EENE INLEIDING. (1843)

Voor Duitschland is de critiek der religie in wezenlijkheid reeds

beëindigd en de critiek der religie is de voorwaarde tot elke critiek.

De profane existentie van de dwaling is gecompromiteerd, nadat

hare hemelsche oratio pro aris et focis weêrlegd is. De mensch,

die in de phantastische werkelijkheid van den hemel, alwaar hij

naar een, "übermensch" zoekend, slechts de weêrschijn van zich-zelf

gevonden heeft, zal niet meer geneigd zijn, slechts de weêrschijn

van zich-zelve, slechts den onmensch te vinden, waar hij zijne ware

werkelijkheid zocht, en vinden moet.

Het fundament van de irreligieuze critiek is: de mensch maakt de

religie, de religie niet den mensch. En wel-is-waar is de religie

het zelfbewustzijn en het zelfgevoel der mensch, die zich-zelf

nog niet tot bewustzijn heeft kunnen brengen of, zich-zelf weder

verloren heeft. Maar de mensch is geen abstrakt, buiten de wereld

staand wezen. De mensch, dat is de wereld der menschen, de Staat,

de sociëteit. Dezen Staat, deze sociëteit, brengt de religie voort,

een omgekeerd zelfbewustzijn, omdat zij eene omgekeerde wereld is. De

religie is de algemeene theorie dezer wereld, haar encyclopedisch

compendium, hare logica in populairen vorm, haar spiritualistisch

point d'honneur, haar enthousiasme, haar moreele sanktie, hare slechte

vervolkomening, hare algemeene troost- en rechtvaardigingsgrond. Zij is

de phantastische verwerkelijking van het menschelijk wezen, omdat het

menschelijk wezen, geen ware werkelijkheid bezit. De strijd tegen de

religie, is dus middellijk den strijd dier wereld, welker geestelijk

dogma de religie is.

De religieuze ellende is, in één woord, de uitdrukking der werkelijke

ellende en zij is het protest tegen die werkelijke ellende. De religie

is de zucht van het bedrukte schepsel, het gemoed van een hartelooze

wereld, zooals zij den geest van eene geestlooze toestand is. Zij is

het opium des volks.

De opheffing der religie als het illusoire geluk des volks, is

de eisch voor zijn werkelijk geluk. De eisch, de illusies omtrent

zijn toestand op te geven, is de eisch om een toestand op te geven,

welke aan illusies behoefte heeft. De critiek op de religie is dus,

in den kiem, de critiek op het jammerdal, welks heiligheidsschijn de

godsdienst is.

Die critiek heeft de imaginaire bloemen aan den stengel afgeplukt,

niet opdat de mensch deze phantazielooze, troostelooze stengel drage,

maar opdat hij daardoor dien stengel wegwerpen en de levende bloemen

er af zoude breken. Die critiek der religie ontgoochelt den mensch,

opdat hij denke, handele en zijne werkelijkheid duidelijk zal zien,

zooals een ontgoocheld en tot bezinning gekomen mensch; opdat hij

zich om zich-zelf en daarmee, om zijn werkelijke zon zich bewege. De

godsdienst is slechts de illusoire zon, die zich om den mensch beweegt,

zoolang hij zich niet om zich-zelf beweegt.

Het is daarom de taak der geschiedenis, nadat het generzijdsch der

waarheid verdwenen is, de waarheid van het dezerzijdsch te doen

verspreiden. En het is in de eerste plaats de taak der philosophie,

die in dienst der geschiedenis staat, nadat de heiligengestalte van

de menschelijke zelfontvreemding ontmaskerd is, de zelfontvreemding,

in hare onheilige gestalte te ontmaskeren. De critiek op den hemel,

moet zich daarmede omzetten, in eene critiek op de aarde; de critiek

der religie in de critiek van het recht; de critiek der theologie in

die van de politiek.

De hiervolgende uiteenzetting--een bijdrage tot dezen arbeid--sluit

in de eerste plaats niet bij het origineel, maar bij een copie aan,

bij de duitsche Staats- en Rechtsphilosophie, om geen andere oorzaak

als deze, dat zij zich aan Duitschland aansluit.

Wilde men ook aan het duitsche status quo zelf aanknoopen, hetzij

dan op den eenig daartoe passende wijze, dit wil zeggen, negatief,

het resultaat zal steeds een anachronisme blijven. Zelfs de negatie

van onzen tegenwoordigen politieken toestand bevindt zich reeds als

een beschimmeld feit, in de rommelkamer der moderne volken. Wanneer

ik de gepoederde pruiken negeer, houd ik altijd nog de opgepoederde

pruiken over. Wanneer ik de duitsche toestanden van 1843 negeer, sta

ik, naar fransche tijdrekening, nog altijd nauwelijks in 't jaar 1789,

veel minder in het brandpunt van den tegenwoordigen tijd.

Ja, de duitsche geschiedenis vleit zich, eene beweging te bezitten, die

haar geen volk aan den historischen hemel nog voorgedaan heeft, noch

na zal doen. Wij hebben namelijk in de Restauratie der moderne volken

gedeeld, zonder van hare Revoluties iets te hebben ontvangen. Wij zijn

gerestaureerd geworden, eerstens, omdat andere volken een Revolutie

waagden, en tweedens, omdat andere volken een contra-Revolutie leden;

de de eene keer, omdat onze Heeren vrees hadden, de andere keer, omdat

onze Heeren geene vrees hadden. Wij, met onze herders aan den spits,

bevonden ons altijd maar éénmaal in het gezelschap van de vrijheid,

op den dag harer begrafenis namelijk.

