Voor Duitschland is de critiek der religie in wezenlijkheid reeds
beëindigd en de critiek der religie is de voorwaarde tot elke critiek.
De profane existentie van de dwaling is gecompromiteerd, nadat
hare hemelsche oratio pro aris et focis weêrlegd is. De mensch,
die in de phantastische werkelijkheid van den hemel, alwaar hij
naar een, "übermensch" zoekend, slechts de weêrschijn van zich-zelf
gevonden heeft, zal niet meer geneigd zijn, slechts de weêrschijn
van zich-zelve, slechts den onmensch te vinden, waar hij zijne ware
werkelijkheid zocht, en vinden moet.
Het fundament van de irreligieuze critiek is: de mensch maakt de
religie, de religie niet den mensch. En wel-is-waar is de religie
het zelfbewustzijn en het zelfgevoel der mensch, die zich-zelf
nog niet tot bewustzijn heeft kunnen brengen of, zich-zelf weder
verloren heeft. Maar de mensch is geen abstrakt, buiten de wereld
staand wezen. De mensch, dat is de wereld der menschen, de Staat,
de sociëteit. Dezen Staat, deze sociëteit, brengt de religie voort,
een omgekeerd zelfbewustzijn, omdat zij eene omgekeerde wereld is. De
religie is de algemeene theorie dezer wereld, haar encyclopedisch
compendium, hare logica in populairen vorm, haar spiritualistisch
point d'honneur, haar enthousiasme, haar moreele sanktie, hare slechte
vervolkomening, hare algemeene troost- en rechtvaardigingsgrond. Zij is
de phantastische verwerkelijking van het menschelijk wezen, omdat het
menschelijk wezen, geen ware werkelijkheid bezit. De strijd tegen de
religie, is dus middellijk den strijd dier wereld, welker geestelijk
dogma de religie is.
De religieuze ellende is, in één woord, de uitdrukking der werkelijke
ellende en zij is het protest tegen die werkelijke ellende. De religie
is de zucht van het bedrukte schepsel, het gemoed van een hartelooze
wereld, zooals zij den geest van eene geestlooze toestand is. Zij is
het opium des volks.
De opheffing der religie als het illusoire geluk des volks, is
de eisch voor zijn werkelijk geluk. De eisch, de illusies omtrent
zijn toestand op te geven, is de eisch om een toestand op te geven,
welke aan illusies behoefte heeft. De critiek op de religie is dus,
in den kiem, de critiek op het jammerdal, welks heiligheidsschijn de
godsdienst is.
Die critiek heeft de imaginaire bloemen aan den stengel afgeplukt,
niet opdat de mensch deze phantazielooze, troostelooze stengel drage,
maar opdat hij daardoor dien stengel wegwerpen en de levende bloemen
er af zoude breken. Die critiek der religie ontgoochelt den mensch,
opdat hij denke, handele en zijne werkelijkheid duidelijk zal zien,
zooals een ontgoocheld en tot bezinning gekomen mensch; opdat hij
zich om zich-zelf en daarmee, om zijn werkelijke zon zich bewege. De
godsdienst is slechts de illusoire zon, die zich om den mensch beweegt,
zoolang hij zich niet om zich-zelf beweegt.
Het is daarom de taak der geschiedenis, nadat het generzijdsch der
waarheid verdwenen is, de waarheid van het dezerzijdsch te doen
verspreiden. En het is in de eerste plaats de taak der philosophie,
die in dienst der geschiedenis staat, nadat de heiligengestalte van
de menschelijke zelfontvreemding ontmaskerd is, de zelfontvreemding,
in hare onheilige gestalte te ontmaskeren. De critiek op den hemel,
moet zich daarmede omzetten, in eene critiek op de aarde; de critiek
der religie in de critiek van het recht; de critiek der theologie in
die van de politiek.
De hiervolgende uiteenzetting--een bijdrage tot dezen arbeid--sluit
in de eerste plaats niet bij het origineel, maar bij een copie aan,
bij de duitsche Staats- en Rechtsphilosophie, om geen andere oorzaak
als deze, dat zij zich aan Duitschland aansluit.
Wilde men ook aan het duitsche status quo zelf aanknoopen, hetzij
dan op den eenig daartoe passende wijze, dit wil zeggen, negatief,
het resultaat zal steeds een anachronisme blijven. Zelfs de negatie
van onzen tegenwoordigen politieken toestand bevindt zich reeds als
een beschimmeld feit, in de rommelkamer der moderne volken. Wanneer
ik de gepoederde pruiken negeer, houd ik altijd nog de opgepoederde
pruiken over. Wanneer ik de duitsche toestanden van 1843 negeer, sta
ik, naar fransche tijdrekening, nog altijd nauwelijks in 't jaar 1789,
veel minder in het brandpunt van den tegenwoordigen tijd.
Ja, de duitsche geschiedenis vleit zich, eene beweging te bezitten, die
haar geen volk aan den historischen hemel nog voorgedaan heeft, noch
na zal doen. Wij hebben namelijk in de Restauratie der moderne volken
gedeeld, zonder van hare Revoluties iets te hebben ontvangen. Wij zijn
gerestaureerd geworden, eerstens, omdat andere volken een Revolutie
waagden, en tweedens, omdat andere volken een contra-Revolutie leden;
de de eene keer, omdat onze Heeren vrees hadden, de andere keer, omdat
onze Heeren geene vrees hadden. Wij, met onze herders aan den spits,
bevonden ons altijd maar éénmaal in het gezelschap van de vrijheid,
op den dag harer begrafenis namelijk.
