Maar er was iets, dat allen in gedachten bezighield, buiten en behalve
dat ongelukkig geval van Freddy Markens. Niemand had er tot nog toe van
gerept, en toen ze eindelijk zoowat uitgepraat, uitgehuild en
uitgevloekt waren over de arrestatie, was Roos de eerste, die erover
begon, met een diepen zucht tegen Henri zeggend:
„Ik hoop in Godsnaam maar, dat er niets is bij jou.”
Iedereen zweeg en Henri keek verlegen voor zich; de door het vele
drinken opgeblazen wangen hingen slap en flets over zijn slordig
boordje en, de wenkbrauwen opgetrokken, zag hij er ongelukkig uit. Ze
hadden er allen iets van gehoord; ze wisten, dat er iets dreigde; dat
Henri standjes had gehad met zijn geldschieters; dat het een erg
gespannen toestand was. En ze zaten allen in het land met hun geld:
mevrouw Lugtens, Roos, mevrouw Uhlstra, allen, en het was hun laatste
bezit van aanbelang; het overige beduidde niets. Zoolang Henri hun hun
percenten uitkeerde, konden zij leven; hield dat op, en was het
kapitaal verloren, dan was dat de ruïne.
„Weet je,” zei Henri huilerig. „Ik kan geen ijzer met handen breken....
en ik kan me toch ook niet heelemaal als kwajongen laten behandelen.”
„Neen,” zei mevrouw Uhlstra, hem dadelijk bijstaand, „dat kan hij niet;
dat zou zijn vader ook niet gedaan hebben.”
„Als papa was blijven leven,” zei Roos scherp, „zou er geen reden voor
geweest zijn.”
„Ik kan het niet,” hield Henri vol.
En Piet ook, met ’n heel dom en eigenwijs gezicht zichzelf meê
verdedigend:
„Nu, dat is onmogelijk; dat kan ’n mensch niet.”
„Maar hoe is het er dan nu meê?”
„Ja, ze willen den boel verkoopen. Ik kan de rente en de aflossing niet
betalen, en ze willen me den tijd niet verder gunnen.”
„Ja, geld.... geld.... Als de landen meer opbrachten dan wat zij
krijgen.”
Doch iedereen voelde wel, dat daarvan geen sprake kon wezen, en ze
zaten stil en verslagen voor zich te kijken.
„Zou er niets aan te doen wezen?” vroeg Eddy Markens.
En toen ze hem allen vragend aankeken:
„Ik bedoel om voor het oogenblik het kapitaal ten minste te redden.”
Daar werd nu over gedelibereerd, druk en gewichtig; het was een
straaltje van hoop, dat allen recht aangenaam was, en onder het praten
der mannen, hoorde men de vrouwenstemmen, God en den Hemel verzoekend
„het” toch te „geven,”—want „anders”.... daar moesten ze niet aan
denken.
Men deed ook het mogelijke om niet aan die nare toekomst te denken, en
er daalde een groote gemoedelijkheid over de stemming.
Mama Uhlstra bleef bij Roos logeeren, omdat het zoo naar voor haar was
alleen te zijn, en toen de anderen heengingen, was het een algemeen
klappend en smakkend afscheidzoenen, met de beste wenschen voor
zichzelf en elkaar.
Hard schoten de mooie zwarte paarden vooruit in de duisternis; had Piet
ze niet zoo vast in de hand gehad, ze zouden de pagger omver hebben
gereden. En de americaine vloog over den ouden bekenden weg naar
Tji-Ori. Onderweg spraken de broers geen woord. Lize was al naar bed en
het landhuis stak als een zwarte, donkere, onheilspellende massa af
tegen de schitterende sterrenlucht, toen zij de breede laan opreden.
In het schemerlicht van ’n klein laag neergedraaid lampje gingen ze de
hooge trap op. Henri nu en dan struikelend over een trede, Piet,
langzaam, de heele zwaarte van zijn dik lichaam bij elken stap op den
grond latende rusten. Op de marmeren tafel lag een brief, de groote
roestige huissleutel was voor ’t wegwaaien er bovenop gelegd; in de
breedte van het groot, vierkant grijs enveloppe bovenaan las Henri al
op ’n paar pas afstand den naam van de instelling die geld had geleend
op zijn landen. Hij trok den brief onder den sleutel weg, die
dofrinkelend, draaiwaggelend op de marmeren tafel nog nabewoog, en keek
Piet aan, wiens donker gezicht vet glimmerig bij het flauw
lampschijnsel een nog onnoozeler uitdrukking nam dan anders.
