Terwijl hij erover zat te pikeren, elken dag, tot hij er hoofdpijn van
had, beraamde Eddy andere plannen. In het leven, zooals hij ’t zich had
voorgeschreven, voegde hij zich met toenemend gemak; het was stil en
eentonig, maar dat was zijn eigen verkiezing; hij had kunnen uitgaan,
naar de sociëteit en elders; hij had zich vrienden kunnen maken, heel
gemakkelijk, want hij was altijd, zelfs in ’n eenvoudig wit jasje, even
elegant en net, en wanneer hij ’t wilde een aardig prater, zijn
gezelschap waard; maar hij had zijn ééne idee, en dat hield hem en hij
hield het vast. Dáárom leefde hij eenzelvig en zuinig; onthield zich op
’t kantoor van familiaren omgang met zijn confraters.—Geleefd, in den
zin van „Wijntje en Trijntje”, had hij; nu onthield hij zich van alles,
met een ernst en vastheid van wil, die als het ware op zijn heelen
persoon, op zijn houding en bewegingen overgingen. Men vond hem op ’t
kantoor een voorbeeldig employé, wiens werk voortdurend in hoedanigheid
beter werd; dien men vertrouwen kon, en die bijzonder vlug en pinter
was, met een assimilatievermogen en een koopmansgeschiktheid, die
bewonderd werden. Hij kon aan Chineezen verkoopen als niemand op ’t
kantoor, en zijn chefs hadden geen grooter pleizier dan als zij den
anders zoo netten Eddy Markens met singkehs hoorden marchandeeren over
een of andere partij import-goederen in een met chineesche getalwoorden
doorspekt brabbel-maleisch, waaruit geen sterveling kon wijs worden,
dan hij en deze soort afnemers, die graag met hem te doen hadden.
Als hij nu in gedachten alles naging, zittend voor ’t paviljoentje, dat
hij na den dood zijns vaders bij vreemden had betrokken, vond hij zijn
toestand niet onbevredigend. Zijn tractement was verhoogd, en met zijn
erfdeel, hoezeer dat ook was tegengevallen, meende hij toch iets te
zijn, al was er dan ook geen sprake van de grootheid in het ouderlijk
huis toen hij nog een kind was.
Hij had gehoord, dat mevrouw Lugtens inderdaad onder curateele was
gesteld; op de hoogte harer omstandigheden was hij niet; hij zag of
sprak haar nooit, zich altijd ergerend om wat hij van terzijde hoorde.
Zoo langzamerhand was hij heelemaal uit wat er van de oude relaties nog
overig was, geraakt.
Eens in de week ging hij vast naar de muziekuitvoering in de open
lucht, ontmoette er Lena, sprak vijf minuten met haar, meer, veel meer,
zonder dan met woorden, en daar teerde hij dan de heele week op, zonder
eene poging andere gelegenheden te zoeken; vast in zijn nadrukkelijken
wil, haar naam niet in opspraak te brengen; reageerend zóó met alle
macht tegen het vele andere, dat op zijn en haar familie noodlottig
drukte.
„Scheelt er iets aan?” vroeg hij haar, toen hij haar weêr op ’n
Zondagmiddag ontmoette.
Zij zag er bleek en ontdaan uit; de vriendelijke onbezorgde lach
zweefde niet om haar mooien, frisschen mond; lusteloos en verstrooid
keek ze rond uit haar rijtuigje, als opschrikkend uit haar gedachten
toen zij hem zag aankomen.
Een oogenblik bedacht zij zich, toen zei ze openhartig:
„Ja, er is heel veel, dat me vreeselijk hindert.”
„Kan ik je van dienst zijn?”
En toen zij zweeg, blijkbaar het met haarzelve niet eens over het
antwoord, zei hij zonder aanstellerij, maar op een zeer beslisten
mannentoon, haar recht in de oogen ziende:
„Er is niets of ik wil het voor je doen. Graag; met vreugde.”
Lena was bleek geworden; haar onderlip trilde en ze beet erop, met een
trekken in haar heele gezicht, alsof ze zich bedwong om niet te huilen.
„Ik ben hier gekomen om je iets te vragen, Eddy, zonder een van de
anderen meê te nemen. Ik moet je spreken, maar waar en hoe?”
„Waar en hoe je wilt.”
Zij dacht na, haar bedroefde oogen starend in de verte, en met een
melankoliek glimlachje zei ze:
„Het lijkt zoo gemakkelijk en toch is het zoo moeilijk.”
„Kom, laat ons eens zien.... Het is wel heel ernstig, dat zie ik. We
moeten iets bedenken, en over een kleinigheid heenstappen. Je vertrouwt
me misschien niet.”