Eene school, welke de lafhartigheid van heden, legitimeert door

de lafhartigheid van gisteren; een school, die elken schreeuw van

de lijfeigenen tegen den knoet, voor rebellisch verklaart, zoodra

die knoet een bejaarde, een afgestamde, een historische knoet is;

een school die de geschiedenis, gelijk Israël's God zijnen dienaar

Mozes, slechts haar a posteriori wijst, de historische Rechtsschool,

zij zoude zeker de duitsche geschiedenis uitgevonden hebben, ware zij

niet zelve eene uitvinding van de duitsche geschiedenis. Als Shijlock,

maar als Shijlock de bediende, zweert zij bij elk pond vleesch,

hetwelk uit het hart des volks gesneden wordt, op haar schuldbrief,

op hare christelijk-germaansche schuldbrief.

Goedmoedige enthousiasten daarentegen, duitsche vaderlanders

naar den bloede en vrijzinnigen van reflektie, zoeken onze

geschiedenis der vrijheid, aan gene zijde van de geschiedenis in

de teutonische oer-wouden. Waardoor onderscheidt zich evenwel onze

vrijheidsgeschiedenis van de vrijheidsgeschiedenis van Ebers, wanneer

zij slechts in de wouden te vinden is? Bovendien is het bekend;

zooals men in het woud inschreeuwt, zoo schalt het uit het woud,

tot ons weder terug.

Dus vrede zij er in de teutonische oer-wouden!

De oorlog aan de duitsche toestanden! Zeer zeker! Zij staan onder

het niveau van de geschiedenis, zij staan beneden alle critiek,

maar zij blijven een voorwerp van de critiek, zooals de misdadiger,

die beneden het niveau van de humaniteit, een voorwerp van den

scherprechter blijft. Met hen in den strijd, is de critiek geen

hartstocht van het hoofd, zij is het hoofd van de hartstocht. Zij is

geen anatomisch mes, zij is een wapen. Haar objekt is haar vijand,

die zij niet nederleggen, maar die zij dooden wil. Want de geest

dezer toestanden is wederlegd. Op en voor zichzelf, zijn zij geene

gedenkwaardige objekten, maar evenzoo verachtelijke, als verachte

existenties. De critiek-aan-zich, behoeft niet de zelfovereenkomst

met dit onderwerp, want zij is met hem in 't reine. Zij geeft zich

niet meer als doel, maar zij is hem slechts als middel. Haar wezenlijk

pathos, is de onwaardigheid, haren wezenlijken arbeid, de aanklacht.

Het geldt de schildering eener wisselwerkenden, dompigen druk,

van alle sociale spheren op elkander; eener algemeene, daadlooze

bepaling; eener zich evenzoozeer erkennende, als zich regeerende

bekrompenheid binnen het raam van een regeeringssysteem, hetwelk

van de conservatie van alle erbarmelijkheden levend, zelve niets is,

dan de erbarmelijkheid aan de regeering.

Welk een schouwspel! De tot in het oneindige voortgaande verdeeling

der samenleving in menigvuldige klassen, welke met kleine antipathieën,

slechte gewetens en brutale middelmatigheid tegenover elkander staan,

welke juist ter wille harer wederzijdsche tweeslachtige en argwanende

positie, allen zonder onderscheid, hetzij dan ook met verschillende

formaliteiten, als geconcessioneerde existenties door hunne Heeren

worden behandeld. En zelfs dat; dat zij beheerscht, geregeerd,

bezeten worden, moeten zij als eene concessie des hemels erkennen

en bekennen. Anderzijdsch, deze heerschers zelven, wier grootte in

omgekeerde verhouding tot hun aantal staat!

De critiek, welke zich met dezen inhoud bezig houdt, is de critiek die

reeds handgemeen is, en in handgemeenschap gaat het niet hierom, of de

tegenstander een edel, gelijkwaardig en interessant tegenstander is,

maar het gaat erom, hem te treffen. Het gaat dus hier om de duitschers

geen oogenblik van zelfbedrog en resignatie te gunnen. Men moet den

werkelijken druk nòg drukkender maken, doordat men er het bewustzijn

van den druk aan toevoegt; den smaad nòg smadelijker, doordat men ze

publiek maakt. Men moet èlken spheer van de duitsche samenleving als

de partie honteuse der duitsche samenleving schilderen; men moet de

versteende verhoudingen daardoor dwingen te dansen, door hen hunne

eigene melodie voor te zingen! Men moet het volk leeren te schrikken

van zich-zelf, om het moed in te blazen. Men vervult daarmede eene

onafwijsbare behoefte van het duitsche volk en de behoeften der

volkeren, zijn de laatste gronden hunner bevrediging zelf.