Eene school, welke de lafhartigheid van heden, legitimeert door
de lafhartigheid van gisteren; een school, die elken schreeuw van
de lijfeigenen tegen den knoet, voor rebellisch verklaart, zoodra
die knoet een bejaarde, een afgestamde, een historische knoet is;
een school die de geschiedenis, gelijk Israël's God zijnen dienaar
Mozes, slechts haar a posteriori wijst, de historische Rechtsschool,
zij zoude zeker de duitsche geschiedenis uitgevonden hebben, ware zij
niet zelve eene uitvinding van de duitsche geschiedenis. Als Shijlock,
maar als Shijlock de bediende, zweert zij bij elk pond vleesch,
hetwelk uit het hart des volks gesneden wordt, op haar schuldbrief,
op hare christelijk-germaansche schuldbrief.
Goedmoedige enthousiasten daarentegen, duitsche vaderlanders
naar den bloede en vrijzinnigen van reflektie, zoeken onze
geschiedenis der vrijheid, aan gene zijde van de geschiedenis in
de teutonische oer-wouden. Waardoor onderscheidt zich evenwel onze
vrijheidsgeschiedenis van de vrijheidsgeschiedenis van Ebers, wanneer
zij slechts in de wouden te vinden is? Bovendien is het bekend;
zooals men in het woud inschreeuwt, zoo schalt het uit het woud,
tot ons weder terug.
Dus vrede zij er in de teutonische oer-wouden!
De oorlog aan de duitsche toestanden! Zeer zeker! Zij staan onder
het niveau van de geschiedenis, zij staan beneden alle critiek,
maar zij blijven een voorwerp van de critiek, zooals de misdadiger,
die beneden het niveau van de humaniteit, een voorwerp van den
scherprechter blijft. Met hen in den strijd, is de critiek geen
hartstocht van het hoofd, zij is het hoofd van de hartstocht. Zij is
geen anatomisch mes, zij is een wapen. Haar objekt is haar vijand,
die zij niet nederleggen, maar die zij dooden wil. Want de geest
dezer toestanden is wederlegd. Op en voor zichzelf, zijn zij geene
gedenkwaardige objekten, maar evenzoo verachtelijke, als verachte
existenties. De critiek-aan-zich, behoeft niet de zelfovereenkomst
met dit onderwerp, want zij is met hem in 't reine. Zij geeft zich
niet meer als doel, maar zij is hem slechts als middel. Haar wezenlijk
pathos, is de onwaardigheid, haren wezenlijken arbeid, de aanklacht.
Het geldt de schildering eener wisselwerkenden, dompigen druk,
van alle sociale spheren op elkander; eener algemeene, daadlooze
bepaling; eener zich evenzoozeer erkennende, als zich regeerende
bekrompenheid binnen het raam van een regeeringssysteem, hetwelk
van de conservatie van alle erbarmelijkheden levend, zelve niets is,
dan de erbarmelijkheid aan de regeering.
Welk een schouwspel! De tot in het oneindige voortgaande verdeeling
der samenleving in menigvuldige klassen, welke met kleine antipathieën,
slechte gewetens en brutale middelmatigheid tegenover elkander staan,
welke juist ter wille harer wederzijdsche tweeslachtige en argwanende
positie, allen zonder onderscheid, hetzij dan ook met verschillende
formaliteiten, als geconcessioneerde existenties door hunne Heeren
worden behandeld. En zelfs dat; dat zij beheerscht, geregeerd,
bezeten worden, moeten zij als eene concessie des hemels erkennen
en bekennen. Anderzijdsch, deze heerschers zelven, wier grootte in
omgekeerde verhouding tot hun aantal staat!
De critiek, welke zich met dezen inhoud bezig houdt, is de critiek die
reeds handgemeen is, en in handgemeenschap gaat het niet hierom, of de
tegenstander een edel, gelijkwaardig en interessant tegenstander is,
maar het gaat erom, hem te treffen. Het gaat dus hier om de duitschers
geen oogenblik van zelfbedrog en resignatie te gunnen. Men moet den
werkelijken druk nòg drukkender maken, doordat men er het bewustzijn
van den druk aan toevoegt; den smaad nòg smadelijker, doordat men ze
publiek maakt. Men moet èlken spheer van de duitsche samenleving als
de partie honteuse der duitsche samenleving schilderen; men moet de
versteende verhoudingen daardoor dwingen te dansen, door hen hunne
eigene melodie voor te zingen! Men moet het volk leeren te schrikken
van zich-zelf, om het moed in te blazen. Men vervult daarmede eene
onafwijsbare behoefte van het duitsche volk en de behoeften der
volkeren, zijn de laatste gronden hunner bevrediging zelf.
