Ik heb zóó verlangd kennis te maken met een "modern meisje", het fiere,
zelfstandige meisje, dat zoo ten volle mijne sympathie heeft, dat met
vluggen, flinken tred haar weg door 't leven gaat, vroolijk en
opgeruimd, vol geestdrift en warm gevoel, arbeidend niet voor eigen heil
en geluk alleen, doch ook zich gevend aan de groote Maatschappij,
werkend tot het heil van vele medemenschen. Ik gloei van geestdrift voor
den nieuwen tijd en ja, ik kan wel zeggen, dat wat denken en voelen
betreft, ik den Indischen tijd niet meeleef, doch geheel die mijner
vooruitstrevende blanke zusters in het verre Westen.
En als de wetten van mijn land zulks zouden toelaten, zou ik niets
liever willen en doen, dan me geheel te geven aan het werken en streven
van de nieuwe Vrouw in Europa. Eeuwenoude tradities echter, die niet zoo
maar af te breken zijn, houden ons in haar stevige armen gekluisterd.
Eens ja, zullen die armen ons loslaten, maar die tijd ligt nog verre van
ons--zoo eindeloos ver! Hij _zàl komen_, dat weet ik, doch eerst drie,
vier geslachten na ons. O! U weet niet wat 't is den jongen, den nieuwen
tijd, úw tijd, lief te hebben met hart en ziel, terwijl je nog aan
handen en voeten gebonden, vastgeketend bent aan de wetten, gebruiken en
gewoonten van je land, waaraan 't niet mogelijk is te ontkomen. En de
gebruiken en gewoonten van ons land staan lijnrecht tegenover het
nieuwe, dat ik graag in onze Maatschappij zou ingevoerd zien. Dag en
nacht peins en zin ik op middelen om tòch aan de strenge zeden en
gewoonten van mijn land te kunnen ontsnappen, doch ... de oude
Oostersche tradities zijn wel hecht en sterk, maar ik zou ze toch van
mij kunnen afschudden, verbreken,--ware het niet, dat een andere
hechtere en sterkere band dan eenige eeuwenoude traditie mij aan mijne
wereld bond: de liefde, die ik heb voor hen, die mij het aanzien
schonken, aan wie ik àlles, àlles te danken heb. Mag ik, heb ik het
recht wel, om hen, die mij mijn leven lang niets dan liefde en goedheid
betoonen en mij omringen met de trouwste zorgen, het hart te breken?
Hunne harten zou ik breken, wanneer ik aan mijn verlangen toegaf en deed
waar heel mijn wezen naar smacht, bij iederen polsslag, bij elke
ademhaling.
't Waren de stemmen niet alleen, die van buiten, van het beschaafde, het
herboren Europa tot me doordrongen, die me naar verandering der nu
bestaande toestanden deden verlangen. Reeds in mijne kinderjaren, toen
het woord "emancipatie" nog geen klank, nog geen beteekenis voor mijne
ooren had, en geschriften, en werken, die het daarover hadden, ver
buiten mijn bereik waren, ontwaakte in mij een verlangen, dat gaandeweg
grooter en grooter werd: het verlangen naar vrijheid en
onafhankelijkheid, zelfstandigheid. Toestanden in mijne directe en
indirecte omgeving, die mijn hart braken, en deden schreien van nameloos
verdriet, riepen het wakker.
En de stemmen, die voortdurend van buiten al luider en luider tot mij
kwamen, deden het zaad, hetwelk het diep medevoelen van het leed van
anderen, die ik innig liefheb, in mijn hart legde, ontkiemen, wortel
schieten, welig groeien en tieren.
Maar hierover voorloopig niet verder--een anderen keer meer. Nu wil ik u
het een en ander van mijn persoon vertellen, ter kennismaking. Ik ben de
oudste of eigenlijk de tweede dochter van den Regent van Japara en heb
vijf broers en zusters--wat een weelde, hé? Wijlen mijn grootvader,
Pangeran Ario Tjondronegoro van Demak, die een groot voorstander was van
den vooruitgang, was de eerste Regent op Midden-Java, die zijn huis
ontsloot voor den gast van ver over zee: de Westersche beschaving. Al
zijn kinderen, die allen eene Europeesche opvoeding genoten, hebben of
hadden (velen dezer zijn er niet meer) de liefde voor den vooruitgang
van hunnen vader overgeërfd, en deze gaven op hun beurt hun kroost
dezelfde opvoeding, die zij zelf genoten hadden. Vele mijner neven en al
mijne oudere broers hebben de H.B.S. doorloopen--de hoogste inrichting
van onderwijs, die wij hier in Indië hebben, en de jongste mijner drie
oudere broers bevindt zich sedert ruim drie jaren ter voltooiing zijner
studiën in Nederland, de twee anderen zijn in 's Lands dienst. Wij
meisjes, geketend als we nog zijn aan oude gebruiken en gewoonten,
hebben slechts povertjes mogen profiteeren van den vooruitgang, wat 't
onderwijs betreft.--'t Was al een heel groot vergrijp tegen de zeden en
gewoonten van mijn land, dat wij meisjes uit leeren gingen en daarvoor
eiken dag het huis verlaten moesten om de school te bezoeken. Zie, de
adat van ons land verbiedt meisjes ten strengste uit hun huis te komen.
Naar een andere plaats gaan mòchten wij niet--en de eenige inrichting
van onderwijs, die ons stadje rijk is, is maar een gewone openbare
lagere school voor Europeanen. Op mijn twaalfde jaar werd ik thuis
gehaald--ik moest de "doos" in; ik werd in huis opgesloten in algeheele
afzondering van de buitenwereld, waarin ik _niet_ eer terug mocht
keeren, dan aan de zijde van een echtgenoot, een wildvreemden man, dien
onze ouders voor ons uitkiezen en met wien we getrouwd worden feitelijk
zonder dat wij het weten. Europeesche vrienden--dit heb ik eerst heel
later gehoord--hadden al 't mogelijke beproefd om mijne ouders tot
andere gedachten te brengen, tot intrekking van het voor mij, jong en
levenslustig kind, zoo wreed besluit, maar zij hadden niets kunnen
verkrijgen--mijne ouders waren onverbiddelijk--, ik ging mijn gevangenis
in. Vier lange jaren heb ik tusschen vier dikke muren doorgebracht,
zonder ooit iets van de buitenwereld te zien.[1]
Hoe ik dien tijd doorkwam, weet ik niet--ik weet alleen maar, dat hij
verschrikkelijk was.
Een groot geluk was het voor me, dat de lectuur van Hollandsche boeken
en de correspondentie met Hollandsche vrienden mij niet ontzegd waren.
Deze waren de eenige lichtpunten in dien naren, somberen tijd. Zij waren
mijn àlles--zonder die twee zoude ik misschien omgekomen zijn of erger
nog dan dat--mijn ziele, mijn geest zouden gestorven zijn. Maar de
tijdgeest, mijn helper en beschermer, liet overal zijne dreunende
stappen hooren; trotsche, hechte, oude gebouwen waggelden bij zijne
nadering op hunne grondvesten--stevig gebaricadeerde deuren sprongen, de
een als van zelf, de ander met veel moeite open, maar open gingen ze
toch, en lieten den onwelkomen gast binnen. En waar hij is geweest, liet
hij sporen achter.
Op mijn 16e jaar eindelijk zag ik voor 't eerst de buitenwereld weer.
Goddank! Goddank! ik mocht mijn kerker verlaten als een vrij mensch, en
niet geketend aan een mij opgedrongen echtgenoot. Na zes maanden zag ik
voor den tweeden keer de buitenwereld terug; daarna volgden
verschillende gebeurtenissen elkaar op, die ons meisjes al meer en meer
onze verloren vrijheid hergaven; en verleden jaar met de inhuldiging
onzer jonge Vorstin schonken onze ouders ons "officiëel" de vrijheid
terug. Voor het eerst van ons leven mochten wij de stad onzer inwoning
verlaten en meê naar de hoofdplaats gaan om daar àl de festiviteiten bij
te wonen, die ter eere van de Koningin waren aangelegd. Alweêr een héél,
héél groote overwinning, die wij zeer op prijs mogen stellen, wat wij
dan ook doen. Dat jonge meisjes van onzen stand zich in het publiek
vertoonen is hier een ongehoord iets, de "wereld" stond er verbaasd
over. Lieve tongetjes raakten over dit ongehoord feit druk in beweging,
mijne Europeesche vrienden juichten, en wij, wij waren er den koning te
rijk meê!
Maar tevreden ben ik niet, nog in lange niet. Verder, immer verder wil
ik! Neen, geen feesten, geen pretjes naloopen heb ik ooit begeerd, is
ooit de bedoeling geweest van mijn verlangen naar vrijheid. Vrij
verlangde ik te zijn, om me zelfstandig te mogen, te kunnen maken, om
van niemand afhankelijk behoeven te zijn, om ... om nòòit te moèten
trouwen.
Maar trouwen moeten we, moèt, moèt. Niet trouwen is de grootste zonde,
die een Mohammedaansche kan begaan, is de grootste schande die voor een
Inlandsch meisje en hare familie bestaat.
En het huwelijk hier, o, ellendig is hier nog een tè zachte uitdrukking
voor! Hoe kan het ook anders zijn, als de wetten zijn gemaakt àlles voor
den man en nièts voor de vrouw? als wet en leer beide zijn vóór den
man--als hem àlles, àlles is geoorloofd?
Liefde! wat weten wij hier van liefde?--Hoe kunnen wij een man en een
man ons liefhebben, als wij elkaar niet kennen, ja zelfs niet zien
mogen? Jonge meisjes en mannen worden in strenge afzondering van elkaar
gehouden.
* * * * *
Ja, heel graag zou ik alles van uwe betrekking willen vernemen, zij
lijkt mij zeer interessant toe. En wilt u me dan ook vertellen van de
voorbereidende studies, die haar voorafgingen? Ook heel erg graag zou ik
meer van uwe Toynbee-avondjes willen vernemen, evenals van den
geheel-onthoudersbond, waarvan u zoo'n ijverig lid is. Dit alles hebben
wij in Indië niet. Maar ik stel daar warm belang in. Zou u mij later
niet eens zoo'n Toynbee-avondje willen beschrijven? Ik verlang er
werkelijk naar, wat meer van dezen arbeid van naastenliefde te vernemen,
dan wat de dagbladen en tijdschriften me vluchtigjes er over vertellen.
In de Inlandsche maatschappij hebben we Goddank, nog den drankdemon niet
te bestrijden--maar ik vrees, ik vrees, dat als eenmaal--vergeef me--de
Westersche beschaving hier burgerrecht heeft verkregen, wij ook met dat
kwaad te kampen zullen hebben. De beschaving is een zegen, maar zij
heeft ook haar schaduwzijden. De zucht tot naäperij is den mensch
aangeboren, geloof ik. Het volk doet de gewoonten van den goeden stand
na, deze op zijn beurt van een nog beteren stand, en deze eindelijk van
de allerbesten--de Europeanen.
Het is geen ècht feest, wanneer er niet bij gedronken wordt.
Tegenwoordig ziet men bij feestvierende Inlanders--zoo dezen niet streng
godsdienstig zijn--en de meeste Inlanders zijn enkel Mohammedanen, omdat
hun vader, grootvader en verdere voorzaten Mohammedanen waren--in
werkelijkheid zijn ze niet meer of minder dan heidenen--steeds één of
meer vierkante flesschen die dan niet zuinig door hen aangesproken
worden.
Een kwaad, erger, grooter nog dan de alcohol, is er hier! Het is opium.
O! wat een ellende dat afschuwelijk goed over mijn land, over mijn volk
heeft gebracht is niet te zeggen. Het opium is de _pest_ van Java. Ja,
erger nog dan de pest is 't opium. De pest is niet altijddurend, vroeg
of laat zal zij wijken, maar het kwaad door opium gesticht wordt
gaandeweg grooter en grooter, breidt zich hoe langer hoe meer uit en zal
niet, _nooit_ verdwijnen, eenvoudig omdat het is beschermd door het
Gouvernement! Hoe grooter het verbruik van opium op Java is, des te
voller zal de schatkist zijn. De opiumpacht is één der rijkste bronnen
van inkomst der N.-I. Regeering. Wat geeft het of het volk er wèl of
niet bij vaart?... de Regeering vaart er wèl bij, dat is het
voornaamste. De vloek van het volk vult den buidel der Ned.-Indische
Regeering met tonnen, met millioenen gouds.
Velen zeggen, dat het gebruik van opium geen kwaad is, maar die dat
beweren hebben Indië nooit gezien of zijn ziende blind.
Geen kwaad!--Wat zijn dan de talrijke moorden, brandstichtingen,
diefstallen, die onmiddellijk het gevolg zijn van het gebruik van opium?
Neen, opiumschuiven is geen kwaad, zoolang je het kan doen, je geld
hebt, om dat vergift te koopen; maar wanneer je het niet kan doen, je
geen geld hebt om het te koopen en je bent een verslaafd schuiver, dan
ben je gevaarlijk, dan ben je verloren. De honger in je maag kan je tot
een dief maken, maar de honger naar opium maakt je tot een moordenaar.
Men zegt hier: "Eerst geniet je van het opium, maar op het laatst
verslindt het opium je." En dit is heel, heel waar!
O God, o God! 't is ellendig om zooveel kwaad om je heen te zien en
onmachtig te zijn iets daartegen te doen!
Het heerlijk mooi boek van Mevrouw Goekoop genoot ik in zijn geheel en
wel drie keeren. Ik ben er niet moe van geworden --het boek wordt mij
bij elke herlezing juist des te liever. Wat zou ik er voor willen geven
om in Hilda's tijd meê te mogen en te kunnen leven. O! waren wij in
Indië maar al zoo ver, dat een boek zulk een geweldigen storm kon
veroorzaken, als Hilda van Suylenburg het deed en nog steeds doet in uw
land! Ik zou dan niet rusten, voor H.v.S. in mijn taal verscheen om in
de Inlandsche wereld goed en desnoods kwaad te doen. Onverschillig, goed
of kwaad, als het maar indruk maakt, is 't goed, want het is een bewijs,
dat men niet meer slaapt. Java is nog in diepen sluimer. En hoe wil ik
toch, dat wij wakker zijn, als zij die ons tot voorbeeld moesten zijn,
de rust, den slaap zelf nog liefhebben? Een feit is het, dat het
meerendeel der Europeesche vrouwen (ik spreek hier niet van de
_Hollandsche vrouwen_, die hier zijn) in Indië weinig of niets geeft om
het werken en streven harer blanke zusters in het Vaderland. En de
jongste gebeurtenis in de Hollandsche vrouwenwereld heeft dit feit
bevestigd. Werd niet door de Ned.-Indische dames kranig (!!!)
deelgenomen aan de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in
Nederland? Wij ook hadden eene uitnoodiging gekregen om mede daaraan te
werken, hetgeen we volgaarne aannamen. Het grootsche vrouwenwerk had
mijn gansche sympathie, wij gloeiden voor de goede zaak, voor het edele
streven der moedige vrouwen in uw land, en waren in-gelukkig, dat we een
zaadkorreltje konden, mochten bijdragen tot het vormen van den
reuzenberg, die den vrouwen, blank en ook bruin, zàl en moet ten zegen
zijn.
Wij kregen ook prikkaarten. Bij mijn eigen landgenooten was het geen
doen om ook maar een enkel prikje op de kaart te krijgen. Hoe wij hun de
zaak ook uitlegden en verklaarden, men kon en wilde ons maar niet
begrijpen. Ten einde raad liepen we toen maar gewoonweg bij de
Europeanen aan om hulp. Aan bekende en onbekende dames zonden wij
kaarten en schreven wij brieven om medewerking.
Het was wel wat gewaagd van ons--wij Javanen gingen bij Europeanen
spreken voor een Europeesche zaak, wat een pretensie!--men kon het ons
eens heel kwalijk nemen, maar aan dat alles dachten we niet; we hadden
slechts één gedachte, één doel, de zaak waar wij met heel ons hart aan
hingen te dienen met al ons vermogen. En--men hielp ons flink! Ze vonden
het blijkbaar aardig, dat wij Javaantjes hun hulp vroegen en
misschien.... Genoeg, men had ons heerlijk aan prikken geholpen; zelfs
zij, die gezworen hadden, nièts voor de tentoonstelling te willen doen,
lieten zich overhalen de koorden hunner beurzen wat losser te maken.
Slechts één dame nam ons optreden kwalijk--maar daar stoorden wij ons
niet aan.
En al is naderhand onze medewerking aan de tentoonstelling minder
aangenaam voor ons geëindigd, toch hebben wij geen enkel oogenblikje
spijt gehad, dat wij deel hebben genomen aan dien Arbeid.
Vertel u mij veel, veel van het werken en streven, het denken en voelen
der hedendaagsche vrouwen in Nederland. Wij stellen in àlles levendig
belang, wat aangaat de Vrouwenbeweging!
Ik ken geen der moderne talen, helaas!--de adat gedoogt niet, dat wij
meisjes meer talen leeren--het is al erg genoeg, dat wij Hollandsch
kennen. Ik verlang met hart en ziel de talen te kennen, minder om die
talen te kunnen spreken, maar wel om vele mooie werken van
buitenlandsche auteurs in het oorspronkelijke te kunnen genieten.
Nietwaar, al is een vertaling ook nog zoo goed, het kan 't tòch niet
bij het oorspronkelijke halen; dit is altijd beter, mooier; Wij houden
heel veel van lectuur, mooie werken te lezen is ons grootste genot. Wij,
dat zijn de jongere zusters en ik. Wij drieën zijn samen opgegroeid en
steeds om en bij elkaar. Wij verschillen met elkaar ieder een jaar in
leeftijd. Tusschen ons drietjes bestaat de meest harmonische eendracht;
natuurlijk hebben wij wel eens een enkelen keer verschil van meening,
maar dit verzwakt in geenen deele den band, die ons zusters samen bindt.
De kleine oneenigheidjes zijn juist heerlijk, vind ik--ik bedoel de
verzoeningen, die daarop volgen. Het is de grootste leugen, die er
bestaat, vindt u ook niet, als men beweert, dat twee menschen steeds in
_àlles_ dezelfde meening zijn toegedaan --'t kàn niet--of men moet
huichelen.
Ik heb u nog niet verteld, hoe oud ik ben. Verleden maand ben ik juist
20 geworden. Vreemd, dat toen ik 16 jaar oud was, ik mij-zelf zoo
vreeselijk oud vond en zoo dikwijls zwaarmoedige buien had; en nu, nu ik
twee kruisjes achter den rug heb, voel ik mij zoo jong en ben ik een en
al levenslustig en ... ook strijdlustig.
Noem mij maar Kartini--zoo heet ik. Wij Javanen hebben geene
familienamen. Kartini is mijn van en voornaam tegelijk, en wat dat Raden
Adjeng betreft, die twee woordjes drukken den titel uit. Ik kon, toen ik
Mevrouw van Wermeskerken mijn adres opgaf, toch niet enkel Kartini
zeggen, dat zou men in Holland zeker vreemd vinden, en een mejuffrouw of
iets dergelijks er voor te schrijven, wet daar heb ik geen recht op--ik
ben maar een Javaan.
Nu weet u voorloopig van me genoeg, niet waar? Een volgende keer vertel
ik u van ons Indisch leven.
Wilt gij over den een of anderen Indischen toestand ingelicht zijn, meld
het mij dan; gaarne ben ik bereid u alle mogelijke inlichtingen te geven
over mijn land en volk.
Wat ik graag zou weten--kent u Mevrouw Goekoop persoonlijk? Zoo ja, wilt
u mij later dan eens het een en ander van haar vertellen? Ik stel warm
belang in deze hoogstaande, moedige vrouw, die zoo ten volle mijne
sympathie heeft.
[1] Men zie de toelichting op bladz. 16 door de schrijfster zelve
gegeven.