VERSCHILLENDE BEZOEKEN.

Buiten, voor haar wagentje, stonden ze even stil samen en in het

afschijnend lamplicht keken ze elkaar aan met komieke verwondering.

„Ik kan me haast niet voorstellen, Ed,” zei Lena half lachend, „dat wij

nu betoel geëngageerd zijn.”

Hij zag naar het mooie matblanke van haar hals, en op naar haar gezicht

in slagschaduw, waarin haar heldere oogen zacht glansden.

„Het is, Goddank, waar,” antwoordde hij ontroerd.

„’t Is nog vroeg, niet waar?”

Het was pas halfzeven.

„We moesten even naar nicht Roos gaan.”

„Nu, het eerst?” vroeg hij verwonderd; haast verschrikt.

„Ja. Het is zoo’n onaangenaam bezoek, Ed; zoo vreeselijk onaangenaam.”

„Precies, lieve. En moeten we nu dezen eersten heerlijken avond

daardoor bederven?”

„Het is maar ’n oogenblik! Wij kunnen immers dadelijk weêr weggaan.”

„Maar waarom ben je er zoo op gesteld?”

„Om het achter den rug te hebben, Ed. Ik moet heelemaal heen zijn over

het verhaal, dat je me toen hebt gedaan. Als we niet nu gaan, nu

dadelijk, dan vrees ik, dat er nooit iets komen zal van een bezoek

aan.... je broer en Roos. Dat zou toch niet goed wezen. Laat ons dus in

’s hemelsnaam maar dadelijk gaan. Dan zijn we eraf.”

Eddy zweeg, hij erkende dat het volkomen juist was, en zij gelijk had,

als meest altijd. En tegelijk kwam nu een gevoel van groote oude

bekendheid met haar over hem; net of ze al heel lang geëngageerd waren.

„Als ik zoo naast je zit,” zei hij, de ponies, die hij nu mende,

omsturend naar den weg waar Freddy woonde, „is het me of het altijd zoo

behoord heeft.”

„Wel.... ’t Hoort ook zoo.”

Ze zei het zoo aardig beslist, dat hij zich terzij boog en haar ’n zoen

gaf; de ponies, toch al zenuwachtig in vreemde hand, deden een

zijwending; het wagentje, met het eene wiel door een hoop grind terzij

van den weg, liep scheef, op omslaan af; en de paardjes, tegen de

strengen dringend, hard trappelend, trokken niet. De inlandsche groom,

in een achterbakje beneden de kap, schrok wakker, sprong eraf, was

dadelijk voor de paardenhoofden en trok ze voort, dwars maar door den

grindhoop. Allebei schaamden ze zich ’n beetje, zachtjes lachend vol

levenslust en geluk om hun dwaasheid.

„Ik neem de teugels weêr, hoor! Jij bent van avond veel te absent.”

En toen hij wilde protesteeren, zei ze meer ernstig:

„Toch niet, Ed. De ponies zijn nu niet te vertrouwen; als ze ’n vreemde

hand blijven voelen, gaan ze door en krijgen wij de grootste soesah.”

Toen Freddy en Roos het bekende rijtuigje hun erf op zagen rijden,

keken ze elkaar over de tafel aan in groote verwondering.

„Daar begrijp ik niets van,” zei hij; en zij:

„Wat komt die doen?”

Eddy’s gezicht ziende opdoemen uit het duister, naast Lena, terwijl ze

beiden opgestaan, vóór bij de bloempotten in hun galerij waren gaan

zitten, begrepen zij ineens alles.

Het was geen hartelijke ontvangst; het was er een met ’n flauw

schijntje van weerskanten.

„We hoeven niet te vragen,” zei Roos op haar rustige ’n beetje temende

manier en met haar klein airtje van indisch geaffecteerd zijn, „we

hoeven niet te vragen wat jullie komt doen.”

„Heb je het al geraden?” vroeg Eddy met ’n gemaakten lach.

Maar Freddy was niets in zijn schik.

„Als je mijn raad had gevolgd, waren jullie al lang getrouwd. Dan was

alles tienmaal beter geweest dan nu. Verbeeld je dat Ed.... enfin je

zult het nou wel weten, al verliefd op je was, toen we pas uit Europa

kwamen. Toen heeft hij je niet willen vragen. Ik had ’t hem aangeraden,

we hebben er haast twist om gehad, maar hij wou niet, en nu....”

