De critiek op de physikalisch-materialistische en idealistische
philosophie van Kant, Fichte en Hegel, is ten allen tijde Marx'
sterkste wapen geweest. Hij is daardoor gekomen, tot zijne levens-
en wereldbeschouwing en als resultaat daarvan, tot de grondlegging
van de sociaal-demokratie als wetenschappelijk stelsel.
Marx volgde hierbij--gelijk in zijn gansche werk--de induktieve
methode, die vanaf Bacon van Verulam en Descartes, tot de resultaten
der moderne natuurwetenschappen heeft geleid. Hij paste haar toe op
de geschiedenis en ook op de economie.
Deze critiek nu moest leiden, tot eene vereeniging van de
materialistische levensbeschouwing met de philosophie van Kant,
Fichte en Hegel;--welke vereeniging tot het historisch materialisme
geleid heeft, en van dààruit, tot eene wetenschappelijke grondlegging
van het Socialisme heeft kunnen leiden.
Deze vereeniging geschiedde niet, door eene bloote samenvoeging van
beiderlei wereld- en levensbeschouwingen, maar door de critiek daarop
uitgeoefend. Critiek van een zoodanigen aard, dat het mogelijk was,
het met de moderne ontwikkeling der maatschappij overeenkomende te
behouden voor eene voortontwikkeling, en eene verwerping, van wat in
het een, noch in het andere stelsel, houdbaar bleek te zijn.
Uit den smeltkroes van deze critiek, die Marx met behulp van het
machtige wapen der dialektiek--de groote philosophische denkvrucht,
waaraan den naam van Hegel voor altijd is verbonden--uitoefende, kwam
het historisch-materialisme als een zuiver goud te voorschijn. En
het is met behulp van dit, door harden arbeid gewonnen resultaat,
dat Karel Marx in staat was, het kapitalisme, als produktievorm en
als maatschappelijk verschijnsel, als het ware onder den mikroscoop
van zijn geweldig critisch talent te nemen; het binnenste binnen van
dat stelsel, de wetten die het beheerschen en evolutioneeren na te
gaan en op deze wijze ook af te leiden, langs wélken weg en in wélken
vorm het zich zal en zich moet oplossen, in het communisme.
De grondkwestie van alle philosophie, de strijd tusschen Idealisme
en Materialisme; de verhouding van Subject en Object; de vraag of
Denken of Zijn, of Geest of Natuur het oorspronkelijkst zijn; of een
God de wereld geschapen heeft, of dat de wereld van af de eeuwigheid
bestaat, heeft reeds den denkers van uit de oudheid bezig gehouden en
zelfs in het kerkgeloof van de middeneeuwen, vond dienzelfden strijd,
reeds dikwerf weêrklank.
Zij dook met nieuwe kracht weder op, toen bij den aanvang van het
burgerlijk tijdvak, de economische ontwikkeling en dientengevolge
de natuurwetenschappen, een snellen opbloei begonnen te nemen. De
geboorteplaats van het nieuwere Materialisme is dan ook Engeland;
het land van de burgerlijke ontwikkeling door handel en industrie
bij uitnemendheid, en zijn baanbreker is Bacon van Verulam geweest.
John Locke leerde daarna, dat niets in den geest kan zijn, dat niet
daarvóór in de zinnen bestond. Hij grondvestte de philosophie van het
gezonde menschelijk-verstand. Hij wilde daarmede zeggen, dat er geene
van de gezonde menschelijke zinnen en het op hen berustend verstand
verschillende, philosophie bestaan kon. Hij scheidde politiek en
godsdienst van elkander; bestreed in tegenstelling met Hobbes der
Staatsmacht het recht om de meeningen den menschen op te dringen of
ze uit te delgen; hij predikte voorts de burgerlijke verdraagzaamheid
als de hoogste moraal.
In weerwil daarvan, bleef het Engelsche Materialisme een esoterische
theorie, een geheimleer voor de bovenste-tienduizend en nog meer
eene voor de aristokratie, dan voor de bourgeoisie. Het Engelsche
volk was er niet door beroerd geworden en reeds van boven-af, werd de
uitspraak gehoord, dat men het volk zijne religie niet ontnemen mocht.
