Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met
Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke
klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken
op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor
Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen
vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun
politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun
strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar
die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn
zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook
de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu
en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de
elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg
om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun
eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle
manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in
menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide
kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te
krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de
gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen.
Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande
lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht
zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de
publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen
andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd
Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in
Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben:
na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen.
Dit maakte dat hij zoo goed als geheel geïsoleerd was, machteloos tot
eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de
omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest
hem een gevoel geven van groote verlatenheid.
Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is
onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen
zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste
wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich
vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt
voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan
monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te
kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel
in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.
Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van
Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar
feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de
buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou
waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en
bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht
van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van
de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt,
dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar
genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren
ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het
phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den
prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume
van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in
zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd
de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen"
die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde:
toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige
gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig
antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt,
herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje."
De sceptische Schot vond zoo'n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.
Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende
omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen
tegen Hume moesten opwekken.
Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de
rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De
koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en
besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er
in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit
aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te
breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de
vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht
en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te
vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te
worden."
Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke
grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was
voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent
de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa
vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den
opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van
spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en
het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd
zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen
met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld.
Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig
mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd
geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de
nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij
hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge
mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de
hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis:
dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan
de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op
zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich
voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn
rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.
Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als
zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere
vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay,
natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het
toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme
d'Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den
schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht
moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij
zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat
Hume met zijn vijanden heulde.
Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op
grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt
van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen
letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem.
Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten
zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen;
na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr.
Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het
oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking
stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin
kwam er maar enkele weken in het jaar.
In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten
lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis
was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en
maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en
bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij
genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg
der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van tuin-aanleg
niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur
meer ongerept liet.
Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag
alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.
Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde,
hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van
het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een
enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de
buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en
beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude,
wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin
van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen;
zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige
streek.
Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden
daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het
voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren,
eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde:
waanzin omnachtte zijn gemoed.
De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de
goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk
paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze
overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend
geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van
vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken,
was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve
lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook
niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Thérèse en de
dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar
eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de
toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is
begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar
één wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54]
Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar
strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch
vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet,
wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau
was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de
onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze
bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in
een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer
geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke
inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende
behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden
aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den
tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn
verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn
evenwicht al meer te verstoren.
En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en
een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn
eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke
handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband
met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een
onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die
zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers,
na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe
spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den
beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een
muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich
zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume
bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was
een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in
Engeland tegen hem op.
Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te
worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der
Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en
wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem
ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau
wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij
niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands-
verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug
te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te
onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de
buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen.
Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere
explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn
eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich
voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat
hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had
hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of
langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan
Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Maréchal, aan Guy, zijn
hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend
met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar
schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te
snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak
van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem
verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen,
aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een
jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had
laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber,
terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn;
hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had
hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn
macht); hoe Hume op hem en Thérèse "lange, doordringende blikken" placht
te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven
langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden
dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd,
dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend
werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die
slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde
op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door
A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had
herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau
weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een
formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij
onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet
aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau
was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn
Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische
coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om
aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte
den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den
titel "Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt
overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen:
van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de
meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak:
"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster
van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de
Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien,
dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf
natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet
meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te
kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist
met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig
gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had,
en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te
verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires,
gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar
wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde
hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in
zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar
aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het
halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen
had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn
wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk
zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers,
die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de
gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord:
"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig
dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een
bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer
genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne
beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen
anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de
vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij
evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar
troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen
vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend."
In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht
er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn
vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen
onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar
uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de
dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk
ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr.
Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de
eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei
verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en
betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies.
Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij
vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding,
in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos
ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand
hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar
Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen
zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust
dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen
wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij
was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch
bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek
hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet
verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield
hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met
Thérèse in naar Calais.
Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende
later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.
In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk
brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den
beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een
bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem
den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van
Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der
talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel
Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging
in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den
marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen,
hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze
kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van
Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij
Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige
persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte
hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat
hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende
bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote
belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te
hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van
den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen
Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht
bij Parijs.
