O, zeker Stella, kan ik mijn ouders _nooit_ genoeg dankbaar zijn voor de
vrije opvoeding, die zij mij gaven. Liever mijn heele leven strijd en
moeilijkheden, dan niet gekend te hebben, al wat door mijne Europeesche
opvoeding mijn leven vult. Ik weet, dat véél, véél strijd mij wacht,
doch ik zie onbevreesd de toekomst in. Terug naar mijn oude omgeving kan
ik niet, verder de nieuwe ingaan ook niet, nog duizend koorden ketenen
mij aan mijn oude wereld vast. Hoe moet 't gaan? vragen al mijne
Europeesche vrienden zichzelf af. Wist ik 't zelf maar, lieve menschen,
ik zou 't u met plezier zeggen. Allen weten en begrijpen ze in welk een
hachelijken toestand wij ons bevinden, en dan zegt men, dat 't verkeerd
van mijn Vader was, om mij de opvoeding te geven, die ik kreeg. Neen!
neen! niet op mijn liefsten Vader de schuld gegooid! Neen! en nog eens
neen! Vader kon 't niet helpen, kon 't niet voorzien, dat de opvoeding,
die Vader aan al zijne kinderen gaf, zulk een uitwerking bij een dezer
zou hebben. Vele andere regenten gaven en geven hun kroost dezelfde
opvoeding als wij, en 't had en heeft toch ook niets anders uitgewerkt,
dan Hollandsch sprekende Inlandsche jonge dames met Europeesche
maniertjes. Dieper is bij tal van Europeesch opgevoede vrouwen de
beschaving niet gegaan. "Hoe moet 't gaan?" vroegen allen die met ons
kennis maakten aan Mevrouw Ovink--Soer. Allen weten en begrijpen, dat
vroeg of laat wij tòch weer terug moeten naar de maatschappij, waarin
wij ons niet meer gelukkig zullen kunnen gevoelen.
Er valt niets te veranderen; op den een of anderen dag zal het gebeuren,
moèt het gebeuren, dat ik een onbekenden echtgenoot volg. Liefde is een
sprookje in onze Javaansche wereld! Hoe kunnen man en vrouw elkaar
liefhebben, als zij elkaar voor 't eerst van hun leven zien, wanneer ze
reeds goed en wel met elkaar door 't huwelijk verbonden zijn?
Ik zal _nooit, nooit_ kunnen liefhebben. Om lief te hebben, moet er
eerst achting zijn, naar mijn meening, en ik kan geen achting hebben
voor de Javaansche jonge mannen. Hoe kan ik iemand achten, die
_getrouwd_ en _vader_ is, en toch, omdat hij genoeg heeft van de moeder
zijner kinderen, weer eene andere vrouw in huis haalt, volgens
Mohammedaansch recht _wettig_ getrouwd. En wie doet zulks niet?[1] En
waarom zal men het niet doen? 't Is geen zonde, evenmin een schande; de
Mohammedaansche leer staat den mannen toe, vier vrouwen tegelijk te
houden. Al mag dit duizendmaal géén zonde zijn voor de Mohammedaansche
wet en leer, ik blijf 't eeuwig zonde noemen. Zonde noem ik alle daden,
die een medemensch lijden doen. Zonde is een ander, mensch of dier pijn
doen. En kunt ge u voorstellen, welke hellepijnen een vrouw moet
uitstaan, wanneer haar man met een ander thuis komt, die zij als zijne
wettige vrouw, hare mededingster moet erkennen? Hij kan haar ten dood
toe folteren, mishandelen zooveel hij wil; wanneer hij niet verkiest
haar hare vrijheid terug te geven, dan kan zij naar de maan fluiten om
recht! Alles voor den man en _niets_ voor de vrouw, zijn onze wet en
leer.
"Adeldom verplicht", zegt gij in uw laatsten brief. Dwaas die ik was, om
te denken, dat geestesadel steeds hand aan hand gaat met
karakteradel!--dat geestelijk hoogstaan ook beteekende zedelijke
superioriteit! Hoe bitter was ik hierin teleurgesteld.
Begrijpt gij nu den diepen afkeer, dien ik voor 't huwelijk heb? Het
nederigste werk zou ik dankbaar en met liefde verrichten, zoo het mij
daarvoor bewaarde en mij onafhankelijk maakte. Maar ik mag niets, niets
doen, om der wille van Vader's maatschappelijke positie.