In de 18de eeuw ontdekte Hartley, een materialistisch denker, het
menschelijk denken en gevoelen door hersenbewegingen, verklaarde dit
laatste dus op materialistische wijze. Maar dezelfde wijsgeer trachtte
de zekerheid van de wonderen uit den Bijbel, eveneens aan te toonen,
op theologische wijze.
Toenmaals gold voor den ongeloovigen denker, iemand die juist geen
materialist was, namelijk de philosoof David Hume, die wel-is-waar
elk kerkgeloof verwierp, maar evenzoo ook het Materialisme, doordien
hij aan de menschelijke zinnen, eene uitputtende kennis van de wereld
bestreed.
Zooals Locke het fransche Materialisme, zoo deed Hume het duitsche
Idealisme geboren worden. Was de eerste, de erkende voorlooper
van Diderot, d'Alembert enz., de laatste was die van Kant. Op het
vasteland van Europa, had zich in de wijsbegeerte van de 17de eeuw,
doordien mannen als Descartes, Spinoza en Leibnitz meest beduidende
mathematici en physici waren, de Idealistische en de Materialistische
wereldbeschouwing tamelijk wel, in evenwicht gehouden. In den aanvang
van de 18de eeuw evenwel, ontwikkelde zich het fransche Materialisme,
als zelfstandige verschijning. Het splitste zich in twee richtingen,
die zich wel-is-waar menigmaal kruisten, maar toch in wezenlijkheid
van elkander verschilden. De eene van deze richtingen, ging van
Descartes uit en beperkte zich meer of minder, tot de zuivere
natuurwetenschappen. De andere, nam de door Locke gesponnen draden
weder op. Zij was aanvankelijk eene aristocratische leer, maar
allengs erkende de, naar de macht strevende burgerklasse, dat het
haar een machtig wapen kon zijn, in haren strijd tegen koningschap,
adel en geestelijkheid.
Het fransche Materialisme van de 18de eeuw, verhelderde niet alleen
de hoofden ten opzichte der godsdienst, maar het greep diep in het
politieke en sociale leven van het Frankrijk dier dagen in.
Helvetius, de eigenlijke grondlegger van het fransche Materialisme,
verklaarde in zijn boek "De l'Homme" ("Over den mensch") dat
de grondslagen der moraal waren: de zinnelijke eigenschappen
en de eigenliefde, het genot en het welbegrepen persoonlijk
belang. Hoofd-gezichtspunten van zijn systeem waren: de natuurlijke
gelijkheid van de menschelijke intelligenties, de éénheid tusschen
de vooruitgang van de rede en de vooruitgang van de industrie; de
natuurlijke goedheid van de menschen en de macht van de opvoeding.
Het fransche Materialisme vond zijn toppunt in de beroemde
"Encyclopedie"; zooals het zijn politieke omzetting vond in de
verklaring van de beroemde "Rechten van den Mensch". Het verliep
in het utopistisch socialisme, dat aan zijne theorieën ontleende,
de beschouwingen over de "oorspronkelijke goedheid" en de "gelijke"
intellectueele begaafdheid van den mensch, de almacht der ervaring,
gewoonte en opvoeding; de invloed der uitwendige omstandigheden op den
mensch; de hooge beteekenis van de industrie, het recht op genot enz.,
gelijk wij dit bij de behandeling van hunne stelsels, in het eerste
gedeelte van dit boek, hebben kunnen zien.
In weerwil van deze schitterende resultaten, rustte het
fransche Materialisme evenwel nog op een wankelen grondslag. De
natuurwetenschappen hadden, wel-is-waar groote vorderingen
gemaakt, maar eerst de mechaniek was tot een behoorlijk resultaat
gekomen. Chemie en biologie stonden nog in hunne kinderschoenen;
men wist nog niets van eene ontwikkelingsleer der natuur en kon dus
nog niets weten omtrent eene evolutie in de geschiedenis. De natuur
bewoog zich in een eeuwige kringloop, en de menschelijke natuur, aldus
was de beschouwingswijze, was van den aanvang af gelijk, zij werd bij
tijd-en-wijle verduisterd, zooals in de Middeleeuwen, maar dan weder,
was zij strevende naar hare natuurlijke rechten. Het Materialisme
beroerde nog den innerlijken samenhang van de wereldraadsels niet. Zoo
kon het Idealisme, het nog weder eens op zich nemen, met te trachten
deze raadsels op te lossen en zij deed dit in de duitsche philosophie
van op het uiteinde der 18e en aan den aanvang van de 19e eeuw.
