AAN ONZE VRIENDEN.

Wat is het toch dat menschen, Elkander te voren vreemd, na een blik In

elkaars oogen doet wenschen, Nooit weer van elkaar te gaan?

Wat is 't toch dat het harte Ontroert bij den klank eener stem, Nooit te

voren vernomen, die lang Ons naruischt als een requiem?

Wat is 't toch dat de ziele In jubel vervoering doet opgaan, Ontstuimig

ons het harte doet slaan? Wanneer een zeker oogenpaar, Vriendelijk in

het onze staart, Warm een hand de onze drukt?

Weet gij het, blauwe zee, Die golft van kust tot kust? Weet gij mij te

zeggen, waar Dat wond're op berust?

Wil mij 't zeggen, vluggewiekte wind, Gij, die van zoo verre streken

komt, Wat toch is 't dat ongeroepen komt en Voor immer met hechten band

't harte bindt?

O! zeg 't mij, schitterende gouden zon, 's Heelal's machtige licht- en

warmtebron, Hoe toch dat groote wonder heet, Dat zoo zalig 't harte

maakt, Verzacht, vergeten doet het leed, Dat op aarde ons genaakt?

Een zonnestraal brak door 't loover, Viel neer op den golvenden vloed;

't Werd àl licht, àl schittering rondom, Onder den gouden zonnegloed!

Een apothéose van licht en kleuren Aanschouwde het verrukte oog. En uit

de diep geroerde borst Steeg een warm dankgebed omhoog!

Niet één wonder was er, doch drie! Flonkerend op 't vloeibaar parelmoer,

Schreef 't Licht met brillanten letters: "Liefde, Vriendschap,

Sympathie!"

Liefde, Vriendschap, Sympathie, Murmelden de golfjes na, Zong in de

boomen de wind, Aan het vragend menschenkind.

Zoet streelde het luisterend oor De wondere zang van golven en winden,

"De heele, heele wereld door Zullen verwante zielen elkaar vinden!"

Zij zien op geen kleur, Noch rang, noch stand, Maar reiken onder alles

Elkaar de hand!

En hebben ze elkaar gevonden, Dan laten ze niet meer los de band, Die

hen verbindt. En blijven door alles Heen, elkaar trouw, trots tijd en

afstand.

In vreugde één, in droefheid één, Zoo door het heele leven heen! O,

zalig wie een verwante ziel ontmoet; Die heeft gevonden het heiligste

goed!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 130 / 136 题