„Daar zal je het hebben,” zei hij zuchtend.
„Ja!.... Maak maar open.”
„Wil je gelooven, dat ik niet durf.”
„Och, wees niet kinderachtig. Het helpt toch niets.”
Maar de vingers van Henri beefden, en zenuwachtig draaide en keerde hij
den brief om en om.
„Geef hier!” zei Piet. „Laat ik het maar doen.”
Tegelijk nam hij den brief uit z’n broers handen en scheurde, zijn
dikken wijsvinger tusschen het ongeplakt gedeelte stekend, ruw het
enveloppe.
„Dáár!” riep hij den brief op de tafel gooiend. „Lees nu maar zelf ons
doodvonnis.”
Ze keken er maar in. Het was een feit; het werd meegedeeld in korte,
zakelijke woorden; logisch, in een goed verloop van causaliteit; zonder
hartstocht of tegenwil; met „geachte” erboven, „hoogachtend” eronder en
„uw dienstwillige dienaar” als parodische beleefdheidsvormen. Terwijl
zij de zaak omzetten in een persoonlijke aangelegenheid als van leven
en dood, werd in den brief slechts het gewone al of niet aan
verplichtingen voldoen met de gevolgen van het laatste behandeld, koel
en voor gemoedelijkheid onvatbaar.
„Dus zijn we heelemaal.....?”
„Ik,” zei Henri, „zie er althans verder geen gat in.”
„Het is onbegrijpelijk.”
„We moeten nog een beetje buiten blijven zitten, Piet. Ik zou met geen
mogelijkheid kunnen slapen. Maak jij ’n grogje.”
Ze vielen neer in de lage stoelen, de sigaar in den mond, het grogje
voor hen, zonder ooit in hun leven te hebben geleerd, wat ze ook nu
niet wisten: ontberen, en waarvoor ze dáárom ook eigenlijk zoo heel
bang niet waren.
„Weet je wat,” riep Piet. „Begin morgen er eens met Eddy over. Hij is
verduiveld betjoegt; dat heb ik al lang gesnapt.”
„Maar wat zou hij kunnen doen.”
„Dat weet ik niet precies. Jij zult het beter begrepen hebben dan ik.”
„Ja....” zei Henri langzaam. „Ik geloof, dat ik ’t heb begrepen.”
„Een maatschappij?”
„Precies. Het is natuurlijk een manier; maar hij kan er den heelen heer
bij overnemen, en ik zou het liever zóó aanleggen, dat die grootendeels
over boord raakte.”
De redeneering ging Piet’s verstand ver te boven.
„Ik mag sterven,” zei hij openhartig, „als ik het snap; ik begrijp er
geen laars van.”
En nu ging Henri, met van de talrijke brendy-soda’s zware tong, aan het
nader verklaren, tot eindelijk de bedoeling van Eddy en de zijne tot
het beperkte denkvermogen van Piet waren doorgedrongen.
Doch plannen waren niet meer dan dat. Den volgenden dag gingen zij erop
uit met groote drukte; zij hadden conferenties en vergaderingen; er
werd van alles voorgesteld en overwogen, doch er kwam niets tot stand,
en op een kwaden dag zouden de landen geëxecuteerd worden.
Neerslachtig liepen Henri en Piet het erf over bij het huis. In de
stallen stonden de paarden, die men noodig had en ook die men in ’t
geheel niet noodig had, maar daarom nooit weg had gedaan; in de ruime
wagenkamer, een zaal, stonden acht rijtuigen van allerlei soort, mooie
europeesche rijtuigen, waarvan er vijf nimmer gebruikt werden, maar die
men nooit had gedacht te zullen verkoopen. Zij keken het nu aan, alsof
’t allemaal hun vreemde nieuwe dingen waren, dingen die iets bijzonder
interessants hadden gekregen.