En zelfs voor de moderne volken kan dezen strijd tegen den geborneerden
inhoud van het Duitsche status-quo niet van belang ontbloot zijn,
want dit Duitsche status-quo is de openhartigste voleindiging van het
ancien régime en dit ancien régime, is het verborgen gebrek van den
modernen Staat. De strijd tegen den Duitschen politieken toestand van
het oogenblik is de strijd tegen het verleden der moderne volken,
en door de reminicensen van dit verleden, worden zij nog steeds
bedreigd. Het is leerrijk voor hen, dit ancien régime, dat bij
hen zijn tragedie beleefde, als duitsch revenant, zijn komedie
te zien spelen. Tragisch was zijne geschiedenis, zoolang het de
preëxisteerende macht van de wereld, de vrijheid daarentegen een
persoonlijken inval was; in één woord: zoolang het zelve aan zijn
rechtmatigheid geloofde en gelooven moest. Zoolang het ancien régime
als de voorhanden wereldorde, met eene, eerst in wording zijnde wereld
streed, had het een wereldhistorische dwaling aan zijne zijde, maar
geen persoonlijke. Zijn ondergang was daardoor tragisch.
Het tegenwoordige duitsche regime daarentegen--een anachronisme--een
flagrante tegenspraak tegen algemeen erkende axioma's; de voor
de wereld tentoongestelde nietswaardigheid van het ancien régime,
beeldt zich slechts in, aan zich-zelf te gelooven en verlangt van
de wereld, diezelfde inbeelding. Wanneer het aan zijn eigen bestaan
geloofde, zou het ditzelve dan verstoppen, achter den schijn van een
vreemd wezen en zijn redding zoeken in huichelarij en sophismen? Het
moderne ancien régime is slechts de komediant van eene wereldorde,
wier werkelijke helden gestorven zijn. De geschiedenis gaat grondig
te werk en maakt vele phazen door, wanneer zij eene oude gestalte
ten grave draagt. De laatste phaze eener wereldhistorische gestalte,
is hare komedie. De goden van Griekenland, die reeds eenmaal tragisch
ten doode gewond waren in den geketenden Prometheus van Aeschylos,
moesten nog eenmaal komisch den dood ondergaan, in de gesprekken van
Lucianus. Waarvoor deze gang der historie? Opdat de menschen vroolijk
van hun verleden zullen kunnen scheiden. Deze vroolijke historische
bestemming, vindiceeren wij voor Duitschland's politieke machten.
Zoodra intusschen de moderne politiek-sociale werkelijkheid zelf aan
de critiek onderworpen wordt; zoodra dus de critiek zich verheft
tot waarlijk menschelijke problemen, bevindt zij zich buiten het
raam van het duitsche status quo of zij zal haar objekt, beneden het
objektieve aangrijpen. Een voorbeeld! De verhouding van de industrie,
der wereld van den rijkdom in het algemeen tot die der politieke
wereld, is het hoofdproblema van den modernen tijd. Onder welken vorm
evenwel, begint dit problema den duitschers bezig te houden? Onder
den vorm van beschermende rechten, het systeem van de prohibiviteit,
der nationaal-economie. Het duitsch-nationalisme is, van uit de
menschen in de materie gevaren en zoo zagen op een goeden morgen onze
katoenridders en onze ijzerhelden, zich veranderd in patriotten. Men
vangt dus in Duitschland aan de souvereiniteit van het monopolie
naar binnen te erkennen, doordat men het de souvereiniteit van het
monopolie naar buiten verleent. Men begint dus thans in Duitschland
met iets, waarmeê men in Frankrijk en Engeland aanvangt een einde te
maken. De oude rotte toestand, waartegen deze landen voortdurend in
opstand zijn, en die welke zij nog verdragen, gelijk men een ketting
verdraagt, wordt in Duitschland als de opgaande dageraad van een
schoone toekomst begroet, die het nauwelijks waagt, uit de listige
theorie, tot de niets ontziende praktijk over te gaan. Terwijl het
problema in Frankrijk en Engeland aldus is: staathuishoudkunde of
heerschappij van de gemeenschap over den rijkdom, is het in Duitschland
zoo gesteld: nationaal-economie of heerschappij van het privaat-bezit,
over den nationaliteit. In Frankrijk en Engeland gaat het dus om een
monopolie, dat tot aan zijn laatste consekwenties gekomen is op te
heffen; in Duitschland gaat het erom, tot op de laatste consekwenties
van het monopolie voort te gaan. Daar gaat het om de oplossing en
hier eerst om de collisie. Een duidelijk voorbeeld van den duitschen
vorm der moderne vraagstukken; een voorbeeld hoe onze geschiedenis,
als een onhandig rekruut, tot nu toe slechts de taak heeft vervuld,
afgekauwde geschiedenissen te mogen na-exerceeren.
Stak aldus, de totale duitsche ontwikkeling niet boven die der
politieke ontwikkeling uit, een Duitscher zou hoogstens kunnen
deelnemen aan de vraagstukken van onzen tijd, zooals een Rus daar aan
deelnemen kan. Alleen, wanneer het individu op zich-zelf niet gebonden
is door de grenzen van de natie, wordt de gansche natie nog minder
bevrijd, door de bevrijding van een individu. De Scythen hebben der
Grieksche beschaving geen stap vooruit doen gaan, omdat Griekenland,
onder zijn philosophen, een Scyt geteld heeft.
Gelukkig zijn wij duitschers geen Scythen.