De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren
voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de
prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch
hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd
door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die
van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in
Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden
aan te nemen.
Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven
zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef
hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de
buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo
onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de
moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld,
hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme
de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had
afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat
hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de
bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren
en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen
opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De
eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij
sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en
een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht
op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen
maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn
vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij
gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de
boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke
schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam.
Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht
hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer
men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken
schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du
Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken,
schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig
heeft, mijn lichaam of mijn geest."
Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra
het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen.
Zijn geestverwanten uit Genève--waar de inwendige beroeringen
voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te
hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad
in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de
inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren
gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat
zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een
schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate
van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het
standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering,
als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad.
Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo
had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze
had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te
kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij
hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht
vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van
dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te
verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem
gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek
nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van
Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem
weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou
terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen
ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen
was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de
macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon
bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had
aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken
hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan
hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets
anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich
zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij
botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in
Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en
als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der
natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die
een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze
wetenschap bevatten.
Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het
graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble
een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde
hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude
galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine
geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau
bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte
complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek
bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van
dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet
tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden
aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een
der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in
zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo
overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij
aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na
zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en
weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje
tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar
zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de
plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke
verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak
hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die
hij in Trye had aangenomen.
In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse
ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen
dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of
Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug
te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging
natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn
bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te
ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering
vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders.
Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den
omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis,
hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende
opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en
haar beleedigden.
Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem
aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide
gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was
dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor
hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over
is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even
moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel
een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is.
"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen
zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal
meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze
harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten
drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen
te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts
een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen."
De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het
vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol
konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer
worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor
Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden
die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit
dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar
ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen
tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander
werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel
een deel van zichzelven.
Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen
zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een
verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche
voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn,
zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk
zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te
behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer
vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn
verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben
gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn?
Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was
voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die
verlichting ten minste nooit ontbeerd.
* * * * *
In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf
jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen
naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti.
Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke
drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij
weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden
blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in
'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen;
Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk
plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen
politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met
rust.
Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue
Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude
bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en
werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn
bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen
rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St.
Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren,
beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:
"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques
Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue
Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde
verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom
binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein
voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes
opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een
calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht
op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met
ons pratend.
"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets
hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn
gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn
mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd
was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken
dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een
groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten
verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van
het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn
gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van
iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en
medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en
toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't
vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel,
een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de
wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij
gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn
vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't
plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat
aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't
raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur
ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid,
vrede en eenvoud, die 't hart goed deed."
Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan
die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de
oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft
herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste
werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van
in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij
geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen
te zijn."
Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren
besteedde hij aan 't kopieëren van muziek en 't drogen, schikken en
opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste
zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan
dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde
in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij
betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn
bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de
nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen
in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een
hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag
twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd
was 't gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu
een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn.
Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij,
maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder
de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog
altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn
mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een
kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als
zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in
buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn
vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem
verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van
zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de
vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen
rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten
dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn
medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns
gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden
of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen
gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van
ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden.
Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken
schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle
bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers,
bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een
boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de
schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet
overzetten. Steeds meer kategorieën van personen hadden de machtige
samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem
komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen
bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de
vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed
hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen,
verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder
beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij
zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn
geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en
waarachtigheid, de "Dialogen."
Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner
vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de
onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood
verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets
meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven
en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen;
zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn
vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot
te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing
van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en
letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in
omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld
zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een
juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de
uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een
grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was:
de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn
snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In
hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen,
die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om
verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder
de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk.
Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand
doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij
voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op
andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde
hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele.
Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk
de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat
beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts
enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als
verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte
geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het
komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de
verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en
Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de
hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de
tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen"
uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande
zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de
"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit
gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen
onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den
mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden
die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en
verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche
sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de
gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan
zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en
meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn
oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van
list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered.
Maar hoe zulk een mensch te vinden?
Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan,
want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en
vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans
maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te
vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen,
verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn
handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de
Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders,
dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel
hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem
verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten,
tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.
Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden,
die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven
was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters:
"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft."
Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle
voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen
las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen,
zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.
Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden,
die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en
voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner
nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige
invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't
jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, 't denkende, voelende,
willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en
ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd,
maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.
Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht
op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe
beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij
bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge
zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd
en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die
hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij
bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij
spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een
vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social,"
dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven
glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers,
niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij
versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel
na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden
en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge
mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als
menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der
maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.
Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de
kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij
stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel,
schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in
zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch
te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te
heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon:
als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in
Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was
hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd
voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te
maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor
hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem
geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare
liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties,
de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige
klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had
hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord
gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried,
deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.
Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster,
vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te
geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden,
smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht
dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair
bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een
heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft
hij immers, dit is zijn levensdoel.
Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag
enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij
dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het
nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam
op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke
vooroordeelen.
O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid
nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken
als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die
droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is
helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke
krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke
demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote
Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten
niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne
arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze
droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere
wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote
voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten
in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn
van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke
lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.
Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen
dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en
zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien,
had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is
hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden
harten, en hij niets zag als vertwijfeling.
En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen
verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld
tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers
van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten
zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale
gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand
arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als één man
opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen
de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen
wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun
verzet verbitterd; zouden zij één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte
zijn waan va nvervolging èn grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien
woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den
verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid,
van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij
nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen
zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was
het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke
samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis,
in hem roemen als in een Groote?
Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is.
Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan
was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij
door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels.
Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid,
maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der
menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede
gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig
jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam,
de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen
te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart
toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en
lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.
Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen
weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en
zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de
lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de
troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid
gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der
wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende,
schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in
den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog
verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het
leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde
tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den
dageraad.
Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden
waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een
tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn
afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die
zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten
weemoed van het leven scheiden kan!
* * * * *
Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te
slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het
huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort
smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou
opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten
bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen
op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner
beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe
woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had
tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.
Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf
Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te
zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige
wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was
begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar
opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen
gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem
van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een
toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in
Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug,
dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers
die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de
stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke
vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.
[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).]
Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel.
Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond
liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich
bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat
hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die
zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed
hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk
hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat
daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag
hij daar.
Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn
overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van
zijn grooten tegenstander Voltaire.
* * * * *
Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den
boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden,
de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten,
de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat
zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en
moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord,
hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze
andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine
menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit
de diepten der oneindigheid.
De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke
omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe
onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken
aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der
aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen,
overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden,
tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten
bevruchten door het leven.
En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten,
hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen,
harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en
bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche
liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen
en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de
landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van
Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters,
stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn
eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den
man maken dien hij werd in die poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd-
gespletene en toch naar één doel stroomende jaren der jongelingschap.
De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de
maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle
omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie
somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--èn de maatschappij-kracht: de
begeerten, de aspiraties, de energieën en de gedachten die de maatschappij-
beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in
de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der
levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide
groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten
met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten,
zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die
zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te
tooveren tot schoonen droom.
Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over
hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het
verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een
nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis.
Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een
onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen
wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende
spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet
waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef,
hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen
andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de
maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de
maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter
volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van
zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij
wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was,
dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die
geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de
roepstem en volgde haar.
Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen
zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn
hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve
neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij
overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van
onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens
wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel
en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn
liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls
zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk
betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de
gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de
liefde tot de menschheid,--èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid
van den kunstenaar.
Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de
wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij
verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn
afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van
zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem
als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den
hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen,
broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om
zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af
om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls
ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit
zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang,
niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog
de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde
prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken
waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen
zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in
wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn
verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp
nauwkeurig en volledig als hij kon.
Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde:
het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende
beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in
hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen
zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en
schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij
vervallen in schaamteloos cynisme.
Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een
ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.
Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de
hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle
enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.
De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar
hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was
nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling
tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de
midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een
gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap,
den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij
voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het
ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op
het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen
der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren,
vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid
van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hùn
vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren.
Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat,
ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit
Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en
heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had
hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den
stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden
zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair
schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid
uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.
De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de
burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in
den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende
klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend
bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige
belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die
tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door
afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke,
en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende
richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit
't een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der
speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet
de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en
verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was,
bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan
tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling
tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.
En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende
en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in
de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen
hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de
Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe,
zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen
en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den
koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de
republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon
vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen.
Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag
idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld
met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden
zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere
demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering
als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft,
de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote
bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden,
maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen,
een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben
uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de
stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke
voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan
vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot
regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in,
naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer
dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en
vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden
dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden
die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen,
gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden
van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken
maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn
vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende
verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke
rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in
normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt
en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even
verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken
dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige
behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het
onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan
van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze
bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de
hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch.
Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en
toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het
wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk,
--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie
van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast
letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun
staatkundig evangelie was.
In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen,
dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat
uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden,
den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en
op godsdienstig gebied.
Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der
revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de
uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de
staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het
best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een
groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de
regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te
keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen
iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om
de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het
recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en
dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de
vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den
Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het
opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van
den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof
aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale
Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd,
dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan
slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn
goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.
Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken,
een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de
basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische
produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische
afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der
onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren
ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der
revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers
en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het
lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige
inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den
grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield.
In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn.
Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de
Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte
bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan
voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den
uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren
van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de
gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest
bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij
droegen niets van zijn wil meer in het hart.
Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens
gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In
zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke
vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den grondslag
van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den
bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf
heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau
evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het
communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en
vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles
gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit
de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende,
waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest?
Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische
gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der
individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet
gekomen, maar wie ook slechts één stap verder ging, moest de zon van het
socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf.
* * * * *
In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau
leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn
pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging
en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had,
zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken,
mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de
revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche,
over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening,
zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en
bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen
van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden
maakten de kunst zoo.
Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over
Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast
Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met
de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en
denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste
manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest
algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle
woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote
wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was
voorgegaan.
Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in
Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele
richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken,
een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het
politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig
natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de
burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische
zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige
gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling
bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en
specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het
heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige
vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar
de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde
enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den
schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij
zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze
heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in
de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de
romantiek.
Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele
banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en
het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den
geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte,
zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke
naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller,
zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp
bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring,
zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die
eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij
beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de
diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren
de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording.
En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau.
Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was
anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote
wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke
uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van
het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was
hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd
behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door
de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en
politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij
behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en
elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers,
tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken
gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en
geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer
van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke
liefde tot het leven, tot àl zijne verschijnselen. En al deze trekken,
die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller
geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke
literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de
psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle
Héloïse," der "Confessions" en der "Rêveries."
Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche
schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest
wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der
anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid
van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke
gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog
te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar
doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder
fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester
Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in
tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de
sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed
gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het
communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat
Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen
lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen
te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te
scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne
gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de
eigenheid van zijn wezen.
* * * * *
Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele
levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen
van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind
en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten
overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige
idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel
dat zijn.
De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie
maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door
reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de
inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den
dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij
bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de
grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke
ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen
bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd
zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig
denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel
belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en
gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische
dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende
proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten.
Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van
Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de
wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en
daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_
toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van
doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis,
blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben
veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.
Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis.
Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd
en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze
en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting,
liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo
allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de
vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en
knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het
burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam.
Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten
voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan
in de socialistische maatschappij.
Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de
individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de
bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het
kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner
krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te
vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de
liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken
weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die
verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met
de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen
aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het
zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van
ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van
menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar
de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale
oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke
volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de
aarde.
Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar
maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen
voorstelling had.
Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude
afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden
zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige
menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in
vrijheid;--wanneer de onrust en de onvreê en de wanorde van onze dagen
den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan
zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere
verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier
menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat
de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen
hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en
Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen
vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen,
opgaan van den enkeling in het geheel.
Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der
Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.