Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis
de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik,
als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren
astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik,
in sombere vertwijfeling...
Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen,
vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen
in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en
ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk,
dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne
opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond,
vertwijfeld en somber, riep een der mannen:
--Maar kijk, daar staat een ezel!
--Een onbeheerde ezel! riep een andere.
En de derde stemde in:
--Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons
werk te verlichten!
Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op
ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag
niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel
de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun
koorden... En slingerden die met lissen uit....
Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij gevangen had,
trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig
weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag
over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn,
verontwaardigd voorwaarts stoof....
Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er
was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides,
Lyzias' zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage
slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!
O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die
heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met
sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische
eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden
hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten
en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de
kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des
stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens,
demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen
en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit
euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware
nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut,
boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen
stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen
de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden
rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De
vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren en duldig leed ik
den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en
als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo
zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden,
dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om
zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen,
en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe
rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij
mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van
mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius
oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten
naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op
den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last,
bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten,
zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver
verlost te worden van het marteltuig.
In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van
hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap
gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht
ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke
nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk
beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste
maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En
vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten
weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen
ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de
dansende maagden...?
Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik
bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien;
zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius;
zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn;
zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid
tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich
dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van
licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar
meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte
vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken
van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg
ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik
en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met
een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten
en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst
eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij
nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij
ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende
het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den
ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar,
hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel
om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend,
naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag
weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen
van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan
een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, waar het nog
groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn
treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed,
zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager,
geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed
uitbreidende hoeven--om het steeds moeten dalen, zwaar beladen--zag
ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met
doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie
ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of
langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier...
Eenmaal--een huiveringwekkende stormnacht--waren de houthakkers beneden
in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd,
en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind
en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood
beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht
ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen
wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn
bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen
niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel
dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar
moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden
uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de
binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de
vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren
en woeste Lapithen in woedenden strijd door elkaâr te woelen...
Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere
stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers
waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken,
nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de
nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten
langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap,
een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open
breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet
anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden
mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In
een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij
meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer
waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel
of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen
al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij
de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn
rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik
hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos
en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels
nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid,
wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der
wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten
der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort
in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde
over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over
mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in den morgen, uitgeput,
was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De
wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen,
over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie
paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een
uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen
de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten,
verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur,
zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen,
die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand.
En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen
zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel
zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel
geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een
kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met
zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging
van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen,
bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens
woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen,
naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak
meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen
dadelijk en de opziener zeide:
--Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een
molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt.
En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar
de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door
ezels en misdadigers beiden...