INLEIDING.

De benamingen van socialist en sociaal-demokraat worden in onzen tijd

dikwerf gebruikt, in dezelfde beteekenis dikwerf ter onderscheiding van

elkander. Zoo zijn er een aantal personen die zich socialist noemen,

zonder daarom de leer en de consekwenties van de sociaal-demokratie te

aanvaarden; omgekeerd, spreken de vertegenwoordigers en de aanhangers,

van 't laatste dikwijls van het socialisme, hiermede bedoelende het

gansche stelsel van de gemeenschappelijk-making der productiemiddelen.

Van lieverlede evenwel, is men desondanks goed gaan begrijpen, wat

er onder die benamingen verstaan wordt en weet men ook, dat onder

sociaal-demokraten in het algemeen verstaan worden de aanhangers

van de theorieën van Marx, zoowel zij, die men met de benaming

"Marxist" bestempelt, als zij die niet geheel en al vasthouden aan

alle consekwenties van dien leer. De algemeen-naam "socialist" is meer

toepasselijk op hen, die, òf een sterker en krachtdadiger ingrijpen van

den Staat en de overheid wenschen in de maatschappelijke positie van

den arbeider: in de verhouding tusschen kapitaal en arbeid, of van die

groepen, die het doel in het algemeen wel willen--n. l. voorstanders

zijn van gemeenschappelijke maatschappelijke voortbrenging en

verdeeling der goederen,--maar in de middelen om daartoe te geraken,

van de sociaal-demokraten afwijken. Die meer door propaganda van de

idée van het socialisme in het algemeen, op het volk wenschen in te

werken, terwijl zij dezen geestelijken arbeid geheel voorop stellende,

praktische middelen in het tegenwoordige als van onwaarde of als

van uiterst geringe waarde voor het doel achten. Onder deze laatsten

kunnen dan ook wel de "anarchisten" worden gerekend, voor zoover zij

geen voorstanders zijn van de z. g. n. "propaganda door de daad."

Het woord socialisme dankt zijn ontstaan in de vorige eeuw

aan Pierre Leroux, een der scholieren van Saint-Simon en een

philosophisch socialist, die, gelijk hij zeide, dit woord smeedde

in de oppositie tegen het individualisme en daarmede eene politieke

organisatie bedoelde, waarin het individu opgeofferd zou worden aan

de gemeenschap. Dit begrip is dus, gelijk men ziet, zoo algemeen

mogelijk; want feitelijk van af het bestaan der georganiseerde staat

of gemeenschap, is steeds het individu, in meerdere of mindere mate,

opgeofferd aan het belang van de gemeenschap. Het geeft den feitelijken

inhoud van het woord dus, in 't geheel niet weêr.

Er is nog een andere verklaring van het woord die eveneens van

een franschen socialist van beteekenis stamt, en evenmin iets zegt

en deze is van P. J. Proudhon. Toen deze in 't jaar 1848 voor de

Rechtbank stond, vroeg hem de president: of hij niet een socialist

was? "Zeker! meneer de president," antwoordde Proudhon; "Nu"

vroeg deze hem, "wat is dan eigenlijk het socialisme?"--"Elke

poging tot verbetering van de maatschappij," antwoordde de

ondervraagde.--"Maar dan," zeide den president, "zijn wij tegenwoordig

allen socialisten!"--"Precies zoo denk ik er ook over," was het

wederwoord van Proudhon.

Hierbij sluit zich het bekende woord van den engelschen liberalen

Staatsman Sir William Harcourt aan, die voor jaren geleden in het

Engelsche Parlement uitriep: "Tegenwoordig zijn wij allen socialisten!"

Is het woord socialisme, gelijk wij reeds zeiden, zeer onbestemd en

vaag, en kan, gelijk men ziet, daar onder begrepen worden, al wat

maatschappelijke verbetering der minder-gegoeden in onze samenleving

in zich sluit, het begrip sociaal-demokratie heeft eene meer scherp

belijnde, zeer wel te omschrijven beteekenis. Het sluit in-zich, een

stelsel van maatschappelijke verandering, volgens bepaalde regelen,

volgens bepaalde wetten, zou men kunnen zeggen. Het heeft een

wetenschap ten grondslag, eene gesloten levens- en wereldbeschouwing.

In het algemeen genomen, is de grondslag van de sociaal-demokratie,

de erkenning dat geene duurzame en blijvende verbetering van de

maatschappelijke toestanden mogelijk is, zonder opheffing van het

privaat-bezit van de produktie-middelen der maatschappij, grond en

bodem, machines, fabrieken, middelen van vervoer en verkeer, kortom al

datgene waarmede tegenwoordig wordt voortgebracht. Dit beginsel is het

communisme, ongeacht of dit in praktijk gebracht zal worden door middel

van eene gecentraliseerden staat of streng demokratisch-ingerichte

gemeenschap, of dat de voortbrenging- en verdeelingswijze een meer

federatief karakter zal dragen, zooals het collectivisme dat bedoelt.