Gelijk de oude volken hunne vóórgeschiedenis doorleefd hebben in de
imaginatie, zoo hebben wij duitschers, onze nageschiedenis doorleefd in
de gedachte, in de philosophie. Wij zijn philosophische tijdgenooten
van het tegenwoordige, zonder zijne historische tijdgenooten te
zijn. De duitsche philosophie, is de ideale verlenging van de duitsche
geschiedenis. Wanneer wij dus in plaats van de oeuvres incomplètes
van onze werkelijke geschiedenis, de oeuvres posthumes van ideële
geschiedenis, de philosophie critiseeren, dan staat onze critiek in
het midden van de kwestie, waarvan de tegenwoordige tijd zegt: that is
the question. Wat bij de voortgeschreden landen, praktisch in verval
is met de moderne staatstoestanden, dat is in Duitschland, waar deze
toestanden nog niet eens bestaan, in de eerste plaats critisch verval,
van de philosophische weerkaatsing dezer toestanden.
De duitsche Rechts- en Staatsphilosophie, is de eenige met den
officieelen, modernen tijd à pari staande duitsche geschiedenis. Het
duitsche volk moet daarvandaan deze zijne droomgeschiedenis, door
de ten zijnent bestaande toestanden, verdrijven en niet slechts
deze bestaande toestanden, maar ook tegelijk, hunne abstrakte
voortzetting, aan de critiek onderwerpen. Zijne toekomst kan zich
noch tot de onmiddellijke ontkenning zijner reële toestanden,
noch tot de onmiddellijke voltrekking van zijne ideële staats-
en rechtstoestanden beperken. Want de onmiddellijke ontkenning van
zijne reële toestanden, bezit het in zijne ideële toestanden, en de
onmiddellijke voltrekking van zijne ideële toestanden, heeft het in de
beschouwing der naburige volken, bijna reeds weder overleefd. Terecht
eischt dan ook de praktische politieke partij in Duitschland, de
negatie der philosophie. Haar ongelijk bestaat evenwel niet in den
eisch, maar in het staan-blijven bij dien eisch, dien zij, ernstig
genomen, noch doorzet, noch doorzetten kan. Zij gelooft deze negatie
daardoor te volvoeren, dat zij der philosophie den rug toekeert en
met een afgewend hoofd, eenige ergerlijke en banale phrazes over haar
prevelt. De bekrompenheid van hare gezichtskring, telt de philosophie
niet insgelijks in den cirkel der duitsche werkelijkheid of waant haar,
zelfs beneden de duitsche praktijk en de haar dienende theorieën te
staan. Gij verlangt, dat men bij de werkelijke levenskiemen aanknoopen
zal, maar gij vergeet, dat de werkelijke levenskiem van het duitsche
volk, tot dusver nog slechts onder zijn hersenpan gewoekerd heeft. In
één woord: gij kunt de philosophie niet opheffen, zonder haar tot
werkelijkheid te maken!
Hetzelfde onrecht beging, alleen met omgekeerde faktoren, de
theoretische, van de uit de philosophie dagteekenende politieke partij.
Zij zag in den tegenwoordigen strijd, slechts den critieschen strijd
van de philosophie met de duitsche wereld, zij bedacht echter niet,
dat de philosophie tot op heden, zelve tot deze wereld behoort,
al is zij ook hare ideële vervolkomening. Critisch tegenover hare
wederpartijders, verhield zij zich oncritisch tegenover zichzelf,
terwijl zij van de voorwaarden der philosophie uitging, en bij
hare gegeven resultaten, noch is blijven staan, noch van elders
hierheen gehaalde eischen en resultaten, voor onmiddellijke eischen
en resultaten van de philosophie uitgaf. Alhoewel dezelven, hunne
gerechtigheid vooropgesteld, integendeel slechts door de negatie
der tot nu bestaan hebbende philosophie,--de philosophie als
philosophie,--in stand zijn te houden. Een nadere en diepergaande
schildering van deze partij te leveren, behouden wij ons nog voor. Hare
grondgebreken zijn daarheen te reduceeren: zij geloofde de philosophie
te kunnen verwerkelijken, zonder haar op te heffen.
De critiek der duitsche staats- en rechtsphilosophie, welke
door Hegel hare consekwentste, rijkste en laatste samenvatting
verkregen heeft, is beiden. Zij is zoowel de theoretische analyse
van den modernen Staat en de met hem samenhangende werkelijkheid,
als ook de besliste ontkenning van de gansche, tot-nog-toe bestaan
hebbende vorm van het duitsche politieke- en rechtsbewustzijn, welks
voornaamste, universeelste en tot wetenschap verheven uitdrukking,
juist de speculatieve Rechtsphilosophie zelve is. Was in Duitschland
de speculatieve Rechtsphilosophie slechts mogelijk,--dit abstrakte
overspannen denken van den modernen staat, welker werkelijkheid,
een aan genezijde liggende blijft, al ligt dit generzijdsch dan ook
over den Rhijn,--zoo was evenzoozeer omgekeerd, het duitsche, van den
werkelijken mensch abstraheeren, het abstraheerende gedachtenbeeld van
den modernen staat slechts mogelijk, omdat tot zoover, den modernen
staat zelf van den werkelijken mensch abstraheert, of den ganschen
mensch op eene slechts imaginaire wijze bevrediging schenkt. De
duitschers hebben in de politiek gedacht, wat de andere volken gedaan
hebben. Duitschland was hun politiek geweten. De abstractie en de
over-verhevenheid van zijn denken, hielden steeds gelijken tred met de
eenzijdigheid en de onverzettelijkheid harer werkelijkheid. Wanneer
dus het status quo van het duitsche staatswezen, de voltooidheid
van het ancien régime uitdrukt, het einde van den paal die in het
vleesch van den modernen Staat zit, dan drukt het status quo van het
duitsche staatswezen, de onvoltooidheid van den modernen Staat uit,
de beschadigdheid van zijn vleesch zelf.