„’t Is toch ’n bliksems mooie stal,” zei Piet, den blik latende gaan
langs de goed bezaagde djati-houten stijlen.
Zoo liepen ze door, pratend over alles; de waterleidingen, waarnaar ze
anders veel te weinig omzagen; de wegen, de gebouwen bekijkend als op
een nauwkeurige inspectie, en overal ontdekkingen doende van nieuwe
bijzonderheden; zij liepen voort, uren achtereen, over naar Koeningan,
en toen ze daar wat gegeten hadden, weer verder door de rijstvelden,
tusschen de erven der kampongs, druk in het bespreken van alles, bij
een nu noodeloozen ijver en opmerkzaamheid, die het behoud van veel zou
geweest zijn, hadden zij haar vroeger en voortdurend ook maar voor de
helft betoond.
Tegen het zuiden liep het terrein wat heuvelachtig op; zij naderden de
grens van het land aan dien kant; het was al doende vijf uren geworden
en in de sterke declinatie der zon lagen lang de schaduwen van bosschen
en verspreid geboomte over het land, dat ze overzagen.
Henri Uhlstra keek rond naar alle kanten; hij zag de velden in verre
uitgestrektheid vol rijpende padi, de weiden met het talrijke grazende
vee, de volkrijke kampongs, de aanplantingen van allerlei uit vroeger
jaren. Het was alles goed, en hij kende het zijn leven lang; neen, het
was het land niet, dat te kort had geschoten! het land was altijd goed
en dankbaar geweest en dat was het nog; het was het land niet, dàt
voelde hij nu eerst goed; het waren de menschen, zij zelf!
Nooit had het hem zoo duidelijk voor den geest gestaan. Nog altijd
bracht het land op, wat het opbracht onder zijns vaders beheer en onder
Geber. Maar voor allerlei, waarmede het land niets uitstaande had, was
er schuld gekomen op het land. Tot de jaarlijksche betalingen daarvoor
zoo hoog waren, dat de geringste afwijking, de minste tegenvaller de
opbrengst onvoldoende maakte. Als hij dat tien jaren vroeger maar had
begrepen! Maar toen zag hij ’t niet in. En nu moest hij eraf, en
voorgoed. Henri Uhlstra ging op den grond zitten, haalde zijn foulard
uit den zak en huilde als een kind. Piet leunend op zijn dikken
rotting, het bovenlijf ’n beetje voorover, staarde in de verte, tot ook
hem de tranen over het gezicht liepen. Ze zouden nu op het land hebben
willen werken als opzieners; maar zelfs dàt was niet mogelijk.
„Het is te laat!” zei Henri, zijn gezicht afdrogend en de tranen
wegvegend uit zijn dichten al wat grijzenden baard. „Berouw komt altijd
te laat. Heb je nog wat?”
Met den rug van de hand wreef Piet zich de tranen uit de oogen en
schudde toen de veldflesch, die hij aan een leeren riem over den
schouder droeg.
„Drink niet veel, Hein. We moeten nog ’n heel eind terug.”
„’t Kan me niet schelen! Als ik niet loopen kan, moet het volk me maar
pikolen; voor het laatst.”
En hij hield het hoofd achterover, de flesch lang aan den mond. Piet
zag het aan, onverschillig, en een man wenkend, die van het veld naar
zijn kampong ging, zond hij dien naar het landhuis om een bendy te
halen.
„Wat doe je?” vroeg Henri.
„Ik laat ’n wagen tegemoet rijden. Je moest nog eens meer dorst
krijgen!”
Langzaam gingen ze naar beneden den naasten weg terug; maar vóór het
heelemaal donker was kwamen ze de bendy tegen; het was tijd; Henri had
het geen half uur meer volgehouden.
