Te Manchester verwijlde Friedrich Engels, een fabrikantenzoon uit
Barmen en voor de industrie opgeleid, 21 maanden lang, van af December
1842 tot December 1844. Hij maakte aldaar de school der industrie
door en bestudeerde deze zoowel als het wereldhistorische proces
der groot-industrie, de philosophische grondslagen en de inwendige
tezamenhang der kapitalistische maatschappij. Hij verkreeg daardoor
een blik op het geheel, waartoe het engelsche socialisme van Owen in
die dagen, zich niet heeft vermogen op te werken. Engels arbeidde als
medewerker, aan de "Northern Star", aan den organen van de "Chartisten"
dier dagen, zoowel als aan de "New Moral World," van Robert Owen.
Terwijl Marx uit de studie van het fransche socialisme leerde
concludeeren, dat niet de Staat de burgerlijke samenleving, maar
dat de burgerlijke samenleving den Staat tezamenhoudt, leerde
Engels uit de engelsche industrie, dat de economische feiten, die
in de tot nog toe geldende geschiedschrijving geenerlei of althans
maar een zeer geminachte rol speelden, minstens in de moderne
wereld, van een beslissend historische kracht zijn. Dat zij het
zijn, die de grondslagen uitmaken voor het ontstaan der huidige
klassetegenstellingen in die landen, die zich door middel van de
groot-industrie, economisch ontwikkeld hadden zooals Engeland. En dat
deze klassetegenstellingen, wederom de grondslag vormen der politieke
partijvorming, der partijstrijd en daarmede van de gansche politieke
geschiedenis. Langs verschillende wegen waren Marx en Engels dus
tot dezelfde conclusies gekomen. Bij Marx gaven de philosophische,
bij Engels gaven de economische feiten den doorslag.
Toen Marx en Engels zich in den herfst van 1844 te Parijs voor de
tweede maal samentroffen, bleek het hun, dat zij het op het gebied
hunner theorieën volkomen eens waren. Hierop berustte dan ook in gansch
hun leven de wapenbroederschap, die later is overgegaan in vriendschap,
zooals die alleen twee denkers die evenhoog staan, kan vereenigen.
Intusschen ging Engels weder naar Barmen terug en moest Marx te Parijs
blijven, daar men in Duitschland een bevel tot inhechtenisneming
tegen hem had uitgevaardigd.
Marx werkte toen mede aan een blaadje de "Vorwärts" genaamd, dat
door een zekere Bornstein, met geld van den componist G. Meijerbeer
was opgericht geworden. Voor het blad schreven ook: Heinrich Heine,
die te Parijs een goed en gaarne gezien huisvriend der familie Marx
is geweest, de dichter George Herwegh, Michael Bakounine, Moritz Hesz,
Arnold Ruge e.a.
Maar het blaadje moest spoedig ophouden te bestaan. De Pruisische
regeering had bij de fransche daarop aangedrongen en de laatste had
toegegeven. Spoedig daarna werd ook aan Marx het bevel gegeven, door
de regeering van den heer Guizot, om Frankrijk en daarmede Parijs te
verlaten en Marx, overal verjaagd, moest naar Brussel uitwijken. Aldaar
trof hij in het voorjaar van 1845 wederom met Engels tezamen,
die van verlangen brandde om met Marx van gedachten te wisselen,
over zijn rijp geworden communistische beginselen. Intusschen
had deze zijn eerste werk voltooid: "De positie der arbeidende
klassen in Engeland." getiteld, waarvan de voorrede nog in Barmen
was geschreven. In deze "voorrede" duidt Engels het als doel van dat
geschrift aan, de socialistische theorieën en de beoordeeling hunner
juistheid, een vasten grondslag te geven en aan alle phantazieën
daaromtrent een einde te maken. Een scheiding dus van het utopistisch
Socialisme.