Kant's "Kritiek van de zuivere Rede," werd in het Revolutiejaar 1789
algemeen bekend. Het duitsche Idealisme, zooals het door Kant is
geleeraard, was wel-is-waar een terugslag op het engelsch-fransche
Materialisme, maar geenszins was het een reactie daarop. Kant versloeg
het Materialisme met succes op zijn eigen gebied, doordien hij het
principe van de ontwikkeling, in de natuur binnenleidde. Hij loste
de eeuwigen duur van het zonnesysteem op, doordien hij het ontstaan
van de Zon en dat van alle Planeten, uit roteerende nevelmassa's
verklaarde. Zelfs sprak hij in zijne "Populaire Voorlezingen" reeds
het denkbeeld van de ontwikkeling van de menschen uit het dierenrijk
uit, als iets dat van-zelf sprak. Uitdrukkelijk verwierp hij de leer
van het oudere Idealisme, dat alle kennis door ervaring en de zinnen
verkregen, niets was dan louter schijn en er slechts in de ideën van
de zuivere rede, waarheid is. Hij zeide omgekeerd: alle kennis van
dingen uit de enkele, zuivere rede, is niets dan louter schijn en
slechts in de ervaring is er waarheid.
Kant's wezenlijke arbeid bestond juist hierin, dat hij, aanknoopend
aan David Hume, het kenvermogen van den mensch onderzocht en door de
critiek van de zuivere rede, de gansche ervaring, tezamen met alle
historische en exacte wetenschappen omkeerde, door de eenvoudige
stelling dat onze begrippen zich niet naar de voorwerpen richten,
maar de voorwerpen naar onze begrippen; dat wij de dingen buiten
ons niet zien, zooals zij zijn, maar zooals zij aan onze onvolkomen
zinnen zich voordoen; dat de gansche verschijningswereld tot op
de zinnelijke aanschouwing van ruimte en tijd, voor de menschen,
alleen slechts in de menschelijke voorstelling bestaat, terwijl zich
achter haar het absolute wezen van de dingen, het ding-aan-zich
verbergt, in een ondoordringbaar duister. Aan de eene zijde waren
hiermede Denken en Zijn verzoend, maar aan de andere zijde, gingen
zij daarmede zooveel te verder, weder uit elkander. Kant loste het
wereldraadsel niet óp, hij verklaarde het voor onoplosbaar. In de
dingen zelf kunnen geen tegenspraken bestaan, want alles wat een
tegenspraak bevat, is onmogelijk, daarentegen verwikkelt ons het
denken in onvermijdelijke tegenspraken. Dit was de grondslag van
de beroemde Antimonieën van Kant, zooals daar zijn: begrensdheid en
onbegrensdheid van de wereld, deelbaarheid en ondeelbaarheid van de
materie, vrijheid en noodwendigheid.
Brak nu Kant de objektieve wereld geheel en al af, terwijl hij haar
bestaan in de werkzaamheid van het menschelijk bewustzijn oploste,
Fichte bouwde haar, tegelijkertijd op Kant's theorieën voortbouwend en
hen omscheppend, weder uit het menschelijk bewustzijn op. Fichte was
met de natuurwetenschappen van nabij, niet bekend. Het Ik, d. w. z. de
mensch, niet als individu, maar als soort, was voor hem het werkelijke
"Ding-aan-zich", het menschelijk bewustzijn niet de spiegel, maar
de schepper van de objektieve wereld, welker bestaan zich niet uit
de zuivere denkvormen laat verklaren, maar welker bestaansvormen,
door het zuivere denken voortgebracht geworden zijn. Uit hen leidde
Fichte, ruimte en tijd, kwantiteit en kwaliteit, mogelijkheid,
werkelijkheid en noodzakelijkheid af. Het denken is een zelfstandig
proces, dat zich met noodwendigheid voltrekt. "Met elke stelling is
zijne tegenstelling gegeven, en in de voortdurende overwinning van
deze gestadige tegenspraken, door eene hoogere eenheid, beweegt de
idee zich vooruit."