„Zeker, dat doe ik wel.”
„Nou, dan is het ook zoo moeilijk niet. Ik ben voor de variatie weer
eens in onmin met m’n broer en m’n schoonzuster, maar als ik nog van
avond naar hem toega....”
„Neen,” viel Lena in de rede. „In geen geval bij nicht Roos.... Kan het
bij je ma aan huis?”
Hij stond ook na de erfenisquaestie niet op den besten voet met zijn
moeder, die als gewoonlijk in den laatsten tijd de partij koos van
Freddy, niet uit eigen voorkeur, maar omdat hij haar letterlijk
beheerschte, en zij geen kracht had zich daartegen te verzetten.
„Het is goed,” zei hij. „Wanneer?”
„Zoo gauw mogelijk. Vandaag nog als het kan.”
„Welnu, rijd er heen. Ik volg dadelijk.”
Dan, het was Zondagmiddag, en zij hadden er niet aan gedacht, dat
mevrouw Markens naar de kerk ging. „Mevrouw,” zei een bediende, „was er
niet,” en de man vond het heel vreemd, dat de jongejuffrouw, toen hij
dat had gezegd, niet dadelijk heenging, maar besluiteloos en ’n beetje
verlegen eerst heen en weer drentelde, en eindelijk zonder iets te
zeggen op ’n wipstoel ging zitten in de voorgalerij. De inlander
wachtte stil, er niets van begrijpend, tot van den weg een huurdogcart
het erf indraaide en hij „den jongen heer” zag, die erin zat; toen met
’n stil lachje in zijn oogen, meenend het afspraakje te begrijpen, ging
hij heen naar achteren.
„Je ma is er niet,” zei Lena zenuwachtig opstaande.
„Dat is niets. Ga zitten. We kunnen hier heel gerust en vrij spreken.
Zeg maar gauw het ergste: hoe gauwer hoe beter.”
Hij zelf was zenuwachtiger dan zij, al drong hij zich tot kalmte; hij
vreesde het ergste voor hem. Onderweg was hij ineens op de gedachte
gekomen, zij zou hem meêdeelen, dat ze ging trouwen met een ander; het
kon, meende hij nu zeker, niet anders zijn dan dàt. Het sloeg elke
illusie zijner toekomst te pletter; het was in zekeren zin zijn
doodvonnis; maar hij zou zich ’n man toonen, en als ’t hem treffen
moest, dan ook maar ineens.
„Het is....,” zei ze, en een vuurroode gloed steeg op naar haar hoofd,
haar hals overdekkend tot onder de haren..... „Ik moet over mijn moeder
spreken.....”
Eddy voelde wat dat was, voor een meisje als Lena, en meêlijdend hielp
hij haar.
„Zeg er niet meer van dan het onvermijdelijke; de rest weet ik.”
„Zij heeft al lang telkens in geldverlegenheid verkeerd.”
„Dat laat zich wel begrijpen.”
„Dan schreef ze me, zonder dat tante Uhlstra het wist. Soms wachtte ze
me op...”
„Nu, dan heb je het haar gegeven.”
„Neen, dat is het niet. Zóóveel heb ik immers nooit in handen.”
„Waren het zulke sommen?”
„Zij speelde; ze verloor dikwijls veel; ze bad en smeekte me om haar te
helpen.”
„Ik begrijp het niet..... Hoe kon je haar daaraan helpen.”
„Zij liet me papieren teekenen, verklaringen, dat ik het geld zou
betalen uit het erfdeel van papa, als ik trouwde of meerderjarig werd.”
„’t Is wel! En....?”
„Nu ze onder curateele is gesteld, schijnt dat bekend te zijn geraakt.
Er is soesah over, ze zeggen allemaal, Freddy en Roos ook, dat die
papieren niet geldig zijn.”
„Dat zijn ze ook niet.”
Lena had zichzelf weêr gevat, haar zenuwachtigheid was geweken; zij
keek Eddy vast in ’t gezicht, uitvorschend, als wou ze doordringen tot
in z’n gedachten.
„En ze moeten toch betaald worden,” zei ze op den Lugtenstoon, die geen
repliek duldde.
„Zeker, dat moeten ze ook,” verklaarde hij eenvoudig, blij in z’n hart,
als had hij een lot uit de loterij getrokken; volkomen bedaard nu;
verlost van een doodelijke vrees, die hem, toen hij tegenover haar was
gaan zitten, had verlamd en neêrgedrukt in een diep gevoel van
ellendigheid. De blos kwam weêr terug op haar gezicht; niet helrood van
schaamte over schande, maar zacht en liefelijk als lentezonnegloed na
een onweêr.