Engels hield het voor noodzakelijk, dat voornamelijk de duitsche
theoretici, waarvan bijna niet een, anders dan door middel van de
Feuerbachsche oplossing van de Hegelsche, speculatieve wijsbegeerte,
tot het Communisme gekomen was, de werkelijke levensomstandigheden
van het proletariaat zouden leeren kennen. In hunnen klassieken
vorm, in hunne voltooieng nu, bestonden zuiver proletarische
toestanden, in dien tijd alléén nog maar pas in Engeland, het land
der groot-industrie. Daarom schreef Friedrich Engels zijn boek dan
ook over engelsche arbeiderstoestanden.
Toen beiden, Marx en Engels elkander te Brussel aantroffen, zetten zij
zich aan den arbeid, om naar alle richtingen heen, hun nieuw gewonnen
standpunt uiteen te zetten, ten opzichte van de Hegelsche philosophie,
om gelijk zij het noemden, "voor goed met hun philosophisch geweten in
't reine te komen." Dat deden zij in een critiek op de Hegeliaansche
en de na-Hegeliaansche philosophie; een boek van twee deelen dik. Dat
boek is echter nooit gedrukt kunnen worden; de drukker weigerde ter
elfder ure iets van Marx te drukken, gelijk er jaren na dien nog geen
uitgever te vinden was in Duitschland, die iets van Marx wilde of
durfde uitgeven. Het manuscript lieten toen Marx en Engels, gelijk Marx
het eenmaal uitdrukte, aan de "knagende critiek der muizen over"; zij
hadden hun doel, een afrekening met zich-zelven, volkomen bereikt. Dit
manuscript hield ook de 11 stellingen in, van Marx tegen Feuerbach,
reeds vroeger medegedeeld en jaren later door Engels tot een geschrift
uitgewerkt, onder den naam van "Ludwig Feuerbach of het uiteinde
der klassieke Duitsche wijsbegeerte", in welk geschrift door Engels,
met groote bescheidenheid erkend wordt, dat de groote philosophische
lijnen van de gewonnen levensbeschouwing van hun beiden, geheel en
al door Marx getrokken zijn. "Marx was een genie," schrijft hij daar,
"waar anderen hoogstens talenten genoemd konden worden."
Marx en Engels sponnen de draden van hunne positieve zelf-critiek
verder voort. Zij vereenigden zich tot een zelfstandigen arbeid,
eene critische oplossing van het duitsche Idealisme, voor zoover dit
in Bruno Bauer en de Berlijnsche "Vrijen," zijn vertegenwoordigers
vond. Hierdoor kwam voor 't eerst het geschrift tot stand, dat
getiteld was:
"De Heilige Familie"
"of de Critiek der critiseerende critiek van Bruno Bauer en consorten",
dat in 1845 in Frankfort a/M. het licht zag. Het geschrift staat in
geen uitwendige samenhang met de Deutsch-Französischen Jahrbücher;
naar het wezen evenwel, past het volkomen in het raam van den arbeid
der beiden, aan dit tijdschrift.
Het doel der "Heilige Familie" is volgens het voorwoord der
auteurs, het publiek in te lichten omtrent de illusies van de
speculatieve philosophie. "Het reële Humanisme heeft in Duitschland
geen gevaarlijker vijand, dan het Spiritualisme of het speculatieve
Idealisme, dat in plaats van den werkelijken individueelen mensch, het
"zelfbewustzijn" of den "Geest" plaatst, en met den Evangelist leert:
"De geest is het, die levend maakt, het vleesch is van geen nut."" Het
spreekt vanzelf, dat dezen vleeschloozen geest, slechts in zijne
verbeelding, geest bevat. Wat wij aan de Bauersche critiek bestrijden,
dat is juist de als carricatuur zich reproduceerende speculatie. Zij
is voor ons de volmaaktste uitdrukking van het christelijk-germaansche
principe, dat er zijn laatste poging in doet, om de critiek zelve in
eene transcendentale om te zetten.