Hiermede nam Johan Gottlieb Fichte de oud-Grieksche,
dialektische-philosophische methode weder op. Deed hij nu echter uit
de zuivere innerlijkheid van het subjekt, het objekt geboren worden,
zoo werden geest en natuur een en hetzelfde. En inderdaad verklaarde
Fichte, het Ik, dan ook voor het subject-objekt.
Op zijne theorieën voortspinnend en tegelijk hen weder omscheppend,
voerden Schelling en Hegel daartegen aan: "wanneer subjekt en objekt
een-en-hetzelfde zijn, dan is geen van hen beiden de zaak-zelf; het
subjekt zoo min als het objekt, het denken zoo min als het zijn,
den geest zoo min als de natuur; maar elk van hen, is dan slechts
ééne zijde van de zaak en de geheele zaak is niets anders dan het
proces, dat door beide heengaat en in den geest van den mensch,
tot het bewustzijn van zich-zelf komt".
Bij Schelling bleef de identiteit van subjekt en objekt een blooten
inval. Bij de pogingen om haar te begronden, geraakte hij hoe langer
hoe meer in eene phantastische natuurphilosophie verward, totdat hij
tenslotte belandde bij het openbaringsgeloof.
Hegel daarentegen, vatte de absolute Idee, die hij voor de
levenwekkende ziel van de gansche wereld verklaarde, als een logisch
en historisch proces op. De geest, het aan-zich en voor-zich bestaande
Ik, wordt in verschillende ontwikkelingsphazes eerst bewustzijn, dan
zelfbewustzijn, dan beschouwend en dan handelend verstand, tenslotte
den zich-zelf-begrijpenden gevormde en religieuzen geest. Dan zet
bij zich om in de natuur, waarin hij als blinde noodzakelijkheid
werkt en arbeidt zich in de geschiedenis uit het ruwe weder op,
tot dat hij zich-zelf begrijpt. Dit historisch proces, is slechts
een afspiegeling van het logische proces, dat zich onbekend met het:
wanneer? en het: waarheen? voltrokken heeft.
Hegel vatte aldus het historische, tevens als een logisch proces
op. Waar Kant de ontwikkeling in de natuur leidde, daar leidde Hegel
haar de geschiedenis binnen. Waar Fichte aan de dialektische methode
weder aanknoopte, daar maakte Hegel haar tot den springenden fontein
des levens. Met het begrip Zijn, is ook het begrip van niet-Zijn
gegeven, en uit den strijd van beiden, ontstaat het hoogere begrip van
het Worden. Alles bestaat en bestaat tegelijk niet, want alles is in
vloed en is voortdurend onderworpen aan eene gestadige verandering,
is onderworpen aan een voortdurend en nooit stilstaand proces van
Worden en Vergaan.
De dialektische beweging van de duitsche philosophie voltrok zich
dus aldus, dat Kant's stelling: "Alles wat een tegenspraak in zich
bevatte is onmogelijk", omsloeg in de stelling van Hegel: "Wat over
het algemeen der wereld beweegt, is de tegenspraak."
Hiermede nu was iets bereikt, dat men eene overwinning kon noemen
op het engelsch-fransche Materialisme. De dialektische beweging in
de natuur zelf in te voeren en haar aan te nemen, is eerst mogelijk
geworden, nadat de natuurwetenschappen die geweldige vooruitgang
hadden gemaakt, gelijk dat het eerst in de tweede helft van de 19e
eeuw het geval is geweest. Hier heeft de door Kant gegeven stoot,
zijne afsluiting het eerst gevonden in de theorie van Darwin, waardoor
de gansche organische natuur, planten en dieren en daarmede ook den
mensch, als het voortbrengsel van een ontwikkeling wordt opgevat,
die zich, in millioenen na millioenen jaren voortgezet heeft.
