgeoisie zelve, niet genoeg zijn ontwikkeld

om de materieele voorwaarden te laten doorschijnen, die noodzakelijk

zijn tot bevrijding van het proletariaat en tot vorming van eene

nieuwe samenleving, zoo lang zijn deze theoretici slechts Utopisten,

die, om de behoeften der onderdrukte klassen te verhelpen, systemen

uitdenken en naar eene regenereerende samenleving zoeken. Maar naar

de mate waarin de geschiedenis voortschrijdt en daarmede den strijd

van het proletariaat zich duidelijker afteekent, hebben zij niet

meer noodig de wetenschap te zoeken in hunne hoofden; zij hebben

zich slechts rekenschap te geven van datgene wat zich voor hunne

oogen afspeelt en zich tot het orgaan daarvan te maken. Zoolang zij

de wetenschap zoeken en niets dan systemen maken, zoolang zij aan

den aanvang van den strijd staan, zien zij in de ellende slechts

ellende, zonder de revolutionaire gedachte die er zich in verbergt

en die in staat is de oude samenleving te doen verdwijnen. Van af

dat oogenblik wordt de wetenschap, een bewust voortbrengsel van de

historische beweging en heeft zij opgehouden doctrinair te zijn;

zij is revolutionair geworden."

Marx onderzocht vervolgens van historische en economische

gezichtspunten uit, of de fabriek en de machine, later dan de

arbeidsverdeeling "het autoriteitsbeginsel in de samenleving hadden

ingevoerd", zooals Proudhon had beweerd. Of aan den eenen kant de

arbeider gerehabiliteerd is geworden, in weerwil dat hij aan de anderen

kant aan de autoriteit werd onderworpen; of de machine de recompositie

der gedeelden arbeid, de aan de analyse tegenovergestelde synthese

van den arbeid is, naar Proudhon's bewering.

"De samenleving als geheel," zegt Marx, "heeft met het inwendige

van een fabriek dit gemeen, dat ook zij hare arbeidsverdeeling

heeft. Neemt men de arbeidsverdeeling als voorbeeld om haar op

eene gansche samenleving toe te passen, dan zou ongetwijfeld die

samenleving het best voor de produktie van haren rijkdom georganiseerd

zijn, welke slechts één enkelen ondernemer als leider heeft, die

nog in een vooropgezette, vastgestelde orde, de funkties onder de

verschillende leden der maatschappij verdeelt. Maar dit is geenszins

het geval. Terwijl in de moderne fabriek de arbeidsverdeeling, door

de autoriteit van den ondernemer tot in de onderdeelen geregeld is,

kent de moderne samenleving geen anderen regel, geen andere autoriteit

voor de verdeeling van den arbeid, dan de vrije concurrentie.

"Onder het patriarchale régime, onder het régime van de kasten,

van het feodale- en het gildesysteem, bestond er arbeidsverdeeling

in de gansche maatschappij, volgens bepaalde regelen. Zijn deze

regelen door een wetgever gegeven geworden? Neen, oorspronkelijk uit

de voorwaarden der materieele produktie geboren, werden zij eerst

later tot wetten verheven. Aldus werden deze verschillende vormen

der arbeidsverdeeling tot even-zoovele grondslagen van sociale

organisatie. Wat de arbeidsverdeeling in de werkplaats aangaat,

zoo was deze in alle samenlevingsvormen, zeer laag ontwikkeld.

"Men kan als algemeene regel stellen: hoe minder de autoriteit van de

deeling van den arbeid, binnen het raam der samenleving ingrijpend

werkt, des te meer ontwikkelt zich de arbeidsverdeeling binnen de

werkplaats en des te meer is zij aan de autoriteit van een enkele

onderworpen. Daarom dus, staan de autoriteiten in de werkplaats en de

autoriteit in de samenleving, met betrekking tot de arbeidsverdeeling,

tot elkander in eene omgekeerde verhouding." ....

"Hoe is die werkplaats, die fabriek ontstaan?" "Ten dien einde,"

antwoordt Marx: "hebben wij te onderzoeken hoe de eigenlijke

Manufaktuurindustrie zich ontwikkeld heeft." "Ik bedoel hier," zegt

Marx, "die industrie, welke nog niet de moderne groot-industrie

met hare machines is, die echter niet meer de industrie uit de

middeneeuwen, noch zelfs huisindustrie meer is....

"Eene der eerste behoeften voor de vorming der Manufaktuurindustrie,

was de akkumulatie van kapitalen, die vergemakkelijkt werd door de

ontdekking van Amerika en door de invoer van edele metalen.

