Tusschen Twissels en zijn huishoudster waren in zoover de rollen
omgekeerd, dat zij hem onderhield in plaats hij ’t haar deed. Het
behoefde strikt genomen niet, want hij had zooveel en zoo groote zaken
gedaan, en er waren zooveel lieden, die daarmeê aanzienlijke sommen
hadden verdiend, dat hij, voor zoover zijn bestaan betrof, grif zou
geholpen zijn. Doch dat wilde hij niet. Men had hem die hulp
aangeboden: kort en onaangenaam had hij ervoor bedankt, en was met
Louisa naar een binnenplaatsje vertrokken, zoo te zeggen met de
Noorderzon, en alles latend à l’abandon. Zij had de teugels van het
bewind heelemaal in handen genomen, zonder van haar macht misbruik te
maken. Hij was oud, en afgeleefd en arm nu; maar toen hij, vroeger, nog
krachtig was en rijker dan eenig ander, had hij zich niet geschaamd
over haar, al was zij slechts zijn huishoudster: nu zou zij hem ook
niet in den steek laten, voor alles ter wereld niet.
Maar toen het gelukkig gevoel van verlichting had uitgewerkt, kwamen de
naweeën van het zenuwoverprikkelend leven met geweldige kracht. In de
koelte van het bergklimaat, bij de verpletterende rust van een kampong,
in een klein plaatsje in ’t binnenland, en de slaperige stilte onder
het dichte loover, waardoorheen den ganschen dag zachte lichtbolletjes
speelden van den weinigen doorvallenden zonneschijn, hield de oude
koopman, die meer dan veertig jaren aan de kust een druk zakenleven had
geleid, bezig van ’s ochtends tot ’s avonds, het niet uit. Het was een
net planken huisje, hoog uit den grond, proper en fatsoenlijk
gemeubeld, als van een gepensionneerd ambtenaartje; de houten vloer der
voorgalerij was met ’n mat bedekt; nieuwe goedkoope medaillonstoeltjes
vormden zooveel etappen langs den wand, met van bruin politoer
glimmende knaapjes in de hoeken.
En aan den eenen kant in een singapoorschen rotanstoel lag, stil,
bewegingloos, wat er over was gebleven van den man wiens handen
millioenen aan geld hadden bestuurd, wiens woord zooveel jaren
honderden in beweging had gezet. Louisa zat naast hem op een gewonen
stoel druk bezig met het borduren van een kabaja-strook. Zij spraken
geen woord. Zijn nu geraamteachtige figuur zonk heelemaal weg; ’t was
of daar een groote wijde kabaai lag en een bijzonder lange slaapbroek
met niets erin; aan den eenen kant als toevallig twee verschrompelde
vel-over-been-voeten eruit stekend; aan den anderen een oud witgrijs
en met diepe rimpels doorwerkt kinderkopje, met doffe, wezenlooze oogen
en door ’t krachteloos neêrhangen van de onderkaak een half-open
mummelmond.
Enkel zijn spichtige vingers, rustend op de stoelarmen, trommelden slap
en zwakjes op het randje van de glasopening, eraf glijdend nu en dan,
zonder dat hij ’t voelde, machinaal doorbewegend in het leege gat.
„Hij gaat uit als een nachtkaars,” had de dokter tegen Louisa gezegd;
dàt had zij wel zien aankomen; hij lag zachtjes aan weg te sterven,
zwakker en benevelder van geest heden dan hij gister was; sterker en
helderder vandaag dan hij morgen wezen zou; daar hielp geen kaldoe
voor, of ’n glaasje spaansche wijn; daar waren geen melk en een zacht
eitje tegen opgewasschen! Trouw gaf ze het hem op de bepaalde tijden;
zij hielp hem in alles. In het begin had hij nogal gepraat met haar en
rondgekuierd tusschen de bloemperkjes op het erfje; later had hij zich
bepaald tot het huisje, want de zes treden op en af vermoeiden hem zóó;
nu moest zij hem helpen van den stoel op het bed en omgekeerd, tot hij
heelemaal te zwak werd om er uit te komen.
Nooit had hij een woord tegen haar gesproken over zijne zaken. Of hij
er nog veel aan gedacht had in het eerst wist niemand. Soms kwamen er
brieven, altijd met den gedrukten naam van den afzender boven op het
couvert; Twissels opende ze niet, maar zond ze terug, met een briefje
van Louisa, dat zijn toestand hem niet veroorloofde zich met zaken te
bemoeien; hij onderteekende het met een onvaste hand en beverige
letters.
Maar hoe hij ook achteruitging, het leven scheen in het lange magere
lichaam als vastgeroest. Maanden „ging hij uit,” zooals de dokter had
gezegd, en verpleegde Louisa hem, zonder ooit één woord van ongeduld of
één oogenblik van opzien tegen de moeite of de kosten.
Tot hij op een ochtend dood was.
Zij had er niets van gemerkt; toen zij hem moeilijk met een lepeltje
voor de laatste maal zijn medicijn had ingegeven, leefde hij nog, en
zij zag bij het schijnsel van de nachtlamp, dat hij haar bedankte door
zachtjes te knippen met zijn oogleden en z’n vingers te bewegen. Toen
was ze rustig ingeslapen op haar bed tegenover het zijne, en ze dacht,
ontwakend, dat hij sliep, zoo stil lag hij, de oogen gesloten. Maar hij
was dood en koud! En de tranen welden nu volop in haar groote zwarte
oogen. Ze was bedroefd om het sterven van dat overschotje van een ouden
heer, van een egoïstischen man, die haar vrouwenleven had bedorven.