Hegel evenwel, kwam in dit opzicht niet boven de meeningen van de
fransche Materialisten uit, de perken van de ontoereikende natuurkennis
lieten dat ook destijds niet toe. Hij deelde nog de meening van de
fransche Materialisten, dat de natuur een, zich in gelijke kringloopen
bewegend, zich steeds gelijkblijvend geheel met eeuwige wereldlichamen,
met onveranderlijke vormen van organische wezens was. Maar hij doorbrak
die beschouwingswijze toch, voor zoover zij namelijk, door de engelsche
Materialisten op de geschiedenis werd overgedragen. Hij vatte de
geschiedenis van de menschheid op, als een gestadig in beweging zijnd,
aan verandering en omschepping onderworpen, van lager naar hooger
opstijgend proces en hij beproefde door geweldigen geestesarbeid, in
de verschillende vakken van de historische wetenschap, de inwendige
tezamenhang, de voortdurende phazenloop van dit proces, door alle
schijnbare dwaalwegen en toevalligheden heen, te vervolgen. Dewijl
hij de dingen als afspiegelingen van de begrippen opvatte, kwam hij
wel-is-waar tot al te willekeurige geschiedenisconstrukties, maar
daar halsstarrige dingen als historische feiten dit zijn, zich niet
zoo gemakkelijk onder het juk der begrippen dwingen laten, kwam hij
toch ook tot geniale blikken, op de tezamenhang van de geschiedenis
der menschheid.
Kant's grondgedachte van alle moraal: "Handel zóó dat gij de
menschheid, zoowel in uw persoon, als in de persoon van elk ander,
tegelijk als doel en niet alleen maar als middel gebruikt," kon
ontstaan in een land, waarin de burgerlijke klasse weinig en de
proletarische klasse, nog in het geheel niet ontwikkeld was.
En Fichte liet erop volgen, dat "geen mensch andere krachten voor zich
mag in gebruik nemen; dat den mensch moet arbeiden, maar niet als een
lastdier, dat onder den last, in slaap neder zakt en na nooddruftige
verkwikking weder tot het dragen van denzelfden last gewekt zal
worden. De mensch behoort angstloos met list en met vreugde te werken
en tijd over te houden om zijnen geest en zijn oogen ten hemel te
verheffen, voor welker aanblik hij geboren is!" Fichte brandmerkte
met deze uitspraak en met anderen, de feodale adel van zijnen tijd,
die lui en ondeugend was. Hij proklameerde de majesteit van het Recht
in deze stelling: "Het Recht moet gewoonweg bestaan en wie dit niet
door zichzelven inziet, moet tot dat inzicht gedwongen worden." En
daarnevens predikte Fichte de vrijheid en de gelijkheid "voor alles
wat een menschelijk aangezicht draagt."
In zijn "Rechtvaardiging van de fransche Revolutie" zegt hij o. a. "De
eigendom kan geen anderen oorsprong hebben, dan die van den arbeid. Wie
niet arbeidt, heeft niet het recht van de samenleving middelen tot
zijn bestaan te verlangen." In zijn "Grondslagen van het Natuurrecht,"
schrijft hij: "Diegene, welke niet zoo veel heeft dat hij ervan leven
kan, behoeft noch den eigendom van anderen te erkennen, noch achting
te hebben voor dezelve, daar de grondslagen van het maatschappelijk
verdrag, tot zijne schade aangetast zijn geworden. Elkeen behoort
eigendom voor zich te hebben; de samenleving is verplicht, allen van
arbeidsmiddelen te voorzien en allen moeten arbeiden om te leven."
In zijn "Rechtsstaat", voorspelt hij, dat eene gemeenschappelijke
organisatie komen moet, welke realiseeren zal, wat hij als Recht
verlangt. "De arbeid en de verdeeling zullen gemeenschappelijk
georganiseerd zijn; elkeen ontvangt voor een nauwkeurig bepaald deel
arbeids, een bepaald gedeelte van het kapitaal, hetwelk zijn eigendom,
naar de mate van het recht vaststelt. Het eigendom zal alzoo algemeen
verbreid zijn. Niemand mag overvloed hebben, zoolang niet allen van
het noodzakelijkste voorzien zijn. En het eigendomsrecht aan voorwerpen
van weelde, ontbeert dien grond in zooverre, dat niet elk burger zijn
aandeel kan bekomen, van dien eigendom. De landlieden en de arbeiders
zullen zich behooren te vereenigen, teneinde zoovéél mogelijk, met
zoo weinig mogelijk inspanning van krachten te kunnen voortbrengen."
