IN DE PYTHIA.

Ik begreep. "In de Pythia", dat was de herberg, de allereerste in

Delfi, de stad eenmaal van het beroemde Orakel Apollo's, waar zijne

door geuren vervoerde priesteres, de geheiligde Pythia, de wondervolle

spreuken op den gouden drievoet gestameld had. "In de Pythia". Ik steeg

uit, door Davus geholpen, en de herbergierster, een dikke waardin,

kwam mij begroeten.

--Hebt gij een kamer? vroeg ik.

--Helaas! riep de herbergierster. Edele prins, gij komt te laat. Ik

heb slechts éen kamer met drie bedden voor gasten, maar alle de drie

bedden zijn ingenomen!

--Ik kan dan in mijn wagen slapen, zeide ik; als je mij slechts wat

voedsel kunt geven, en ook mijn dienaar en voerman voeden en zorgen

voor frissche postbuffels.... Maar een prins ben ik niet; ik ben

slechts een handelsreiziger en als zoodanig slechts kan ik je betalen.

Voor de deur, op een bank, zaten twee mannen te praten en een derde,

die er ziek en ellendig uit zag, lag op den grond, tegen een boomstam,

zorgzaam gewikkeld in dekens en doeken. Zoodra zij mijne woorden

hoorden, stonden de twee mannen op en naderden mij. Zij zeiden:

--Zijt gij een handelsreiziger, heer? Zoo zijn wij collega's, want

ook wij zijn handelsreizigers, ja, zeker.

De eene was dik en kort en de andere lang en mager. Zij bogen en ik

stak hun de hand toe.

--Ik, zeide de dikke korte; reis in allerlei voedingsmiddelen, graan,

rijst, wijn en kom uit Thessalië, waar ik goede zaken gedaan heb. Mijn

naam is Crito.

--Ik, zeide de lange magere; reis in allerlei kleedingmateriaal: wol,

katoen, lijnwaad, en kom ook uit Thessalië; ook ik deed vrij goede

zaken, mijn naam is Chremes.

--Ik, zeide ik op mijn beurt, heet Charmides en ik reis in

weelde-artikelen.

--Toch niet naar Thessalië?? vroegen zij beiden te gelijker tijd.

--En waarom niet? Zoû ik er geen goede zaken doen? Het handelshuis

van mijn vader is beroemd om zijn fijne Oostersche koopwaar....

Crito en Chremes schudden bedenkelijk met de hoofden en handen en de

zieke, die op den grond lag, riep schril:

--Heer, hoed u te gaan naar Thessalië! Daar ben ik ziek geworden! Daar

ben ik eerst behekst geworden! En toen ik onthekst was, ziek, ziek,

ziek!

--Wie zijt ge? vroeg ik den zieke.

--Ik ben Aristomenes en reisde slechts voor mijn genoegen, heer;

ik wenschte het beroemde Thebe te zien, het beroemde Thespiæ en den

tempel, waar het goddelijke beeld van Praxiteles' Eros gestaan heeft;

ik wenschte Delfi, het heilige Delfi te zien; ik wenschte Thrachis

te zien, waar Herakles heeft gewoond: ach, heer, ik was slechts een

simpel toerist, ik was een dichter, ik beminde de letteren en de

schoonheid, ik beminde het reizen en het trekken en Thessalië heeft

schoone steden, schooner en weelderiger dan dit vervallene Delfi en dan

Thespiæ en Thebe, maar, heer, ik werd er behekst en anderen werden er

behekst als ik, in Larissa, in Hypata.... O, heer, o Charmides, gij,

die reist in weelde-artikelen, neem u in acht: hoèd u voor Thessalië!

Zoo klaagde de zieke op den grond. Mijn reiswagen was uitgespannen en

ter zijde geleid; mijne bagage bleef in den wagen: Davus en de voerman

aten reeds ieder een bord linzensoep op de andere bank ter zijde der

herbergpoort en ik zat tusschen Crito en Chremes op de bank bij den

boom, waartegen de zieke lag. Een dienstmeisje bracht mij mijn maal:

lamsbraad en brood en honig en ooft....

--Hoe heet je? vroeg ik beminnelijk.

--Fotis, heer, en ik ben tot uw dienst, zeide het beminnelijke meisje.

Ik knikte haar welgevallig toe en at met smaak. Ik was iets

minder melancholiek nu ik Fotis gezien had; waarlijk, zij zag er

uit om verliefd op te worden en ik werd dan ook dadelijk op Fotis

verliefd. Het geen niet weg nam, dat ik met jeugdigen honger mijn

tanden sloeg in het droge lamsbraad, het harde brood en den azijnzuren

wijn uit dronk.

--Ik heb, zeide ik tot den zieke; wel eens meer gehoord, dat Thessalië

het land van beheksing is, maar weet niet of ik hieraan gelooven kan.

--Toch is het zoo, heer!

--Toch is het zoo, heer! riepen Crito en Chremes om beurten.

