Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine
effenheid in mijn gemoed.
Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de
posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende,
donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar
den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van
gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende
stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds
in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij
zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere
lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere
druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij,
opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande
zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond
op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had
nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde
lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel,
die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie
vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!
En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen
knipten verblind, dat mijn lippen en keel droog voelden... Ik naderde
haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er
was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij
niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen:
Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?
Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En
reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon
en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht
buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt,
zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond
voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend,
maar in plaats dat ik fluisterde:
--Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf
onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik,
een ezel gelijk:
--Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!
Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen
een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op
weg of weide zag...
De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil
en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:
--Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!
Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en
voeten en toen...?
Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was
uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen
hoeven werden, mijn sterke armen sterke ezelspooten, mijn beenen
ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot
mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een
staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe
vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit
nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne,
hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...!
Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij,
in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking
van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden,
ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal,
achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven,
kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden,
vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo,
had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!!
Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik
rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een
ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik
deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg
mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van
Clitifo's tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de
zilveren bloemen...
Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van
ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters
kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata
was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis??
Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar met een gevoel
of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze
af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was
allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van
laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met
knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de
achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de
leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en
stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde
huid en grijze reiskleed verwerd...
Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een
inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.
--Wat is er? vroeg ik allen.
--Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele
Nausistrata bijna verslonden heeft!
--Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar--loog
ik--het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog
weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in...
--De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.
Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord
tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen
de mannen terug.
Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in
een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele
slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre:
--De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen gezien en hij
verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de
heuvels!!
--Die ezel wàs geen ezel! riep ik.
--Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze
geest!
--O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze
euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel,
die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de
luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als
te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur
blijf ik langer hier!!
Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens
Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar
Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven
ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de
betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee
der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en
rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede,
een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en
een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te
houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend
gedruisch.
En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den
verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds
blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van
beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen
keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de
vervloeking van de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer,
dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van
aard en...
Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet,
meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of
wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik
mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij:
zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den
grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe
zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita
omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt,
die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de
pracht van Dionyzos' druiven, wier wingerden de festoenen slingerden
langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van
morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol
argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke
verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een
posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij
de stad...
Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te
gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij,
dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers,
met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het
waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden
te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige
dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor
de wijnfeesten naar zijn landgoed trok. Uit den wagen gesprongen
zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed
tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek,
noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven,
keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken
draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende,
gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had
ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor
mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde
van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld
in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs,
zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen,
zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had
willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare
oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot
en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij
glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en
op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere
lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien
te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke
belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en
rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan
zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien
flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort,
die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna
naàst haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. En een
zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen:
--Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen,
opdat ik voor u kniele en u aanbidde...
Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het
dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong,
drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet,
maar balkte verschrikkelijk:
--Hi-ha...
De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó
zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een
ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was
in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart,
hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij.
Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens,
draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had
kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon
bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een
ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij
duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde
ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...
Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij
glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik
weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner
wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat
haar maagdeblik ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat
hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging,
onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan:
--Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte
gedrang...