Reeds als besliste tegenstander van de tot nu toe bestaande
uitdrukkingswijze van het politiek bewustzijn, verliest de critiek
van de speculatieve Rechtsphilosophie zich niet, in zich-zelf, maar
in een opgave, voor welker oplossing er slechts één middel bestaat:
de praktijk.
De kwestie is: kan Duitschland tot een praktijk à la hauteur du
principe zich opwerken; dat wil zeggen, tot eene revolutie, die het
niet alleen verheft tot op het officieele niveau van de moderne volken,
maar tot op de hoogte der humaniteit, die de aanstaande toekomst van
deze volken zijn zal.
Het wapen der critiek kan in geen geval de critiek der wapenen
vervangen; het materieele geweld moet worden terneder gestort, door
het materieele geweld, zoodra dit de massa's aangrijpt. De theorie
is geschikt om de massa's aan te grijpen, zoodra zij ad hominem
demonstreert en zij demonstreert ad hominem, zoodat zij radikaal
wordt. Radikaal zijn, is de zaak bij den wortel aanvatten. De wortel
voor de menschen evenwel, is de mensch zelf. Het evidente bewijs voor
het radikalisme der duitsche theorie, dus voor hare praktische energie
is, dat zij uitgaat van de beslist positieve opheffing der religie. De
critiek der religie, eindigt met hare leer, dat de mensch voor den
mensch het hoogste wezen is; alzoo met de kategorische imperatief:
alle verhoudingen omver te werpen, waarin den mensch een vernederd,
een geknecht, een verlaten, een verachtelijk wezen is; verhoudingen
welke men niet beter kan schilderen, dan met de uitroep van den
franschman, na den beraamde hondenbelasting "Arme honden! Men gaat
u als menschen behandelen!"
Zelfs historisch heeft de theoretische emancipatie een specifiek
praktische beteekenis voor Duitschland. Duitschland's revolutionair
verleden, is namelijk een theoretisch: het was de Reformatie. Gelijk
toenmaals in dat van den monnik, zoo is het thans in het hoofd van
den wijsgeer, waarin de Revolutie een aanvang neemt.
Luther heeft dààrom de knechtschap uit devotie overwonnen, omdat hij de
knechtschap, uit overtuiging in hare plaats heeft kunnen zetten. Hij
heeft het autoriteitsgeloof gebroken, omdat hij de autoriteit des
geloofs, heeft kunnen herstellen. Hij heeft de priesters veranderd in
leeken, omdat hij de leeken in priesters veranderd heeft. Hij heeft
de menschen van de uitwendige religieuziteit bevrijd, omdat hij die
religieuziteit naar den inwendigen mensch teruggebracht heeft. Hij
heeft het lichaam van den keten geëmancipeerd, dewijl hij het hart
in ketenen gelegd heeft.
Maar, al was het protestantisme niet de ware verlossing, het was de
stelling om tot die opgave te komen. Het gold daarna niet meer den
strijd van de leeken met de priesters, het gold den strijd met zijne
eigene inwendige priesters, zijne priesterlijke natuur. En wanneer
de protestantsche omzetting van de duitsche leeken in priesters,
de leekenpriesters, de vorsten met hunne clerus incluis, den
geprivileerden en de philisters emancipeerde, de philosophische
omzetting van de priesterlijke duitschers in menschen, zal het
volk emancipeeren. Zoo min echter deze emancipatie bij de vorsten,
zoo min zal de secularisatie der goederen bij den kerkroof staan
blijven, die voor allen, door het huichelachtig Pruissen in het
werk werd gezet. Toenmaals mislukte de Boerenoorlog, het radikaalste
feit van de duitsche geschiedenis, door de theologie. Heden, nu de
theologie zelve het meest verschipbreukt is, zal het meest onvrije
feit der duitsche geschiedenis, ons status quo zich aan de philosophie
stukstooten. Den dag voor de Reformatie was het officieele Duitschland
de onvoorwaardelijke knecht van Rome. Den dag voor zijne Revolutie,
is het de onvoorwaardelijke knecht van minder dan Rome, van Pruissen
en Oostenrijk; van verloopen jonkers en philisters.
Aan eene radikale duitsche Revolutie schijnt intusschen een
hoofdbezwaar in den weg te staan.