In zijne verhandeling over "De gesloten Handelsstaat", die in 1800
verscheen en aan den pruisischen minister van finantiën Struensee
opgedragen was, werkte Fichte bovengenoemde socialistische gedachten
verder uit, bestreed hij de theorieën van Adam Smith, de vrije
concurrentie-leer en het denkbeeld, dat de Staat zich heeft te
beperken, tot een bescherming van het recht. Maar hij neemt daarbij
toch weder een ander standpunt in, dan de fransche en engelsche
socialisten van zijnen tijd; hij is ook dáárin een tegenstander van
Adam Smith, dat hij van de bepaling van de waarde der goederen door den
arbeid, niets wil weten; hij ziet in den vrijen handel, eene onhoudbare
overlevering uit de "denkwijze onzer voorouders." Voor de moderne
naties, meende hij, geldt niet meer, wat voor de middeneeuwsche
eenheid van het christelijk Europa gold. Fichte erkende evenwel
in zijn tijd reeds, de zware lasten die er op het volk kwamen te
drukken, door het uitzuigend militairisme en hij probeerde dan ook
den Staat geheel en al om te vormen. Als zoodanig, geldt dan ook hij
nog eenigszins voor eene der utopistische Socialisten, omdat hij in
zijn wereldhervormende sociale plannen niet uitging van de bestaande
feiten, maar van een aan zijn brein ontsprongen plan. Hij wilde den
Staat omvormen tot eene harmonische gemeenschap, waarvan de deelen op
zich-zelve, de individuen, hun natuurlijk recht zullen verzekerd zien,
op een gelukkig en tevreden bestaan. Maar aan den anderen kant, dacht
hij zich dien Staat als een verstands-Staat, geheel en al afgesloten
van het buitenland, met een bijzonder soort geld en met de overige
Staten slechts in gemeenschap, niet door middel van den handel,
maar door dat van de wetenschap alleen.
Ook Hegel heeft eenmaal zijne philosophie den voorlooper genoemd,
van een tijd waarin er een vrij volk zal bestaan. Na de nederlaag
van de franschen bij Waterloo, verklaarde hij het voor de natuurlijke
roeping van de duitschers, voor den hoofdwinst hunner teruggewonnen
onafhankelijkheid, dat zij thans ongestoord het heilige vuur van de
philosophie in bewaring konden nemen. Toen hij naar Berlijn beroepen,
zijne "Philosophie van het Recht" schreef, teneinde het Recht als een
redelijk, zich uit zich-zelf ontwikkelend organisme voor te stellen,
ging hij van de stelling uit: "Het bestaande is redelijk en het
redelijke is dat wat bestaat."
De polemiek welke Hegel gevoerd heeft, tegen de historische
Rechtsschool, bewees dat hij met deze stelling geenszins eene
verheerlijking van àl het bestaande bedoelde, gelijk men in zijnen tijd
zich niet ontzien heeft, op deze zijne woorden bij alle reaktionaire
maatregelen der Pruisische regeering, zich te beroepen. Hegel bedoelde
met deze stelling, dat de rede de historische noodzakelijkheid was,
de eeuwige vloeiing in het historische ontwikkelingsproces. Wat deze
schept, is werkelijk en redelijk, omdat het noodzakelijk is; zoodra
het ophoudt noodzakelijk te zijn, wordt het onwerkelijk en onredelijk.
Hegel heeft de rijke schepping van het duitsche Idealisme in één
machtig systeem saâmgevat. Hij heeft alle bronnen en stroomen van
dit klassieke tijdperk in ééne bedding geleid, waar zij wel-is-waar
in bevroren zijn, door den ijskouden adem van de reaktie die over
Duitschland woei, maar die zijne jongeren toch weder, door hunnen
eigenen arbeid, konden doen ontdooien.
Toen Hegel tegen de Juli-Revolutie in 1830 te velde trok, toen hij
de Engelsche "reformbill" een snijden noemde in de edele ingewanden
van een Groot-Brittanje's staatsregeling, toen verlieten hem de
scharen zijner jongeren, om naar zijnen eigenen leerling Eduard
Gans te gaan luisteren, die lezingen ging houden over des meesters
"Rechtsphilosophie", daarbij de revolutionaire zijde van des Meesters
methode op den voorgrond stellende en tegen de historische Rechtsschool
polemiseeren ging. Men zeide toentertijd dan ook in Berlijn, dat,
niet aan de cholera, maar aan deze smartelijke ervaring, zou den
grooten Meester overleden zijn.