OP WEG NAAR HUIS.

Dadelijk was Markens doorgestapt met groote schreden naar buiten; zij

achter hem aan, de woorden nawerpend tegen den breeden ronden rug van

de voortschuivende zwarte jas.

Wel, het was hem een opluchting toen hij buiten kwam; zijn hoofd

gloeide van de congestie als vuur, met een benauwd gevoel in zijn keel.

Van wit, dat hij geweest was, toen Clara hem uitmaakte voor dief en hij

voor het eerst zijn ambtelijk verleden, waarop hij zoo trotsch was, in

zulk een licht zag gesteld,—was hij nu hevig rood geworden. Hij ademde

zwaar, blazend onder het loopen over den heeten, slechts zwak

beschaduwden weg, telkens stilstaand, zich met den foulard langs het

gezicht wuivend, en terwijl hij trachtte tot bedaren te komen, zich

elke minuut meer en meer opwindend. Hij lette niet op den weg en de

omgeving. In zijn lange lakensche jas, de hooge witte das tot de kin,

het hoofd met het witte baardhaar en het glinsteren van den bril

vooruit, liep hij voort met groote stappen, armzwaaiend; rechts, als

wijzend met zijn wandelstok op den horizon, nu voor dan achter. In de

open schaduwdonkere galerijen aan den eenen kant van den weg zaten om

de middeltafels of in hoekzitjes dames in sarong en kabaja, die met

nieuwsgierigheid keken naar den ouden heer; aan de andere zijde, waar

de zon fel scheen op kreesglimmeringen en zeildoekwit, zag hem niemand.

Waar zou hij vandaan komen? vroegen de bewoonsters van den schaduwkant

elkaar of zichzelf nieuwsgierig af. Waar gaat hij heen? Maar dat hij

zou komen uit het huis van die vrouw,—dááraan dacht niemand; daar was

de oude heer Markens te deftig en te fatsoenlijk voor.

Hij voelde er onweêrstaanbare behoefte aan thuis te komen; ’t was na ’n

paar minuten het eenige idee, dat hem bezighield; het suisde hem in de

ooren alsof hij ’t zichzelven toeriep met z’n eigen stem; hoe langer

hoe warmer werd het en hoe benauwder; zijn gezicht zag niet rood meer,

maar blauwachtig, met dikke aderen in den hals, die in donkerviolet

opgeloopen koorden leken. Naar huis, naar huis! Van de huizen en de

boomen zag hij de omtrekken niet meer, alles zwom voor zijn met bloed

beloopen oogen als in een vreemde geelroode zee van licht; hij

worstelde seconden, moeite doende om goed te zien, met aanloopend besef

van kwaadheid, dat hij ’t niet kon. Hij was toch niet dronken! In

onvasten gang, moeielijk maar toch als in een loopje de witte

broekspijpen voor elkaar gooiend, ging hij snel door, overgegaan van

zijn vasten tred in een waggelgang.

„Mijn God!” zei in een galerij aan den schaduwkant een jong vrouwtje,

de handen vouwend, als ging zij bidden, in een grooten toon van

verbazing. „Mijn God! daar gaat die knappe ouwe heer Markens en hij is

dronken!”

Ineens zag hij niets meer. De roodgele lichtstroom werd zwart; de

kracht om z’n voeten op te lichten hield op, en, in de zichzelf

voortzettende gangbeweging, struikelde de voet over den beganen grond

en viel hij neer met een harden slag, de hoed met een rolletje

afgierend van het witte haar, naar het lage zijgedeelte van den weg.

Doodstil, met een zwaar werken van de borst en een rochelend

ademgeluid, lag Markens op de grond, op z’n rechterzij, den arm, als

ter beveiliging, instinctmatig uitgestoken bij het vallen, onder het

hoofd. En met z’n mond dicht bij den bodem, het fijne stof opblazend

tegen en op z’n gezicht, waar het vastplakte, zag hij er in een

ommezien erg vies en onoogelijk uit.

Er kwamen inlanders bij en Chineezen. Op een afstandje bleven ze eerst

staan kijken, net alsof ze bang waren, dat die bejaarde Europeaan

dronken was of het er maar om deed, en in hinderlaag lag om hen te

bespringen.