Bauer c.s. hadden ons willen aantoonen, "dat alle groote akties in de
geschiedenis tot nog toe, daarom van begin af een misgreep waren of
wel succes hadden, naarmate de massa's zich er voor opgewonden en er
zich voor geïnteresseerd hadden, of omdat de idee waarom het ging,
van een soort was, dat zij zich met eene oppervlakkige opvatting
moest vergenoegen en alzoo ook op hunnen bijval rekenen moest." De
geest wist, zoo gingen zij bij de uiteenzetting van hun standpunt
verder, waarin hij zijne tegenstanders had te zoeken, namelijk in
het zelfbedrog en de kernloosheid van de massa's.
In zeker opzicht geleek dit standpunt op dat, waarvan de fransche
Utopisten uitgegaan waren. Massabewegingen zooals de fransche
Revolutie, waren oogenschijnlijk mislukt en op het allerplatste
despotisme uitgeloopen. Elk vooruitgang van den geest bewees dus,
steeds meer tegen de vooruitgang van de massa der menschheid in te gaan
en haar in een steeds onmenschelijker situatie te brengen. Fourier en
Owen traden dan ook in zekere mate op als aktieve geesten, tegenover
de passieve massa.
De "Allgemeine Literatur-Zeitung" het orgaan der Jong-Hegelianen
van het slag van Bauer en Feuerbach, kantte zich dan ook sterk
tegen de massabewegingen van destijds. In hare oogen kon de engelsche
industrie, even zoo weinig genade vinden, als de fransche Revolutie. De
beschaving van het Westen, was haar en hare medewerkers eigenlijk
een soort gruwel.
Het was dus niet het minst in dat geschrift, dat Marx en Engels
de geheimenissen van de "speculatieve construktie" ontsluieren
moesten. Hierover zeiden zij het volgende:
"Wanneer ik mij uit de werkelijke appelen, peren, aardbeien en
amandelen, de algemeene voorstelling "vrucht" vorm, wanneer ik verder
ga en mij verbeeld, dat mijne, uit de werkelijke vruchten getrokken
abstrakte voorstelling "de vrucht" een buiten mij bestaand iets, ja het
ware wezen der peren, der appels enz. is, dan verklaar ik--spekulatief
uitgedrukt--de vrucht, voor de substantie der peren, der appelen,
der amandelen enz. Ik zeg dan: de peer is een onwezenlijke peer, de
appel is een niet-wezenlijke appel. Het wezenlijke uit die dingen,
is niet hun werkelijk en zinnelijk te aanschouwen bestaan, maar het
door mij uit hen geabstraheerd en een hen ondergeschoven wezen, het
wezen mijner voorstelling: "de vrucht." Ik verklaar daarmede appels,
peren, amandelen enz. voor niets, dan voor bestaansvormen, voor
modi der vrucht. Mijn eindend, door de zinnen ondersteund verstand,
onderscheidt zeer zeker een appel van een peer, en een peer van een
amandel, maar mijn spekulatief verstand, verklaart deze zinnelijke
verschillen voor onwezenlijk, niet-verschillend. Zij ziet in den appel
hetzelfde als in den peer en in de peer hetzelfde als in den amandel,
namelijk: "de vrucht." De bijzondere werkelijke vruchten, gelden hier
dus voor schijnvruchten, welker werkelijk wezen de "substantie," de
"vrucht" is.....