Voor Eddy en Lena was het een harde en bittere strijd. Er was bij de
algemeene agitatie, waarin de familie leefde, niemand meer, die hen
niet heftig aanviel. Van alle kanten kwam uit de familie de aandrang om
te trouwen, en dan met het geld van Lena allen te helpen, in plaats het
te gebruiken om de speelschulden te betalen van haar moeder. Maar zij
hielden vol, hoog in hun ideeën van eerlijkheid en goede trouw; zij
steunden elkaar tegen de anderen, men schold hen voor krankzinnig, voor
hardvochtig en ongevoelig, doch hoe dit ook Lena griefde,—zij en hij
volhardden. Er groeiden hevige onaangenaamheden uit, want Eddy was niet
van de lankmoedigsten en kon vooral niet verdragen, dat iemand Lena
iets verweet.—Toen het zóóver was, besloot hij er een eind aan te
maken; hij zat met zijn meisje in de voorgalerij van mevrouw Uhlstra,
die ’n klein huisje, dat ze nog bezat, in een achterbuurt, zoo goed als
in de kampong, zou gaan betrekken; hun gesprek had aldoor geloopen over
de tegenspoeden en ongelukken van den laatsten tijd.
Freddy zat nog altijd in de gevangenis, in afwachting van vonnis of
vrijspraak; Roos zou ook heel nederig wonen gaan, dicht bij haar
moeder; mevrouw Lugtens zou bij Eddy’s moeder inwonen, die haar rijtuig
zou wegdoen en ook op heel bescheiden voet gaan leven; de jongens
hadden erg ondergeschikte betrekkinkjes aangenomen in ’t binnenland en
werkten, voor zoolang het duren wilde, na eerst in de stad het laatste
crediet van hun bekenden naam bij Chineezen te hebben uitgeput.
„Hoe denk je erover, Lena?”
Zij wist wat de vraag beteekende; Eddy had haar al meer dan eens
gedaan, maar de familie te verlaten onder zulke omstandigheden, viel
haar zwaar.
„Geloof me,” ging hij voort, „het baat niemand als je weigert, en ik
behoef niet te zeggen, dat het iemand verdriet doet.”
En toen ze nog altijd zweeg:
„Ik heb wat geld bijeen en ’n behoorlijk tractement nu, ik heb er mijn
chefs over gesproken; zij vinden het ook de beste oplossing en hebben
me honderd gulden in de maand meer toegezegd als we trouwen. We zullen
zoo zuinig leven als we kunnen en met wat we overhouden de anderen
helpen. Zelf hebben we niet veel behoeften. Wat er nog aan geld
overblijft van het mijne en ’t jouwe kunnen ze krijgen, zoodra we
getrouwd zijn.”
Hij sprak zoo gemoedelijk en oprecht; zoo vol van den vasten wil goed
en offervaardig te zijn, dat Lena ervan ontroerde; hij zag niet in het
duister der onverlichte voorgalerij, dat de tranen haar in de oogen
stonden, zij viel hem zacht snikkend om den hals, en kuste hem
hartstochtelijk, zooals zij het zelden deed en hij het zoo eeuwig
verrukkelijk vond....
Een tijdlang spraken ze niet; hij niet willende aandringen nu, om haar
niet te bedroeven.
„Het is goed, Ed,” zei ze eindelijk op haar rustige besliste manier.
„Zóó wil ik het wel,.... ik durfde ’t niet voorstellen.”
„Zal ik er dan maar gauw werk van maken.”
„Ja, en nu ook zoo spoedig mogelijk.”
Later gingen ze naar binnen, waar tante Uhlstra met de meisjes bij een
lampje in de achtergalerij zaten, in de normale, neerslachtige
stemming. En langzaam begon Lena te vertellen van hun pas genomen
besluit, eenvoudig en met practische berekeningetjes over wat men met
de beschikbare middelen kon doen, zonder zorg of nood; en de oude vrouw
zat haar aan te kijken, gelijk zij dat zoo dikwijls had gedaan, als zag
ze op naar een hooger wezen, dat uit andere sferen toevallig in hun
miserabel troepje was verdwaald.
„Het zal op die manier wel gaan,” troostte Lena haar en de meisjes.
„Wij zullen allen ons best doen. Er is nu zooveel tegenspoed geweest,
dat er ook wel eens ’n zonnestraaltje zal komen.”
„Kind!” riep mevrouw Uhlstra door haar tranen glimlachend, en de hand
zoenend, die ze in de hare had genomen, „het is er al, ’t
zonnestraaltje; het is er al!”