Maar langzamerhand kwamen ze dichter bij en vormden een kringetje; de

bekende naam werd genoemd door een; ’n ander zei waar hij woonde, ’n

derde wat hij was geweest en zoo voort. Sommigen gingen op de hurken

zitten, de strootjes rookend, met nieuwsgierigheid kijkend naar het

lichaam, dat daar, in den zonneschijn en besloten in een dichtgeknoopte

jas, in doodsbenauwdheid lag te zwoegen; de slippen van mooi zwart

glimmend laken, door het vallen vuil, hingen van zijn zijden af in het

stof, één met ’n winkelhaak. Daar wezen de inlanders elkaar op. Wat zou

er een schoonmaken zijn aan die mooie jas! Niemand dacht eraan ’n hand

tot helpen uit te steken uit zichzelf; zij zouden zoo gek niet zijn

zich perkara’s op den hals te halen! Als er iemand kwam die prentah

gaf, was het iets anders, naar eigener initiatief de hand te slaan aan

het lichaam van dien ouden heer, om dan naderhand door de politie

verhoord en misschien van allerlei verdacht te worden,—geen hunner

dacht er aan dit gevaarlijk stuk te onderstaan.

Een baboe, die even was komen kijken, verheugd dat zij een nieuwtje had

tegen de doodelijke verveling van haar meesteres, alleen thuis, was het

gaan vertellen, en in moeilijken slofjesgang beproevend hard te loopen,

met een hand haar sarong en kabaai in één greep onder de borst in

bedwang houdend, tegelijk andere op- en neêrbewegingen bedwingend, de

andere hand achter aan haar condé, in de houding van iemand, die vreest

alles tegelijk te zullen verliezen, kwam de dame naar buiten loopen den

weg op.

De inlanders gingen voor haar op zij, het kringetje verbrekend, en zij

met veel „Kasians!” en „Ach, Gods!” schold onder de hand het volk, wijl

het niet hielp, gelastend den ouden heer op te tillen, dreigend met de

politie. Doch de omstanders keken elkaar verlegen aan, en dan weer bang

naar den gouden horlogeketting van Markens. Als er eens iets gestolen

was, kregen zij de schuld! Tot, op last der dame, haar eigen mannelijke

bedienden ’t eerst trachtten het lichaam op te beuren. Toen durfden de

anderen ook. Men bracht hem haar huis binnen, legde hem op een bed,

maakte zijn das los en zijn vest open; de dokter kwam, onderzocht hem

en schreef middelen voor; er ging een boodschap naar mevrouw Markens,

die dadelijk kwam aanrijden, en voor het bed op haar knieën hardop ging

liggen bidden, inwendig denkend aan het verband tusschen de beroerte

die haar man had getroffen, en zijn afgelegd bezoek, met een stil

vermoeden, dat niet de Heer maar de duivel zijn schreden had geleid;

Freddy en Roos kwamen ook, en Eddy, wien men ’n briefje zond op zijn

kantoor, haastte zich naar ’t huis waarheen zijn vader was

overgebracht. Het was daar ’n groote drukte, een aanhoudend af- en

aanloopen, op- en neerrijden, met een permanente commissie van

nieuwsgierige inlanders aan den ingang van het erf, en in de naburige

huizen een eenparig gluren door en over de paggers. Het was in ’t

eentonig leven een gebeurtenis van belang, een onderwerp van gesprek om

te illustreeren. En het deed een reuzensprong in belangrijkheid, toen

men hoorde, dat die oude Markens, toen het ongeluk hem trof, juist een

visite had gemaakt bij de weduwe Lugtens.

Het was voor hem haast gelukkig, dat zijn grootendeels zielloos en

verlamd lichaam reeds naar zijn eigen huis was overgebracht toen dat

bekend werd. „Zoo’n ouwe rakker!” zei verontwaardigd de mevrouw, die

hem geholpen had. „Als ik dat had geweten, zou ik me wezenlijk niet

zooveel moeite voor hem hebben getroost.”

Niemand dacht ook maar ’n oogenblik na; niemand scheen te begrijpen hoe

zot men sprak; hoe, als het waar was, wat men veronderstelde van het

bezoek bij Clara, dit voor Markens de kans op een beroerte daarna juist

tot een minimum zou teruggebracht hebben. Het was zoo’n heerlijk iets,

te kunnen denken, dat zoo’n ouwe heer door overmaat van

liefdesopgewondenheid zich ’n beroerte op den hals had gehaald! De

bejaarde dames, die in haar oogen nog niet ongevaarlijke bejaarde

mannen hadden, knikten bij het verhaal, zeer wijs, en zeiden

bedreigend: „Ja, ja, dat komt ervan!” En de bejaarde mannen, óók niet

nadenkend, maar enkel onder den indruk van het geval, vonden het een

veeg teeken, dat de leeftijd ook aan zulke onaangenaamheden blootstelt.