"Het is genoegzaam bewezen, dat de vermeerdering van ruilmiddelen

ten gevolge had, eenerzijds: de waardevermindering der loonen

en grondrenten, anderzijds: de vermeerdering der industrieele

winsten. Met andere woorden, met even zooveel als waarmede de klasse

der grondbezitters en de klasse der arbeiders, de feodale heeren

en het volk zonken, met even zooveel verhief zich de klasse van de

kapitalisten, de bourgeoisie.

"Er waren nog andere omstandigheden, die gelijktijdig tot ontwikkeling

van de Manufaktuurindustrie bijdroegen. De vermeerdering van de

op de markt gebrachte waren, zoodra toen eenmaal de verbinding met

Oost-Indië, langs den zeeweg om de Kaap de Goede Hoop was ontdekt,

verder het koloniale stelsel en de ontwikkeling van den zeehandel.

"Een anderen kant welke in de geschiedenis van de Manufaktuurindustrie

nog niet genoegzaam naar waarde is beoordeeld, is de afdanking van de

talrijke gevolgschappen door de feodale Heeren, welker onderhoorigen

landloopers werden, alvorens zij in de werkplaats kwamen. De schepping

van de in de fabriek overgaande werkplaats, werd in de 15e en 16e eeuw,

door een bijna universeel landloopersdom voorafgegaan. De werkplaats

vond verder, een machtigen ruggesteun in de talrijke landlieden,

die tengevolge van de verandering van akkers in weiden en tengevolge

der vooruitgang in de landbouw, die minder arbeiders voor de bewerking

van akkers noodig maakten, voortdurend uit den dienst ontslagen werden

en gansche eeuwen achtereen, naar de steden stroomden.

"Het groeien van de markt, de akkumulatie van kapitalen, de in de

sociale positie der klassen ingetreden veranderingen en het groote

getal van personen, die zich van hunne bronnen van inkomsten zagen

beroofd, dat zijn even zoovele historische voorwaarden voor het

ontstaan van de Manufaktuur geweest.".....

"De akkumulatie, benevens de concentratie van werktuigen en arbeiders,

werden voorafgegaan door de ontwikkeling van de arbeidsverdeeling

in het inwendige van het atelier. Een Manufaktuur bestond meer in de

vereeniging van vele arbeiders en vele handwerkers in een en hetzelfde

lokaal, in eene zaal, onder het commando van een kapitaal, dan in de

oplossing van de werkzaamheden en in de aanpassing van een specialen

arbeider aan een zeer eenvoudigen taak.

"Het nut van een fabriekswerkplaats bestond veel minder in de

eigenlijke arbeidsverdeeling, dan wel in de omstandigheid, dat men

op uitgebreider voet kon arbeiden, vele nuttelooze onkosten besparen

kon, enz. Aan het einde der 16e en aan het begin van de 17e eeuw,

kende de hollandsche Manufaktuur nog maar nauwelijks de verdeeling

van den arbeid.

"De ontwikkeling van de arbeidsverdeeling, heeft ook tot voorwaarde de

vereeniging van de véle arbeiders in ééne werkplaats. Er is zelfs niet

een enkel voorbeeld aan te halen, noch in de 16e noch in de 17e eeuw,

dat de verschillende takken van een en hetzelfde handwerk, in die

mate gescheiden werden beoefend, dat het noodig zou geweest zijn ze

op eene plaats te vereenigen en daarmede de fabriekswerkplaats kant

en klaar in het leven te roepen. Maar toen eenmaal èn menschen èn

werktuigen vereenigd waren, reproduceerde zich de arbeidsverdeeling

zooals zij ten tijde van de Gilden heeft bestaan en spiegelde zij

zich noodwendig terug in het inwendige van de fabriekswerkplaats.".....

"De eigenlijke machines dateeren van het einde der 18e eeuw. Niets is

dommer dan in de machine de anti-thesis der arbeidsverdeeling te willen

zien; de synthesis die de eenheid in den verbrokkelden arbeid weder

terugbrengt. De machine is eene vereeniging van arbeidswerktuigen

en geensdeels eene verbinding van den arbeid voor den arbeider

zelve"..... "Eenvoudige werktuigen; akkumulatie van werktuigen;

samengestelde werktuigen; in beweging brengen van een samengesteld

werktuig, door een enkelen handmotor, den mensch; in beweging

brengen dezer instrumenten door natuurkrachten; machines; systeem

van machines, die slechts één motor hebben; systeem van machines,

die een automatische motor hebben, aldus is de ontwikkelingsgang van

de machine geweest.".....