En zelfs voor de moderne volken kan dezen strijd tegen den geborneerden

inhoud van het Duitsche status-quo niet van belang ontbloot zijn,

want dit Duitsche status-quo is de openhartigste voleindiging van het

ancien régime en dit ancien régime, is het verborgen gebrek van den

modernen Staat. De strijd tegen den Duitschen politieken toestand van

het oogenblik is de strijd tegen het verleden der moderne volken,

en door de reminicensen van dit verleden, worden zij nog steeds

bedreigd. Het is leerrijk voor hen, dit ancien régime, dat bij

hen zijn tragedie beleefde, als duitsch revenant, zijn komedie

te zien spelen. Tragisch was zijne geschiedenis, zoolang het de

preëxisteerende macht van de wereld, de vrijheid daarentegen een

persoonlijken inval was; in één woord: zoolang het zelve aan zijn

rechtmatigheid geloofde en gelooven moest. Zoolang het ancien régime

als de voorhanden wereldorde, met eene, eerst in wording zijnde wereld

streed, had het een wereldhistorische dwaling aan zijne zijde, maar

geen persoonlijke. Zijn ondergang was daardoor tragisch.

Het tegenwoordige duitsche regime daarentegen--een anachronisme--een

flagrante tegenspraak tegen algemeen erkende axioma's; de voor

de wereld tentoongestelde nietswaardigheid van het ancien régime,

beeldt zich slechts in, aan zich-zelf te gelooven en verlangt van

de wereld, diezelfde inbeelding. Wanneer het aan zijn eigen bestaan

geloofde, zou het ditzelve dan verstoppen, achter den schijn van een

vreemd wezen en zijn redding zoeken in huichelarij en sophismen? Het

moderne ancien régime is slechts de komediant van eene wereldorde,

wier werkelijke helden gestorven zijn. De geschiedenis gaat grondig

te werk en maakt vele phazen door, wanneer zij eene oude gestalte

ten grave draagt. De laatste phaze eener wereldhistorische gestalte,

is hare komedie. De goden van Griekenland, die reeds eenmaal tragisch

ten doode gewond waren in den geketenden Prometheus van Aeschylos,

moesten nog eenmaal komisch den dood ondergaan, in de gesprekken van

Lucianus. Waarvoor deze gang der historie? Opdat de menschen vroolijk

van hun verleden zullen kunnen scheiden. Deze vroolijke historische

bestemming, vindiceeren wij voor Duitschland's politieke machten.

Zoodra intusschen de moderne politiek-sociale werkelijkheid zelf aan

de critiek onderworpen wordt; zoodra dus de critiek zich verheft

tot waarlijk menschelijke problemen, bevindt zij zich buiten het

raam van het duitsche status quo of zij zal haar objekt, beneden het

objektieve aangrijpen. Een voorbeeld! De verhouding van de industrie,

der wereld van den rijkdom in het algemeen tot die der politieke

wereld, is het hoofdproblema van den modernen tijd. Onder welken vorm

evenwel, begint dit problema den duitschers bezig te houden? Onder

den vorm van beschermende rechten, het systeem van de prohibiviteit,

der nationaal-economie. Het duitsch-nationalisme is, van uit de

menschen in de materie gevaren en zoo zagen op een goeden morgen onze

katoenridders en onze ijzerhelden, zich veranderd in patriotten. Men

vangt dus in Duitschland aan de souvereiniteit van het monopolie

naar binnen te erkennen, doordat men het de souvereiniteit van het

monopolie naar buiten verleent. Men begint dus thans in Duitschland

met iets, waarmeê men in Frankrijk en Engeland aanvangt een einde te

maken. De oude rotte toestand, waartegen deze landen voortdurend in

opstand zijn, en die welke zij nog verdragen, gelijk men een ketting

verdraagt, wordt in Duitschland als de opgaande dageraad van een

schoone toekomst begroet, die het nauwelijks waagt, uit de listige

theorie, tot de niets ontziende praktijk over te gaan. Terwijl het

problema in Frankrijk en Engeland aldus is: staathuishoudkunde of

heerschappij van de gemeenschap over den rijkdom, is het in Duitschland

zoo gesteld: nationaal-economie of heerschappij van het privaat-bezit,

over den nationaliteit. In Frankrijk en Engeland gaat het dus om een

monopolie, dat tot aan zijn laatste consekwenties gekomen is op te

heffen; in Duitschland gaat het erom, tot op de laatste consekwenties

van het monopolie voort te gaan. Daar gaat het om de oplossing en

hier eerst om de collisie. Een duidelijk voorbeeld van den duitschen

vorm der moderne vraagstukken; een voorbeeld hoe onze geschiedenis,

als een onhandig rekruut, tot nu toe slechts de taak heeft vervuld,

afgekauwde geschiedenissen te mogen na-exerceeren.

Stak aldus, de totale duitsche ontwikkeling niet boven die der

politieke ontwikkeling uit, een Duitscher zou hoogstens kunnen

deelnemen aan de vraagstukken van onzen tijd, zooals een Rus daar aan

deelnemen kan. Alleen, wanneer het individu op zich-zelf niet gebonden

is door de grenzen van de natie, wordt de gansche natie nog minder

bevrijd, door de bevrijding van een individu. De Scythen hebben der

Grieksche beschaving geen stap vooruit doen gaan, omdat Griekenland,

onder zijn philosophen, een Scyt geteld heeft.

Gelukkig zijn wij duitschers geen Scythen.

