Roos, die alweêr in „gezegende” verkeerde, had geen woorden voor haar
verontwaardiging, toen ze ’s morgens den bekenden coupé langs haar
woninkje zag rijden en de beide vrouwenhoofden, een grijs, een
grijzend, haar stijf en deftig groetten.
Zij schommelde naar achter, waar Freddy op een ladder tegen de
duiventil was geklommen om te zien of er al jongen waren, en te
berekenen, wanneer deze reproductie gratis een lekker schoteltje voor
hem kon opleveren.
„De wereld loopt ten einde,” riep ze hem toe. „Wat denk-je, dat ik daar
heb gezien?”
„Ik zag ma rijden, door de boomen.”
„En wie denk-je, dat bij haar zat?”
„’t Is al vreemd genoeg, dat iemand bij haar wil zitten.”
„Tante Clara, Fred; waarachtig, tante Clara in een zwart japonnetje!”
Er lag Roos nog heel iets anders op de lippen, maar ze durfde het niet
zeggen: het was iets over zekere lieden, die, als ze oud worden, onder
den preekstoel gaan zitten; doch zij hield zich in voor haar man; hij
mocht eens denken, dat zij het op haar schoonmoeder had gemunt, en die
mocht dan ’n onverstandig, zwak mensch wezen,—van zulk een kant had
nooit iemand iets op haar kunnen aanmerken.
Freddy keek naar beneden en begon te lachen.
Wat werd zij toch ontzettend dik! Maar hij vond het niet leelijk, in ’t
geheel niet! Het viel in zijn smaak van verloopen man; ’t was nog het
eenige, dat hem aantrok. Hij klom de ladder af en wandelde met haar meê
naar binnen, zijn vluggen tred van mager mensch inhoudend naar haar
korte stapjes, ongelijk en de hielen wijd van elkaar.
„Wat zou er aan de hand zijn?” vroeg hij.
„Dat mag ons-lieve-heer weten. Ik stond er versteld van. Jij niet?”
„Och!” zei hij. „Men ziet dat meer. Daar zal weêr wat over gebabbeld
worden!”
Zoo pratend binnenkomend, zagen zij een man in de voorgalerij, onrustig
heen en weer draaiend voor de gangopening naar binnen, dan naar den
eenen, dan naar den anderen kant.
„Daar heb je waarachtig dien brutalen kerel weer,” zei Roos. „En dat
nogal op Zondagochtend.”
Waarom dit verschil maakte met een anderen ochtend in de week had zij
niet kunnen verklaren; zij en haar man maakten nimmer eenig
onderscheid; maar conventioneel vond zij den Zondagochtend toch een
argument tegen dit of dat.
„Vervelend!” mopperde Freddy. „Ik wou dat hij me met rust liet.”
„Je geeft hem maar niets, hoor!”
„Als hij goede borgen heeft.”
„Och!” zei ze schamper, „die heeft zoo’n akelige kerel toch nooit.”
Sedert zij waren, wat vooral door hen, die ervan gebruik maakten,
„woekeraars” werd genoemd, hadden zij ervaringen opgedaan. Zij leenden
geld onder borgstelling en tegen onderpand; kleine bedragen meest, ten
minste altijd beneden de duizend gulden; als het heel solied was,
rekenden zij één percent rente in de maand, dan waren er twee goede
borgen of een op driemaal ’t bedrag te schatten onderpand. En nog
liepen zij er dan in, vooral toen ze pas begonnen en ze de menschen,
die geld te leen vroegen, nog niet goed kenden; de borgen evenmin; dan
bleek het dat na twee, drie maanden de schuldenaar niet langer rente en
aflossing betaalde en hadden ook de borgen zich door allerlei
kunstgrepen als het ware in een fictieven staat van kennelijk
onvermogen weten te brengen, waardoor zij onaantastbaar werden voor den
schuldeischer.
Dàt was het groote verdriet van Freddy en Roos; dáár hadden zij wat
over getobd! Zij hadden gedacht dat het zoo gemakkelijk was geld te
leenen tegen hooge rente. En het was ook gemakkelijk. Iets anders was:
het op tijd terug te krijgen. Die moeielijkheid hadden zij te gering
geschat; te veel de terugbetaling als een sous-entendu beschouwd, en nu
veroorzaakte dit wat zij hun „bankroetjes” noemden.
