Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede
aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar
geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge
doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want
hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken
nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder
verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit
land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee
niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn
afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo
zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat
ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge
liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en
ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te
bezorgen."
Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van
Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af
wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in
Montmorency achter te blijven.
Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de
regeering van Genève den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar
had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich
binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen
volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich
bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den
"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten
tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de
kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen
voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat
hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam
liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De
aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een
herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus
vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er
uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde
den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek
had gedaan. Het "Contrat Social" werd alléén in Genève verboden: de
akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo
spoedig doorzag.
Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou
veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit
genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme
Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver
van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom
Neuchâtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en
geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar
aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit
Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij
hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.
Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den
Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten
van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur
gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de
steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging
van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel
kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal,
ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen.
Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in
Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom
liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de
gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware,
massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder één dak--met
weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een
onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan
ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.
Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk
zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen
huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat
opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt,
de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer,
voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen
avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te
moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit
onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den
lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend
vergeefs naar een groet der zon.
Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral
leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar
toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle
oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap
boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat
en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag
naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de
bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in
de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij
dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen
zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn
handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn
kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook
zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten
schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en
ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die
tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen
waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij
doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers
vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten;
het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden
zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen,
de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van
uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend
uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in
de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal
stroomde: de forellenrijke Reuss.
Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest;
heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren,
geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename
gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke
natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te
vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en
dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn
aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort
leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf
jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat
gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had
ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken
gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling
die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het
heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon
was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel
de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn
eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen
en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en
wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een
te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en
allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en
te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste
zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts
door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er
was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar
hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn
eenzaamheid mee te vullen.
Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van
planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen
tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij
als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap
stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde,
vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken
zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een
zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige,
heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende
zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de
schuld der menschen èn door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot
hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en
buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen
lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de
eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in
hem nog warme belangstelling wekte.
Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen
heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in
zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der
nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men
interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of
vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig
voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die
in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar
om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij
eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was
hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede
overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie
was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus,
die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd
verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de
plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te
populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat
natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen
door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk
hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde
de leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen
voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.
Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen
der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook
een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door
waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen,
die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van
specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker
geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.
* * * * *
Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof
te vragen in het vorstendom Neuchâtel te wonen; ook wendde hij zich tot
den gouverneur van Neuchâtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland
doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens
bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel
mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden.
Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen
zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel
begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling
was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te
leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie
eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver
te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet
rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij
vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en
in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of
planten-verzamelen was.
Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in
zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchâtel, te komen
bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman
en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot
elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef
Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar
onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid,
menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen
als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet
van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van
Neuchâtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door
de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor
heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij
hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme,
teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest
harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld;
zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel.
Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen;
tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord
Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei
hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn
genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door
waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij
zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de
brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen
vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau
meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer
schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden
zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost
nu ook ontnemen?"
Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van
Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche
eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn
zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers,
met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend
correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van
Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean
Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij
is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer
dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men
van hem houdt en achting vóór hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den
vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar
de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers
bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij
plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine
republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij
tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd
philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen
vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar
draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean
Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven
met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst
met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St.
Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar
half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van
luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in
Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van
onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord
Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchâtel 't
jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar
Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem
nooit teruggezien.
In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't
algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel,
van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde.
Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes
en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als
zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een
schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens
wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had
veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos
lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou
bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep
Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.
Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij
nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't
geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de
ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend
in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen
mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging
gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de
vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke
boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur
zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was
zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan
hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische
dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't
oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de
algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met
den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld
de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten
te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch
onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren
steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen
strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder
de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten
verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats
rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige
fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken.
Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau
bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg
weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen
der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan,
welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot
lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis
van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het
protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig
geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem
had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen
in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven,
niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten,
want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor
nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te
hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den
predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het
toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Maréchal had
uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan
zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting;
als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom
beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte,
dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de
"Lettre à monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne."
(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen
tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had
gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het
begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een
en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der
"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich
zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen"
de protestantsche wereld in rep en roer bracht.
Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem
aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar
de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen
tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag
natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding
gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den
plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het
leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de
aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van
onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om
door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten
getroffen te worden.
Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol
innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig-
verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken
van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek
tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk,
schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te
vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen
werd te erkennen "ik herken den burger van Genève niet meer," maar het
werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door
hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het
geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij
Voltaire volkomen ontbrak.
Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont"
weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn
gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen
der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In
dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op
bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te
zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij
in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan
Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen
godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding
van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke
godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de
essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid
der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den
godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den
mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering,
komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke
denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken
hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie,
boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de
voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle
verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van
den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige
denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag
der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het
bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder
volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren.
Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn
droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.
Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd
gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering
zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang
wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit.
Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de
overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een
jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund
zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn,
zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht
en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog
meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat
hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door
de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk
naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den
Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn
burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.
De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats
gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop
was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het
requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de
veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter
verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven
te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich
te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste
die in de "vrije republiek" Genève regeerde, bleek even beducht voor de
vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse
van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek
zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te
hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.
De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer
gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen
uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte
grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de
machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de
strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot
een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke
machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de
lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te
richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering
behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad
zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor
kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit négatif,"
dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie
vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter
zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst
met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en
naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der
regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt
voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder
vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der
burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van
vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau
zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn
naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen
schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden.
Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede
middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in
de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren
door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale
protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het
behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en
grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de
aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.
Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten
onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij
zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den
loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als
martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de
spits der burgers stellen zou.
Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om
zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen
van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens
zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid,
maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten
koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk
samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde
tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken.
Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed
gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem
tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.
Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen
waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de
procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in
den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne"
(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar
uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de
protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en
trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de
Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het
geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één
man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de
kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren.
Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij
zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten
Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe
bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde
van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de democratische leiders
om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig
voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds
in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand
onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen)
op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard
gebleven.
De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau,
en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen
regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't
algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een
bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven
zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de
"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert
daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de
onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet
voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève
ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch
onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een
beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende
politieke kwestie: het "droit négatif." Deze beschouwing gaf Rousseau
gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze,
waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te
veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten
ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.
De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Genève in
lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware
protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van
door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte
beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel
dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke
vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk
verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude
geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne
rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner
erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije
interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen,
om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen
twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen
vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van
het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de
uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest
natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de
kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk
leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke
ketterij.
Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke
machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van
despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige
wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag.
Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef
hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur
ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen,
eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles
komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het
volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen
handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel
hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden
tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen,
vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen
't hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en
zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede
laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen
voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van
den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het
gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin,
in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen
over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun
groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de
overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en
vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek,
het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is.
Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid,
de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die
zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede
laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en
tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te
strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen
zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de
beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate
heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen,
noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult
satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak
bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten
voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering
dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid
en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft
er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er
mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige
mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik
geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen."
Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots,
de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en
onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had
hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van
het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op
bepaalde gemeenschappelijke daden....
Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij
hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van
zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten
Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten-
bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te
zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in
den Haag en in Genève in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste
aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou,
de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik
wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen"
lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed
zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult
uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten
zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de
Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden
in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische
zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen,
liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en
beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per
slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus,
die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"),
dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk
van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo
ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.
Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn
vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die
algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende
tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij
in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet
abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reëel en
konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de
grooten hem een gevaarlijk dier.
Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd
schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die
kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem
laaghartig, verraderlijk te bespringen.
Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en
officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen
bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat
natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau
overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten
hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht
zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer
aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn:
Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te
zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een
grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van
den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph
van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch:
Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd
jegens zijn groote mededinger.
Door de verschijning van de "Nouvelle Héloïse" en den "Emile" was
Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke
kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de
onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk-
revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar
macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van
absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van
hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden.
Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen
zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke
aangelegenheden.
Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets
anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en
eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had
raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle
sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van
den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende
zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en
bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van
velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland
bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze
eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft.
Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau
omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver.
Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van
armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle
anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en
wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn
leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in
een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de
vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't
schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En
sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg
hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn
vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den
martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en
jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden,
maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar
Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige.
Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als
hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen
en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was
een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der
briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor
zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder
gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds
met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de
onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere
wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in
persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog
ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en
overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een
jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed,
om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht
bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting
van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw
breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in
zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel
mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het
opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden:
hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de
opvoeding zich moest bewegen, niet meer.
Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van
den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een
bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets
verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die
onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie
veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze
houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme
van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor
het onherroepelijke van de daad.
Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de
zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij
tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen
en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de
ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden,
bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een
enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling;
--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar
het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden
zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten
's zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.
Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau
Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op
hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken,
door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met
alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met
zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en
wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de
Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten
die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is
het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment
des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in
het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee
uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver
bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn
uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis-
reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige
meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van
een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een
medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke
gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt....
Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in
beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest....
Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in
Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie
omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom
wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen
dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij
gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken,
kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te
behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend
schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den
doodstraf_."
Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden;
Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener
meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige
vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en
platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau,
ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam,
geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile
verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij
kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee
hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te
brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.
Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of
zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van
Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig
zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der
oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in
zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist
geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't
bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren
natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke
eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard
voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige
dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het
wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid,
zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster
samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van
vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van
het jaar '65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk
vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en
nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den
vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen,
bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn
botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te
schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men
schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers
bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der
bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan
David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.
Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de
vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg
hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen"
kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf.
De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van
Neuchâtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun
schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau
voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten.
Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn
gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden,
probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten
einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal
weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een
uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen.
Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in
het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden:
alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet
wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of
buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van
Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige
klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren,
als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen
het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap
hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop
hebben.
Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren.
Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar
door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij
voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven
aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd
was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de
ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de
zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van
Neuchâtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der
predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom
verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de
jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven
uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen
de dominé's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest
aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst,
om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten."
Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het
despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige
demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde;
het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén recht te
zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat
die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn
onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere
onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in
konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing,
zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl
onvermijdelijk en niet zonder schuld.
Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem
hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn
gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en
al wankelheid.
Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en
benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan
met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar
vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen,
"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in
Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij
dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars
hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen.
Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken;
"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms
gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk
leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van
mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij,
en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die
knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op,
de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij
zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met
vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal
ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit
punt staat voor mij boven alle bedenking vast."
Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel
van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg
klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten
slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te
blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich
dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen
kon hij niet.
Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en
beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het
heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde
in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du
Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei
persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en
roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel,
dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de
gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke
toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op
't kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis
's nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der
galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden
posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.
Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de dominé's
hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede,
dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke
plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan.
Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie
jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich
van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne,
dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er
eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige
vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe
van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders
meer.
Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild
als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor
de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de
makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven
als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer
uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van
de haat des volks.
Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in
alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen,
nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid
boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor
een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad
verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die
van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als
wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en
die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad
die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als
voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de
vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de
teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan
hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten
aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit
hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde?
Hij voelde verder leven als doelloos.
Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur
en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen
en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee
meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Rêveries." Maar zijn
moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën,
die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't
uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt,
hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in
droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede
gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten,
tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle
windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop,
zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang
op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende
melancholie.
* * * * *
Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van
waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het
liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het
water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken,
kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken
gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den
oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde
bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van
witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het
rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van
de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol
vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid,
streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen
en ziel.
Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan
den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-
populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever.
De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau
er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden
overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige
vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvreê
der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet
hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch
en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de
bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al
opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich
urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt,
gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide
langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den
rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in
den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging
hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot
de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van
het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het
gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of
hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem
dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk
genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de
oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te
bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij,
God-gelijk, genoeg aan zich zelve.
Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot
gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.
Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre
stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo
ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist.
Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat
vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar
wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets
gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in
die bloemige, ruischende eenzaamheid!
Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het
grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een
edel, doodelijk-gewond hert.
Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar
Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij
voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn
aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde
beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en
befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger"
plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de
Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou
gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord
Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij
besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al
herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou
vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk
door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef
er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het
stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl
bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's
morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen;
hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij.
Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de
reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde
reisgenoot, over Calais naar Londen.