Gelijk de oude volken hunne vóórgeschiedenis doorleefd hebben in de

imaginatie, zoo hebben wij duitschers, onze nageschiedenis doorleefd in

de gedachte, in de philosophie. Wij zijn philosophische tijdgenooten

van het tegenwoordige, zonder zijne historische tijdgenooten te

zijn. De duitsche philosophie, is de ideale verlenging van de duitsche

geschiedenis. Wanneer wij dus in plaats van de oeuvres incomplètes

van onze werkelijke geschiedenis, de oeuvres posthumes van ideële

geschiedenis, de philosophie critiseeren, dan staat onze critiek in

het midden van de kwestie, waarvan de tegenwoordige tijd zegt: that is

the question. Wat bij de voortgeschreden landen, praktisch in verval

is met de moderne staatstoestanden, dat is in Duitschland, waar deze

toestanden nog niet eens bestaan, in de eerste plaats critisch verval,

van de philosophische weerkaatsing dezer toestanden.

De duitsche Rechts- en Staatsphilosophie, is de eenige met den

officieelen, modernen tijd à pari staande duitsche geschiedenis. Het

duitsche volk moet daarvandaan deze zijne droomgeschiedenis, door

de ten zijnent bestaande toestanden, verdrijven en niet slechts

deze bestaande toestanden, maar ook tegelijk, hunne abstrakte

voortzetting, aan de critiek onderwerpen. Zijne toekomst kan zich

noch tot de onmiddellijke ontkenning zijner reële toestanden,

noch tot de onmiddellijke voltrekking van zijne ideële staats-

en rechtstoestanden beperken. Want de onmiddellijke ontkenning van

zijne reële toestanden, bezit het in zijne ideële toestanden, en de

onmiddellijke voltrekking van zijne ideële toestanden, heeft het in de

beschouwing der naburige volken, bijna reeds weder overleefd. Terecht

eischt dan ook de praktische politieke partij in Duitschland, de

negatie der philosophie. Haar ongelijk bestaat evenwel niet in den

eisch, maar in het staan-blijven bij dien eisch, dien zij, ernstig

genomen, noch doorzet, noch doorzetten kan. Zij gelooft deze negatie

daardoor te volvoeren, dat zij der philosophie den rug toekeert en

met een afgewend hoofd, eenige ergerlijke en banale phrazes over haar

prevelt. De bekrompenheid van hare gezichtskring, telt de philosophie

niet insgelijks in den cirkel der duitsche werkelijkheid of waant haar,

zelfs beneden de duitsche praktijk en de haar dienende theorieën te

staan. Gij verlangt, dat men bij de werkelijke levenskiemen aanknoopen

zal, maar gij vergeet, dat de werkelijke levenskiem van het duitsche

volk, tot dusver nog slechts onder zijn hersenpan gewoekerd heeft. In

één woord: gij kunt de philosophie niet opheffen, zonder haar tot

werkelijkheid te maken!

Hetzelfde onrecht beging, alleen met omgekeerde faktoren, de

theoretische, van de uit de philosophie dagteekenende politieke partij.

Zij zag in den tegenwoordigen strijd, slechts den critieschen strijd

van de philosophie met de duitsche wereld, zij bedacht echter niet,

dat de philosophie tot op heden, zelve tot deze wereld behoort,

al is zij ook hare ideële vervolkomening. Critisch tegenover hare

wederpartijders, verhield zij zich oncritisch tegenover zichzelf,

terwijl zij van de voorwaarden der philosophie uitging, en bij

hare gegeven resultaten, noch is blijven staan, noch van elders

hierheen gehaalde eischen en resultaten, voor onmiddellijke eischen

en resultaten van de philosophie uitgaf. Alhoewel dezelven, hunne

gerechtigheid vooropgesteld, integendeel slechts door de negatie

der tot nu bestaan hebbende philosophie,--de philosophie als

philosophie,--in stand zijn te houden. Een nadere en diepergaande

schildering van deze partij te leveren, behouden wij ons nog voor. Hare

grondgebreken zijn daarheen te reduceeren: zij geloofde de philosophie

te kunnen verwerkelijken, zonder haar op te heffen.

De critiek der duitsche staats- en rechtsphilosophie, welke

door Hegel hare consekwentste, rijkste en laatste samenvatting

verkregen heeft, is beiden. Zij is zoowel de theoretische analyse

van den modernen Staat en de met hem samenhangende werkelijkheid,

als ook de besliste ontkenning van de gansche, tot-nog-toe bestaan

hebbende vorm van het duitsche politieke- en rechtsbewustzijn, welks

voornaamste, universeelste en tot wetenschap verheven uitdrukking,

juist de speculatieve Rechtsphilosophie zelve is. Was in Duitschland

de speculatieve Rechtsphilosophie slechts mogelijk,--dit abstrakte

overspannen denken van den modernen staat, welker werkelijkheid,

een aan genezijde liggende blijft, al ligt dit generzijdsch dan ook

over den Rhijn,--zoo was evenzoozeer omgekeerd, het duitsche, van den

werkelijken mensch abstraheeren, het abstraheerende gedachtenbeeld van

den modernen staat slechts mogelijk, omdat tot zoover, den modernen

staat zelf van den werkelijken mensch abstraheert, of den ganschen

mensch op eene slechts imaginaire wijze bevrediging schenkt. De

duitschers hebben in de politiek gedacht, wat de andere volken gedaan

hebben. Duitschland was hun politiek geweten. De abstractie en de

over-verhevenheid van zijn denken, hielden steeds gelijken tred met de

eenzijdigheid en de onverzettelijkheid harer werkelijkheid. Wanneer

dus het status quo van het duitsche staatswezen, de voltooidheid

van het ancien régime uitdrukt, het einde van den paal die in het

vleesch van den modernen Staat zit, dan drukt het status quo van het

duitsche staatswezen, de onvoltooidheid van den modernen Staat uit,

de beschadigdheid van zijn vleesch zelf.