"Toen in Engeland de markt een zoodanige ontwikkeling had verkregen,

dat de handenarbeid voor haar niet meer toereikend was, gevoelde men de

behoefte aan machines. Men zon toen op de toepassing van de mechanische

wetenschap, die reeds in de 18e eeuw klaar was. Het eerste optreden van

de fabriek met krachtbedrijf, wordt gekenmerkt door handelingen, die

alles-behalve philantropisch waren. Kinderen werden met de zweep tot

den arbeid aangezet; zij werden een voorwerp van schagger, men sloot

contrakten met de Weeshuizen om hen. Men schafte alle wetten omtrent

den leertijd van den arbeiders af.... Ten slotte, waren sedert 1825

bijna alle nieuwe uitvindingen, het gevolg van wrijvingen tusschen

arbeiders en ondernemers, die tot elken prijs de vakontwikkeling

van den arbeid van hare waarde wilden berooven. Na elke, eenigszins

beduidende werkstaking, werd er eene nieuwe machine ingevoerd. Zoo

weinig zag de arbeider, in de toepassing van machines een soort

rehabilitatie, een soort wederherstelling, dat hij in de 18e eeuw,

zéér lang weêrstand heeft geboden aan de ontstane heerschappij van

deze krachtautomaten."

"Alles tezamen genomen, heeft de invoering van machines de

verdeeling van den arbeid in de samenleving doorgevoerd, het werk

van den arbeider in de werkplaats vereenvoudigd, het kapitaal

geconcentreerd en de menschen verbrokkeld.... Wat de verdeeling van

den arbeid in de mechanische fabrieken kenteekent, dat is, dat zij

elk speciaal karakter verloren heeft. Maar van het oogenblik af,

waarin elke bijzondere ontwikkeling ophoudt, wordt de behoefte aan

universaliteit, het streven naar eene alzijdige ontwikkeling van de

individu, meer voelbaar. De automatische fabriek doet de specialisten

en het vak-idiotisme verdwijnen.

"De heer Proudhon, die niet eens deze revolutionaire zijde begrepen

heeft, doet eene schrede terug en slaat den arbeider voor, niet alleen

het twaalfde gedeelte van een speld, maar voor en na, alle twaalf

deelen van den speld te vervaardigen. De arbeider zou dan aldus tot de

wetenschap en tot het bewustzijn van den speld kunnen komen.... Alles

bij elkander genomen, komt den heer Proudhon niet verder dan tot het

ideaal van den kleinen burger. Teneinde dit ideaal te verwezenlijken,

valt hem niets beters in, dan ons terug te voeren naar de periode van

de handwerksgezellen, hoogstens naar die van de handwerksmeesters uit

de Middeneeuwen. "Het is genoeg," zoo zegt hij ergens in zijn boek,

"een enkele maal in zijn leven een meesterstuk vervaardigd te hebben,

om zich een enkele maal als een mensch te hebben gevoeld."..... Is

dit niet, zoowel naar den vorm als naar den inhoud, het door de Gilden

uit de Middeneeuwen steeds verlangde "meesterstuk?""

Marx toont dan, met eene beschouwing over "concurrentie" en "monopolie"

aan, dat deze niet zooals Proudhon had te kennen gegeven, natuurlijke,

maar maatschappelijke categorieën zijn. Hij zegt: "de geheele

geschiedenis, is eene voortdurende verandering der menschelijke

natuur.".....

"De concurrentie is geene noodzakelijkheid van de menschelijke

natuur, zooals Proudhon meende, maar gelijk zij in de 18e eeuw, uit

historische oorzaken geboren is geworden, zoo zoû zij in de 19e, uit

historische oorzaken eveneens weder kunnen verdwijnen. Zij is niet de

industrieele, maar de commercieele wedijver, zij kampt niet om het

produkt maar om de winst. Er zijn zelfs phazen in het economische

leven der volken, waarin de geheele wereld aangegrepen was door een

soort van dolle woede, om winsten te maken zonder te produceeren. Deze

speculatiekoorts, die periodiek terugkomt, onthult ons dan het ware

karakter van de concurrentie, die aan de noodzakelijke voorwaarden van

den industrieelen wedijver zoekt te ontkomen. De slechte zijde van

de concurrentie, door Proudhon zoo op den voorgrond gesteld en die

hij daarom uitroeien wil, drijft juist de geschiedenis vooruit. Hoe

koortsachtiger de concurrentie nieuwe produkten schiep, des te meer

vertoonde zij de burgerlijke verhoudingen en schiep zij daarmede,

de materieele voorwaarden voor eene nieuwe samenleving."

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 33 / 72 题