Revoluties behoeven namelijk een passief element, eene materieelen
grondslag. De theorie wordt in een volk altijd maar in zooverre
verwezenlijkt, als zij de verwezenlijking harer behoeften is. Zal
nu de ongekende tweespalt tusschen de eischen van de duitsche
gedachten en de eischen der duitsche werkelijkheid dan aan den
denzelfden tweespalt van de burgerlijke maatschappij met den Staat
en met zichzelve, beantwoorden? Zullen de theoretische behoeften,
onmiddellijk praktische behoeften worden? Het is niet voldoende,
dat de gedachte doordringt tot de werkelijkheid, de werkelijkheid
moet zich-zelf tot gedachten kunnen brengen.
Duitschland heeft de middentreden der politieke emancipatie, niet
tegelijkertijd beklommen met de moderne volken. Zelfs die phazen,
welke het theoretisch overwonnen heeft, heeft het praktisch nog
niet bereikt. Hoe kan het dan met een salto mortale niet alleen zich
heenzetten over zijn eigene beperkingen, maar tegelijk ook over de
grenzen der moderne volken, over grenzen, die het in werkelijkheid als
de bevrijding van zijne werkelijke beperkingen, gevoelen en nastreven
moet? Een radikale Revolutie, kan alleen geen revolutie van radikale
behoeften zijn, als daar de voorwaarden en geboorteteekenen niet voor
schijnen aanwezig te zijn.
Alleen, wanneer Duitschland slechts met de abstrakte werkzaamheid
van het denken de ontwikkeling der moderne volken begeleid heeft,
zonder werkdadig deel te nemen aan den werkelijken strijd dezer
ontwikkeling, dan heeft het anderzijds het lijden dezer ontwikkeling
gedeeld, zonder het genot, zonder de partieele bevrediging daarvan
te deelen. De abstrakte werkzaamheid eenerzijds, beantwoordt aan
het abstrakte lijden anderzijds. Duitschland zal zich daarvandaan
op een zekeren dag op het peil van europeesch verval bevinden, nog
alvorens het zich op het peil van de europeesche emancipatie heeft
bevonden. Men zou het bij een fetischdienaar kunnen vergelijken,
die aan de ziekten des christendoms wegsterft.
Beschouwt men dan de duitsche regeeringen, dan ziet men ze door de
tijdsomstandigheden, door Duitschland's positie, door het standpunt
der duitsche beschaving, ten slotte door eigen gelukkig instinkt
gedreven, de geciviliseerde gebreken der moderne staatswereld, welker
voordeelen wij niet bezitten, combineeren, met de barbaarsche gebreken
van het ancien régime, die wij in volle maat mogen bezitten. Zoodat
Duitschland, al is het dan ook niet aan verstand, dan tenminste aan
ònverstand, ook de boven zijn status quo uitreikende staatsvormingen,
steeds meer participeeren moet. Is er bijv. een land in de wereld,
dat zoo naïef alle illusies van het constitutioneele staatswezen
deelt, zonder zijne realiteiten te deelen, dan het zoogenaamde
constitutioneele Duitschland? Of was het niet bepaald een duitsche
regeeringsinval, om de euvelen der censuur, met de euvelen der
fransche Septemberwetten, welke de persvrijheid tot voorwaarde hebben,
te verbinden? Gelijk men in het romeinsche Pantheon de goden aller
naties bijeenvond, zoo zal men in het heilige romeinsche-duitsche-Rijk,
de zonden aller staatsvormen bijeenvinden. Dat dit eklekticisme een
tot dusver nog niet gedachte hoogte bereiken zal, daarvoor staat
ons namelijk de politiek-aesthetische gourmandise eens duitschen
konings, die alle rollen van het koningschap, de feodale zoowel als
de bureaucratische, de absolute zoowel als de constitutioneele, de
autokratische zoowel als de demokratische, zij het niet door middel van
de persoon des volks, dan toch in eigen persoon, zij het niet voor het
volk, dan voor zichzelve, denkt te spelen. Duitschland, als het tot een
eigen wereld geconstitueerde gebrek der politieke oogenblikkelijkheid,
zal de specifiek duitsche kluisters niet verbreken kunnen, zonder de
algemeene kluisters van het politieke oogenblik af te werpen.
Niet de radikale revolutie is een utopischen droom voor Duitschland,
niet de algemeen menschelijke emancipatie is dit, maar veeleer de
gedeeltelijke, de slechts-politieke Revolutie; die Revolutie welke de
pijlers waarop het huis gebouwd is, laat staan. Waarop toch, berust
eene gedeeltelijke, een slechts-politieke Revolutie? Hieróp, dat een
deel der burgerlijke samenleving zich emancipeert en tot algemeene
heerschappij komt; hierop, dat eene bepaalde klasse van hare bijzondere
situatie uit, de algemeene emancipatie der samenleving onderneemt. Deze
klasse bevrijdt de gansche samenleving, maar slechts op die voorwaarde,
dat de gansche samenleving zich in de situatie dezer klasse bevindt,
alzoo bijvoorbeeld, geld en beschaving, bezitten of naar believen,
verwerven kan.