Reeds als besliste tegenstander van de tot nu toe bestaande

uitdrukkingswijze van het politiek bewustzijn, verliest de critiek

van de speculatieve Rechtsphilosophie zich niet, in zich-zelf, maar

in een opgave, voor welker oplossing er slechts één middel bestaat:

de praktijk.

De kwestie is: kan Duitschland tot een praktijk à la hauteur du

principe zich opwerken; dat wil zeggen, tot eene revolutie, die het

niet alleen verheft tot op het officieele niveau van de moderne volken,

maar tot op de hoogte der humaniteit, die de aanstaande toekomst van

deze volken zijn zal.

Het wapen der critiek kan in geen geval de critiek der wapenen

vervangen; het materieele geweld moet worden terneder gestort, door

het materieele geweld, zoodra dit de massa's aangrijpt. De theorie

is geschikt om de massa's aan te grijpen, zoodra zij ad hominem

demonstreert en zij demonstreert ad hominem, zoodat zij radikaal

wordt. Radikaal zijn, is de zaak bij den wortel aanvatten. De wortel

voor de menschen evenwel, is de mensch zelf. Het evidente bewijs voor

het radikalisme der duitsche theorie, dus voor hare praktische energie

is, dat zij uitgaat van de beslist positieve opheffing der religie. De

critiek der religie, eindigt met hare leer, dat de mensch voor den

mensch het hoogste wezen is; alzoo met de kategorische imperatief:

alle verhoudingen omver te werpen, waarin den mensch een vernederd,

een geknecht, een verlaten, een verachtelijk wezen is; verhoudingen

welke men niet beter kan schilderen, dan met de uitroep van den

franschman, na den beraamde hondenbelasting "Arme honden! Men gaat

u als menschen behandelen!"

Zelfs historisch heeft de theoretische emancipatie een specifiek

praktische beteekenis voor Duitschland. Duitschland's revolutionair

verleden, is namelijk een theoretisch: het was de Reformatie. Gelijk

toenmaals in dat van den monnik, zoo is het thans in het hoofd van

den wijsgeer, waarin de Revolutie een aanvang neemt.

Luther heeft dààrom de knechtschap uit devotie overwonnen, omdat hij de

knechtschap, uit overtuiging in hare plaats heeft kunnen zetten. Hij

heeft het autoriteitsgeloof gebroken, omdat hij de autoriteit des

geloofs, heeft kunnen herstellen. Hij heeft de priesters veranderd in

leeken, omdat hij de leeken in priesters veranderd heeft. Hij heeft

de menschen van de uitwendige religieuziteit bevrijd, omdat hij die

religieuziteit naar den inwendigen mensch teruggebracht heeft. Hij

heeft het lichaam van den keten geëmancipeerd, dewijl hij het hart

in ketenen gelegd heeft.

Maar, al was het protestantisme niet de ware verlossing, het was de

stelling om tot die opgave te komen. Het gold daarna niet meer den

strijd van de leeken met de priesters, het gold den strijd met zijne

eigene inwendige priesters, zijne priesterlijke natuur. En wanneer

de protestantsche omzetting van de duitsche leeken in priesters,

de leekenpriesters, de vorsten met hunne clerus incluis, den

geprivileerden en de philisters emancipeerde, de philosophische

omzetting van de priesterlijke duitschers in menschen, zal het

volk emancipeeren. Zoo min echter deze emancipatie bij de vorsten,

zoo min zal de secularisatie der goederen bij den kerkroof staan

blijven, die voor allen, door het huichelachtig Pruissen in het

werk werd gezet. Toenmaals mislukte de Boerenoorlog, het radikaalste

feit van de duitsche geschiedenis, door de theologie. Heden, nu de

theologie zelve het meest verschipbreukt is, zal het meest onvrije

feit der duitsche geschiedenis, ons status quo zich aan de philosophie

stukstooten. Den dag voor de Reformatie was het officieele Duitschland

de onvoorwaardelijke knecht van Rome. Den dag voor zijne Revolutie,

is het de onvoorwaardelijke knecht van minder dan Rome, van Pruissen

en Oostenrijk; van verloopen jonkers en philisters.

Aan eene radikale duitsche Revolutie schijnt intusschen een

hoofdbezwaar in den weg te staan.

