Rembang, 7 September 1904. (VIII.)

Mijn liefste Moedertje, Hoe zal ik u danken voor het schattige jurkje

dat u ons kindje gaf. Het heeft voor ons des te meer waarde, omdat wij

weten in welke omstandigheden u aan het geschenk voor uw kleinkindje

gewerkt heeft. Van Roekmini weten we dat u het slecht maakt sedert uw

terugkeer op Batavia. Te bedenken dat u zelf ongesteld zijnde, zooveel

zorgen aan 't hoofd hebbende, en bovendien als altijd in eene groote

drukte zittende, toch den tijd kon vinden om zulk een geduld-werkje te

doen voor ons kind. Wel groot moet uwe vriendschap, diep en innig uwe

liefde voor me zijn! Met vochtige oogen en een dankbaar, gelukkig hart

bezag ik gisteren het jurkje, en telkens weer moet ik het zien!

Daar spreekt zooveel uit! Moedertje liefste! U heeft er uw dochter zóó

gelukkig meê gemaakt. Het beeldige ornamentje zal ik later uw kleinkind

om den hals hangen, als het niet meer op zijn jurkje kan gedragen

worden. En ik zal het verder voor hem bewaren, tot hij begrijpen kan,

als ik hem vertel van de lieve die God zijn moeder gezonden heeft, opdat

het ornamentje hem even dierbaar wordt als het nu voor zijn moeder is.

Mijn man zei me gisteren bij de ontvangst van uw cadeau: "Ga Moedertje

dadelijk schrijven, vrouw, het kon anders te laat zijn!"

En ik heb zijn raad gevolgd en meteen de stem van mijn hart.

Ons kindje is er nog niet, maar het kan er elk oogenblik zijn. Ik voel,

dat zijn komst al heel nabij is!

Innig dank voor uwe bemoedigende woorden, liefste! De gedachte, dat daar

ver van me een ziel, die een stuk is van mijn ziel, voor me hoopt en

bidt, maakt me sterk, doet me o zoo oneindig goed!

Menschen, die me deze laatste dagen zien, vinden me bijzonder opgewekt.

Hoe zou ik niet opgewekt zijn, waar zoo'n groot geluk me wacht?

Wat tellen al die uren van pijn, waar zulk een zoet geluk de prijs van

is? Ik verlang al zoo naar mijn kleine schat. Het is wel zoet te weten,

dat zoovelen deze laatste dagen met me leven.

Of ik niet weet, hoe mijn lieven thuis, uur aan uur met me meêleven,

voor me hopen en bidden.

Waar zoovele harten eenzelfde bede doen, daar zal de Hemel niet doof er

voor blijven. Moeske, ik ben er zoo vast van overtuigd, dat uw dochter

het goed zal afbrengen. Natuurlijk hoort u het dadelijk, als de groote

gebeurtenis plaats heeft.

Och, kon u, mijn lieve engel, maar aan de wieg van ons kindje staan! Wat

zal ik zalig gelukkig zijn! Ik weet, dat u ons kindje zal liefhebben,

ook al is het een grooter mormel dan zijn moedertje is! Als het maar

niet mormelig in hart en geest is, dan is het goed, hè Moeske! En dat

kan haast niet, tenzij kwade geesten waken bij zijn wieg. Maar daar zal

uw talisman wel voor zorgen, kwade geesten van uw kleinkindje afweren.

Mijn moeder is al sinds twee weken bij me en nog een oud grootmoedertje

om me bij te staan in de moeilijke oogenblikken, die komen gaan.

Ik word hier verzorgd, vertroeteld en bewaakt als een prinsesje.

De luiermand, het bedje, alles staat in onze kamer klaar voor de komst

van ons schatje.

En Moeske, hoe gaat het u a.s. Grootmamaatje? Hoe maakt Mijnheer het? O!

zoo _innig_ hoop ik dat deze u beiden in den allerbesten welstand zal

bereiken.

Hoe gaat het met Edie? Is hij nog in China? Ik las met belangstelling

zijn stuk in Elseviers maandschrift.

Wat schrijft die jongen goed! Broer Edie, zou hij zich mijner nog

herinneren? Ik heb er nog altijd hartzeer over, dat ik hem niet in

persoon heb mogen ontmoeten. En nu, nu is de kans daarop heelemaal

verkeken!

Als u hem schrijft, doe hem de hartelijke groeten van zusje Kartini;

vertel hem van mijn mooi geluk, en dat wij beiden hem in sympathie

gedenken.

Wat riekt het vruchtje heerlijk, echt Inlandsch parfum! Ik heb het

jurkje in een kistje bij andere kleertjes opgeborgen, opdat ook deze

lekker zullen ruiken. Wat zal mijn schat later heerlijk rieken!

Goeden nacht, liefste Moedertje, ontvang nogmaals ons beider innigsten

dank. Groet Mijnheer hartelijk van ons beiden, en wees zelf ferm gekust

van uw eigen dochtertje

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 127 / 136 题