VIII.

Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis

de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik,

als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren

astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik,

in sombere vertwijfeling...

Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen,

vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen

in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en

ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk,

dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne

opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond,

vertwijfeld en somber, riep een der mannen:

--Maar kijk, daar staat een ezel!

--Een onbeheerde ezel! riep een andere.

En de derde stemde in:

--Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons

werk te verlichten!

Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op

ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag

niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel

de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun

koorden... En slingerden die met lissen uit....

Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij gevangen had,

trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig

weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag

over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn,

verontwaardigd voorwaarts stoof....

Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er

was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides,

Lyzias' zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage

slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!

O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die

heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met

sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische

eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden

hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten

en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de

kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des

stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens,

demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen

en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit

euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware

nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut,

boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen

stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen

de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden

rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De

vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren en duldig leed ik

den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en

als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo

zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden,

dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om

zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen,

en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe

rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij

mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van

mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius

oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten

naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op

den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last,

bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten,

zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver

verlost te worden van het marteltuig.

In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van

hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap

gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht

ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke

nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk

beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste

maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En

vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten

weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen

ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de

dansende maagden...?

Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik

bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien;

zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius;

zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn;

zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid

tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich

dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van

licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar

meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte

vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken

van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg

ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik

en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met

een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten

en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst

eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij

nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij

ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende

het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den

ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar,

hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel

om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend,

naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag

weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen

van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan

een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, waar het nog

groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn

treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed,

zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager,

geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed

uitbreidende hoeven--om het steeds moeten dalen, zwaar beladen--zag

ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met

doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie

ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of

langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier...

Eenmaal--een huiveringwekkende stormnacht--waren de houthakkers beneden

in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd,

en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind

en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood

beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht

ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen

wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn

bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen

niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel

dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar

moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden

uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de

binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de

vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren

en woeste Lapithen in woedenden strijd door elkaâr te woelen...

Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere

stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers

waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken,

nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de

nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten

langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap,

een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open

breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet

anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden

mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In

een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij

meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer

waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel

of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen

al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij

de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn

rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik

hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos

en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels

nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid,

wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der

wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten

der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort

in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde

over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over

mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in den morgen, uitgeput,

was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De

wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen,

over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie

paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een

uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen

de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten,

verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur,

zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen,

die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand.

En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen

zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel

zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel

geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een

kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met

zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging

van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen,

bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens

woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen,

naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak

meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen

dadelijk en de opziener zeide:

--Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een

molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt.

En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar

de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door

ezels en misdadigers beiden...

De verliefde ezel · 第 17 / 31 题