Revoluties behoeven namelijk een passief element, eene materieelen

grondslag. De theorie wordt in een volk altijd maar in zooverre

verwezenlijkt, als zij de verwezenlijking harer behoeften is. Zal

nu de ongekende tweespalt tusschen de eischen van de duitsche

gedachten en de eischen der duitsche werkelijkheid dan aan den

denzelfden tweespalt van de burgerlijke maatschappij met den Staat

en met zichzelve, beantwoorden? Zullen de theoretische behoeften,

onmiddellijk praktische behoeften worden? Het is niet voldoende,

dat de gedachte doordringt tot de werkelijkheid, de werkelijkheid

moet zich-zelf tot gedachten kunnen brengen.

Duitschland heeft de middentreden der politieke emancipatie, niet

tegelijkertijd beklommen met de moderne volken. Zelfs die phazen,

welke het theoretisch overwonnen heeft, heeft het praktisch nog

niet bereikt. Hoe kan het dan met een salto mortale niet alleen zich

heenzetten over zijn eigene beperkingen, maar tegelijk ook over de

grenzen der moderne volken, over grenzen, die het in werkelijkheid als

de bevrijding van zijne werkelijke beperkingen, gevoelen en nastreven

moet? Een radikale Revolutie, kan alleen geen revolutie van radikale

behoeften zijn, als daar de voorwaarden en geboorteteekenen niet voor

schijnen aanwezig te zijn.

Alleen, wanneer Duitschland slechts met de abstrakte werkzaamheid

van het denken de ontwikkeling der moderne volken begeleid heeft,

zonder werkdadig deel te nemen aan den werkelijken strijd dezer

ontwikkeling, dan heeft het anderzijds het lijden dezer ontwikkeling

gedeeld, zonder het genot, zonder de partieele bevrediging daarvan

te deelen. De abstrakte werkzaamheid eenerzijds, beantwoordt aan

het abstrakte lijden anderzijds. Duitschland zal zich daarvandaan

op een zekeren dag op het peil van europeesch verval bevinden, nog

alvorens het zich op het peil van de europeesche emancipatie heeft

bevonden. Men zou het bij een fetischdienaar kunnen vergelijken,

die aan de ziekten des christendoms wegsterft.

Beschouwt men dan de duitsche regeeringen, dan ziet men ze door de

tijdsomstandigheden, door Duitschland's positie, door het standpunt

der duitsche beschaving, ten slotte door eigen gelukkig instinkt

gedreven, de geciviliseerde gebreken der moderne staatswereld, welker

voordeelen wij niet bezitten, combineeren, met de barbaarsche gebreken

van het ancien régime, die wij in volle maat mogen bezitten. Zoodat

Duitschland, al is het dan ook niet aan verstand, dan tenminste aan

ònverstand, ook de boven zijn status quo uitreikende staatsvormingen,

steeds meer participeeren moet. Is er bijv. een land in de wereld,

dat zoo naïef alle illusies van het constitutioneele staatswezen

deelt, zonder zijne realiteiten te deelen, dan het zoogenaamde

constitutioneele Duitschland? Of was het niet bepaald een duitsche

regeeringsinval, om de euvelen der censuur, met de euvelen der

fransche Septemberwetten, welke de persvrijheid tot voorwaarde hebben,

te verbinden? Gelijk men in het romeinsche Pantheon de goden aller

naties bijeenvond, zoo zal men in het heilige romeinsche-duitsche-Rijk,

de zonden aller staatsvormen bijeenvinden. Dat dit eklekticisme een

tot dusver nog niet gedachte hoogte bereiken zal, daarvoor staat

ons namelijk de politiek-aesthetische gourmandise eens duitschen

konings, die alle rollen van het koningschap, de feodale zoowel als

de bureaucratische, de absolute zoowel als de constitutioneele, de

autokratische zoowel als de demokratische, zij het niet door middel van

de persoon des volks, dan toch in eigen persoon, zij het niet voor het

volk, dan voor zichzelve, denkt te spelen. Duitschland, als het tot een

eigen wereld geconstitueerde gebrek der politieke oogenblikkelijkheid,

zal de specifiek duitsche kluisters niet verbreken kunnen, zonder de

algemeene kluisters van het politieke oogenblik af te werpen.

Niet de radikale revolutie is een utopischen droom voor Duitschland,

niet de algemeen menschelijke emancipatie is dit, maar veeleer de

gedeeltelijke, de slechts-politieke Revolutie; die Revolutie welke de

pijlers waarop het huis gebouwd is, laat staan. Waarop toch, berust

eene gedeeltelijke, een slechts-politieke Revolutie? Hieróp, dat een

deel der burgerlijke samenleving zich emancipeert en tot algemeene

heerschappij komt; hierop, dat eene bepaalde klasse van hare bijzondere

situatie uit, de algemeene emancipatie der samenleving onderneemt. Deze

klasse bevrijdt de gansche samenleving, maar slechts op die voorwaarde,

dat de gansche samenleving zich in de situatie dezer klasse bevindt,

alzoo bijvoorbeeld, geld en beschaving, bezitten of naar believen,

verwerven kan.