"Wanneer de appel, de peer, de amandel of aardbezie in waarheid niets
anders zijn dan "de substantie", de "vrucht," dan vraagt men zich
af, hoe komt het toch, dat de vrucht zich aan mij dan als appel,
dan als peer of dan als amandel vertoont; vanwaar komt deze schijn
der menigvuldigheid, die mijne speculatieve aanschouwing van de
eenheid, van "de substantie," van de vrucht, zoo in 't oogspringend
weerspreekt? Dat komt, zal de speculatieve philosoof u antwoorden,
omdat "de vrucht" geen dood, verschilloos en rustend, maar een levend,
een in zich-zelf verschillend en bewogen wezen is. De verschillendheid
van de profane vruchten, is niet alleen voor mijn zinnelijk verstand,
maar ook voor "de vrucht" zelf, voor het spekulatieve verstand van
beteekenis. De verschillende profane vruchten zijn verschillende
levensuitingen van de "eene vrucht," zij zijn kristallisaties, welke
"de vrucht" zelf vormen. Dus in den appel bijv. heeft "de vrucht" een
appelachtig, in de peer een perenachtig bestaan. Men moet dus niet
meer zeggen, zooals op het standpunt der substantie: de peer is de
vrucht, de appel is de vrucht, de amandel is de vrucht, maar veeleer:
de vrucht is als peer, de vrucht is als appel, de vrucht is als amandel
tezamen gesteld en de verschillen welke appel, peer en amandel van
elkander scheiden, zijn even zoovele zelfonderscheidingen van "de
vrucht" en maken de bijzondere vruchten evenzoo tot verschillende
ledematen van het levensproces der vrucht".... "Men ziet: wanneer
de christelijke religie slechts van één "inkarnatie gods" weet,
de spekulatieve philosophie bezit evenzoo veel "inkarnaties" als er
dingen bestaan, gelijk zij hier in elke vrucht eene inkarnatie van
de substantie, van de absolute vrucht bezit. Het hoofdbelang voor de
speculatieve philosophen bestaat dus hierin, de werkelijke profane
vruchten voort te brengen en dan op geheimzinnige wijze ervan te
zeggen, dat er appelen, peren, amandelen en rozijnen zijn..... "Het
spreekt van zelf, dat de spekulatieve philosoof deze voortdurende
schepping slechts verkrijgt, doordat hij algemeen bekende, in de
werkelijke aanschouwing voorhanden zijnde eigenschappen van appelen,
peren enz., als het ware door hem uitgevonden bepalingen onderschuift,
terwijl hij datgene, wat alleen het abstrakte verstand verschaffen kan,
namelijk de abstrakte verstandsformules, de namen der werkelijke dingen
geeft. Terwijl hij ten slotte zijn eigen werkzaamheid, waardoor hij
van de voorstelling appel, tot de voorstelling peer overgaat, voor de
zelfwerkzaamheid van het absolute subjekt "der vrucht" verklaart".....
"Tegen de hoofdstelling van Bruno Bauer, waarnaar alle groote akties
in de geschiedenis tot nu toe, derhalve van te voren reeds mislukt
zouden zijn en zonder ingrijpend succes, omdat de massa zich ervoor
geïnteresseerd en opgewonden had, of omdat de idee waarom het ging,
op den bijval der massa rekenen moest, voerde Marx aan: De "idee",
blameerde zich altijd, in zooverre zij met het "belang" in botsing
kwam. Aan den anderen kant, is het licht te begrijpen, dat elk massaal
en historisch en doorzettend "principe" als het voor het eerst het
wereldtooneel betreedt, in de "idee" of in de "voorstelling", verre
de werkelijke grenzen te buiten gaat en zich met menschelijke belangen
gewoonweg verwisselt. Het belang van de bourgeoisie in de Revolutie van
1789, verre ervan verwijderd, "mislukt" te zijn, heeft alles "gewonnen"
en heeft het "ingrijpendste" succes gehad, hoezeer ook het "pathos"
in rook vervlogen is en hoezeer ook de "enthusiastische" bloemen,
waarmede dit belang zijn wieg omkranste, verwelkt zijn. Dit belang
was zóó machtig, dat het de pen van een Marat, de guillotine van
de terroristen, den degen van Napoleon, zoowel als het crusifix der
Bourbons overwon. "Mislukt" is de Revolutie slechts voor die massa,
welke in de politieke "idee", niet de idee van haar werkelijk "belang"
bezat; welker waarachtig levensprincipe alzoo met het levensprincipe
der Revolutie niet tezamenviel; welker reële voorwaarden voor
emancipatie wezenlijk verschillend waren, van de voorwaarden,
waarbinnen de bourgeoisie zich in de samenleving emancipeeren kon.
