3 November 1903. (VIII.)

Uw meisje leeft weer, zij leeft. Haar hart gloeit en trilt weer; en geen

vlijmende smart, geen bittere, doffe wanhoop doet de snaren trillen,

_liefde_, vol en zwaar, ruischt in de accoorden.

Wat klaag ik ondankbare, met zoo'n rijken schat in mij!

De liefde is het _meeste_! Zij is het rijkste als zij geeft.

En ik kàn geven, en ik zàl geven, als eens rijken Vader's kind, met

volle hand, liefde om mij heen. Wat u en anderen mij geven, dat zal ik

met interest betalen aan anderen. O! er zijn er zóó velen, die hongeren,

dorsten naar wat liefde!

Wat kan 't toch vreemd, wonderlijk toegaan in 't leven, 't Was wel

opmerkelijk, zooals hij zich tot Vader aangetrokken gevoelde van af 't

oogenblik dat zij elkaar voor een paar jaar geleden voor 't eerst

ontmoetten. Sedert zocht hij ons en werden Vader en hij vrienden.

En van zijn arm vrouwtje was het een illusie met hem en al de kinderen

bij ons te komen, om met ons kennis te maken. Beiden noemden zij mijn

Vader "Vader". Zij had zoo graag met ons kennis gemaakt, helaas, nog

vóór zij haar wensch in vervulling kon brengen, nam de dood haar weg.

Kort vóór haar dood, zag hij in droom zijn vrouw: zij was in een vurig

gebed verzonken, en de innige bede, die zij tot den Allerhoogsten

opzond, was: dat zij en Raden Adjeng Kartini vriendinnen mochten worden

en blijven tot de eeuwigheid. Sinds dien was mijn naam hem niet uit de

gedachten.

Ja, veel heeft hij geleden, haar heengaan was hem een zware slag, hij

hield zoo innig veel van haar.

En zijn hoop voor hem zelf is, dat Vaders kleinood, zijn "wasiat

djati"[1], zooals hij mij noemt, hem over zijn leed zal heen helpen.

He, ja, toe, laat mij een woordje van u vinden, als ik den 11den intrede

doe in mijn nieuw tehuis. Het zal mij zijn, als leidde uw dierbare hand

mij zegenend mijn nieuwe leven, mijn groote taak in!

[1] Wasiat = testament, djati = wezen. Testament van zijn wezen, m.a.w.

waarin zijn geheele wezen voor altijd overgaat.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 114 / 136 题