Nu ging het ’n rustig gangetje; de zaken liepen haar noodzakelijk
verloop; de feiten volgden in logisch verband. Het huwelijk van Eddy en
Lena was in de familie sedert vele jaren het eerste reine en goede,
zonder nevenbedoelingen, zonder speculatie; en het was het eerste, dat
in alle stilte en eenvoud werd voltrokken; geen partij, geen receptie,
geen diner,—niets. Toen Lena en Eddy van het residentie-kantoor kwamen,
reden ze regelrecht naar het huisje, dat ze netjes en eenvoudig hadden
gemeubeld. Ze beklaagden zich niet; ze genoten ervan; telkens lachend
met elkaar om de dwaasheid der menschen, die zich op hun trouwdag
afbeulen voor anderen, in plaats hun eigen geluk en genot te zoeken zoo
spoedig, zoo rustig en ongestoord mogelijk. Maar ze konden toch niet
beletten, dat telkens voor hun geest het beeld der familietraditie
rees; het beeld van groote, hel verlichte marmeren galerijen; van een
plekje waar onder overhangende palmen een schoone jonge bruid stond,
naast een knappen in deftig zwart ernstig uitzienden jonkman; van een
drom verwanten, vrienden en vriendinnen, vroolijk, vriendelijk
gelukwenschend, aangedaan. Terwijl ze naar hun huisje reden, hand in
hand, bij het dalend daglicht, dachten ze eraan voor elkaar; het speet
hem voor haar, dat de omstandigheden niet anders waren; zij dacht aan
hun beiden en aan den tijd van haar vaders leven. Ze reden over den weg
langs de rivier, waartegen het achtererf uitkwam van het mooie
woonhuis, haar geboortehuis; de rose gloeigele tinten der ondergaande
zon kleurden alles melancholisch, hoog stak het groote dak boven de
toppen der boomen.... Daar zouden zij heen zijn gereden in een langen
stoet, een avond tegemoet vol vorstelijk festijn; en het zou niet
hebben stilgestaan van de equipages; de notabelsten van de plaats
zouden zich beijverd hebben.... Thans waren er, die zelfs geen
contra-kaartje hadden gestuurd op de kennisgeving!
Eddy had haar een verrassing bereid; zij riep het uit van verbazing
toen ze de slaapkamer binnenkwam; er stond een psyché! Zij ging ervoor
staan in het volle licht van het open venster, den kanten sluier
teruggeslagen over den schouder.
In zachten weerschijn viel de gouden lichtstroom op het wit zijden
kleed, en met haar rijzige, kloeke gestalte van mooi, gevulde blondine,
de matblanke huid en de helder blauwe oogen onder de dichte krulletjes
op haar voorhoofd, leek zij een jonge koningin uit een noorsche sage,
door tooverslag overgebracht in ’t land der kleurlichten. Zij zag
haarzelve zoo mooi, als zulk een rijke schat ver boven alle idee van
geld of kostbaarheid! En ze glimlachte met een beetje koketterie en een
zijwaarts hoofdbewegingetje tegen haar eigen beeld; dan, opziende naar
Eddy, die vol bewondering, diep ademhalend naast haar stond, leunde ze
tegen hem aan.
„Spijt het je nu niet, Ed, dat alles zoo stil afloopt?”
Eigenlijk sprak zij het beetje spijt uit, dat ze zelf gevoelde. Hij
snapte dat wel, en hij sloeg de armen om haar heen, zachtjes aan haar
oor de woorden herhalend, die hij al zoo dikwijls had gezegd; die niets
geestig waren en niets aardig; die niets oorspronkelijks hadden en
niets nieuws; maar die haar altijd door zijn liefde betuigden, zijn
dank en zijn toewijding, die haar innig gelukkig maakten en met
vochtige oogen deden glimlachen van heerlijk genoegen. Zachtjes drong
hij haar weg van den spiegel, en zij stribbelde niet tegen met
aanstellerigheid en onwil; zij had hem lief zooals hij haar; zij
begeerde hem zooals hij haar, en zij was te in-fatsoenlijk en te
onbedorven van hart om ook maar een oogenblik ’n zottin te willen
schijnen.