Het communisme is zéér oud. Afgescheiden van het

z. g. n. oorspronkelijke of oer-communisme, dat bij de oude

volksstammen bijna zonder uitzondering gevonden werd en waarvan Morgan

nog zeer sterk levende vormen gevonden heeft bij de Indianenstammen

in N. Amerika, en den gemeenschappelijken eigendom bij de Germanen,

waarvan von Maurer de overblijfselen in de "marken" enz. heeft

opgespoord, vinden wij bij de eerste christelijke sekten, die

ontstonden onder het Romeinsche Keizerrijk reeds het communisme in

den vorm van gezamenlijk verbruik van de genotmiddelen. Het was een

communisme der consumptie, niet een van voortbrenging.

In de Evangeliën, zijn dan ook tal van uitspraken te vinden, die op dit

communisme en de verachting van het persoonlijk bezit toespelen. De

communistische denkbeelden die in het Evangelie en in den Bijbel

worden gevonden, in verband met de komst van het "Duizendjarig Rijk",

hebben dan ook eeuwen op eeuwen achtereen een ontzaggelijken invloed

uitgeoefend op de ontwikkeling van vele sekten van communistische

christenen, welke meestal bloedig zijn onderdrukt of verdwenen zijn,

omdat de maatschappelijke praktijk zich niet met deze christelijke

theorie deed vereenigen.

Het klooster, in de vroege middeneeuwen ontstaan, is als eene poging

tot verwerkelijking van het christelijk-communistisch ideaal te

beschouwen. Niet minder de eerste van die groote bédel-orden, waarvan

de stichter, de heilige Franciskus van Assisi als eerste voorwaarde

leeraarde, de verachting voor al het aardsche, een leven zooals de

stichter der Christelijke godsdienst dit zelve zou hebben geleid.

Bij vele Kerkvaders der katholieke kerk vinden wij dan ook eene

veroordeeling van den privaat-eigendom. "De Rijke is een dief", zegt

de H. Bazelius.--"Het is noodzakelijk dat er eene soort gelijkheid

besta, waarin de een den ander van zijnen overvloed geeft. Het ware

beter als alle goederen gemeenzaam waren", zoo zegt de H. Johannes

Chrijsostemus. "De natuur heeft de gemeenschappelijkheid ingevoerd;

de wederrechtelijke inbezitname, het privaat-eigendom", zegt de

H. Ambrosius. "Naar recht en billijkheid moest alles aan allen

behooren. De ongerechtigheid is het die den privaten eigendom geschapen

heeft", zoo leerde de H. Clementius. Enz.

De moderne sociaal-demokratie heeft, historisch gesproken: twee

wortels. Beiden komen uit denzelfden bodem voort--de bestaande

maatschappelijke- en eigendomsorde. De eene dezer wortels--het

communistische utopisme--komt uit de hoogere klassen voort. De dragers

van dit utopisme waren den geestelijk aan den spits staanden in de

maatschappij. Zij hebben hunne maatschappelijke idealen neêrgelegd in

een of meer hunner werken. Middelijk of onmiddellijk stonden zij onder

den invloed van den griekschen wijsgeer Plato, den grooten scholier

van Socrates, die in zijn "Staatsideaal" eene samenleving teekent,

volgens een vast plan ingericht, en dat als zoodanig dan ook als de

eerste maatschappelijke "Utopie" kan worden gerekend.

Hem is als opsteller van een tweede staatsideaal, Thomas Morus

opgevolgd, die in 1516 "Utopia" schreef als staatsman in dienst van

Koning Hendrik VIII van Engeland.

In deze "Utopia", dat "geluksland" beteekent, ontwikkelt More,

door gesprekken die hij zelve voert met gefingeerde tegenstanders,

het stelsel eener volkomen communistische samenleving. "Alleen

het communisme is in staat de verschrikkelijke euvelen van de zich

ontwikkelende kapitalistische maatschappij uit den weg te ruimen",

zegt hij, al erkent hij daarbij tevens, dat de tijd er toe nog niet

gekomen was.

De andere wortel der sociaal-demokratie, is het

"gelijkheidscommunisme", hetwelk zijnen oorsprong vindt bij

de onderste klassen der maatschappij, aldus genoemd, omdat het

uitsluitend of voornamelijk steunde op den eisch van den "gelijkheid

der maatschappelijke goederen" en ruw als het was, eigenlijk zonder

preciesen vorm, ontsprong aan het religieus gevoel en overwegend

steunde op den Bijbel, voornamelijk op de reeds hier te voren

genoemde uitspraken en leeren van het Evangelie. Men vindt dit

Communisme in tal van bewegingen in de Middeleeuwen; zooals die der

Lollharden, de Begharden, de Waldenzen, de Hussiten, de Taborieten;

de Boheemsche en Moravische Broeders; vóór de groote beweging der

Hervorming van 1515 onder Luther, tot diep in die beweging toe, door

de Boerenoorlogen onder Thomas Münzer in Duitschland en de bewegingen

van de "Wederdoopers" in Munster heen.