Als ik een werkkring koos, moest deze zijn iets dat mij paste!! 't Werk,
dat ons lief is en geen schande zou zijn voor mijne hoog-adellijke en
hooggeplaatste familie (een reeks regenten van Java's Oosthoek tot het
Midden) ligt zoo onbereikbaar ver van ons! Het eischt een langdurig
verblijf in het Westen, en daartoe hebben wij de middelen niet. Wij
hebben onze oogen te hoog opgeslagen, nu moeten wij de gevolgen ervan
maar zelf dragen. Waarom gaf God dan talenten, als men alle middelen
missen moet om ze te ontwikkelen. Mijn beide zusjes hebben heelemaal
zonder eenige leiding 't aardig ver gebracht in het teekenen en
schilderen--volgens deskundigen--ze zouden zoo graag zich daarin verder
willen bekwamen. Hier op Java bestaat daartoe geen gelegenheid, en naar
Europa gaan kunnen we niet. Om dat grapje te doen, heeft men noodig de
toestemming van Z.E. den Minister van Financiën en Z.E. geeft die niet.
Wij moeten dus maar zelf zien vooruit te komen.
O, Stella, weet je wat het is, iets vreeselijk graag te willen, en dan
je onmacht te voelen? Als Vader 't kon, ik twijfel niet, of Vader zou
ons zonder aarzelen naar je ver en koud land gezonden hebben. Ik
schilder en teeken ook, maar mij trekt oneindig meer dan 't penseel de
pen aan. Begrijp je nu, waarom ik zóó verlang, meesterschap over je
schoone taal te bezitten? Neen, maak me maar niets wijs. Ik voel mijne
onmacht zelf al te wel. Wanneer ik meesterschap over de Nederlandsche
taal bezat, dan was mijn toekomst verzekerd. Een ruim arbeidsveld lag
dan voor mij open en ik ware een vrij menschenkind. Want zie--ik als een
geboren Javaansche, weet _alles_ van de Inlandsche wereld. Een
Europeaan, hoe lang ook op Java gewoond hebbende, en onbekend met de
Inlandsche toestanden zijnde, kan toch nog niet zoo op de hoogte zijn
van alles in onze Inlandsche wereld als de geboren Inlander zelf. Veel
wat nu nog duister en een raadsel is voor Europeanen, zou ik gemakkelijk
met een paar woorden kunnen oplossen, en daar waar geen Europeaan
toegang heeft, kan de Inlander komen. Allerlei finesses in de Inlandsche
wereld, die zelfs voor den grootsten Indoloog onbekend zijn gebleven,
kan de Inlander aan 't licht brengen.
Ik voel mijn onmacht maar al te goed, Stella. Ieder zou 't uitproesten
van 't lachen, wanneer men over mijn schouder heen dit blaadje papier
kon lezen. Wat een krankzinnig idee van me, niet waar, ik, die niets heb
geleerd, niets ken, ik zou mij aan letterkunde willen wagen! En toch, al
lachte ook jij mij uit, en ik weet, dat je 't niet doet, ik zal dat
denkbeeld _niet_ laten varen. 't Is wel een wanhopig werk; maar "die
niet waagt, die niet wint," is mijn lijfspreuk! Vooruit maar! Alles
brutaal aandurven en aanpakken! De brutalen hebben drie vierden van de
wereld.
Ik zond je 't stukje uit de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor
Land-, Taal- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. Dat ding schreef ik
een jaar of vier geleden en keek er verder niet naar, tot kort geleden
bij 't opruimen van oude papieren 't mij weer onder de oogen kwam. Vader
kreeg juist een verzoek om medewerking van 't Bestuur van bovengenoemd
Instituut. Pa zond 't stukje op en na eenigen tijd kreeg ik een hoop
overdrukjes gestuurd. Ik dacht, dat 't je misschien interesseeren zou en
zond je er dus een.[2]
Een stukje over 't batikken, dat ik verleden jaar voor de
Vrouwenarbeid-Tentoonstelling maakte, waarvan ik nooit iets hoorde,
wordt opgenomen in een standaardwerk over 't batikken, dat gauw zal
verschijnen.[3] Wel leuk, toen ik dezer dagen van het onverwachte nieuws
hoorde. Ik was die heele geschiedenis reeds vergeten.