Den volgenden ochtend, heel vroeg, kreeg Lena ’n geheimzinnig bezoek
van haar petetante. Mevrouw Uhlstra omhelsde haar weenend en nam haar
op van het hoofd tot de voeten, met groote nieuwsgierigheid.
„Hoe gaat het toch met je?” vroeg ze, als was Lena pas hersteld van een
gevaarlijke ziekte.
„O perfect.... en u?”
„Mij?.... Nou ja, mij gaat ’t natuurlijk net als altijd.”
„Wilt u ’n kop koffie?”
In de achtergalerij dronken ze samen koffie, er stormden mevrouw
Uhlstra, terwijl ze ’t kopje leeg dronk, wel vijf en twintig vragen
door het hoofd, maar ze durfde niet; zij kende Lena en wist, dat men
met haar niet zoo over alles kon spreken en haar niet kon behandelen
als vele anderen. Teleurgesteld ging ze, na wat aarzelen en heen en
weer dribbelen, weg.
„Nou, dag kind.... ’t Beste, ja?”
„Dank u, tante.”
„En als je soms iets noodig mocht hebben, dan stuur je maar, ja?”
Lena, die ’t had kunnen uitgieren van pret, hield zich goed.
„Ik beloof ’t u, tante.”
Met een hoogen stap, de sarong daarbij opschortend tot boven de dikke
kuiten, klom mevrouw Uhlstra in de dogcart, erg ontevreden over haar
mislukt bezoek, schoon ze daar wel voor had gevreesd. Ze reed meteen
naar de woning van mevrouw Markens, die in de achtergalerij voor
mevrouw Lugtens ’n kapittel zat te lezen uit den Bijbel, ook onder ’n
kopje koffie; natuurlijk dronk mevrouw Uhlstra, die thuis al koffie had
gedronken, hier nog ’n kopje mee.
„Hoe kom je zoo vroeg uit?” vroeg haar zuster Clara.
Met een druk bewegen harer trekken en een zijwaarts wijzen met ’t
hoofd, knipoogde mevrouw Uhlstra.
„Begrijp je dat niet?.... Ik ben even ginder geweest.”
„O zoo.... Wat had je daar te doen?”
„Wat ik daar te doen had?.... Wel.... dat kan je toch waarachtig wel
nagaan! Ik ben eens gaan kijken hoe ’t arme kind het maakte.”
Mevrouw Lugtens begon te lachen; haar vroomheid was nog zoo niet, dat
die haar ’t zooveel jaren gevolgde leven heelemaal had doen vergeten,
en met diepe geringschatting zei ze:
„Je lijkt wel mal, Leen.... ’t Is nogal de moeite waard!”
Mevrouw Uhlstra keek haar zuster boos en verontwaardigd aan, maar
voelend ook hier aan ’t verkeerde kantoor te zijn, zweeg ze.
„U heeft nog niets gehoord over die ongelukkige zaak van mijn oudsten
zoon?” vroeg mevrouw Markens op ’n manier of van den schoonzoon der
andere daarbij geen sprake was.
„Neen. Hij heeft veel hoop....”
„Ik ook. Wij bidden elken dag voor hem.”
Daar zag mevrouw Uhlstra in beginsel niets kwaads in, al deed zijzelf
er niet aan; had mevrouw Markens gezegd, dat zij alleen elken dag bad
voor haar zoon, het zou mevrouw Uhlstra heel gewoon in de ooren hebben
geklonken; maar dat meêbidden van Clara beviel haar in ’t geheel niet.
Zij was door de teleurstelling in den vroegen morgen toch al erg uit
haar humeur en nu kwam dàt er nog bij!
Driftig duwde zij haar stoel terug en stond op; Clara, bleek en
angstig, keek haar oudste zuster aan, wetend dat de storm
onvermijdelijk zou losbreken, terwijl mevrouw Markens, zich van niets
dreigends bewust, vredig door haar brilleglazen in den open Bijbel
tuurde, ongeduldig om haar kapittel te vervolgen van het punt, waarover
zij een blauw-zijden boekwijzertje dwars had neêrgelegd.