„Is het erg veel, Lena?” vroeg hij vriendelijk met zachte
belangstelling.
Zij sloeg de oogen neer.
„Het is,” zeggen ze, „zoo goed als alles wat ik te wachten heb. Ik heb
het nooit nagerekend. Het was om haar te helpen.”
„Wil je even met me meêgaan in de binnengalerij?”
Zonder antwoord, stond ze op en volgde hem in het door de gordijnen
sterk getemperd licht, en achter hem sloot hij de deur; niemand kon hen
zien. Toen nam hij haar handen in de zijne en met zijn gezicht dicht
bij het hare, zijne oogen vochtig van eigen groote aandoening, zei hij
zacht:
„Je weet, Lena, wat ik zeggen wil.... Hoe lief ik je heb.... Nu meer
dan ooit.... Ik zal altijd mijn best doen je waard te zijn.... Wil je?”
Zij maakte haar handen los uit de zijne, en de armen om zijn hals
slaande, ’t fijne hoofdje tegen hem aan, snikte ze haar geluk en haar
verdriet vrijuit nu:
„O God, Ed, ik ben zoo ongelukkig geweest de laatste dagen!”
Wat hem overkwam, wist hij niet; het was alles mooi en licht om en in
hem; ze waren op een bank gaan zitten en hij hield haar in zijn armen,
terwijl ze ineens haar heele hart uitstortte, gelukkig nu boven alles,
en er niet op lettend, dat de duisternis viel met indische snelheid,
praatte zij en luisterde hij, haar telkens kussend, naar het eeuwig
schoone verhaal van wat haar meisjeshart voor hem had gevoeld, zoo
lang, zoo lang al, van dat ze hem, toen hij terug was uit Europa, voor
de eerste maal had gezien.
Ineens stonden zij rechtop. In de schemering, waar, buiten in de verte,
al lichtjes melankoliek doorheen keken, trad mevrouw Markens binnen,
zachtjes den deurknop draaiend, onhoorbaar op de teenen, als wilde zij
hen betrappen.
„Ma,” zei Eddy dadelijk en in ’n paar groote stappen vlak voor haar,
„’t is niet noodig zoo stilletjes binnen te komen. Er gebeurt hier
niets dat niet iedereen mag zien.”
„Ik kom niet stilletjes binnen; niet gelijk een dief in den nacht.”
„Wij hebben buiten op u zitten wachten.”
„Dat zag ik.... aan de stoelen.”
„Toen had ik Lena iets te vragen; ze heeft, Goddank, daarop geen neen
gezegd, en ik twijfel niet of u zult daarop uw toestemming geven.”
Een oogenblik zweeg mevrouw Markens. Het was toch te gek dit zóó te
laten afloopen! Zij reikte Lena de hand, sloeg den anderen arm om haar
schouders en nu ineens, als viel het gaan haar moeilijk, zei ze:
„Kom meê naar achter, kinderen.... De Heer zal ons kracht geven naar
kruis.”
Eddy, mopperend bij zichzelf, dat dit nu weêr niet zonder aanstellerij
en comediespel kon afloopen, volgde, zich verstappend telkens van
ongeduld, achter den sleep aan zijn moeders japon, telkens met gevaar
dien af te trappen.
De lichten werden aangestoken en ze gingen rond de tafel zitten; Lena
met iets komieks in haar gezicht, dat Eddy zou hebben opgemerkt, als
hij niet zoo bezig was geweest zich te ergeren. Als hij dat liet
begaan, zou het „gekwebbel”, zooals hij het noemde, nog wel ’n half uur
duren; hij zou er een eind aan maken, als het te erg werd.
„Och, lief kind,” begon mevrouw Markens op den onderworpen toon van
iemand, die berust in een zwaar te dragen last, „hij is altijd mijn
Benjamin geweest.”
En daar Lena even knikte, om toch een teeken van leven te geven, ging
de oude vrouw voort in haar tegenwoordig lievelingsgenre, alsof ze
examen deed in de toepassing van bijbelcitaten, al maar pratend tegen
Lena, die, zich nog maar weinig herinnerend van wat ze geleerd had voor
haar belijdenis, niet wist wat op zulk een buiten-issig gepraat te
antwoorden; tot ze eindelijk in het vol-aapachtige dezer vormelijkheid,
het meisje, met zalving, Magdalena noemde. Toen stond Eddy op en zei,
minder barsch dan hij ’t zou gedaan hebben als Lena er niet bij was
geweest:
„Nou ma, het is nu wel, hè! Zij heet Lena, en wil dus asjeblieft zoo
vriendelijk zijn haar nooit anders te noemen. We gaan nu even naar haar
moeder.”