Je vraagt me, hoe ik tusschen vier dikke muren kwam te zitten. Je dacht
zeker aan een cel of zoo iets. Neen, Stella, mijne gevangenis was een
groot huis, met een uitgestrekt erf rondom, doch hieromheen was een
hooge muur, en deze hield mij gevangen. Hoe ruim ons huis en erf ook
zijn, als je er _altijd_ blijven moet, dan wordt het je toch te benauwd.
Ik herinner mij, hoe ik in stomme wanhoop mijn lichaam telkens tegen de
steeds gesloten deuren en den kouden steenen muur wierp. Welke richting
ik ook nam, 't eind van iedere wandeling was een steenen muur of een
gesloten deur!
Met de inhuldiging van onze jonge Vorstin gingen de deuren van onzen
kerker voorgoed open; reeds lang echter was deze groote gebeurtenis
voorbereid. Europeesche vrienden hadden al jaren gebeukt en gehamerd op
de stevige muren, die ons omsloten. Eerst boden ze krachtigen weerstand,
doch gestadig druppelen holt den steen. En steentje voor steentje
brokkelden de muren af, tot met de Kroningsfeesten onze Ouders ons met
één sprong uit de puinhoopen heen naar buiten trokken in Gods open,
vrije veld!
In den laatsten tijd zei Mevrouw Ovink me vaak: "Kind, kind, hebben we
wel goed gedaan met jelui vanachter de hooge kaboepatenmuren te
voorschijn gehaald te hebben? Ware 't niet beter geweest, als jelui
steeds in de kaboepaten gebleven waart? Want hoè moet 't gaan? hoè zal
't gaan?"
En als ze onze schilderijen en teekeningen zag, riep ze vol wanhoop uit:
"Kindertjes, kindertjes, zit er dan niets anders voor jullie op?"
Niets, de eenige, de beste oplossing, die ik weet, is dat wij drieën in
de lucht sprongen, en Pa en Ma vergaten, dat zij ooit ons drieën bezeten
hadden. Gelukkig, dat ik optimistisch van natuur ben en niet gauw mijn
kop hangen laat. Nu, als ik niet worden kan, wat ik zoo graag wil
worden, dan word ik maar een keukenmeid. Je moet dan weten, dat ik een
"genie" ben in koken. Mijne familie en vrienden behoeven zich niet
bezorgd over mijne toekomst te maken, vind je ook niet? Een goede
keukenmeid is altijd te gebruiken en kan overal terecht komen.
Wat zijn de salarissen in Holland klein vergeleken bij die in Indië. En
ze klagen hier altijd over schrale tractementen. In Indië heb je na 20
jaren dienst al recht op pensioen en predikanten reeds na 10 jaren. Een
"dorado" is Indië wel voor de ambtenaren, vindt je niet? En toch
schelden een menigte Hollanders Indië uit voor 't "beroerde apenland".
Ik kan er zoo helsch onder worden, wanneer ik hoor zeggen: "beroerd
Indië". Men vergeet maar al te dikwijls, dat het "beroerde apenland"
menigen leegen zak met goud vult, wanneer men naar Patria terugkeert na
eenige jaren verblijf alhier.
* * * * *
't Zou maar nuttelooze moeite zijn Hilda van Suylenburg in 't Maleisch
te vertalen. Wie leest die taal, behalve de mannen? Er zijn ook nog zoo
weinig Maleisch lezende Javaansche vrouwen. En om H.v.S. ingang bij haar
te doen vinden, moesten ze eerst erop voorbereid zijn. Ze zouden dat als
een aardig vertellinkje beschouwen en meer niet.
Eene verandering in onze geheele Inlandsche wereld zal komen; het
keerpunt is voorbeschikt; maar wanneer? Dit is de groote vraag. Wij
kunnen het uur der revolutie niet vervroegen. Dat juist wij in deze
wildernis, in dit diepe binnenland, waarachter geen land meer is, zulke
oproerige gedachten moesten hebben! Mijne vrienden hier zeggen, dat wij
verstandig zouden doen, door een jaar of 100 lang te slapen--als wij
ontwaakten, dan zou dat net een goede tijd zijn voor ons. Java is dan
zoover, als wij 't hebben willen.