"De Revolutie is mislukt, omdat de massa binnen welker
levensvoorwaarden zij werkelijk is blijven stil staan, eene beperkte
en exclusieve, niet de totaliteit omvattende massa was; omdat het
talrijkste, van de bourgeoisie verschillende deel van de massa,
in haar principe geen werkelijk belang, maar slechts een idee
bezat. Het was een illusie der terroristen, den modernen Staat,
die berust op de burgerlijke samenleving, naar het model van den
antieken Staat te willen vormen, terwijl deze samenleving toch op
de slavernij berustte. Welk een kolossale vergissing! de moderne
burgerlijke samenleving, de samenleving der industrie, der algemeene
concurrentie, der, van de vrij hare doeleinden najagende private
belangen, der anarchie en de zichzelf vervreemdende natuurlijke
en geestelijke individualiteit, in de "Rechten van den Mensch" te
willen doen erkennen en te doen sanktioneeren; tegelijkertijd de
levensuitingen dezer samenleving, van opzichzelfstaande individuen
te willen annuleeren, en tevens de politieke kop dezer samenleving,
naar antiek model te willen vervormen. Het was de illusie van
een Napoleon, den Staat als doel te beschouwen en het burgerlijk
leven slechts als zijn schatmeester en zijne subalternen, die geen
eigen wil mogen hebben. De terroristen zoowel als Napoleon, leden
met hunne illusies volmaakt schipbreuk. Daarna kwam de bourgeoisie
nog weder eenmaal tegenover de contra-Revolutie te staan. Eindelijk
verwezenlijkten zich in het jaar 1830 hare wenschen van het jaar 1789,
slechts met dat verschil, dat hare politieke "verheldering" nu voltooid
was; dat zij in den constitutioneelen, representatieven Staat, niet
meer het ideaal van den Staat, niet meer het heil der wereld en der
algemeen-menschelijke doeleinden meende na te kunnen streven, maar in
hem veel meer, de officieele uitdrukking harer uitsluitende macht en
de politieke erkenning, van haar bijzonder belang heeft gezien.".....
"De natuurnoodwendigheid, de menschelijke wezenseigenschappen,
hoe vervreemd of de menschen ook van elkaâr mogen schijnen,--het
belang, houdt de leden van de burgerlijke maatschappij te zamen; het
burgerlijke en niet het politieke leven is hunnen reëlen band. Niet de
Staat houdt de atomen der burgerlijke maatschappij bij elkander, gelijk
Bruno Bauer meende, maar dit, dat zij slechts atomen in de voorstelling
zijn, in den hemel harer verbeelding, terwijl zij in de werkelijkheid
echter, geweldig van atomen verschillen een wezenlijk namelijk, geen
goddelijke egoïsten, maar egoïstische menschen zijn. Slechts politiek
bijgeloof, kan zich tegenwoordig nog inbeelden, dat het burgerlijk
leven door den Staat bijeengehouden moet worden; terwijl omgekeerd
toch in de werkelijkheid den Staat door het burgerlijke leven tezamen
gehouden wordt.
"Gelooft de critiseerende critiek in de kennis der historische
werkelijkheid, ook maar slechts aan haar begin te zijn gekomen,
zoolang zij de theoretische en de praktische verhouding van de
menschen tot de natuur, de natuurwetenschap en de industrie, buiten
hare historische wetenschap sluit? Of, meent zij een of andere periode
inderdaad reeds te hebben leeren kennen, zonder bijv. de industrie
dezer periode, de onmiddellijke produktiewijze van het leven-zelf
te hebben kunnen leeren kennen? Zeer zeker, de spiritualistische,
de theologische critiek kent slechts,--kent ten minste in hare
verbeelding--de politieke, de littéraire en de theologische hoofd-
en staatsakties der geschiedenis. Zooals zij het denken van de zinnen,
de ziel van het lichaam, zich-zelf van de wereld scheidt, zoo maakt zij
de geschiedenis los van de natuurwetenschap en van de industrie. Zoo
ook meent zij, niet in de gewone materieele produktie op aarde, maar
in de nevelachtige wolkenbeelden aan den hemel, de geboorteplaats
der geschiedenis te moeten zien."