Behalve deze sekten, waaronder er zijn, die gedurende langen tijd een

grooten invloed hebben uitgeoefend op den voorarbeid en het tot stand

komen der Hervorming, is het ook wel merkwaardig, dat wij reeds in

1235 bij een dichter van nog bekenden en grooten naam, communistische

gedachten zien uitgesproken.

In een gedicht: "Van de Wapene, Martijn," zegt Jacob van Maerlant:

"Martijn, die deutsce Loy vertelt;

Dat van onrechter gewelt,

Eigendom is comen.

En dan:

Twee worde in die werelt sijn:

Dats allene "Mijn" ende "Dijn",

Mochte men die verdriven;

Paijs ende vrede bleve fijn:

Het ware al vri, niemen eijgin

Manne metten wiven;

Het waer gemene tarwe ende wijn."

De religieus-Communistische sekten leefden nog tot in de zeventiende

eeuw voort. Zoo onder anderen ook in ons land nog onder de Labadisten,

eene sekte welke door een franschen predikant Jean de Labadie in het

leven geroepen, maar snel in het zand verloopen is.

Nevens Thomas Morus, als schrijver van eenen uitgewerkten

communistischen ideaalstaat, moet ook Campanella worden genoemd,

een monnik, die de "Civita Solis" of "Zonnestaat" geschreven heeft

in het jaar 1620.

In de eerste engelsche Revolutie vertoonden zich ook reeds genoegzame

sporen van communisme en socialisme in den meer modernen zin; al

wordt het geheel ook zeer sterk beheerscht door religieuze bijmengsels.

Zoo de beweging der "Levellers" of "gelijkmakers." Een der takken

dezer beweging, de sekte der "ware" Leveller, had in 1651/52

een boek uitgegeven getiteld: "De wet der vrijheid, als program

uiteengezet," of "de wederherstelling van het ware regeeringssysteem"

(The Law of Freedom in a platform of True Magistracy Restored), waarin

ontwikkeld wordt, wat koninklijke regeering en wat republikeinsche of

gemeentelijke regeering ("Commonwealth") te beteekenen heeft. Het

is "bescheidenlijk opgedragen aan Olivier Cromwell," zoo ook

"aan alle engelschen, die mijne broeders zijn, hetzij tot het

Kerkverband behooren of niet, en over hunne hoofden heen, aan alle

naties ter wereld." In dit boek ligt een gansch communistisch

stelsel uitgebeeld. Op het "koopen en verkoopen", worden daarin

de hoogste straffen gesteld; niemand mag "arbeid huren of zijnen

arbeid verhuren", en wie land- of de vruchten daarvan verkocht, was

des doods schuldig. Goud en zilver mag niet in munt worden omgezet,

alleen tot huisraad mag het worden versmolten.

Ook ontstonden in Engeland in de 17e eeuw de "Staatsromans,"

d. w. z. die litteratuur, waarin in romanvorm het plan eener

staatsinrichting werd neêrgelegd. Zoo de "Leviathan" door den

staatsrechtsleeraar Thomas Hobbes in 1651 geschreven, en den daarna

in 1656 verschenen "Oceana" van James Harrington. De eerste was

een utopie van den absolutistischen Staat, waarin voor alle standen

en geledingen der samenleving is gezorgd; de andere kan als zijnen

onmiddellijken tegenhanger gelden.

Kommunistische tendenzen zaten er ook in sterke mate, in de, in de

zeventiende eeuw opgekomen sekte der "Kwakers", waarvan John Bellers

(geb. 1654) als de voornaamste en meest practische kan worden

beschouwd.

Zoo ontstonden ook in de zeventiende en achttiende eeuw in Frankrijk,

de utopische staatsromans, in den vorm van reisbeschrijvingen. Zij

heetten o.a.: "La terre australe connue", waarvan Pierre Bayle

een zekeren Gabriel Toigni als auteur noemt, voorts het boek: "De

Reizen en Avonturen van Jacques Massé"; het boek van de Fontenelle:

"de Republiek der philosophen of de geschiedenis der Ajaoïer";

Restif's boek: "La decouverte australe ou lettres d'un singe"; het

boek van den abt Fénélon: "Telemach"; Ramsay's: "Les Voyages de Pyrus"

en Pechméja's boek: "Télèphe".