"Maatschappelijk werk in Indië" bezit ik. Ik kreeg 't van Vader, die 't
weer present kreeg van Mevrouw Van Zuylen-Tromp. Deze dame zond Vader
dat werk, met verzoek om open aanmerkingen te willen maken, en ook om
medewerking. HEd. wilde een boek over de Inlandsche vrouwen uitgeven. Ik
heb er voor bedankt. Véél heb ik over de Javaansche vrouwen te
vertellen, maar ik ben nog zoo jong en heb maar weinig, bitter, bitter
weinig levenservaring. Het onderwerp, dat ik bespreken moest, is mij te
ernstig en te heilig, om dat zoo maar af te maken. Ik kan 't verlangde
stuk nu ook wel schrijven, als ik wil, maar ik weet zeker, dat ik er
spijt van hebben zal, als ik 't deed. Waarom? Omdat na een jaar of vier
ik een beter en helderder blik zal hebben op verscheidene zaken, en ik
de talrijke denkbeelden, die nu verward door mijn brein jagen, goed beet
hebben zal misschien.
Van de Mohammedaansche leer kan ik je niet vertellen, Stella. Zij
verbiedt haar belijders aan belijders van een ander geloof over haar te
spreken. En, in trouwe, ik ben een Mohammedaansche, omdat mijne
voorouders dat waren. Hoe kan ik mijn leer liefhebben, als ik haar niet
ken? niet kennen mag? De Koran is te heilig om vertaald te worden, in
welke taal dan ook. Hier kent niemand Arabisch. Men wordt hier geleerd
uit de Koran te lezen, doch 't gelezene verstaat men niet. Ik vind 't
een gekkenwerk, iemand te leeren lezen, zonder 't gelezene te leeren
verstaan. 't Is evengoed alsof je mij een Engelsch boek leert lezen, en
ik 't heelemaal uit het hoofd moet kennen, zonder dat je mij de
beteekenis van een enkel woordje daarin zegt. Wil ik mijne leer kennen
en verstaan, dan dien ik naar Arabië te gaan om daar de taal te leeren.
Ook zonder vroom te zijn kan je toch wel een goed mensch zijn, nietwaar
Stella?
En op het "goed zijn" komt het aan.
Godsdienst is bedoeld als een zegen voor de menschheid, om een band te
vormen tusschen alle schepselen Gods. Allen zijn we broers en zusters,
niet omdat wij dezelfde menschelijke ouders hebben, maar omdat wij allen
kinderen zijn van één Vader, van Hem, die daarboven in de hemelen
troont. Broers en zusters moeten elkaar liefhebben, helpen, sterken,
steunen. O, God, soms zou ik wenschen, dat er nooit een godsdienst had
bestaan. Want deze, die juist alle menschen tot één vereenigen moest,
is door alle eeuwen heen oorzaak geweest van strijd en verdeeldheid, van
de bloedigste en gruwelijkste moordtooneelen. Menschen van dezelfde
ouders staan dreigend tegenover elkaar, omdat de wijze, waarop zij één
en denzelfden God dienen, van elkaar verschilt. Menschen, wier harten
door de teederste liefde met elkaar verbonden zijn, keeren zich diep
ongelukkig van elkaar af. Verschil van kerk, waarin toch dezelfde God
wordt aangeroepen, richt een scheidsmuur voor beider voor elkaar luid
kloppende harten.
Is godsdienst wel een zegen voor de menschheid? vraag ik me zelf
dikwijls twijfelend af. Godsdienst, die ons voor zonden bewaren moet,
hoevele zonden juist worden niet onder Uw naam bedreven!
Max Havelaar bezit ik, doch "Wijs mij de plaats, waar gij gezaaid hebt",
ken ik niet. Ik zal er navraag naar doen, want ik houd heel, heel erg
veel van Multatuli.
Over den toestand der minderen en der hoofden vertel ik je een anderen
keer. Nu heb ik al zooveel geschreven, en dat onderwerp eischt voorzeker
geen geringe plaats, hoor!
Wat of wij thuis spreken? Wat een vraag, Stellalief. Natuurlijk onze
taal en dit is Javaansch. Maleisch spreken wij met vreemde oosterlingen,
dit zijn Maleiers, Mooren, Arabieren, Chineezen enz. en Hollandsch
alleen met Europeanen.
O! Stella, wat moest ik lachen, toen ik je vraag las: "Mag je je ouders
b.v. zonder hunne toestemming wel eens hartelijk omhelzen?" Luister dan,
den eersten kus moet ik mijnen Ouders, broers en zusters nog geven.
Zoenen is in de Javaansche wereld geen gebruik. Alleen kinderen van één
jaar tot 3, 4, 5, 6 worden gekust. Wij zoenen elkaar nooit. Ja, kijk
daar maar verwonderd van op! 't Is toch zoo. Alleen onze Hollandsche
vriendinnen kussen ons en kussen wij terug. Dit laatste is zelfs van
zoo'n ouden datum niet. Wij lieten ons eerst maar zoenen, doch kusten
nooit terug. Sedert we zoo bevriend zijn met Mevrouw Ovink--Soer hebben
wij zoenen geleerd. Als zij ons kuste, vroeg HEd. ons ook een kus terug.
In den beginne vonden wij 't wel wat vreemd en zoenden ellendig lam.
Maar dit werkje leer je gauw aan, hé? Hoe lief ik iemand ook heb (eene
Hollandsche altijd, wij Javanen zoenen elkaar niet), ik zal 't nooit in
mijn hoofd krijgen om haar uit eigen beweging een zoen te geven. Want,
zie je, ik weet niet, of ze dit wel prettig zal vinden. Voor ons is 't
een genot om een zacht, blank wangetje met onze lippen te beroeren, maar
of de bezitster van dat wangetje 't ook prettig vindt, een groezelig,
zwart gezicht tegen 't hare te voelen, is een andere vraag. Laten de
menschen ons maar voor onhartelijk uitkrijten, uit eigen beweging zullen
wij nooit iemand omhelzen.
* * * * *
Als 't waar is, wat je zegt, dat ik niet hoef onder te doen voor menig
Hollandsch meisje, dan is dit voornamelijk het werk van Mevrouw Ovink,
die met ons, Javaantjes, omging als met eigen zusters. De omgang met de
beschaafde, zeer ontwikkelde volbloed Hollandsche dames had een
heilzamen invloed geoefend op de bruintjes. Moesje weet wel, dat door
tijd en afstand heen de harten harer dochtertjes hun beiden zullen
toebehooren. Vadertje had ons beloofd, of eigenlijk Mevrouw Ovink liet
Vadertje beloven op zijn eerewoord, ons bij hen op Djombang te brengen.
Mijnheer Ovink wilde ons maar dadelijk meenemen. Wij hebben hen zoo
lief, zoo lief, haast zoo lief als Pa en Ma. Wij missen hen erg, erg. Ik
kan mij tot nu toe maar nog niet goed voorstellen, dat zij werkelijk van
ons weg zijn. Wij hebben zóóveel met elkaar meêgemaakt. Hartelijk hebben
wij al dien tijd elkaars familieleven meegeleefd.
[1] Men bedenke bij het lezen van dezen in 1899 geschreven brief, dat de
schrijfster destijds nog zeer jong was, en het haar blijkbaar onbekend
was, dat in de Inlandsche maatschappij meer en meer de opvatting
doordringt om zich slechts met één vrouw te verbinden, al is het _recht_
blijven bestaan om met vier vrouwen gehuwd te sijn. In hare brieven van
vijf jaren later, zal men zien, dat het huwelijk haar een groot geluk
bracht, daar de band tusschen haar en haren echtgenoot met hare innigste
wenschen overeenkwam.
[2] Het stukje draagt tot opschrift: "Het huwelijk bij de Kodja's en is
opgenomen in deel I (6e volgreeks 6e deel) blz. 695 e.v. der Bijdragen.
[3] Zie G.P. Rouffaer en Dr. H.H. Juynboll. "De Batikkunst in Ned.-Indië
en hare geschiedenis", blz. XI der inleiding, waar vermeld wordt, dat
het stuk van Raden Adjeng Kartini een belangrijk deel uitmaakt van het
eerste hoofdstuk van voormeld werk.
[Illustration]