Van de utopistische Socialisten, was het wel het meest Fourier
en zijn denkbeelden, die hebben bijgedragen tot de inhoud van de
"Heilige Familie". Marx stelde op den voorgrond "dat de organisatie
van den arbeid" geen wachtwoord van de Socialen, maar een van
de politiek-radikale partij is, die in Frankrijk een bemiddeling
zocht te bewerken, tusschen de politiek en het socialisme. Beiden
toonen echter aan, wat ook de groote Utopisten nooit begrepen hebben
n.l.: de historische ontwikkeling, de zelfwerkende beweging van de
arbeidersklasse, zegt Marx.
En op de bemerking van Bauer, dat de arbeider niets heeft, omdat hij
niets maakt en dat hij niets maakt, omdat zijn arbeid steeds eene
individueele blijft, een op zijn dagelijksche behoefte berekende
is, antwoordde Engels dit: "De critiseerende critiek voert niets
uit; de arbeider doet alles, ja, zoozéér alles, dat hij de gansche
critiek ook in zijn geestelijke scheppingen beschaamt; de engelsche
en fransche arbeiders kunnen hier getuigenis van afleggen." En wat de
tegenstelling tusschen geest en massa aangaat door Bauer geconstrueerd,
stelde Marx hierna in het licht, dat de communistische critiek der
Utopisten, praktisch wél deugdelijk heeft beantwoord aan de behoeften
der groote massa. Hij zeide, dat men om dit te weten, de studie, de
weetgierigheid, de zedelijke energie en de rustelooze aandrift tot
ontwikkeling van de fransche en engelsche werklieden moet hebben
leeren kennen, om zich een voorstelling te kunnen maken van den
menschelijken adel dier bewegingen.
Voor het eerst behandelde Marx in de "Heilige Familie" ook den
arbeider-publicist en socialist: Pierre Joseph Proudhon. Edgar Bauer
had er zich lustig over gemaakt, dat Proudhon uit het principe
der gelijkheid, de laatste redelijke grond aller bewijzen voor
den eigendom zocht te concludeeren. Daarop nu antwoordde Marx,
dat Proudhon hier hetzelfde doet als Bauer, die aan alle zijne
ontwikkelingen het oneindige zelfbewustzijn te gronde legt en dit
principe, ook als het scheppende grondbeginsel van de, het oneindige
zelfbewustzijn--door hare oneindige bewusteloosheid--schijnbaar juist
elkander tegensprekende Evangeliën, te gronde legt. Marx wijst erop,
dat voor de praktische franschen het principe der gelijkheid juist
hetzelfde is, als voor de theoretische duitschers, het principe van het
zelfbewustzijn. Zooals in Duitschland de destruktieve critiek, voordat
zij met Feuerbach van de beschouwing der werkelijkheid uitgegaan was,
al het bepaalde en bestaande door het principe van het zelfbewustzijn
trachtte op te lossen, heeft de destruktieve critiek in Frankrijk
door het principe der gelijkheid, hetzelfde trachten te bereiken.
En zooals Bruno Bauer de theologie critisch oploste, maar steeds
principieel van de theologie uit, zoo doet Proudhon het met de
nationaal-economie, principieel van de nationaal-economie uit. Maar de
groote vooruitgang door Proudhon bereikt, is volgens Marx deze, dat hij
den privaat-eigendom, de grondvoorwaarde van de Staathuishoudkunde,
welke hare vertegenwoordigers als een onomstootelijk, niet verder
uiteen te zetten feit behandelen, aan het eerste en tevens beslissende
en tegelijkertijd, wetenschappelijke onderzoek heeft onderworpen.