Hier moet ook nog worden melding gemaakt van den arbeid van Jean

Meslier, gemeenlijk het "Testament van Jean Meslier" genoemd, dat

in 1762 door Voltaire aan het publiek bekend werd en eene diepgaande

critiek van den schrijver,--een armen en verdrukten dorpspastoor die

bij zijn leven niet spreken dorst,--bevatte, zoowel op den godsdienst,

als op de geheele inrichting der maatschappij. Dit "Testament" welks

inhoud eerst later geheel bekend werd, daar Voltaire het slechts in

zooverre gaf als het dienst kon doen voor zijne propaganda tegen de

kerk, geeft de communistische gedachten weer over een gemeenschap,

gelijk de schrijver zich die gedacht heeft.

"Ik wilde", roept Meslier uit aan het slot ervan, "dat mijn stem

konde gehoord worden van het eene einde van het koninkrijk tot aan het

andere, neen, van het eene einde der wereld, tot aan het andere. Ik zoû

dan uit al mijne krachten schreeuwen: "Gij zijt dwazen o, menschen! gij

zijt dwazen, u zoo te laten knevelen en zoo blind te gelooven aan een

aantal domheden! Ik zal u uwe dwaasheden toonen en u uwe leiders als

bedriegers en menschenschenners laten zien"....

"Vereenigt u toch volk, vereenigt u proletariërs; vereenigt u zoo

gij het hart hebt om u te bevrijden van uwe onderdrukkers!"

In 1755 verscheen er een boek in het licht "Code la Nature" genaamd,

door een vrij onbekend man, een schoolmeester Morelly genaamd,

geschreven. Tevoren had hij reeds een roman geschreven "Nauvrage des

îles flottantes ou la Basiliade" ("Schipbreuk van het drijvend eiland

of de Basiliade") genaamd.

Aan den spits van zijn ontwerp tot inrichting van een samenleving

stelt hij drie grondstellingen, welke hij geheiligde grondpunten noemt,

die de sociale gelijkheid kunnen waarborgen.

1. Niets mag in privaat-eigendom zijn, dan wat elk tot werkelijk

gebruik voor zijne behoeften, genoegens of dagelijkschen arbeid

noodig heeft.

2. Elk burger is een publiek wezen, dat recht heeft op onderhoud en

op arbeid van wege de gemeenschap.

3. Elk burger is verplicht, naar zijne krachten, talenten en volgens

zijnen ouderdom, tot het publiek welzijn bij te dragen, naar die mate

zullen zijn openbare plichten worden geregeld.

Later nog, omstreeks de jaren van 1830, hebben onderscheidene

socialistische denkers en schrijvers, en onder hen Louis Blanc zich

dikwijls op deze stellingen van Morelly beroepen.

Tot de onmiddellijke volgelingen van Morelly, behoorde in de eerste

plaats: Gabriel Bonnot de Mably, in 1709 geboren en in 1785 gestorven.

In zijn boek, dat in 1768 uitkwam en getiteld is: "Doutes proposés

aux philosophes économistes sur l'ordre naturel et essentiel des

sociétés politiques" ("Twijfelingen voorgesteld aan de economische

wijsgeeren, nopens de natuurlijke en wezenlijke orde van de

politieke samenleving"), oefent hij eene diepgaande critiek uit op

de maatschappij in verband met de eigendomskwestie. Hij is vooral

hier in strijd met de "Physiokraten" waarmede hij tot op een zekere

hoogte kon samengaan,--dat de persoonlijke vrijheid zich niet laat

verbinden met den gemeenschappelijken eigendom, zooals dezen meenden.

Vervolgens Brissot de Warville, in 1743 geboren en den 31sten Mei 1793

onthoofd, als "Girondist", die in zijn "Recherches philosophiques"

("Wijsgeerige onderzoekingen") zeer vergaande conclusies trok, omtrent

de niet-noodzakelijkheid van den persoonlijken eigendom. Van dezen

stamt de stelling, later door Pierre Joseph Proudhon overgenomen:

"le propriété c'est le vol" ("eigendom is diefstal"), die men

meermalen--ten onrechte--eene zuiver sociaal-demokratische noemde.

En hiermede zijn wij genaderd tot het tijdstip der Fransche Revolutie

van 1789, dat reeds lang te voren, door de geestelijke propaganda

der "Verlichting" was voorbereid door de fransche wijsgeeren van de

18e eeuw.

Zij ontsluit een nieuwen tijd. Door haar is de burgerklasse tot

macht en invloed gekomen, na haar is de moderne kapitalistische

produktiewijze ontstaan en door haar zijn dus middelijk de voorwaarden

tot de sociaal-demokratie van Karel Marx geschapen.

Wij zullen in het nu volgend hoofdstuk nog nagaan, op welke wijze er

reeds in die Revolutie-zelve, gearbeid werd aan of gedacht werd over,

socialistische of communistische idealen.

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 4 / 72 题