Geen klasse van de burgerlijke maatschappij kan deze rol spelen,

zonder een moment van het enthousiasme in zich en in de massa te

voorschijn te roepen; een moment waarin zij met de samenleving in

het algemeen zich verbroedert en met haar ineenvloeit; zich met haar

verwisselt en als haar algemeene representant gevoeld en erkend wordt;

een moment waarin hare aanspraken en rechten, in waarheid de rechten

en de aanspraken der samenleving zelve zijn, waarin zij werkelijk

het sociale hoofd en het sociale hart is. Slechts in naam van het

algemeene recht van de samenleving, kan eene bijzondere klasse de

algemeene heerschappij voor zich vindiceeren. Tot bestorming van

deze emancipatorische positie en daarmede tot politieke uitbuiting

van alle spheren der samenleving in het belang der eigene spheer,

zijn revolutionaire energie en geestelijk zelfbewustzijn, alléén niet

toereikend. Opdat de Revolutie van een volk en de emancipatie van

eene bijzondere klasse der burgerlijke samenleving tezamen vallen,

opdat eene stand, als de stand der gansche samenleving gelden kan,

daartoe moeten omgekeerd, alle gebreken der samenleving in eene

andere klasse geconcentreerd zijn; daartoe moet eene bepaalde stand,

de stand van de algemeene aanstoot, de incorporatie van de algemeene

beperkingen zijn, daartoe moet eene bijzondere, sociale spheer, als

de notoire misdaad van de gansche sociëteit gelden kunnen, zoodat

de bevrijding van deze spheer, als de algemeene zelfbevrijding zich

voordoet. Opdat de stand par excellence, die stand der bevrijding

zal zijn, daartoe moet omgekeerd, eene andere stand, de aangewezen

stand der onderdrukking zijn. De negatief-algemeene beteekenis van

den franschen adel en den franschen clerus, had de positief-algemeene

beteekenis der direkt aangrenzende en hen tegenovergestelde klasse

van de bourgeoisie, tot hare voorwaarde.

Het ontbreekt evenwel elke bijzondere klasse in Duitschland,

niet alleen aan de consekwentie, aan de scherpte, den moed en de

roekeloosheid die er noodig zijn, om als negatieve representanten van

de samenleving te kunnen worden bestempeld. Het ontbreekt evenzoo

aan elken stand, die breedte van ziel die zich met de volksziel,

hetzij dan momenteel identificeeren kan; die genialiteit, welke de

materieele macht, tot politieke macht begeestert; die revolutionaire

koenheid, welke den tegenstanders het trotsche parool toeslingert:

Ik ben niets en ik moet álles zijn!

De hoofdinhoud van de duitsche moraal en eerlijkheid, niet alleen

die der individuen, maar ook der klassen, is veeleer die bescheiden

zelfzucht, die zijne bekrompenheid doet gelden en tegen zich zelve

geldend laat maken. De verhouding tusschen de verschillende spheren

van de duitsche samenleving, is daarvandaan niet dramatisch, maar

episch. Elke op zich begint zich te gevoelen en dit naast de andere

met hunne bijzondere aanspraken, niet zoodra zij verdrukt worden,

maar zoodra zonder hun toedoen, de tijdsomstandigheden een gezellige

onderlaag scheppen, waarop zij wederzijdsch eenigen druk uitoefenen

kunnen. Zelfs het moreele zelfgevoel van de duitsche middelklasse,

berust slechts op het bewustzijn, de algemeene vertegenwoordigster

der klein-burgerlijke middelmatigheid van alle overige klassen te

zijn. Het zijn daarvandaan niet alleen slechts de duitsche koningen,

welke mal-à-propos op den troon komen, het is elke spheer van de

burgerlijke samenleving, die haren nederlaag lijdt, nog vóór zij

haren zege heeft kunnen vieren; hare eigene beperkingen ontwikkelt,

alvorens zij de haar tegenoverstaande beperkingen overwonnen; haar

kleinzielig wezen doet gelden, alvorens zij van eenig grootmoedig

wezen heeft kunnen doen blijken. Zoodat zelfs de gelegenheid tot

eene groote rol voor immer voorbij is, nog voordat zij voorhanden

was; zoodat elke klasse, zoodra zij de strijd met de boven haar

staande klasse begint, reeds in de strijd met de onder haar staande

gewikkeld is. Daarvandaan bevindt het vorstendom zich in strijd

met het koningschap; de bureaukratie in een strijd tegen den adel;

de bourgeoisie in strijd tegen hen allen, terwijl het proletariaat

reeds begint, zich in de strijd met de bourgeoisie te wikkelen. De

middelklasse waagt het nauwelijks, van haar standpunt uit de gedachte

harer emancipatie te formuleeren of reeds verklaart de ontwikkeling der

sociale toestanden, zooals de vooruitgang der politieke theorie, dit

standpunt-zelf voor antikwarisch, of minstens voor zeer problematisch.

