V.

Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine

effenheid in mijn gemoed.

Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de

posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende,

donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar

den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van

gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende

stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds

in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij

zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere

lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere

druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij,

opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande

zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond

op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had

nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde

lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel,

die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie

vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!

En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen

knipten verblind, dat mijn lippen en keel droog voelden... Ik naderde

haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er

was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij

niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen:

Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?

Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En

reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon

en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht

buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt,

zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond

voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend,

maar in plaats dat ik fluisterde:

--Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf

onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik,

een ezel gelijk:

--Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!

Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen

een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op

weg of weide zag...

De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil

en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:

--Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!

Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en

voeten en toen...?

Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was

uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen

hoeven werden, mijn sterke armen sterke ezelspooten, mijn beenen

ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot

mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een

staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe

vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit

nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne,

hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...!

Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij,

in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking

van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden,

ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal,

achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven,

kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden,

vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo,

had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!!

Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik

rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een

ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik

deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg

mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van

Clitifo's tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de

zilveren bloemen...

Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van

ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters

kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata

was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis??

Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar met een gevoel

of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze

af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was

allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van

laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met

knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de

achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de

leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en

stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde

huid en grijze reiskleed verwerd...

Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een

inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.

--Wat is er? vroeg ik allen.

--Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele

Nausistrata bijna verslonden heeft!

--Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar--loog

ik--het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog

weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in...

--De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.

Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord

tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen

de mannen terug.

Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in

een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele

slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre:

--De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen gezien en hij

verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de

heuvels!!

--Die ezel wàs geen ezel! riep ik.

--Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze

geest!

--O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze

euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel,

die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de

luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als

te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur

blijf ik langer hier!!

Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens

Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar

Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven

ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de

betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee

der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en

rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede,

een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en

een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te

houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend

gedruisch.

En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den

verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds

blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van

beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen

keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de

vervloeking van de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer,

dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van

aard en...

Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet,

meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of

wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik

mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij:

zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den

grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe

zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita

omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt,

die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de

pracht van Dionyzos' druiven, wier wingerden de festoenen slingerden

langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van

morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol

argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke

verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een

posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij

de stad...

Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te

gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij,

dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers,

met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het

waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden

te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige

dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor

de wijnfeesten naar zijn landgoed trok. Uit den wagen gesprongen

zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed

tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek,

noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven,

keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken

draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende,

gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had

ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor

mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde

van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld

in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs,

zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen,

zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had

willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare

oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot

en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij

glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en

op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere

lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien

te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke

belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en

rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan

zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien

flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort,

die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna

naàst haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. En een

zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen:

--Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen,

opdat ik voor u kniele en u aanbidde...

Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het

dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong,

drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet,

maar balkte verschrikkelijk:

--Hi-ha...

De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó

zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een

ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was

in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart,

hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij.

Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens,

draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had

kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon

bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een

ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij

duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde

ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...

Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij

glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik

weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner

wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat

haar maagdeblik ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat

hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging,

onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan:

--Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte

gedrang...

De verliefde ezel · 第 14 / 31 题