Markens lag nog weken stil in zijn bed te sterven, de verlamde

onderkaak opgehouden door een doek; niet meer kunnende kauwen en met

vloeibare spijs gevoed; de eene zijde onbeweeglijk, de oogen dof en

zonder leven.

Freddy en Eddy handelden, de eerste uit zucht zooveel mogelijk voor

zichzelf te rampassen, de andere, het wetend, niet van plan zich te

laten bestelen, scherp toekijkend om het te beletten. Mama liet zich

alles welgevallen. Zij mocht in vele opzichten zijn veranderd,—haar

zwakheid voor haar zoons was niet verminderd. Integendeel, zij

triumfeerde in haar hart, overtuigd dat er geen knapper, beter jonge

mannen op de wereld waren dan haar zoons.

Den dag nog na de begrafenis barstte de opgekropte woede los in een

wilden twist vol doodelijken, onuitroeibaren familiehaat, in zijn

diepsten grond erger dan haat tegen vreemden. Freddy had zijn broer

kunnen en willen neêrslaan als een hond, toen ze dreigend recht

tegenover elkaar stonden; maar de ondervinding had hem voorzichtig

gemaakt en doende alsof het smeeken van Roos en de gebeden zijner

moeder hem weêrhielden, hield hij zich bedaard; feitelijk herinnerde

Eddy’s gezicht hem veel te levendig naar zijn zin aan een contact

tusschen zijn hoofd en den poot van een stoel.

„Ik wil niet meer dan mij eerlijk en wettig toekomt,” verklaarde Eddy

nadrukkelijk. „Maar ik wil ook geen cent minder.”

Het gebeurde.—Freddy moest zijn rekening en verantwoording overmaken;

hij moest de posten veranderen, zooals zijn broer dat eischte; hij

moest van het heerlijke geld aan Eddy diens wettig erfdeel geven en

zijn gemoed schoot vol toen hij het aftelde en ’t zacht wegschoof uit

zijn vingers.

En toen Eddy heenging, keek hij hem na met ’n vies gezicht,

hoofdschuddend als over ’n verworpeling, diep zuchtend, en zeggend:

„Van je famielje moet je ’t toch maar hebben.”

Over het geheel was de erfenis bitter tegengevallen; zelfs Eddy, die

niet geldzuchtig was, kon niet ontkennen, dat hij geheel andere

verwachtingen had gehad. Het was zóó onbeduidend, dat de weduwe maar

heel weinig inkomen bezat boven haar pensioen.

Freddy tobde erover.

„Ik weet,” zei hij haast elken dag tegen Roos, „dat de oude heer meer

moet hebben gehad. In de laatste jaren kreeg hij veel in geld en in

aandeelen. Waar zijn die aandeelen dan gebleven?”

„Hij zal ze verkocht hebben.”

„Maar ik vraag je, waarvoor?”

„Wel.... jullie zult in Europa ook wel ’n boel geld zoek hebben

gemaakt.”

Maar dàt ontkende Freddy met kracht.

„Papa was gierig. Wat hij ons zond, maakten we wel dadelijk

op,—natuurlijk; maar voor de rest niets, hoor! We moesten maar zien,

dat we er kwamen! En de lui wisten het wel! ’t Was lang niet

gemakkelijk voor Ed en mij ’n fatsoenlijken heer te maken.”

„Verteerd heeft je vader het zelf toch ook niet.”

„Hij? Neen, waarachtig niet!”

„Weet mama er niets van?”

Vol minachting in z’n gezicht schokschouderde hij:

„Ma is gek, of zoo goed als. Die heeft zich eigenlijk nooit met iets

bemoeid, dan eerst met haar toiletten en naderhand met haar bijbel.

Toch moet ik erachter komen.”

Nog nooit had hij zich zooveel moeite gegeven om tot de kennis van iets

te geraken. Hij liet in het huis niets ondoorzocht, geen lokaaltje van

de bijgebouwen, geen laatje van een meubelstuk. ’t Was alles

vruchteloos. Hij hoorde de bedienden uit, en wat hem toen wezenlijk

deed schrikken, was, dat een hunner sprak van mooie met kleuren

bedrukte stukken papier, die de oude heer dikwijls had zitten bekijken

aan zijn lessenaar in ’t kantoor. Waar konden die papieren zijn?

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 71 / 83 题