--Noem mij Charmides! zeide ik genadig; ik reis wel in weelde-artikelen

maar ben handelsreiziger als gij beiden, die reist in kaas en in

wol en wij zijn toch collega's, niet waar. Noem mij Charmides, als

Aristomenes mij reeds noemde.

--Toch is het zoo, Charmides! riep de zieke. Thessalië is het land

der beheksing. De heksen zweven er rond in de lucht en spinnen uit de

maan de tooverdraden! En weven de tooverwebben! En dansen er op den

viersprong der wegen rondom Hekate, de driehoofdige! En de schimmen

der vermoorde kindertjes zweven er als vleêrmuizen en nachtuilen rond

door de nachten om wraak op de heksen te nemen, maar zij zijn sterker,

o Charmides: de heksen zijn àltijd stèrker, dan wie ook, dan de goden;

de heksen beheksen de goden zelfs en éen heks heeft mij behekst: in

een zwijn heeft zij mij veranderd als Circe Ulyssus' makkers deed

en hokkende en hikkende heb ik haar gevolgd, terwijl zij lachte,

de tooverkol! Hoed u voor Thessalië, Charmides!

De nacht viel, sinister, over het plein voor de herberg: In de

Pythia. De najaarswind woei klagelijk. Davus en de voerman, op de

andere bank, zaten met angstige gezichten toe te luisteren. Ruischend

als van vreemden zang, vielen de platanebladeren om ons rond. Ginds

stond mijn reiswagen, waar ik zoû moeten rusten.... geriefelijker

eigenlijk, dacht ik, dan in de éene kamer "In de Pythia", met de drie

bedden, die Aristomenes, Crito en Chremes reeds zouden innemen. De

arme dichter-toerist, ziek was hij wel, al verbeeldde hij zich

misschien in een zwijn te zijn veranderd geweest! Crito, een goede

kaasboer; Chremes, een brave lappeman: ik zag toch wèl een beetje

op hen neêr. Ik, ik was Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus:

ik reisde in purper en parels, in myrrhe en cinnamoom, in Sidonische

tapijten en bombyx-zijde: ik was jong, rijk, mooi, krachtig, door

de vrouwen bemind; ik beminde zelve altijd, ik was altijd heerlijk

verliefd; ik was nu verliefd op Fotis, die ik toelachte toen zij

de borden weg nam.... Mijne melancholieën om mijn strafreis en de

sombere oorden, die ik door trok, gingen als lichte wolkjes....

En toch.... Sinister die nacht over het plein.... Klagelijk de

najaarswind.... Zoo bleek de gezichten van dienaar en voerman.... Hoor,

wat zong er toch vagelijk door de vallende platanebladeren? Waren

het de vermoorde kindertjes?? Ik werd mij even bewust niet gehéel

lichtzinnig te zijn: ik werd mij even bewust te willen worden ingewijd

in de mysteriën van Eleuzis: een vreemde vroomheid huiverde vaak

door mijn gloeiend kloppende aderen: ik wist, dat er dingen van

goddelijkheid en ongoddelijkheid zijn, die een verliefde, jonge man

niet altijd begrijpt!

--Ik zal mij hoeden voor Thessalië! riep ik Aristomenes toe: maar ik

zal Thessalië niet ontwijken! Ik reis morgen Thessalië in! Er zijn

de steden als Hypata en Larissa, die bloeien, die zijn weelderige

steden, niet vervallen als Delfi, Thespiæ en Thebe en daar zal ik

bombyx verkoopen en Sidoniesch tapijt, cinnamoom en myrrhe en parels

en purper en ik zal er zaken maken als Crito en Chremes hebben gedaan!

Crito en Chremes schudden handen en hoofden.

--Wij, heer Charmides, zeiden zij beiden; gaan er nooit meer heen,

trots de goede zaken....

--Ik, heer Charmides, zeide Crito; ben er dik en kort geworden en ik

was, toen ik er heen ging, lang en mager.

--Ik, heer Charmides, zeide Chremes; ben er mager en lang geworden

en ik was, toen ik er heen ging, kort en dik.

Ik keek van den een naar den ander.

--Wie is dan de een en wie is de ander? vroeg ik.

Ze schudden hoofden en handen.

--We weten het zelve soms niet! bekenden zij.

Ik lachte, toch in mijn binnenborst geschokt in mijn vertrouwen.

--Ik moet tóch gaan, zeide ik. Ik zàl ook gaan, zeide ik

moediger. Avontuur, zelfs van heksen, stoot mij niet af. Bang was

ik nooit. Fotis, riep ik het meisje toe; wat bereiden ze voor op

het plein?

Want fakkels werden hier en daar op het donkere plein in gestampt.

--Heer, antwoordde Fotis en lachte als een roos; het zijn de rond

trekkende kunstenmakers, die gehoord hebben, dat gij in purper en

parels reist en die een voorstelling geven komen.

Ik lachte helderder.

--Laat ze komen! riep ik. Laat ze komen! Zij zullen ons verstrooien

voor wij slapen gaan en wij zullen niet van heksen droomen.

En met ketelmuziek kwamen zij op: twee mannen, drie meisjes, vier

jongens, een beer....

De verliefde ezel · 第 9 / 31 题