Geen klasse van de burgerlijke maatschappij kan deze rol spelen,
zonder een moment van het enthousiasme in zich en in de massa te
voorschijn te roepen; een moment waarin zij met de samenleving in
het algemeen zich verbroedert en met haar ineenvloeit; zich met haar
verwisselt en als haar algemeene representant gevoeld en erkend wordt;
een moment waarin hare aanspraken en rechten, in waarheid de rechten
en de aanspraken der samenleving zelve zijn, waarin zij werkelijk
het sociale hoofd en het sociale hart is. Slechts in naam van het
algemeene recht van de samenleving, kan eene bijzondere klasse de
algemeene heerschappij voor zich vindiceeren. Tot bestorming van
deze emancipatorische positie en daarmede tot politieke uitbuiting
van alle spheren der samenleving in het belang der eigene spheer,
zijn revolutionaire energie en geestelijk zelfbewustzijn, alléén niet
toereikend. Opdat de Revolutie van een volk en de emancipatie van
eene bijzondere klasse der burgerlijke samenleving tezamen vallen,
opdat eene stand, als de stand der gansche samenleving gelden kan,
daartoe moeten omgekeerd, alle gebreken der samenleving in eene
andere klasse geconcentreerd zijn; daartoe moet eene bepaalde stand,
de stand van de algemeene aanstoot, de incorporatie van de algemeene
beperkingen zijn, daartoe moet eene bijzondere, sociale spheer, als
de notoire misdaad van de gansche sociëteit gelden kunnen, zoodat
de bevrijding van deze spheer, als de algemeene zelfbevrijding zich
voordoet. Opdat de stand par excellence, die stand der bevrijding
zal zijn, daartoe moet omgekeerd, eene andere stand, de aangewezen
stand der onderdrukking zijn. De negatief-algemeene beteekenis van
den franschen adel en den franschen clerus, had de positief-algemeene
beteekenis der direkt aangrenzende en hen tegenovergestelde klasse
van de bourgeoisie, tot hare voorwaarde.
Het ontbreekt evenwel elke bijzondere klasse in Duitschland,
niet alleen aan de consekwentie, aan de scherpte, den moed en de
roekeloosheid die er noodig zijn, om als negatieve representanten van
de samenleving te kunnen worden bestempeld. Het ontbreekt evenzoo
aan elken stand, die breedte van ziel die zich met de volksziel,
hetzij dan momenteel identificeeren kan; die genialiteit, welke de
materieele macht, tot politieke macht begeestert; die revolutionaire
koenheid, welke den tegenstanders het trotsche parool toeslingert:
Ik ben niets en ik moet álles zijn!
De hoofdinhoud van de duitsche moraal en eerlijkheid, niet alleen
die der individuen, maar ook der klassen, is veeleer die bescheiden
zelfzucht, die zijne bekrompenheid doet gelden en tegen zich zelve
geldend laat maken. De verhouding tusschen de verschillende spheren
van de duitsche samenleving, is daarvandaan niet dramatisch, maar
episch. Elke op zich begint zich te gevoelen en dit naast de andere
met hunne bijzondere aanspraken, niet zoodra zij verdrukt worden,
maar zoodra zonder hun toedoen, de tijdsomstandigheden een gezellige
onderlaag scheppen, waarop zij wederzijdsch eenigen druk uitoefenen
kunnen. Zelfs het moreele zelfgevoel van de duitsche middelklasse,
berust slechts op het bewustzijn, de algemeene vertegenwoordigster
der klein-burgerlijke middelmatigheid van alle overige klassen te
zijn. Het zijn daarvandaan niet alleen slechts de duitsche koningen,
welke mal-à-propos op den troon komen, het is elke spheer van de
burgerlijke samenleving, die haren nederlaag lijdt, nog vóór zij
haren zege heeft kunnen vieren; hare eigene beperkingen ontwikkelt,
alvorens zij de haar tegenoverstaande beperkingen overwonnen; haar
kleinzielig wezen doet gelden, alvorens zij van eenig grootmoedig
wezen heeft kunnen doen blijken. Zoodat zelfs de gelegenheid tot
eene groote rol voor immer voorbij is, nog voordat zij voorhanden
was; zoodat elke klasse, zoodra zij de strijd met de boven haar
staande klasse begint, reeds in de strijd met de onder haar staande
gewikkeld is. Daarvandaan bevindt het vorstendom zich in strijd
met het koningschap; de bureaukratie in een strijd tegen den adel;
de bourgeoisie in strijd tegen hen allen, terwijl het proletariaat
reeds begint, zich in de strijd met de bourgeoisie te wikkelen. De
middelklasse waagt het nauwelijks, van haar standpunt uit de gedachte
harer emancipatie te formuleeren of reeds verklaart de ontwikkeling der
sociale toestanden, zooals de vooruitgang der politieke theorie, dit
standpunt-zelf voor antikwarisch, of minstens voor zeer problematisch.