De schampere lach der bezoekster deed haar verschrikt opkijken.
„Ik zou,” zei mevrouw Uhlstra, heel luid, „het gezicht van
Onzen-lieven-heer wel eens willen zien als Hij haar hoort bidden voor
een ander! God zal me bewaren. Als zij nog zes levens had en ze deed
niets dan bidden, had ze haar eigen vuile wasch nog niet schoon
gebeden.”
„Mensch, bedaar!” zei mevrouw Markens.
„Bedaar jij zelf, met je misselijke femelarij,” riep nu mevrouw Uhlstra
hoogst verbolgen. „Zij!..... Moet zij bidden voor mijn schoonzoon! Dan
wordt hij gehangen als een dief! Ik ken haar van dat ze geboren is; ik
heb haar altijd goed geraden, zooals ’n oudere zuster past; zij heeft
nooit willen deugen; ze heeft zich altijd met manvolk opgehouden; ik
heb het met alles geprobeerd: met standjes, bedreigingen, verzoeken en
smeekingen; ik heb haar gewezen op haar naam, op haar kinderen, op haar
trouwbelofte, op haar eer....”
„Behalve op dat ééne,” viel mevrouw Markens met ongewone drift in de
rede.
„Dat ééne.... dáármeê had je haar moeten aankomen in dien tijd! Ze had
je in je gezicht uitgelachen, ’t beest!”
„Toch had het moeten gebeuren. De Heer....”
„Waarom heb je het dan zelf niet geprobeerd in dien tijd? Kijk, nu is
het een kunstje!.... nu ze ook oud en leelijk is net als wij. Maar je
wist toen even goed als ik, dat het boter aan de galg was gesmeerd. En
denk je dat ik het nu gedoog? Zij, die zooveel jaren de schandvlek was
van de familie, zal, nu ze oud en aftands is, ineens fijn worden en
gaan bidden voor een van ons?.... Wel bedankt, hoor! Je moogt met die
huichelarij en die malle kunsten voor den gek houden wie je wil....
mevrouw Uhlstra zal je dat niet leveren; die is daar Goddank te
verstandig voor.”
Er was geen repliek op. Met gevouwen handen zat mevrouw Markens uit het
venster te kijken, bang voor die vrouw, die nog zooveel meer had kunnen
zeggen, ook over haar verleden. Clara lag met het hoofd op den arm te
huilen op de tafel.
Toen er geen tegenspraak volgde, hoe uitdagend mevrouw Uhlstra ook
eenige woorden had herhaald, ze onderstrepend door groote hoofdknikken,
ging zij weer zitten; zij hoorde Clara snikken en nu kwam haar oude
teederheid weêr boven.
„Zit daar asjeblieft niet als een gekkin, hoor!” zei ze zelf met groote
tranen in haar oogen. „Ik heb niets gezegd, wat je zelf al niet lang
wist.”
En toen de andere door bleef huilen, ging mevrouw Uhlstra naar haar
toe, lichtte haar hoofd op, veegde de tranen van Clara’s gezicht en gaf
haar een zoen.
„Kom, zanik nu niet of ik word betoel boos, hoor! Je hebt waarachtig
nog bedag gebruikt met al je vromigheid.”
Zachtjes lachten ze erom, allebei, zenuwachtig en overprikkeld, in een
stemming dat huilen en lachen hetzelfde is.
„Hoe gaat het uw zoon Henri?” vroeg mevrouw Markens, die dit alles met
groote verwondering aanzag.
„Wat zal ik u zeggen! Hij moet eraf.”
„Dat weet ik. Wat denkt hij te doen?”
„Wij zullen zien.... Hij is een ongelukkige jongen.... hij, en Piet
ook.”
„Zij verstaan toch hun vak.”
„O, dat wel, maar het ongeluk achtervolgt hen. Vroeger ging alles goed;
tegenwoordig slaat alles tegen.”
Zij gingen daar nu op door, alsof er niets was gebeurd, eindeloos den
tijd verpratend, als menschen, die volstrekt niets om handen hebben, en
te onverschillig zijn geworden voor de gewone goede en nuttige dingen,
die ze konden doen.