Marx betoogt verder tegenover Bauer--die de eenzijdigheid van Proudhon
veroordeelde, waar hij zijne wapens ontleende aan de feiten van de
ellende en de armoede en deze feiten als absoluut gerechtigd en den
rijkdom als een absoluut ongerechtigd feit aanneemt--dat de voorwaarde
tot het bestaan van het geheel, de erkenning moet zijn van den aard
der beide zijden, dat proletariaat en rijkdom tegenstellingen zijn. Als
zoodanig vormen zij één geheel. Zij zijn beiden gestaltenissen van den
privaten eigendom. Het is echter hier niet genoeg, ze voor twee zijden
van een gehéél te verklaren, maar het gaat hier om de bepaalde positie,
welke beiden in die tegenstelling innemen: "Den privaat-eigendom als
rijkdom, is ertoe gedwongen, zich-zelf en daarmede zijne tegenstelling,
het proletariaat in stand te houden. Het is de positieve kant van
de tegenstelling, het inzich-zelf bevredigde privaat-bezit. Het
proletariaat omgekeerd, als proletariaat is gedwongen zich-zelf
en daarmede zijne noodzakelijke tegenstelling,--die het tot
proletariaat doet worden,--het privaatbezit dus op te heffen. Dit is
de negatieve kant van de tegenstelling; zijn onrust in zich-zelf,
het opgeloste en zich-oplossende privaat-bezit. In den boezem dier
tegenstelling, is den privaat-bezitter al dus de conservatieve,
de proletariër de destruktieve partij. Van gene gaat de aktie uit
tot het instandhouden, van deze de aktie tot de vernietiging der
tegenstelling. Het privaat-eigendom drijft zeer zeker zich-zelf,
in zijne economische beweging voort naar zijne eigene oplossing,
maar slechts door van hem onafhankelijke, bewustelooze, tegen zijnen
wil plaatsvindende, door den aard van den zaak bepaalde ontwikkeling;
slechts doordien het een proletariaat als proletariaat voortbrengt,
de zijn geestelijke en physieke ellende bewuste ellende; de hare
mensch-onteering bewuste, mensch-onteering en daarom, de zich-zelf
verheffende mensch-onteering. Het proletariaat voltrekt het oordeel,
dat het privaat-bezit door de voortbrenging van het proletariaat over
zich-zelf velt; zooals het 't oordeel voltrekt, dat de loonarbeid
over zich-zelf velt, doordien hij den vreemden rijkdom en de eigen
ellende voortbrengt. Wanneer het proletariaat zegeviert, dan is het
daarmede niet geworden tot eene absolute kant van de samenleving. Het
kan slechts zegevieren, doordien het zich-zelf en zijn tegendeel
opheft. Alsdan is evenzoowel het proletariaat, als zijn noodzakelijke
tegenstelling, den privaten eigendom verdwenen."
Over het verwijt, dat men, door aan het proletariaat een historische
taak op den schouders te leggen, den proletariërs tot "godheden"
maakt, zegt Marx dit: "Veeleer is dit juist omgekeerd! Omdat de
abstraktie van alle menschelijkheid, zelfs van den schijn van
menschelijkheid in het proletariaat voltrokken is op praktische
wijze; omdat in de levensvoorwaarden van het proletariaat, alle
levensvoorwaarden van de huidige maatschappij in hare onmenschelijke
toppunten tezamengevat zijn; en omdat de mensch in hem zich-zelf
verloren heeft, maar tegelijkertijd weder hèrwonnen heeft en niet
alleen door het theoretisch bewustzijn van dit verlies, maar ook
door de onmiddellijke, door de niet meer af te wijzen, niet meer te
verbloemen nood--de praktische uitdrukking der noodwendigheid!--tot
opstand tegen deze onmenschelijkheid gedwongen is, daarom kan en moet
het proletariaat zich-zelf bevrijden. Het kan zich-zelf echter niet
bevrijden, zonder zijne eigene levensvoorwaarden op te heffen. Het kan
die levensvoorwaarden evenwel niet opheffen, zonder alle menschelijke
levensvoorwaarden van de huidige samenleving, die zich in zijne
situatie samenvatten, op te heffen. Het maakt niet te vergeefs de
harde, maar tevens stalende school van den arbeid door. Het komt er
niet op aan, wat deze of gene proletariër of zelfs ook het gansche
proletariaat, zich bij wijlen als doel voor oogen stelt. Het komt
er op aan, wat het is en wat het historisch genoodzaakt zal zijn
te doen. Zijn doel en zijn historische aktie, zijn hem in zijne
eigene levenssituatie, zooals in de gansche organisatie van de
huidige burgerlijke maatschappij, zinnebeeldig en onherroepelijk
voorgeteekend."