Na het eerste jaar hadden die „bankroetjes” hun winst nagenoeg geheel
verslonden en toen ze samen de rekening hadden afgesloten op
Oudejaarsavond, keken ze erg sip en treurig; en of ze al zaten te
rekenen en in hun boeken de achterstallige crediteuren aankalkten voor
de rente niet alleen, maar ook voor de rente van de rente,—het
resultaat was de moeite niet waard. Roos had in den loop van het jaar
één factuurtje juweelen voor een Arabier van de hand gezet, heel
geheimzinnig, aan chineesche njonjas en vrouwen van inlandsche hoofden,
dááraan had ze meer verdiend, dan met de heele geldschieterij.
En daar heette men waarachtig nog „woekeraar” voor op den koop toe!
Zij waren nu slimmer geworden, vooral Roos; slechts één zwak had zij:
zij liet zich gemakkelijk tot geld leenen overhalen door zwangere
vrouwen; als ze bemerkte, dat er zóó een in aantocht was, zond ze
Freddy naar het kantoortje, wetend dat diens hardvochtigheid tegen de
proëminentse zwangerschap bestand was, en hij zich niet zou laten
vermurwen, al werd er voor zijn voeten bevallen.
Maar Freddy had ook zijn zwakke zijde; hij kon geen knielende mannen
zien zonder innig medelijden te krijgen. Dáár hadden ze al wat koopjes
door gesnapt! En nu dat bekend werd onder die rakkers van arme sinjoos,
lag er om ’n haverklap een voor Freddy op de knieën. Als Roos zulk een
volkje in het oog kreeg, ging zij hen in ’t kantoor ontvangen; zij kon
best tegen zoo’n knielpartijtje; dat liet haar koud! En in plaats zich
door het aanbieden der hoogste rente te laten verleiden of door de
smeekbeden van den geknielde, schold zij hem de huid vol om zijn
ondeugden, die hem altijd weer in moeilijkheden brachten.
Soms, als er een fatsoenlijk man kwam, buiten schuld in nood geraakt,
maar hard werkend, zuinig en oppassend, leenden zij geld zonder
borgstelling of onderpand, maar natuurlijk om zich te dekken, voor hun
risico, tegen vijf percent ’s maands. Die menschen betaalden nog het
best! En Roos trok er de conclusie uit, dat wie toch maar goed doet,
goed ontmoet. Daar bluften ze op als er in gezelschap van zoo’n arme
familie werd gesproken en haar fatsoenlijkheid werd geprezen. „Ja,” kon
Roos dan zeggen met haar dik donker gezicht, nog altijd even vol en
zonder rimpel of plooi, de groote oogen zedig neergeslagen, den mond
tot een toetertje: „Ja, het zijn zulke lieve menschen. Wij hebben ze
nog eens kunnen helpen. Dat heeft me heel veel plezier gedaan.”
Maar de man, die nu zoo onbeschoft was op Zondagmorgen te komen,
behoorde niet tot die lieve menschen. Hij was integendeel een zeer
„insolied merk”, het minste dat van hem werd gezegd, was, dat hij opium
schoof.
„Ik zal maar even gaan,” zei Roos, ongerust.
„Waarom? Laat mij het maar afhandelen.”
„Geen gekheid dan, Fred!”
Hij haalde minachtend de schouders op, zijn zwak wel kennend, maar niet
erkennend.
„Mijnheer,” zei de man; toen Freddy met vertoon van kantoordeftigheid
achter zijn lessenaar was gaan zitten, „ik ben zoo vrij u nog eens
lastig te komen vallen. Och, mijnheer, help mij toch aan honderd
gulden, asjeblieft. Heb kasian, mijnheer, ik zit zoo in den nood.”
„Je weet, Plents.... met solide borgen....”
Maar het was, zooals Roos zei: die had zoo’n akelige kerel nooit.
Plents echter, liet zich niet afschrikken; hij bad en smeekte, hij
redeneerde niet, sprak niet van zijn eerlijkheid, hij drong maar
jammerend aan; en toen Freddy altijd door van neen schudde, ging Plents
met ’n schuiver ineens op zijn knieën, de handen gevouwen, de oogen
smeekend omhoog.
„Ik bid u als God, mijnheer! Ik val aan uw voet!”
Eenigszins verschrikt was Freddy snel opgestaan; dat vond hij toch
zoo’n beroerd gezicht!
„Ja,” zei hij boos, maar niet goed wetend hoe eruit te komen, „het is
alles heel mooi; sta nu op, asjeblieft. Ik houd daar volstrekt niet
van.”
Maar Plents was zoo verschoven niet of hij zag ’t voordeel, en terwijl
zich het kantoortje langzamerhand vulde met de vieze zoet rookerige
opiumlucht, die hij uitademde en die uit zijn haren en zijn kleeren
werd opgenomen in de atmosfeer, klonk klagend en smeekend zijn doffe
stem, met akelige gemaakte woorden, die hij zeker wel eens had gelezen
in ouderwetsche boeken of als klerk in officieele stukken enz.
„Edele heer, heb toch kasian! Ik smeek u met verschuldigden eerbied. Ik
lig als een slaaf aan uw voeten. Help mij, edele heer! Ik heb de eer u
erom te bidden. Ach, de wereld heeft mij verstooten! Wees gij mijn
redder in den nood. ’t Welk doende, edele heer, ’t welk doende!”
„Gévédé!” riep Freddy, „kerel schei toch uit!”—Hij had er geen woord
van verstaan; hij was enkel beroerd geworden van het zien van dien man
daar op de mat op z’n knieën, die naar hem opkeek met z’n groote zwarte
oogen met den roodachtigen achtergrond van schuivers en drinkers; en
dat gepaard aan het huilerig smeeken werkte altijd op zijn zenuwen; ook
nu weer zoo, dat de tranen hem in de oogen stonden.
„Ik leen je geen honderd gulden,” hield hij nochtans vol.
Freddy ging achteruit ’n paar schreden, maar Plents kroop hem na op de
knieën, hard er mee ponkend op den vloer, alsof hij er het eelt aan had
van tien monniken. En hij begon weer:
„Als het dan geen honderd gulden kunnen zijn, och, edele heer, dan
smeek ik met referte aan mijn verzoek, diep in het stof....”
Weêr vloekte Freddy: „Gévédé, als je nu niet uitscheidt....”
De handen gingen opnieuw smeekend omhoog.
„Edele heer!” riep Plents, „ik heb een koe op mijn erf.”
Daar waggelde Roos met haastige waggelstappen naar binnen; de zorg in
de plooi tusschen haar wenkbrauwen, boosheid in de trekken om den mond.
„Wat doe je toch!” riep ze ontsteld, Freddy ziende met de hand aan het
geldtrommeltje, dat hij uit de brandkast gehaald en op zijn lessenaar
gezet had.
„Hij heeft een koe.”
„Zoo,” zei Roos ineens van toon veranderd, belangstellend maar
wantrouwend. „En wat is het er voor een?”
„’n Bengaalsche,” zei Plents, die opgestaan was, en, voorover gebogen,
met z’n zakdoek het mattenstof van z’n broeksknieën sloeg.
„Zeker ’n droge, hè?”
Maar Plents schudde het hoofd met ernst en vastheid.
„Pas drie maanden gekalfd, mevrouw; zes flesschen daags.”
„Nou ja,” zei ze met een zucht. „Dáár weten we alles van!” Maar ze
dacht er toch aan met welbehagen. Wat zou het heerlijk zijn, als ze nog
’n flinke melkkoe hadden! Als ze dien vent nu wat geld leenden met de
koe tot onderpand en voor ’n paar maanden, dan was er vooreerst het
voordeel, dat men met de melk.... Voorts betaalde Plents zeker niet,
want dat deed hij nooit, en dan was na dien tijd, juist tegen haar
bevalling, de bengaalsche koe, die zes flesschen melk daags gaf, voor
’n bagatel hun eigendom.
„Hoeveel vraagt hij?” fluisterde zij tegen haar man.
„Vijftig pop.”
„Zeg eens Plents, waar is die koe?” Hij wees met z’n duim over z’n
schouder.
„Op mijn erf, mevrouw.”
„Kunnen we hem eens zien?” ’t Was ’n vaste gewoonte van Roos een rund,
een hond en een vogel „hem” te noemen, zonder aanzien des geslachts.
„Wel zeker; als u maar dadelijk meêgaat.”
Schoon het Zondagochtend was, deed zij het, en onder een groote
en-tout-cas van roomkleurige katoenen kant, rood doorschijnend van de
voering en met zwalpend afhangend punt-ornament van dezelfde stof,
waggelde zij, rechtuit kijkend, den weg af, met deftige langzaamheid,
een dikke, breede bobbel, onder de door ’t spannen in plooien
stijf-glad trekkende helderwitte kabaja; de broodmagere Plents naast
haar, als een uit den grond opgeschoten asperge, druk pratend en
gesticuleerend met z’n vel-over-been-handen, tegen de naar hem heen
gebogen, telkens zijn hoedrand rakende pajong.
Roos bevoelde de bengaalsche koe, die rustig at van den geringen
grasvoorraad op een klein, slecht onderhouden erfje met niet
onderhouden vervallen pagger; het houten huisje vies en onooglijk, met
een armoedig donkeren inkijk. De koe was mooi en proper, haar zacht wit
vel, met intens zwarte vlekken, glimmend als satin de laine, voelde
lekker aan, gevuld op de ribben, vettig warm van goed gevoed vleesch;
en haar uiers flink en ruim ontwikkeld, stevig en veerkrachtig, met
rose en lichtgrijze tinten en vaste, gezonde tepels,—wel, het was, vond
Roos, een schilderij om te zien; de weelde en de rijkdom der natuur bij
de armoede der menschen.
Ze zei niets, knikte en ging weer heen, zachtjes wegschommelend op haar
slofjes, bij ’t hek nog eens omkijkend naar het mooie beest; de heele
voordeelige berekening opnieuw doormakend, met een gevoel van innig
pleizier over het buitenkansje.
Thuis beduidde zij Freddy, die in de achtergalerij zat te tawarren op
’n dozijn kippen, met een neêrslaande beweging harer oogleden, dat het
in orde was, en hij ging dadelijk naar zijn kantoor om het papiertje op
te maken. Vijftig gulden over twee maanden terug en drie percent per
maand over de twee maanden te betalen. Plents maakte geen aanmerking;
hij was dankbaar; hij teekende voor vijftig gulden en ontving er zeven
en veertig.
„Ik zal de koe maar dadelijk laten halen,” zei Roos.
„Goed,” zei Plents, en zij gaf den tuinjongen er last toe, terwijl de
man het geld stil opstreek en met diepe buigingen, nogmaals dankend,
heenging.
Maar de tuinjongen kwam onverrichterzake terug; er was geen koe. Een
doodelijke schrik en ongerustheid sloeg hen om ’t hart. Roos beefde van
zenuwachtigheid; Freddy zag bleek, en beiden liepen, zonder een woord
te spreken, naar buiten; zij haar best doende om tegen hem op te
werken, in haar haast al wat uitstak aan haar een eigen beweging
gevend, wat ’n paar aankomende meisjes, die hen op den weg tegenkwamen,
de hand voor den mond deed houden van het lachen.
Op het erfje stond werkelijk de koe niet meer, en in het vuile krot was
niemand. Toen Roos op den houten vloer stapte, ging zij met een
verschrikt: „O, Jezus!” weer gauw achteruit, zoo kraakten de planken
onder haar zwaarte; maar Freddy, licht als ’n veer, wipte er snel
overheen naar achter, waar een bejaarde inlandsche vrouw zat, in een
door ouderdom en smerigheid zwart schijnend lang blauw baadje, en uit
wier tandeloozen, ingevallen mond op elke vraag haast onverstaanbaar
het antwoord kwam: tida taoe.
Besluiteloos keken zij op het voorerfje weder rond; er was verder niets
te zien; een eindje den weg op stond een oudachtig man voor zijn van
kippen en duiven wemelend voorerf ’n pijp te rooken, met, schoon hij in
nachtbroek en kabaai was, het uiterlijk van een oud-militair.
Roos kuierde langzaam naar hem toe; in „zaken” deed zij meestal het
woord; Freddy half onwillig met haar meê.
„Mijnheer,” zei ze met ’n erg lieve, beleefde stem, „is u misschien ook
bekend met den bewoner van dat huisje ginds aan de overzij?”
„Dien Plents bedoelt u? Jawel mevrouw.”
„Weet u misschien waar hij is?”
„Waar hij is? Neen mevrouw, dat zou ik u niet kunnen zeggen.”
De man lachte erbij, als stak er meer achter, wat hij niet wilde
zeggen.
„Ziet u, wij hebben daareven van Plents een bengaalsche koe gekocht.”
Weêr begon de man te lachen, zijn grijze snorren opstrijkend langs zijn
frisch gezicht van kloeken man op leeftijd.
„Neem me niet kwalijk, mevrouw, maar ik moet erom lachen. Het is zoo’n
gek idee, dat die Plents een bengaalsche koe zou bezitten om te
verkoopen.”
„Hij had er toch een,” verzekerde Freddy.
„Wilt u even meê achter komen?”
Zij volgden den man naar zijn achtererf, waar verscheidene koeien en
mooie fokstieren stonden in stallen en gedogans hoog uit den grond.
„Is het dit beestje ook, mevrouw?”
„Ja mijnheer,” zei Roos met tranen in haar stem en begrijpend reeds wat
nu ook Freddy snapte.
„Dan heeft de gauwdief u opgelicht, want dat is een koe van mij, hier
in mijn eigen stal geboren, mevrouw. Maar het gras is duur in de
droogte nu, en ik stuur de beesten dan wel eens kirikanan om te weiden
op de erven van menschen in de buurt, die toch niks uitvoeren met het
gras. Zóó heeft deze vanochtend op het erfje van Plents gestaan. Och
kom! heeft hij u het dier verkocht? En ’t geld?”
Roos knikte. Het was ’n pracht van ’n beest. Zij was er verliefd op;
zij kon geen woord zeggen, ’t huilen haar nader staande dan het lachen;
zij keek maar naar de mooie koe, over wier bezit en melkgevend karakter
zij zich zooveel illusies had gemaakt; en Freddy bleeker nog van innige
woede, krabde het dier tusschen de hoorns, den oplichter diens portie
toedenkend als hij hem in handen zou krijgen.
Teleurgesteld en beschaamd, door den eigenaar der koe achter de hand
uitgelachen, gingen zij heen, nog eens weer naar het huisje van Plents,
waarin Roos zich waagde, nu met doodsverachting.
Maar er was niets, wat de moeite van het meenemen waard was; voor geen
tien gulden was er aan goed; alles was oud, gebarsten of gebroken, vuil
en verminkt, zóó dat het de moeite van het oprapen niet waard was
geweest, had men het gevonden langs den weg.
„Zoo’n smeerlap!” viel Roos nu uit, overstelpt door de volheid van haar
gemoed, en al wat zij aan invectieven kon bijeenbrengen, om het te
luchten tegen Plents, volgde; zwijgend hoorde Freddy haar aan, tot zij,
opgewonden, hem de schuld gaf. Nu kwam hij op zijn beurt los tegen
haar, en in het smerige hok, in overeenstemming met het vuil der
omgeving, scholden ze elkaar grimmig uit voor veel wat leelijk was, tot
hun gemoed bedaarde en ze vreedzaam, in duo, weer uitvoeren tegen dien
Plents, die heel onverwacht nu voor hen stond, met ’n vroolijk,
opgewekt gezicht en frissche, schitterende oogen,—’n heel andere kerel
dan de man op de knieën ’n uur te voren; hij had geschoven.
Voor Roos en Freddy was het als een verschijning van den duivel; hij
werd erg bleek, met belemmering van zijn anders zoo rap spraakvermogen;
maar zoo hij geen woord kon spreken,—Roos ging het des te gemakkelijker
af. Terwijl zij Plents uitschold, naderde haar dikke gestalte zijn
magerheid, en hij ging achteruit, zonder een woord te spreken, al
lachend met een tergend gezicht, vol pleizier. Freddy zag het aankomen:
Roos was zóó opgewonden, dat zij den kerel een klap zou geven, en hij
wist, dat het dezen juist daarom te doen was. Maar dan zou hij toch
ondervinden, dat het met de indische „jongens Markens” slecht kersen
eten was op die manier. En kwaadaardig hield hij Plents in het oog, die
onder den stortvloed maleische scheldnamen, hem door Roos naar het
hoofd gegooid, maar aldoor lachte en bij haar dreigend dichterbij komen
in dezelfde mate achteruitging.
Zij stonden nu buiten op het erfje, ten naastenbij waar de mooie koe
had gestaan. Op den weg keken over den pagger ’n stuk of drie inlanders
en een paar jonge indo-europeanen, vrienden van Plents, die het een
fameuse aardigheid vonden, en die ook meelachten; en aan den overkant
stond de oud-gediende met het ernstig gezicht, stijf en stil als een
man op post.
Plents, eenmaal zoover buiten, in het gezicht der „getuigen”, ging nog
wel voort met lachen, maar hij ging niet meer achteruit. En de klap
viel, midden in z’n gezicht, met meer kracht dan hij scheen verwacht te
hebben, zoo’n leelijk gezicht trok hij.
„Daar zal ik je voor aanklagen bij den officier....”
„Van Justitie,” wou hij eraan toevoegen, maar hij had den tijd niet,
want Freddy Markens pakte hem bij de keel en wierp hem met een harden
smak op den grond, precies waar de koe had gestaan. „Toelong!” riep
Plents met een angstige stem, en zijn twee kameraads schoten dadelijk
toe op het hekje. Maar de oud-soldaat was er met een springpasje, zoo
vlug als men ’t bij zijn grijze haren niet zou verwacht hebben, bij in
een wip. Zij hadden het hekje al open en één was er reeds door; hij
werd in den nek gepakt en op ’n manier teruggetrokken, die geen twijfel
of tegenspraak toeliet.
„Jullie blijft eraf, hoor!”
„Maar hij zal hem doodslaan.”
„Kan niet schelen! ’t Is man tegen man. Maar jullie blijft er af, hè.”
„Dat zullen we zien!”
Zij maakten een beweging om op te dringen; ze bewogen zenuwachtig hun
stokken, maar ze kwamen niet verder, en de andere keek hen maar aan,
met ’n bar gezicht vol opzettende kwaadheid, die bedaarde toen er ’n
paar jonge kerels van zijn erf aan den overkant op hun bloote voeten en
in nachtbroek en kabaja hard kwamen aanzetten.
Ineens sloeg toen den vrienden van Plents een overweldigende schrik om
het hart, en ze vlogen den anderen kant uit, als vervolgde hazen. De
oude wenkte zijn zoons, die meenend, dat hun vader iets was gebeurd, de
twee vluchtenden achterna wilden.
„Haal jullie de twee van elkaar,” zei hij.
Het was onjuist gezegd. Slechts Freddy moest van Plents worden
afgehaald; hij had hem onder de knie en bewerkte als in razernij met
beide vuisten zijn gezicht.
Roos zat huilende op de trede van ’t voorgalerijtje, nu en dan roepend:
„Sla hem toch niet dood, Fred; je bent zoo sterk!” In haar ziel had ze
wel gewild dat hij hem doodsloeg.
De tusschenkomst was hoog noodig, Plents bewoog zich niet en lag
bewusteloos in het gras.
„Nu kan hij mij aanklagen,” zei Freddy met bevende handen de aarde van
zijn kleeren slaande. „Nu kan hij mij voor mijn part aanklagen.”
„Ik zou maar heengaan, met mevrouw,” raadde de oud-militair aan.
„Jongens, de deugniet heeft een zware verzoling genoten,” vervolgde hij
in eigenaardig kazerne-idioom. „Hij zal nou voortaan wel wachten met
koeien verkoopen tot hij ze bezit.”
Zij volgden den raad, terwijl de anderen Plents in zijn huisje
brachten, waar de oude inlandsche vrouw hem ’t schrikkelijk gezwollen
gezicht afwaschte, onder zacht gejammer; zij had van de heele
vechtpartij niets bemerkt; eerst toen men hem achter had gebracht,
snapte zij wat er gebeurd was, en toen kwam er weêr leven en besef in
haar; hij was slecht, maar toch haar kind!
Roos en Freddy waren wel weêr bestolen, maar zij hadden een groote
satisfactie over het pak slaag; zij lachten er ten slotte om en waren
er trotsch op; zij gingen alles nog eens na; die oorveeg van haar was
ook raak geweest. De gedachte eraan verteederde Freddy en met
welbehagen kneep hij in de vleeschmassa harer dijen, lachend en plagend
over haar strijdlustigheid; en zij had na-rillinkjes vol pleizierige
aandoening, als ze bedacht, hoe bang ze was geweest, dat Freddy den
schurk dood zou slaan. Ze vonden de kans op een aanklacht tegen hen
gering; de vent mocht blij zijn, dat hij er nog met ’n pak slaag
afkwam; dáárvoor zouden zij het toch oninbare geld wel als verloren
afschrijven.
Maar toen den volgenden dag de schout in hun voorgalerij stond en vroeg
om mijnheer en mevrouw te spreken, was het Roos of haar dikke beenen in
looden veranderden; ze drukte haar hand tegen haar hart met ’n idee
alsof dat wou ophouden te kloppen.
Freddy ging rustig naar voren. Wat kon hem ’n schout schelen! Zijn
vader was ’n zoo hooggeplaatst man geweest; men had thuis de politie
wel altijd naar de hand weten te zetten.
„Ik kwam u spreken namens den assistent-resident. Is u ook bekend met
zekeren Plents?”
„Bekend.... ja.... hij heeft me bestolen.... in zoover ben ik met hem
bekend.”
„Hebt u daarover gisteravond ongenoegen met hem gehad?”
„Hij beleedigde mijn vrouw.”
„En u bent handgemeen met hem geweest?”
„Natuurlijk. Ik zeg immers, dat hij na ons bestolen en opgelicht te
hebben, mijn vrouw beleedigde.”
„Zoo.... Nu, dat kan dan een leelijke zaak voor u worden, mijnheer
Markens.”
Maar Freddy Markens, schoon inwendig ongerust, hield zich voor het
uiterlijk goed; hij lachte overmoedig:
„Het zou wat!”
„Nou,” zei de politie-ambtenaar, „ik zou niet graag in uw schoenen
staan. Plents is van z’n huis naar het hospitaal gebracht.”
„Men zal,” zei Markens, kwaad nu en brutaal, „toch niet willen beweren,
dat die gemeene vent in het hospitaal is opgenomen moeten worden om de
paar klappen, die ik hem heb gegeven!”
De schout glimlachte, met een hoofdbeweging, die zooveel zeggen wilde
als: hoort hem eens? Niettemin bleef hij heel ernstig.
„Het schijnt toch, dat die wat te hard waren; de dokter heeft dat ten
minste geconstateerd.”
„Nu ja, die dokters praten ook maar wat. Alles om drukte en soesah te
maken over kleine nonsense dingen, terwijl ze de groote
vergiftiging-zaken stilletjes aan den spijker hangen.”
„Daar heb ik nu zoo geen verstand van, meneer Markens, maar.....”
„Och wat!” viel Freddy nog altijd op brutalen kwajongenstoon hem in de
rede. „Ik heb dien smerigen oplichter misschien ’n blauw oog geslagen,
maar meer ook niet, en binnen een paar dagen is dat over.”
„Dan moesten er bijzondere dingen gebeuren, want Plents is dood.”
„Wat?” riep Freddy verschrikt.
„Zooals ik u zeg, meneer Markens. En de geneesheeren hebben
geconstateerd, dat de dood het gevolg is van mishandeling.”
„Maar dat liegen ze!”
„Ik mag er niet over oordeelen, ik zeg het u slechts.”
„Men zal toch niet beweren, dat ik hem heb doodgeslagen.”
„Wat er gezegd wordt in het hospitaal, dat weet u, en verder zult u er
wel van hooren.”
„Is er....?”
De schout knikte toestemmend.
„Ja, er is een aanklacht tegen u ingediend.”
„Door wien?”
„Dat weet ik niet. Er heeft al een onderzoek plaats gehad.... Ik kom
het u enkel maar vertellen.... Het doet mij leed om wijlen uw papa....”
Blijkbaar wist de schout niet goed, wat hij verder eraan zou toevoegen,
hij draaide zijn pet met zilveren band ’n beetje verlegen in de hand
rond, terwijl hij nu en dan naar buiten keek. Freddy lette niet op hem.
Hoe langer hoe zwaarder begon het te drukken op z’n gemoed. En ineens
weer kwam het lang vergeten tooneel uit zijn jongenstijd hem voor den
geest.
Hij zag weer het relletje in het kamp, toen zij de warong rampasten van
een Chinees; hij hoorde den baba schreeuwen, schelden en jammeren; hij
voelde het gewoel en het gedrang van den vechtenden troep Chineezen en
van de europeesche jongens; het was hem net of hij het stuk ijzer, dat
hij in een hoek naast ’n tokokast zag liggen, weer opnam en er den
Chinees mee doodsloeg.... dat was dan de tweede moord in zijn leven!
Hij schrikte op uit den korten onaangenamen droom. Een dos-à-dos reed
het kleine voorerf op. Er ging hem een rilling langs den rug, en hij
keek vragend naar den schout.
„Het is de substituut-officier, mijnheer Markens. Er is bevel tot
gevangenneming tegen u uitgevaardigd.”
Zonder een woord te spreken, hoorde hij den ambtenaar der justitie aan,
die de kennisgeving op de officieele manier deed herhalen. „Ik ben tot
uw dienst,” zei hij, zich met geweld bedwingend. „Ik ga even mijn vrouw
groeten.” Nu was hij zichzelf weêr grootendeels meester en met vasten
tred ging hij naar achter, waar Roos wanhopig schreiende neêrzat. Het
deed hem aan en zijn gemoed schoot vol.
„Toe Roos,” zei hij opbeurend. „Wees bedaard. Het is een ongeluk, maar
wij kunnen er niets tegen doen.”
„Hoe is het dan nu, Freddy?”
„Die Plents is dood en ze stoppen mij in de doos. Maar ik kom
natuurlijk vrij; dat kan niet anders.”
„Ik ben er wel bang voor geweest,” jammerde zij. „Toen ik die kerels
daar voor zag staan, heb ik het aan mijn hart gevoeld.”
Zij sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem, zooals ze het nog nooit
had gedaan.
In hun zonderlingheid, met haast geheele afwezigheid van zuiver goede
eigenschappen, waren ze veel, heel veel van elkaar gaan houden, en
hoeveel dat was, voelden ze nu eerst. Roos had op dat moment alles
willen geven, om hem te vrijwaren, en alles zou Freddy volmaakt
onverschillig zijn geweest, als hij Roos maar had kunnen meênemen. Zij
hield hem snikkende aan haar hart gedrukt, en hij, heel ontroerd, sprak
haar bemoedigend toe en kuste haar.
Toen hij weg was, zat ze verbijsterd rond te kijken; heelemaal suf; er
niets van begrijpend. Was het mogelijk dat haar man nu het huis uit was
en in de gevangenis? En wat zou ze aanvangen? Intusschen reed Freddy
langs de militaire wacht de poort binnen; de deurwaarder gaf de stukken
over, kreeg kwitantie voor het afgeleverde en men bracht hem door nog
eenige poortjes en gangen tusschen hoog metselwerk door naar een blok
en in een van de zes of zeven vertrekjes. Er scheen niemand hier
gevangen te zitten en Freddy keek vrij kalmpjes den boel eens rond.
Hier zou hij nu, dat was zeker, maanden moeten verblijven in het
gunstigste geval. Zijn practische aard nam dadelijk de bovenhand, en
hij vroeg, wat hem in preventieve hechtenis was toegestaan om zich het
leven te veraangenamen. Een paar uur later had Roos het hem op zijn
verzoek gezonden, en het verwonderde hem zelf, dat hij met dat al zich
zoo dadelijk schikte in zijn nieuwen en vreemden toestand, alsof, dacht
hij met galgenhumor, hij voor veroordeelde in de wieg was gelegd.
Ze stroomden allen naar Roos dien avond. Wat men ook mocht hebben tegen
haar en haar man,—het moest, onder zulke omstandigheden, niet gelden.
Iedereen moest zij van meet af vertellen hoe het gegaan was, en schoon
zij niet inventief was van aard, had zij toch aan het verhaal een voor
Freddy bijzonder gunstigen draai weten te geven, die den heelen boel
maakte tot een soort epos, waarin haar man de heldenrol vervulde; de
gemeene Plents had, na haar te hebben bestolen, haar bespot en
beleedigd en een stomp voor den buik willen geven; zij had hem
afgeweerd en de arme Freddy, zichzelven nu niet meer meester.... Neen,
dàt was rein menschelijk! Dat kon iedereen zich levendig voorstellen!
En zelfs Eddy, die zijn broer kende en wist waartoe hij in staat was,
fronste, toen hij dàt hoorde, de wenkbrauwen, bedenkend waartoe hijzelf
in staat zou zijn als een vreemde kerel het mocht beproeven zijn vrouw,
en dan nog wel onder belangwekkende omstandigheden, voor den buik te
stompen. Het moederlijk gevoel van de oude mevrouw Markens, dat zich
eerst enkel in tranen en verzuchtingen tot het Opperwezen had lucht
gegeven, scheen de waarde der bijzonderheid te vatten.
„Och, als de arme jongen er maar om denkt.”
„Waarom mama?” vroeg Roos.
„Wel, om vooral goed te doen uitkomen, dat het ongelukkige zondige
schepsel je heeft willen slaan en hoe hij dat wilde doen.”
Een oogenblik dacht Roos na, toen knikte ze. Het idee was tot haar
doorgedrongen.
„Ja, dat moet hij; zeker! Zou ik hem erover schrijven?”
„Och dat zou ik niet doen. Zie hem liever morgenochtend te bezoeken.
Dat zal hem zoo goed doen.”
Intusschen wonden de anderen zich op.
Henri en Piet Uhlstra informeerden naar die helpers, van Plents, die op
de vlucht waren gegaan, en dat op een manier, die weinig goeds voor dat
tweetal beloofde. Mevrouw Uhlstra maakte zich bevreesd en had in haar
angst al visioenen van schrikkelijke veroordeelingen, die ze
handenwringend hardop zei, met akelige uitroepen en verzuchtingen; de
twee jonge opzieners, al reeds door de schuld van „onmogelijke kerels
van administrateurs” buiten betrekking, zaten Freddy te roemen als een
kranigen vent, met betuiging, dat ze niet anders zouden gehandeld
hebben in zoo’n geval.