In Frankrijk is het voldoende dat iemand iets is, om alles te kunnen

zijn. In Duitschland durft niemand iets zijn, om niet van alles

afstand te moeten doen. In Frankrijk is de gedeeltelijke emancipatie,

den grond voor de universeele. In Duitschland is de universeele

emancipatie conditio sine qua non van elke partieele. In Frankrijk

moet de werkelijkheid, in Duitschland, moet de onmogelijkheid de

trapsgewijze bevrijding van de gansche vrijheid baren. In Frankrijk

is elke bijzondere volksklasse, politiek idealist en gevoelt zich

direkt, niet als een bijzondere klasse, maar als een representant van

de sociale nooden in 't algemeen. De rol van emancipator gaat alzoo

hier den rij langs in dramatische bewegingen, over op de verschillende

klassen van het fransche volk, totdat zij eindelijk aanlandt bij

eene klasse, welke de sociale vrijheid niet meer onder voorwaarde

van zekere, buiten de menschen liggende en toch voor de menschelijke

samenleving geschapene voorwaarden verwezenlijkt, maar veelmeer

alle voorwaarden van het menschelijk bestaan, met vooropstelling

der sociale vrijheid organiseert. In Duitschland daarentegen, waar

het praktische leven evenzoo geestloos, als het geestelijke leven

er onpraktisch is, heeft geen klasse der burgerlijke samenleving de

behoefte en de geschiktheid der algemeene emancipatie, zoo zij niet

door hare onmiddellijke positie, door de materieele noodzakelijkheid,

door hare ketens zelven, daartoe wordt gedwongen.

Waarin bestaat alzoo de positieve mogelijkheid der duitsche

emancipatie?

Antwoord: In de vorming eener klasse met radikale ketenen, eene

klasse der burgerlijke samenleving, welke geen klasse der burgerlijke

samenleving is; een stand, die de oplossing van alle standen beteekent,

een spheer, die een universeel karakter door haar universeel lijden

begint en geen bijzonder recht in beslag neemt, omdat geen bijzonder

onrecht, maar onrecht als zoodanig, aan haar gepleegd wordt. Die

niet meer op een historische, maar alleen nog op de menschelijke

titel provoceeren kan; die in geenerlei eenzijdige tegenstelling

tot de consekwenties, maar in eene alzijdige tegenstelling tot de

voorwaarden van het duitsche staatswezen staat; een spheer ten slotte,

die zich niet emancipeeren kàn, zonder zich van alle overige spheren

der samenleving te emancipeeren; die, in één woord het volle verlies

van de menschheid is, dus slechts door de volkomen hèrwinning van de

menschheid zich-zelf kan terugwinnen. Deze oplossing van de samenleving

als een bijzondere stand, is het proletariaat.

Het proletariaat vangt eerst door de baanbrekende industrieele

beweging aan, in Duitschland iets te worden. Want niet door de

uit-de-natuur ontstane, maar de kunstmatig geproduceerde armoede,

niet de mechanische, door de zwaarte der samenleving neêrgedrukte,

maar de, uit hare acute oplossing, bij voorkeur uit de oplossing

der middenstanden te voorschijn komende menschenmassa, vormt dat

proletariaat; hoewel gaandeweg, zooals van zelf spreekt, ook de uit

natuurlijke oorzaken ontstane armoede en de christelijk-germaansche

lijfeigenschap, in zijne rangen komen.

Wanneer het proletariaat de oplossing van de bestaande wereld-orde

verkondigt, dan spreekt dit slechts het geheim uit van zijn

eigen bestaan, want het is de faktische oplossing van deze

wereldorde. Wanneer het proletariaat de vernietiging verlangt van

den privaat-eigendom, dan verheft het slechts tot principe der

maatschappij, wat de maatschappij tot haar principe verheven heeft;

wat in hem, als negatief resultaat der maatschappij, reeds buiten

zijn toedoen belichaamd is. De proletariër bevindt zich dan ook, met

betrekking tot de wordende wereld op denzelfden rechtsgrond, waarop de

duitsche koning met betrekking tot de gewordene wereld zich bevindt,

wanneer hij het volk, zijn volk, zooals hij het paard, zijn paard

noemt. De koning--terwijl hij het volk voor zijn privaat-eigendom

verklaart--spreekt het slechts uit, dat de privaat-bezitter, de

koning is.

Gelijk de philosophie in het proletariaat hare materieele, zoo bezit

het proletariaat in de philosophie, zijn geestelijke wapenen en zoodra

de bliksemschicht der gedachten, grondig in deze naïeve volksbodem zal

zijn ingeslagen, zal de emancipatie van den duitschers tot menschen,

worden voltrokken.

Resumeeren wij ten slotte: de eenig praktisch-mogelijke bevrijding

van Duitschland, is de bevrijding op het standpunt van de theorie,

welke de menschen voor het hoogste wezen der menschheid verklaart. In

Duitschland is de emancipatie van de middeneeuwen slechts mogelijk,

als eene emancipatie die tegelijkertijd die van de gedeeltelijke

overwinningen der middeneeuwen is. In Duitschland kan geenerlei soort

van knechtschap gebroken worden, zonder dat élken vorm van knechtschap

gebroken wordt. Het grondige Duitschland kan zich niet revolutioneeren,

zonder van grond-uit te revolutioneeren. De emancipatie van de

duitschers, is de emancipatie van de menschheid. Het hoofd dezer

emancipatie is de philosophie, het hart is het proletariaat. De

philosophie kan niet worden verwezenlijkt, zonder de opheffing van

het proletariaat; het proletariaat kan zich niet opheffen, zonder de

verwezenlijking van de philosophie te worden.

Wanneer alle inwendige voorwaarden daartoe vervuld zijn, zal de

duitsche opstandingsdag worden aangekondigd door het kraaien van den

Gallischen haan.

Eveneens uit het jaar 1843, en geschreven te Brunswijk zijn de

opstellen van Karel Marx over:

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 29 / 72 题