„Nu,” zei Lena, „is het zooveel te beter, hij voelde toen zeker, dat

hij nog niet genoeg van me hield.”

„O neen,” zei Eddy, „’t was voor eens en voor goed, zonder meer of

min.”

„Ja, maar alle gekheid daargelaten,” meende Roos, „het is niet ernstig

gehandeld geweest. Mijn man heeft gelijk; er had dan veel kunnen

voorkomen worden.”

„Schei uit!” riep Freddy met een handbeweging voor zijn oogen als

verjoeg hij een nachtgezicht. „Het is zoo eeuwig jammer! Zij had een

magnifique erfdeel.... waren jullie getrouwd geweest.”

„Je weet het, Fred, ik prefereer haar zonder erfdeel.”

„Het is niet heelemaal weg.”

„Jawel,” verzekerde Lena. „Het is weg.”

„Neen, laat hem toch uitpraten,” zei Roos ertusschen. „Jullie weet er

niets van, en Freddy heeft gelijk. Het is niet weg en je moet er van

redden wat je kunt.”

„Wel waarachtig! Ik heb,” vulde haar man aan, „er al een advocaat over

gesproken. Het is een eenvoudige zaak.”

„Ik weet het wel, Fred!” antwoordde Eddy, „maar al is het ook nog zoo

eenvoudig, Lena en ik zullen van het middel geen gebruik maken.”

„Maar kerel, dan is ze haar geld kwijt.”

„Juist. Het is jammer, dat geef ik toe; maar het is niet anders. Wij

willen liever samen eerlijk zijn dan samen rijk.”

Het woord sneed erin, en er was ’n oogenblik dat niemand sprak. Lena

met ’n blij en gelukkig gezicht, kijkende naar Eddy, die daar zoo

eenvoudig, maar zoo precies de heele geschiedenis had geformuleerd;

Roos ’n beetje verlegen met haar oogen neergeslagen; Freddy in wanhoop,

trekkend omhoog met oogen en schouders, als trachtend in zijn heele

figuur gelijk in elken trek van zijn gezicht de uitdrukking te leggen

dat z’n broer in een gekkenhuis moest zitten.

Hij beproefde het nog eens met gemoedelijkheid en gedwongen kalmte,

feitelijk zonder hoop. Er was niets aan te vangen met Eddy en Lena!

„Och,” zei Roos, heel koel en effen. „Het beste is, dat wij er ons niet

meê bemoeien. Als de menschen niet voor redeneering vatbaar zijn, moet

men ze maar laten begaan, dat is het beste.”

Die stemming hing nu over alle vier. Eddy had willen redeneeren, maar

Lena, de oogen even dicht, schudde zachtjes van neen met haar hoofd, en

hij had zich er toen maar toe bepaald, eenvoudig te zeggen, dat zij

vast van plan waren alles te betalen.

Onder den druk der stemming gingen ze heen, van beide zijden met een

gevoel van weerzin elkaar groetend, in volslagen onvereenigbaarheid van

levensopvatting.

„Het baatte niet,” zei Lena toen ze naar tante Uhlstra reden, „tegen

hen te redeneeren. Wat jij en ik bedoelen, zullen zij toch nooit

begrijpen.”

„Zij niet.... en de anderen?”

„Ik geloof het niet.”

„Ik ook niet; zij kunnen daar niet in komen.”

Tante en de meisjes waren niet verwonderd; dat hadden zij onder elkaar

al lang voorspeld; dat hadden zij al jaar en dag zien aankomen; zij

begrepen alleen niet, dat het zich zoolang had laten wachten; voor hun

gedachten was het een oud uitgemaakte toekomst. En toen dat alles nu

gezegd en tot vervelens op allerlei manier herhaald was, kwam dezelfde

quaestie op het tapijt, die van het geld van Lena. En schoon de meisjes

het gek vonden, zwegen zij met eenig begrip, wellicht, van het goede of

met wat jeugdig gevoel daarvoor; maar mevrouw Uhlstra was woedend en

wond zich op, in één en al beweging, met oogen schitterend van drift in

een vloed van scheldwoorden tegen de dieven, die haar zuster geplunderd

en haar petekind straatarm hadden gemaakt.

Dáár zou men nu genereus tegen zijn; het was te erg! Doch toen ze zag,

dat er niets aan te doen was, zette zij zich met haar hoe langer hoe

wisselvalliger wordend humeur erover heen; ze moesten het ten slotte

maar zelf weten; men zou er niet minder goede vrienden om zijn.

„Ik wou nu even alleen naar mevrouw Lugtens gaan,” zei Eddy.

Ze zwegen er eerst allen op, begrijpend, dat het een moeielijke gang

was. En mevrouw Uhlstra, bang dat ook de huwelijkscandidaat een der

koopjes zou snappen, die een onverwacht bezoeker allicht bij haar

zuster te wachten stond, gaf den raad eerst belet te vragen. ’t Was al

wel dicht bij achten en haast etenstijd, maar men vond, dat dit er zoo

erg niet op aankwam. De europeesche gewoonte werd tegenwoordig zoo

nauwgezet niet meer gevolgd. In de periode van achteruitgang, na den

dood van de hoofden der gezinnen, was er nog slechts ’n schijntje van

die gewoonte overgebleven; men at ’s avonds wat rijst op ongeregelde

uren, soms zoo maar van de warong uit een pisangblad op den schoot.

Het antwoord op het boodschappenleitje kwam dadelijk: Wel zeker,

mevrouw Lugtens zou hem ontvangen; met heel veel genoegen. Maar het was

alles behalve voor zijn pleizier dat Eddy ging. Hij vreesde geen

weigering; hij kon alleen zijn afkeer van die vrouw niet overwinnen.

Bij zijn groote vereering van Lena met haar goeden, onbesproken en

onbaatzuchtigen aard, haar ongerepte kuischheid en lief, edel karakter,

haatte en verfoeide hij de moeder, die door haar gedrag den naam der

familie zoo schromelijk op straat had gebracht.

En toch, toen zij hem in de voorgalerij ontving, kreeg hij ondanks

alles den indruk, dat hij niet stond tegenover een gewoon vulgair

schepsel.

Haar overviel een gevoel van angst. Wat moest dat bezoek beteekenen van

den jongen man, wiens vaders dood zij op haar geweten had? Toen zij had

gehoord, dat de oude Markens een beroerte had gekregen op den weg na de

hevige scène bij haar aan huis, waren schrikkelijke angsten over haar

gekomen. Dagen achtereen vreesde zij een bezoek der justitie; het was

toen of haar hart stilstond, als zij iemand met ’n zwarte jas aan op

den weg zag aankomen, min of meer in de richting van haar huis. Het was

overgegaan; zij had het thans vergeten; maar het kwam weer op, toen

Eddy Markens daar zoo koel en deftig voor haar stond.

Hij hield zich zeer teruggetrokken en officieel, als kwam hij bij een

wildvreemde; zij met geweld kalm, heel ongerust over die houding.

„Ga zitten,” zei ze, „wat is er van uw dienst.”

„Ik kwam uw toestemming vragen voor een huwelijk.”

Zij keek hem aan, nu, met de grootste verwondering, als viel hij uit de

lucht, en ze herhaalde het:

„Mijn toestemming voor een huwelijk?”

Ineens echter werd ’t haar duidelijk; zij zuchtte diep, ontheven van

een groot benauwend gevoel van vrees.

„Met Leentje?”

„Ja, mevrouw.”

Hoe gek toch! dacht ze nu; de heele geschiedenis, de vreemde

verhouding, de geldquaestie,—het maalde haar alles door het hoofd,

terwijl ze een oogenblik stilzat met neêrgeslagen oogen, werktuigelijk

op haar knie de zwarte kant harer over-kabaja glad strijkend.

„Ken-je onze omstandigheden?”

„Ja, mevrouw.”

„Ik bedoel: heelemaal. Ook dat Leentje voor mij....”

„Ook dàt.”

Zij hield weêr een oogenblik op, bevend van ontroering, met een ouden

trek om haar mond; een afgeleefde vrouw van gezicht met een

onverwoestbaar fijn en slank figuur.

„Mijn toestemming geef ik. Als Lena van je houdt, sta ik niet in den

weg. Het moest er nog bij komen, dat ik jullie dwarsboomde!”

„Ik dank-u.”

„Die.... papieren zullen zeker niet erkend worden?”

„Dat zullen ze wel.”

Haar ijskoude handen wrong ze zenuwachtig in doodsangst, snikkend; de

woorden met moeite uitstootend, ging zij voort:

„Dan... is ze... arm, Eddy. Weet je dat?.... Heb je er over nagedacht?”

„Om haar geld vraag ik haar niet; alleen om haar zelf.”

Nu stond zij voor hem zoo bleek en vertrokken van gezicht, dat hij er

bang van werd; ze beproefde te spreken, slikkend als zat haar iets in

de keel, dat eerst weg moest en niet wilde.

„Ga dan,” zei ze eindelijk zoo zacht dat hij ’t haast niet kon hooren.

„Het is goed.”

Eddy was door de samenkomst heel onaangenaam gestemd; hij had zich goed

gehouden in zijn fatsoenlijke teruggetrokkenheid, in zijne behoorlijke

verontwaardiging, in zijn laag neêrzien op een schepsel, dat men

eigenlijk nooit iets moest behoeven te verzoeken, maar dat men als het

vragen onvermijdelijk is, de woorden toeweegt op een goudschaaltje. En

als hij ’t nu zich zelven eerlijk bekende, dan voelde hij voor die

vrouw nog meer sympathie dan voor een der andere familieleden; zij

mocht dan in dien éénen zin ’n gemeene vrouw zijn,—het scheen hem toe,

dat ze in andere opzichten beter was dan de rest. Lang hield ’t hem

niet bezig; een oogenblik slechts. Dan dacht hij weêr aan zijn mooie,

lieve Lena, die te midden van al de grofheid en gemeenheid dier vele

levens was opgegroeid, schoon, rein en onberispelijk, als ’n blanke

lelie op ’n mestvaalt; al het vuil, dat door de groote familie liep,

ging rakelings langs haar heen, haar bespattend, zonder haar ook maar

in ’t minst te besmetten. De gedachte, dat zij nu zijn vrouw zou worden

en dat hij haar had verdiend, ontroerde hem, hij had nu ook respect

voor zich zelven, en in het eigenaardig dualisme van z’n eigen

beoordeelaar zijn, was hij over zich zelven tevreden met de voldoening

van iemand, die, na een langen weg, den bergtop nadert, en z’n

vermoeienis al kwijt is bij het zien nu en dan, door het hout, van een

stuk verre, diepe vallei, blauwig wegschemerend naar den horizon.

Hij liep voort met haastige stappen, in een groote drift om gauw bij

haar te zijn. ’t Leek een droom, zooveel was er gebeurd dien avond! ’n

Uur of wat geleden wist hij nog niets, nu was ’t voornaamste, dat hem

naar z’n idee in zijn leven kon overkomen, reeds achter den rug. En zij

hield van hem zooveel en al zoolang....! Dat wist hij nu.

„Het is in orde,” zei hij met een sprongetje de galerij op, waar Lena

hem stond te wachten.

„Wat zei ze?”

Hij vertelde ’t haar in weinig woorden, en ze zuchtte ervan.

„’t Is zoo ongelukkig, Ed. En ik vrees, dat ik alles zoo goed begrijp.”

En toen hij daarop zweeg, een antwoord moeilijk vindend, ging ze voort:

„Ik geloof, dat pa en ma niet gelukkig waren met elkaâr; zij ten minste

niet; voor zoover ik over pa kan oordeelen, was ’t hem

onverschillig.... Enfin, het is alles voorbij.”

„Zeker. We moeten er niet meer over spreken. We zullen wel gelukkig

zijn. Dáárvan ben ik overtuigd.”

In die gedeelde overtuiging stonden ze in het duister der galerij te

vrijen, al maar door, zonder te spreken, soms met een drift alsof

verloren jaren ingehaald moesten worden; in een totaal vergeten van

tijd en gelegenheid; de gedachten, het leven, geconcentreerd op elkaars

persoon; de armen om elkaar, met die heerlijke stille sensatie die doet

zuchten van een genot en geluk nog in zijn eerste stadium van

ontwikkeling en vatbaar voor veel uitbreiding in een vaste toekomst.

Zij had hem wel dadelijk kunnen zeggen, dat er weêr iets onaangenaams

was, doch haar hoofd stond er niet naar; eigenlijk kon het haar, nu op

dit moment, maar weinig schelen; wel had ze altijd lief en leed met

tante Uhlstra gedeeld, maar er was toch ook ’n grens voor alles, en zij

voelde het: zij kon nu geen belang stellen in dat eeuwige gezanik over

het geld.

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 75 / 83 题