Nu heb ik een groot, groot verzoek aan u, eigenlijk is het aan Mijnheer.
Wil u het ZEd. overbrengen?
Wij stellen heel veel belang in een jongmensch, en zouden zoo innig
graag zien, dat hij gelukkig werd. Dat jongmensch heet Salim; is een
Sumatraan uit Riouw, die dit jaar eindexamen H B.S. gedaan heeft, en N°.
1 van de drie H.B.S.en is. Die jongen zou dolgraag naar Holland willen
gaan, om voor dokter te studeeren; helaas, zijn financiën laten dat niet
toe. Zijn Vader heeft maar _f_ 150 tractement.
Hij zou desnoods als matroos willen dienen, als hij maar naar Holland
kon gaan.
Vraag Hasim naar hem, die kent hem en heeft hem hooren spreken in
Stovia.[1] Een flinke, kloeke borst, die verdient geholpen te worden.
Toen wij van hem hoorden en van zijne illusie, kwam in ons een machtig
verlangen op, om het onze te doen, ten einde het hem wat gemakkelijker
te maken. Wij dachten aan het Gouvernementsbesluit van 7 Juli 1903--dat
besluit met zoo smartelijk verlangen door ons verbeid en met smart
ontvangen.
Moet de vrucht van den arbeid van nobele vrienden, van ons hopen, bidden
en verlangen onbenut verloren gaan?
Kan een ander daarvan niet profiteeren? Het Gouvernement stond ons
beiden _f_ 4800 toe voor de voltooiing van onze opvoeding; zou dat niet
aan een ander, die misschien veel meer, doch stellig niet minder dan wij
verdient geholpen te worden, overgedragen mogen worden? Het zou heerlijk
zijn als de Regeering zijne geheele opleiding wilde bekostigen; dat zal
zoowat _f_ 8000 bedragen; als dat niet kan, zouden wij al heel dankbaar
zijn, zoo Salim de ons toegestane _f_ 4800 mocht hebben. Voor het
ontbrekende zullen wij dan aan anderen hulp vragen.
O, laat hem die vreugde smaken, waar onze ziel jaren naar gesmacht
heeft, en die ons ontzegd is.
Maak ons gelukkig, door een ander, met dezelfde verlangens, gevoelens en
aspiraties bezield als wij, gelukkig te maken. Wij weten wat het is, om
leven in zich te voelen, om eene brandende begeerte in de borst te
dragen. O! laat dat mooie jonge leven, die frissche kracht niet verloren
gaan! Dat moet in goeden zin geëxploiteerd worden ten bate van het volk,
dat zulke krachten o zóó noodig heeft.
Wat zou Salim als dokter niet ontzaglijk veel goeds voor het volk kunnen
doen!
Dat is ook Salims illusie: te werken voor ons volk!
Het is heel een gek verzoek, dat wij doen, dat weten we; maar o, als het
eens toegestaan kon worden! Moeske, dan zouden wij al die maanden, jaren
strijd niet verloren, nutteloos achten. Laat ons het zeldzaam voorrecht
smaken, nog bij ons leven de vrucht van ons lijden en strijden te zien;
deze zal zijn: de verwezenlijking van Salims ideaal.
Moge God onze bede verhooren.
Salim zelf weet van dit alles niets; hij weet niet eens, dat wij
bestaan. Hij weet alleen, dat hij met hart en ziel verlangt zijne
studiën te voltooien om later voor zijn volk te werken, en dat hij dat
niet kan, omdat hij geen geld heeft.