„Haar moe....”
Zij kon het woord niet uitspreken. Dàt was waar ook! Lena, altijd bij
en door mevrouw Uhlstra opgevoed, nooit door iemand samengezien met
mevrouw Lugtens, werd reeds als schoolmeisje door velen Lena Uhlstra
genoemd; en ze sprak het nooit tegen; zelfs nu kende men in toko’s en
daarbuiten haar zoo goed onder dien naam, als onder haar eigen, en nu
wist mevrouw Markens er wel alles van, maar ze had er ook zoo gauw niet
aan gedacht; zij leefde voor haarzelf altijd in andere sferen; zij
bemoeide zich weinig met al die menschen, die naar haar oordeel zoo ver
beneden haar stonden. Maar het was waar! Het meisje was de dochter van
die vrouw, die zondares! En de oude Markens, die zijn wettige
wederhelft nooit lastig viel in de laatste jaren, had een beroerte
gekregen en was plotseling uit dit leven weggerukt, in een zondigen
staat en toen hij....
Mevrouw Markens werd er bleek van. Het was verschrikkelijk!
„Ik.... ik kan mij nu niet uitspreken,” zei ze. „Ik moet tot mijzelve
inkeeren en.... bidden....”
Bij Eddy kwam ’n oogenblik een der in het ouderlijk huis en bandelooze
vrijheid gedresseerde „jongens Markens” boven.
„Als dat gezanik nu....”
Maar met een enkelen blik lei Lena hem het zwijgen op.
„Het is heel goed van u, mevrouw.... Ik begrijp, wat u meent. Als ik
daaraan had gedacht, zou veel anders zijn geweest. Maar ik voel dat u
in den grond gelijk hebt.... Dag mevrouw!”
Tot haar lippen toe zagen wit, en haar gezicht zoo erg, dat het indruk
maakte op mevrouw Markens, die zich er anders nooit om bekommerde hoe
iemand eruit zag als ’t niet een van haar zoons was.
„Wij zullen wachten, Eddy, tot je mama heeft nagedacht.”
Zulk een onzinnig idee deed den jongen man versteld staan.
„Denk-je dat ik iets geef,” riep hij kwaad, „om het nadenken van mama,
die nooit eigenlijk over iets heeft nagedacht? Waarachtig niet. Zij zal
hier niemand beleedigen. Dat mankeert er maar aan!”
„Ik wil niet beleedigen,” viel zijn moeder bang in de rede.
„Stil, Eddy, je ma heeft wezenlijk gelijk.”
„Dat heeft ze niet. Ik ben meerderjarig en als ik haar toestemming
vraag....”
„Ik zou zonder die toestemming geen engagement openbaar gemaakt willen
zien,” zei Lena trotsch en beslist, in haar ziel nu opkomend tegen de
vernedering.
„Welnu, zij zal die dadelijk geven en daarmeê uit. En ik vraag u mama,
kort en goed: ja of neen?”
Het was de oude dwingelandij van haar jongens, de toon, de manier en
het gezicht vooral; het biologeerde haar uit de gewoonte zich door haar
kinderen te laten beheerschen.
„Maar Eddy,” zei ze haast smeekend en handenwringend, „ik heb immers
niets gezegd. Je moet geen verkeerde uitlegging geven aan mijn woorden.
Ik zeg immers: ja; dat weet je wel!”
Nog altijd kokend inwendig van woede, om de beleediging, die hij vond,
dat zijn moeder Lena had aangedaan, ging hij met kregelige beslistheid
voort:
„Nu, dan ook geen gezanik langer.” En in een heel lieven minnaarstoon
voegde hij er tot Lena bij: „Willen we maar niet dadelijk gaan?”
Zij wist niet hoe ze het had, niets begrijpend van zulk een verhouding.
Wel had ze nu en dan iets gehoord van het vreemde der oude mevrouw
Markens en het meesterschap harer zoons, maar dat dit zóó toeging, kon
zij zich niet voorstellen.
Mevrouw Markens zoende haar goeden dag en wenschte haar voor haar
verder leven alles wat, zeide zij, haar voor een eeuwige gelukzaligheid
kon voorbereiden; Eddy vloekte in zichzelf van ergernis, en Lena vond
het wel ongewoon, maar toch ver verkieslijk boven de vlagen van
boosheid en opgewondenheid harer tante, of de eindelooze praat harer
moeder over de mannen en het dobbelspel.