In Frankrijk is het voldoende dat iemand iets is, om alles te kunnen
zijn. In Duitschland durft niemand iets zijn, om niet van alles
afstand te moeten doen. In Frankrijk is de gedeeltelijke emancipatie,
den grond voor de universeele. In Duitschland is de universeele
emancipatie conditio sine qua non van elke partieele. In Frankrijk
moet de werkelijkheid, in Duitschland, moet de onmogelijkheid de
trapsgewijze bevrijding van de gansche vrijheid baren. In Frankrijk
is elke bijzondere volksklasse, politiek idealist en gevoelt zich
direkt, niet als een bijzondere klasse, maar als een representant van
de sociale nooden in 't algemeen. De rol van emancipator gaat alzoo
hier den rij langs in dramatische bewegingen, over op de verschillende
klassen van het fransche volk, totdat zij eindelijk aanlandt bij
eene klasse, welke de sociale vrijheid niet meer onder voorwaarde
van zekere, buiten de menschen liggende en toch voor de menschelijke
samenleving geschapene voorwaarden verwezenlijkt, maar veelmeer
alle voorwaarden van het menschelijk bestaan, met vooropstelling
der sociale vrijheid organiseert. In Duitschland daarentegen, waar
het praktische leven evenzoo geestloos, als het geestelijke leven
er onpraktisch is, heeft geen klasse der burgerlijke samenleving de
behoefte en de geschiktheid der algemeene emancipatie, zoo zij niet
door hare onmiddellijke positie, door de materieele noodzakelijkheid,
door hare ketens zelven, daartoe wordt gedwongen.
Waarin bestaat alzoo de positieve mogelijkheid der duitsche
emancipatie?
Antwoord: In de vorming eener klasse met radikale ketenen, eene
klasse der burgerlijke samenleving, welke geen klasse der burgerlijke
samenleving is; een stand, die de oplossing van alle standen beteekent,
een spheer, die een universeel karakter door haar universeel lijden
begint en geen bijzonder recht in beslag neemt, omdat geen bijzonder
onrecht, maar onrecht als zoodanig, aan haar gepleegd wordt. Die
niet meer op een historische, maar alleen nog op de menschelijke
titel provoceeren kan; die in geenerlei eenzijdige tegenstelling
tot de consekwenties, maar in eene alzijdige tegenstelling tot de
voorwaarden van het duitsche staatswezen staat; een spheer ten slotte,
die zich niet emancipeeren kàn, zonder zich van alle overige spheren
der samenleving te emancipeeren; die, in één woord het volle verlies
van de menschheid is, dus slechts door de volkomen hèrwinning van de
menschheid zich-zelf kan terugwinnen. Deze oplossing van de samenleving
als een bijzondere stand, is het proletariaat.
Het proletariaat vangt eerst door de baanbrekende industrieele
beweging aan, in Duitschland iets te worden. Want niet door de
uit-de-natuur ontstane, maar de kunstmatig geproduceerde armoede,
niet de mechanische, door de zwaarte der samenleving neêrgedrukte,
maar de, uit hare acute oplossing, bij voorkeur uit de oplossing
der middenstanden te voorschijn komende menschenmassa, vormt dat
proletariaat; hoewel gaandeweg, zooals van zelf spreekt, ook de uit
natuurlijke oorzaken ontstane armoede en de christelijk-germaansche
lijfeigenschap, in zijne rangen komen.
Wanneer het proletariaat de oplossing van de bestaande wereld-orde
verkondigt, dan spreekt dit slechts het geheim uit van zijn
eigen bestaan, want het is de faktische oplossing van deze
wereldorde. Wanneer het proletariaat de vernietiging verlangt van
den privaat-eigendom, dan verheft het slechts tot principe der
maatschappij, wat de maatschappij tot haar principe verheven heeft;
wat in hem, als negatief resultaat der maatschappij, reeds buiten
zijn toedoen belichaamd is. De proletariër bevindt zich dan ook, met
betrekking tot de wordende wereld op denzelfden rechtsgrond, waarop de
duitsche koning met betrekking tot de gewordene wereld zich bevindt,
wanneer hij het volk, zijn volk, zooals hij het paard, zijn paard
noemt. De koning--terwijl hij het volk voor zijn privaat-eigendom
verklaart--spreekt het slechts uit, dat de privaat-bezitter, de
koning is.
Gelijk de philosophie in het proletariaat hare materieele, zoo bezit
het proletariaat in de philosophie, zijn geestelijke wapenen en zoodra
de bliksemschicht der gedachten, grondig in deze naïeve volksbodem zal
zijn ingeslagen, zal de emancipatie van den duitschers tot menschen,
worden voltrokken.
Resumeeren wij ten slotte: de eenig praktisch-mogelijke bevrijding
van Duitschland, is de bevrijding op het standpunt van de theorie,
welke de menschen voor het hoogste wezen der menschheid verklaart. In
Duitschland is de emancipatie van de middeneeuwen slechts mogelijk,
als eene emancipatie die tegelijkertijd die van de gedeeltelijke
overwinningen der middeneeuwen is. In Duitschland kan geenerlei soort
van knechtschap gebroken worden, zonder dat élken vorm van knechtschap
gebroken wordt. Het grondige Duitschland kan zich niet revolutioneeren,
zonder van grond-uit te revolutioneeren. De emancipatie van de
duitschers, is de emancipatie van de menschheid. Het hoofd dezer
emancipatie is de philosophie, het hart is het proletariaat. De
philosophie kan niet worden verwezenlijkt, zonder de opheffing van
het proletariaat; het proletariaat kan zich niet opheffen, zonder de
verwezenlijking van de philosophie te worden.
Wanneer alle inwendige voorwaarden daartoe vervuld zijn, zal de
duitsche opstandingsdag worden aangekondigd door het kraaien van den
Gallischen haan.
Eveneens uit het jaar 1843, en geschreven te Brunswijk zijn de
opstellen van Karel Marx over: