SLOT.

In het huisje, dat nu mevrouw Uhlstra bewoonde, deden de altijd maar

ongetrouwd blijvende dochters precies wat zij wilden.

Ze waren niet mooi, en ze waren arm nu; ze hadden haar dwaasheden

gedaan, omdat ze niet werden gevraagd; maar heel stilletjes en zonder

dat iemand er de tanden aan stootte.

Nu deden ze den heelen dag niets dan babbelen en lanterfanten, en

roedjag eten en zóó voortlevend op die manier van het bitter beetje,

dat mama nog bezat en van hetgeen Lena eraan toevoegde.

Zij en Eddy hielden trouw hun belofte; wat er had moeten komen van zijn

en haar familie, als zij het niet hadden gedaan, dáár kon niemand aan

denken.

Eigenlijk dacht ook niemand daaraan.

En niettemin zonken die families weg, ondanks den steun. Eerst had Lena

nog getracht persoonlijke relaties aan te houden, doch het ging niet op

den duur. Zij vervreemdde van hen. Eddy had zijn promotie gemaakt en

een jaar later maakte hij weêr bevordering.

Zij hadden een kindje, maar hoe lief zij het hadden, de les was

geweest: geen tweede. Immers ze hadden zich vast voorgenomen de familie

te blijven helpen; zich grootendeels voor haar op te offeren. Dàt

konden ze wel volhouden. Een groot deel van Eddy’s tractement ging

geregeld weg aan de hoe langer hoe behoeftiger familie. Het hokte alles

bij, met en om elkaar nu in de kampong. Lena kon er niet komen. En als

ze bij haar kwamen, natuurlijk om geld te halen, dan ontzagen ze zich

volstrekt niet er op te zinspelen, dat Eddy en Lena trotsch werden

tegenover de families; onder elkaar spraken ze over de geldelijke hulp

als een soort van verplichting; al de goede hoedanigheden van het jonge

paar waren niets dan „geluk,” al hun eigen kwade eigenschappen louter

„ongeluk.” Men moet maar „boffen” was hun parool.

Het was zoo’n mooie namiddag als elke in den Oostmoesson.

Eddy, moê van z’n kantoor, had zich lekker gemaakt in nachtbroek en

kabaai; hij speelde met den kleinen Willem, zooals hij elken middag

deed, al was het kind ook veel te jong om besef te hebben van de

pogingen, die Eddy aanwendde om het te amuseeren. Hij hield dol veel

van het kind. Het heette naar Geber, op uitdrukkelijk verlangen van

mevrouw Uhlstra en van zijn schoonmoeder; hij noch Lena hadden dien

wensch begrepen. Doch wat deed het ertoe? Willem was ’n mooie naam!

Terwijl Lena thee schonk, praatten ze samen, onder het bezig zijn met

hun kindje en tusschen de dwaze geluiden door bij zulk een gelegenheid

voortgebracht.

„Er is zoo gestolen, hoor ik,” zei hij.

„Alweêr?” vroeg Lena, denkend aan een inbraak op een handelskantoor.

„Dat wil zeggen, op ’n heel andere manier.... in de toko Meier.”

„Och kom!” zei ’t jonge vrouwtje belangstellend.

Het was een magazijn van goud en zilverwaren, juweelen en diamanten,

een oude bekende toko, waarin ze dozijnen malen was geweest toen ze nog

een kind was.

„Is het erg, Ed?”

„’t Gaat nogal! Voor ’n zes-, zevenhonderd pop.... Maar ’t ergste is de

gemeene manier. Het is gehaald ter bezichtiging op ’n valsch

naamkaartje.”

„Van wie?”

„Van ’n landheer geloof ik. Het verzoek om een precies aangewezen

collier meê te geven stond op het kaartje.... onderteekend....”

„Heeft men geen vermoeden?”

„Ik weet het niet.”

Eddy bleef doorspelen met het kind; het gevalletje daareven verteld,

kon hem niet schelen; hij zei het tegen Lena, omdat een vrouw, die den

heelen dag thuis heeft gezeten, graag iets nieuws hoort van haar man,

als die van z’n kantoor komt. Op Lena had het een bijzonderen indruk

gemaakt, zonder dat ze had kunnen zeggen waarom. Maar ze vergat het ook

onder het verder praten.

Al hadden zij het niet breed, hun leven ging zoo rustig en zoo

gelukkig, dat ze niets verlangden voor hunzelven; zij zagen ook wel,

dat anderen het respecteerden; de buitenwereld wist heel goed wat zij

deden voor hun arme bloedverwanten en men vond dat mooi. Menschen, die

zelf nooit tot zoo iets in staat geweest zouden zijn, vonden het

allerloffelijkst.

„Kom,” zei Lena lachend, „het wordt al donker, Ed. Ga nu baden en geef

mij ’t kind.”

Maar hij talmde nog, bij kris en kras bewerend van het kleine

schepseltje, dat het hem begreep en tegen hem lachte; dat het hem heel

goed kende en met de oogjes al zijn bewegingen volgde. Zij moest erom

lachen en sprak het maar niet tegen, al had haar grondige kennis als

jong moedertje voor haarzelf uitgemaakt, dat Ed onmogelijke dingen

vertelde.

Eindelijk ging hij naar de badkamer. Terwijl zij ’t kindje had

overgenomen, Eddy’s vriendelijk praten ertegen vervolgend, kreeg zij

onverwacht bezoek van haar moeder, en het viel haar op hoe oud en

vervallen die eruit zag. Maar toen mevrouw Lugtens vlak voor Lena stond

in de voorgalerij, schrikte die van het ontstelde gezicht en de bevende

handen.

„Mijn God, ma, wat is er?”

„Stil Lena,” fluisterde haar moeder zenuwachtig en angstig rondziende.

„Is je man er niet?”

„Eddy is gaan baden.”

„Er is iets verschrikkelijks gebeurd, Leen.... De jongens hebben

gestolen.”

Het jonge mevrouwtje Markens moest gaan zitten; de schrik was haar in

de beenen geslagen. Zooveel hielp dan wat men deed voor zijn familie;

dat men geen dank kreeg, was tot daartoe, men vroeg er niet om, had er

geen behoefte aan. Als ze nog maar fatsoenlijk bleven, al waren ze dan

arme lastposten. Zelfs dàt niet. Het eenige wat zij en haar man van hun

familie beleefden was bij schade ook schande!

En nu behoefde haar moeder ook verder niets te vertellen.

„Het is bij Meier, niet waar?” vroeg Lena.

„O God, ja! Hoe weet je het?”

„Ik dacht het. Dat daar gestolen was, vertelde Eddy me. Nu ik u heb

gehoord, begrijp ik de rest.”

„Leenlief,” smeekte mevrouw Lugtens met gevouwen handen, „help hen;

laat hen niet als misdadigers oppakken. Want het zal uitkomen, dat weet

ik zeker. De politie is hen op ’t spoor; ze worden gesurveilleerd.”

„U hebt goed praten, ma!.... Wat moet, wat kan ik eraan doen?”

„Ik weet het niet.... Jij hebt altijd alles kunnen doen.... Denk erover

na, Leen, en tracht toch te helpen.”

Zij antwoordde niet. Wat zij te doen had, wat zij om de schande te

voorkomen onafwijsbaar doen moest, had haar dadelijk, toen ze wist wat

er gebeurd was, voor oogen gestaan.

„Jij alleen kunt ons helpen,” herhaalde mevrouw Lugtens op biddenden

toon.

Lena keek haar moeder aan. Ja, dat was het oude lied! Alle anderen

handelden verkeerd of slecht, en zij alleen moest altijd maar helpen!

Dáárom moest Eddy zich nu veel ontzeggen; dáárom zou haar kindje nooit

iets genieten van wat haar vader met werken had verdiend! Wat haar

overkwam wist ze niet; ze was nooit hard of bitter in haar oordeel,

maar het was of onder deze nieuwe beproeving haar rijkdom van goedheid,

liefde en offervaardigheid verdween; een stroom bittere gedachten drong

zich aan haar op; zij kneep haar lippen stijf opeen, met geweld de

harde, scherpe woorden terughoudend, die in haar opwelden, vorm gevend

aan die gedachten. Maar zoo zij erin slaagde zich te bedwingen en haar

moeder geen enkel scherp verwijt naar het hoofd te slingeren,—haar

helder openhartig gezicht opblozend van ingehouden toorn, sprak zoo

meedoogenloos duidelijk, dat mevrouw Lugtens haar angstig en verschrikt

aanzag, niet wetend hoe ze het had; wat er zou volgen, als al wat haar

lieve, zachtaardige dochter van kind af had ondergaan en in haar jong

gemoed had verborgen eens plotseling tot een uitbarsting kwam. En

beseffend, hoe ze niet alleen zelf haar plicht als moeder had

verwaarloosd, maar tot schande had gestrekt van haar eigen kind, boog

mevrouw Lugtens het hoofd schuldig, afwachtend wat haar in de ooren zou

moeten klinken als een vonnis.

De met groote kracht opwellende onstuimigheid zonk weêr weg, toen Lena

zag wat haar moeder gevoelde; zij zag de trekken op het smalle, fijne

gezicht, nu oud en afgeleefd, als inkrimpen van schaamte en vrees; zij

zag het nu grijze hoofd als dat van een zich schuldig voelend kind; het

deed haar zoo aan.... zoo aan!

„Wat is er van dat naamkaartje?” vroeg zij.

„Het is er een van den administrateur waar zij het laatst gewerkt

hebben.”

„Waarvoor hadden zij het geld noodig? Wat deden zij ermeê?”

„Zij hebben kennis aan.... ’n paar jonge vrouwen....”

Lena vroeg maar niet verder. Als zij naging wat ze doen moest om zulke

ellendige kwâjongens te bewaren voor de straf die hun toekwam....

„Ja,” zeide mevrouw Lugtens, „het is verschrikkelijk, dat ziet niemand

beter dan ik, die er zooveel schuld aan heb.”

En toen Lena verwonderd opkeek:

„Zeker, Leentje, ik weet het wel.... Het is nu alles voorbij, en gedane

zaken nemen geen keer.... Het was een van de groote oorzaken van ons

aller ongeluk.... Dàt is ’t geweest, en dat was de bron aller rampen en

verkeerde dingen.... Jullie houdt waarachtig veel van elkaar, dat weet

ik. Je bent gelukkig, kind.... Goddank!.... jij ten minste. Want,

geloof me, het is niet anders dan dat.... ik wou, dat ik je alles kon

zeggen.... Maar het kan niet!”

Haar dochter luisterde nauwelijks, zij was in gedachten bij de misdaad

van haar broers, die in haar geldelijke gevolgen zoo rustig aan haar

was geëndosseerd; nu sprak mama daar niet eens meer van; het was aan

Lena verteld, en die moest maar toeloeng!

Mevrouw Lugtens had opgehouden met praten, na nog eens met meer nadruk

gezegd te hebben, dat het niet kon; in de verwachting dat Lena

nieuwsgierig zou worden, dat zij aandringen zou op mededeelzaamheid. En

dan had ze zich natuurlijk direct laten overhalen; dan had ze haar

verteld van Geber en waarom zij en haar oudste zuster verzocht hadden

het kindje Willem te noemen. Maar Lena toonde zich in het geheel niet

nieuwsgierig naar de sexueele herinneringen harer moeder.

„Wanneer is het gebeurd?” vroeg zij.

„Hé?.... Weet je het dan?.... Maar als je het wist.... kon je het op de

vingers natellen.”

„Ik geloof dat u zit te droomen ma,” zei Lena, nu werkelijk erg uit

haar humeur. „U komt hier, vertelt me iets vreeselijks, waarvan ik

doodelijk naar ben en dat me in dagen geen oogenblik uit de gedachten

zal zijn....”

„Ja, ja, kind, je hebt gelijk.... Het is gisteren geweest. ’t Was een

vrijdag.... Tjilaka!”

„Wordt er over de jongens gesproken?”

„God geef van neen.”

„Ik geloof het niet, want dan zou Eddy dat gehoord hebben. Hij komt

daar terug uit de badkamer.... Ik zal....”

„Je zult het hem toch niet vertellen?”

„Zeker zal ik dat.”

„Hoe is het mogelijk! Zou je zoo iets zeggen aan je man... van je eigen

broers?”

„Natuurlijk.”

„Dat had ik nooit gedaan!”

„Het is wel mogelijk, ma; dan heb ik een andere opvatting. U zei daar

straks, geloof ik, dat wij wezenlijk veel van elkaâr houden; het is

waar, ma, en daarom verzwijg ik ook niets voor Eddy.”

„Nu maar, Lena,” zei mevrouw Lugtens zenuwachtig, „dan ga ik heen, ja!”

Het was al geheel donker.

„Ik zal een voertuig voor u laten zoeken.”

„’t Hoeft niet. Ik zie er al een op den weg. Adieu, kind. Help ons in

Godsnaam, ja? En de Heer....”

„Ja.... ’t is goed; dag ma.”

Lena bleef alleen zitten, starende naar buiten in de duisternis; de

meid had het kind, dat sliep, in bed gelegd; in haar kamer hoorde zij

Eddy een airtje uit ’n opera neuriën; de verschietende lichtjes van de

vele karretjes op den weg wierpen heldere strepen met stukken hek,

boomen en muurbrokken, even, opvroolijkend in het avondzwart.

„Waar ben je?” vroeg Eddy, naar buiten komend. „Laat je geen licht

maken van avond?”

„Ik zit liever nog even in het duister. Ma was hier.”

„Dat meende ik te hooren. Er was toch niets bijzonders?”

„Waarom denk je dat?”

„Niet om ’n bepaalde reden.... Maar als ze een van allen hier komen, is

het zelden om iets goeds.”

„Dat is het ook niet.”

Eddy was al pratende achter haar stoel gekomen en den arm om haar hals

slaande zoende hij haar.

„Wat is er Lena?.... Het is zeker heel erg.... je hebt gehuild.”

Zij vertelde hem zonder omwegen, juist zooals het van a tot z geweest

was, haar moeders bezoek. Toen ze gedaan had, kuste hij haar weêr en

richtte zich op, inwendig woedend. Persoonlijk had het hem minder

kunnen schelen of die kwajongens in de gevangenis kwamen, maar dat Lena

er zoo’n verdriet van had.... Toch, dat voelde hij, was het ook zijn

schuld; hadden hij en Fred die kinderen vroeger niet vóórgegaan in

slechtheid en gemeene streken?

„Wat moeten we beginnen?” vroeg hij.

„Wil je me ’n genoegen doen?”

„God.... Dat weet je.... Altijd.”

„Laat het dan aan mij over.”

Eddy Markens dacht een oogenblik na; hij had graag een deel van haar

deel in alle soesah en in alle moeielijkheden.

„Als je maar niet denkt,” zei hij, „dat me iets te veel is.... voor

jou.”

„Neen, ventlief, dat weet ik wel, maar je zult me nu een groot pleizier

doen met ’t heelemaal aan me over te laten.”

„In dat geval.... Natuurlijk!”

Och, hun leven was niet zoo gecompliceerd. Het was geen zaak van

wederzijdsche verrassingen, van groote toevallige omstandigheden. Hij

wist wel wat ze doen zou, althans ten naaste bij; ze zou haar juweelen

verkoopen of verpanden. Het was zoo duidelijk!.... zij bezat immers

niets anders van materieele waarde!

Zij kon geld leenen.... Hoe dan ook, hij was naar de wijze waarop ze

zou handelen niet erg nieuwsgierig; zij spraken voort over het

ongelukkig geval dien avond en den volgenden ochtend; hij al maar

betoogend dat ze het zich niet moest aantrekken; haar troostend en

opbeurend, en nog hartelijker en liever voor haar, toen hij den

volgenden morgen naar het kantoor ging, dan anders. En zij toonde hem

niet, dat haar iets drukte als een zware last binnen in haar borst;

maar hij had het toch wel begrepen. Erg bleek was ze, toen ze ’n uur

later den grooten goud- en zilverwinkel binnentrad, waar in ’n hoek aan

een lessenaar ’n jongmensch zat te schrijven, terwijl een inlandsche

mandoer als altijd bij den ingang stond, toezicht houdend op de vele

voorwerpen van waarde, in de vitrines uitgestald. Zij vroeg naar den

eigenaar van het magazijn, en een oude heer, ’n beetje voorover gaand,

kwam naar voren. Hij kende haar wel; hij had haar als kind zoo dikwijls

in de toko gehad, soms met dien geweldigen bullebak, Lugtens, haar

vader, aan wien hij, net als iedereen, het land had, maar die een

prachtige klant was, royaal en met geld gooiend, vol

parvenus-ijdelheid; hij had altijd met genoegen het aardige kind

gezien, zich verwonderend over haar afstamming van zoo’n vader. En toen

nu en dan op de plaats iedereen gesproken had van den achteruitgang, de

verarming en de demoralisatie der vroeger zoo rijke familie, had het

hem niet verwonderd te hooren, dat die dochter van Lugtens een

uitzondering maakte.

„Wat is er van uw dienst, mevrouw?” vroeg hij vriendelijk.

„Ik wou u even alleen spreken.”

Hij zag haar zenuwachtige ontroering en met de scherpzinnigheid van een

oud koopman, rook hij lont, ten halve begrijpend wat er zou gebeuren;

hij bracht haar in een zijvertrekje, eenvoudig gemeubeld met ’n paar

zwart gepolitoerde weener-stoelen en de dito tafel, rouwig opkomend uit

het wit van den marmeren vloer. Lena haalde een platte zwarte doos uit

haar taschje en gaf hem die. Ja, wat dáárin zat, wist hij. Dat had

Lugtens nog bij hem gekocht jaren geleden, heel kort vóór diens dood,

tegen twee duizend gulden contant; hij opende het deksel en de juweelen

en diamanten uit de ruitvormige broche en de breede lintcollier

fonkelden hem tegen in hooge, snel verschietende lichtglansen van alle

kleuren en nuances.

„Ik wou het verkoopen,” zei ze.

De oude juwelier knikte, al maar kijkend naar de mooie steenen. Wat

waren er in vroeger tijd veel menschen, die zulke dingen bij hem

kochten; hoe weinig waren er nu! Hij zou haar geven wat hij kon.

„Hoeveel vraagt u er voor?”

Maar zij schudde het hoofd.

„Papa heeft altijd bij u gekocht.... Ik kom voor een onaangename

zaak.... Ik heb gehoord, dat u bestolen bent en dat u aangifte hebt

gedaan.... Ik wou u verzoeken het in te trekken voor wat mijn parure

waard is.”

Dat had hij wel gedacht! Een groot medelijden kwam in hem op. Als hij

de inspraak van zijn hart had gevolgd.... Maar zaken zijn zaken en men

kan daarin eerlijk zijn,—met hartinspraken worden ze niet gedreven.

„Hebt u niet iets anders van mindere waarde?” vroeg hij. „Ik ben voor

niet meer bestolen dan voor vijfhonderd gulden. U zoudt het met iets

anders af kunnen dan juist dit. Het is een parure.... als men er geen

heeft, dan komt men er niet licht toe er zoo een te krijgen.”

„’t Is het eenige wat ik heb van papa.... Maar wilt u het doen?”

„Ja, mevrouw. Om u de waarheid te zeggen: als ik geweten had.... dan

zou ik uit oude relaties.... Enfin, ik zal doen wat u verlangt. Voor de

parure geef ik duizend gulden.”

„Ik dank u,” zei ze, den ouden heer de hand reikend. Hij drukte die

heel hartelijk, haar aankijkend als met respect in z’n gezicht, en toen

zij ’n oogenblik later heenging, deed hij haar uitgeleide, opende de

deur voor haar met een buiging en hielp haar in de schamele

huur-dos-à-dos, die buiten wachtte, zooals hij niet zou gedaan hebben

tegenover een dame, die voor duizenden was komen koopen, al was zij de

vrouw geweest van een der eersten van het land.

Kalmpjes luisterde Eddy toe, terwijl zij ’s middags bij zijn thuiskomst

het hem vertelde en hem de vijfhonderd gulden gaf, die over waren, om

ze te beleggen in de spaarbank. Zij vroeg niet of hij goedvond, wat ze

had gedaan, en hij zei daar ook niets van, beseffend waarom zij in dit

geval zelf en zelfstandig had willen handelen. Wat beiden trof, hoe ook

aan alles gewoon, was dat niemand hen kwam bedanken voor de verleende

hulp; men vond, scheen het, zoo iets niet meer dan natuurlijk. Maar

Lena en Eddy spraken er samen niet over en zij zond op den eersten der

volgende maand de familie geld met een briefje, het eigenlijk

onaangenaam vindend haar moeder of een van de anderen te zien komen.

„Weet je wie vandaag jarig is?” vroeg Lena op een ochtend.

„Vandaag?.... Neen.”

„Mijn peettante.”

„Drommels! En? Moeten we erheen?”

„Zij is in de laatste weken erg verminderd, heeft ma van ochtend

geschreven; zij heeft verstijving in de beenen. Het is waarschijnlijk

het laatste jaar, Eddy. Zij is altijd zoo goed voor me geweest.”

„Wel, ik zeg er immers niets tegen. We zullen gaan! Van avond, hè?”

Het was ver van hun woning en Eddy had een huurrijtuig genomen. ’t Was

drukkend avondweêr. Na een zware stortbui, had in den namiddag kort

maar fel de zon geschenen en met zoetigen, moerassigen geur dampte het

op uit den vochtigen bodem in de warme atmosfeer. De wagen reed langs

wegen, waarlangs zelden wagens reden; door buurten, waar weinig andere

Europeanen ooit kwamen dan die er hun nederige woninkjes hadden. Hier

en daar zag men de menschen zitten in de kleine galerijtjes, bij

ouderwetsche, flauw licht gevende hanglampen; de een met een

jeneverkaraf en een klein bitterkarafje naast zich, de ander niets

drinkend, zich bepalend tot de geringe weelde van een strootje.

Er zaten er stil en alleen; er zaten er met vrouwen in sarong en kabaai

en donkere kinderen in broek en baadje; hier zag men er zwijgend

pikiren, daar twee redeneeren met opgewonden gestes, en uit ’n enkel

huisje kwamen langgerekte, dreinige harmonica-tonen, met alle airs in

éénzelfde gerekte treurmaat. De paarden voor den huurwagen sjokten

langzaam over den smallen slijkerigen weg tusschen de huisjes voort, de

rijtuiglichten vooruitborend in het grauwnevelig duister.

Voor ’n houten bruggetje over een slokan hield de wagen stil. Erboven

hing aan een stang ’n klein blikken lantaarntje, bijzonder breed van

lijstjes en door kleine, doffe glasruitjes een flauw schijnsel

uitschietend, nauw voldoende om te zien waar men den voet zette.

Eddy hielp zijn vrouw het rijtuig uit en het bruggetje over; zij gingen

voort over een glibberig paadje met gesloten chineesche warongs aan de

eene zijde en ’n levend paggertje aan de andere, tot ze op een open

plek kwamen met in het midden een voor deze omgeving groot schijnend

houten huis, waarvan het atappen dak ver en laag afhing. Aan een vuile

tafel vol vetvlekken en oude kringetjes van natte kopjes en glaasjes,

zat op een wipstoel de jarige mevrouw Uhlstra, een rood gestreept

wollen deken over de stijve beenen; mevrouw Markens in een zwarte

japon, de eenige die gekleed was, naast haar; dáárnaast mevrouw Lugtens

en verder onbekende vrouwen van leeftijd, allen in sarong en kabaai.

Uit een binnenkamer achter den naakten houten wand kwamen stemmen, en

toen een sitsen gordijn, dat voor den ingang hing, even weg werd

geschoven, zag Lena, de eene trede opkomend, daarachter haar nichten

Lisa, Roos en zelfs de onwettige weduwe van Twissels, druk aan het

kaartspelen met chineesche vrouwen.

Aan de andere zijde van de galerij zaten de heeren, en een paar

chineesche sobats, hollandsch en maleisch sprekend dooreen. Henri, met

een suf gezicht al, had een groote jeneverkaraf vlak bij zijn

rechterhand staan, als waakte hij er angstvallig over; Piet en de

broers van Lena zaten er ook bij met anderen. Allen stonden op; de

ontvangst was hartelijk. Tante Lena ontving, aangedaan, het

verjaarscadeau, dat ze allen bekeken en erg mooi vonden; ’t was het

eenige geweest! Zij moesten gaan zitten, en men zette Lena zóó, dat ze

niet kon zien wat achter het gordijn gebeurde; Eddy, afstekend in zijn

nette kleeren bij de slordigheid der anderen, die óf in nachtbroek en

kabaai waren, óf alleronmogelijkst door inlanders gemaakt goed droegen,

moest bij „de heeren” komen zitten om een sigaar te rooken en iets te

drinken, wat hij niet deed, want zij zaten, hij en zijne vrouw, op

heete kolen. In het huis hing een overheerschende nare lucht van nieuw

bamboes, die hem om ’t hart sloeg; er kwam een akelig mixtum bij:

geurtjes van slechte sigaren, jenever, melati, knoflook, trasi en

rozen, die in een stijven bouquet op tafel stonden ter eere van de

jarige.

Toen ze na een half uurtje zeiden weêr weg te moeten, „om het kind,”

trachtte niemand hen terug te houden. Er had een geweldige gêne

geheerscht; de anderen waren maar blij, dat ze weggingen; ze mochten

dan zoo goed en hulpvaardig zijn als ze wilden die twee,—ze hoorden

niet meer bij de familie; de jongeren haatten hen, met den intensen

haat van slechte menschenkarakters voor personen aan wie ze groote

verplichtingen hebben, tegenover wie ze zich schuldig voelen, en voor

den oudere was hun gaan ook een verlichting, omdat die zich beschaamd

en verlegen vonden in tegenwoordigheid van de twee, die alleen nog

behoorden tot de maatschappelijke klasse, waaruit zij waren

weggezonken.

Samen scharrelden ze terug over de ruime open plek naar den uitgang bij

het glibberig paadje, blij dat die moeilijke tocht achter den rug was.

En vóór dat paadje te betreden om weg te gaan, keken ze samen nog eens

om, door den lichtgrijzen nevel naar het houten huis, waarvan de gele

lamplichten weêrkaatsten in de modderplasjes tusschen de karrevoren in

het wegje erlangs.

Daar waren ze nu allen bijeen, die nog zoo weinig jaren geleden de

rijksten waren van de plaats; die in huizen woonden als groote villa’s

op den eersten stand! Dat was er overgebleven van den grooten

ondernemer, den rijken planter, den hooggeplaatsten ambtenaar, den

voornamen koopman.

„’t Is toch vreeselijk, ja, Ed!” zei Lena met tranen in haar stem.

„Kom in Godsnaam mee, kind,” zei hij, haar zacht voortduwend.

Toen ze in den wagen zaten, was het maar goed, dat ze zijn bleek

gezicht niet zien kon. Telkens streek hij de hand langs de oogen,

beproevend het beeld van indisch verval weg te wisschen, dat dáár zoo

levendig en schrikkelijk voor zijn oogen had gestaan. En ze spraken er,

terugrijdend, niet verder over; maar toen ze de achterbuurten uit waren

en weêr op den gewonen grooten weg kwamen, zuchtten ze diep, allebei.

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 83 / 83 题