Het stond haar nog zoo goed voor, dat hij haar letterlijk kocht van
haar ouders, en welk een haat en afkeer zij tegen en van hem voelde.
Zij had zich verzet tegen zijn eerste pogingen; doch toen men haar
letterlijk aan hem had „geleverd”, voor veel geld, gaf zij, als
plichtmatig, toe, en eenmaal over ’n zekere grens heen en uit gewoonte,
was het zoo voortgegaan; ’t had haar hoe langer hoe minder gehinderd.
En dan: hij was goed en royaal geweest; ook, wat zijn leven buiten
zaken aanging, met weinig tevreden; meestal gelijkmatig van humeur.
Het jammerlijke was, dat zij nooit liefde had gekend; dat de groote
levensvreugd van eerlijk en met wederzijdsche neiging gedeeld genot
haar vreemd was gebleven; dat haar geen maatschappelijke positie was
ten deel gevallen; zij was geen wettige vrouw geweest en had geen
moeder van onwettige kinderen willen zijn;—maar een goed leven had zij
bij hem gehad, in den gewonen zin; en het was zijn schuld zoozeer niet
geweest, ten minste zij rekende het hem niet aan als zoodanig, wanneer
hij niet meer had kunnen geven dan dat.
Neen, zij was hem toch dankbaar! Hij had haar niet verstooten toen ze
niet jong meer was, niet frisch en niet mooi meer; hij had haar nooit
vernederd of mishandeld, gelijk er zooveel doen; hij had haar zelfs
nooit verborgen voor de oogen van andere menschen, zooals men zijn
schande verbergt. Met zijn eigenaardige onverschilligheid voor het
oordeel van anderen over hem, wortelend in zijn vreemdsoortig karakter
en in de macht van zijn positie en zijn vermogen, had hij zich harer
niet geschaamd toen alle hoeden nog voor hem werden gelicht waar hij
zich ook vertoonde, en er op de plaats niemand was of hij had Twissels
voor dit of dat noodig.
Aan dat alles dacht Louisa, kijkend naar het kleine oude hoofd, stijf
en strak op het kussen, en ze huilde, haar gezicht in de donker getinte
handen, lang en bedroefd.
De enkele Europeanen, die in de kampong woonden, kwamen mampir uit
nieuwsgierigheid. Was dat nu die voorname meneer, die „bankroet” was
gegaan? Wel, wel! Maar als ze het lijk hadden gezien, trokken zij
stilletjes af. Waarmee zou men zich bemoeien? Louisa had enkel maar
hulp van het inlandsche kamponghoofd; dat zag wel, met de
opmerkzaamheid inlanders eigen, dat hij te doen had met gevallen
grootheid, en ’t lag in zijn volksaard daarvoor sympathie te voelen en
kasian. Men had haar aangeraden te telegrafeeren, maar dat wou ze niet.
De mooiste lijkkoets, die men had op ’t plaatsje, kwam voor de kampong
weg en ’n fraaie djati-houten kist, meer dan twee meter lang, met
blinkend beslag, werd erin gezet. De heele kampong liep uit om te
kijken naar die eerste klasse begrafenis. Mannen, vrouwen, kinderen,
Europeanen, inlanders,—ze stonden in een dichte groep erom heen, vooral
bij de paarden met de pluimen.
Langzaam ging de wagen voort, over den grooten weg, in het over de
lengte wegschietend licht der opkomende zon; de gehuurde dragers
erachter; anders niemand. Enkel ’n heel eind verder aan den kant van
den weg, in een huurkarretje en in sarong en kabaai, volgde Louisa; op
haar schoot had ze een presenteerblad met bloemen en rozeblaadjes, die
ze strooien zou op het graf, en haar gezicht droeg de vaste, besliste
naar voren trekkende uitdrukking van iemand die zich heeft voorgenomen
een plicht te vervullen tot in zijn laatste consequenties.
Het gaf een oogenblik van algemeene ontroering toen men het overlijden
las van Twissels; het ging door de huizen en de kantoren als een
schrik, met „och!” en meêlijdende hoofdbewegingen; met ’n zucht en ’n
„wel, wel!” Maar het duurde niet lang.
De tijden waren slecht, en werden er niet beter op. Iedereen had genoeg
aan zijn eigen moeiten en zorgen. Wat kon men zich nog inlaten met
dooden, die hun tijd hadden gehad!
Er was tegenwoordig ook altijd en overal iets in het familieleven. Nu
waren de andere kinderen van Lugtens uit Europa gekomen, en wat moest
men daarmeê aanvangen? Ook twee jongens en totaal mislukt. Dolle,
opgewonden geëuropeaniseerde oosterlingen waren het, met groote drukte
en beweging, enkel tuk op pret maken, en die van niets wisten, wat de
zaken en den meer en meer nijpenden toestand betrof. Zij meenden, dat
ze rijk waren. En mevrouw Lugtens moedigde dat aan; gaf de jongens geld
als water, of zij het had voor ’t opscheppen. Het hield mevrouw
Uhlstra, die het verdriet zag van Lena,—nu wel degelijk heelemaal op de
hoogte—in een staat van voortdurende opgewondenheid.
„Er moeten maatregelen genomen worden,” zei ze tegen haar petekind.
„Dat gaat zoo langer niet.”
„Toch niets ergs tegen Mama?”
„Dat weet ik niet. Ik zal naar een advocaat gaan.”
„Zou er niet buiten vreemden om iets te doen zijn?”
Eigenlijk vond mevrouw Uhlstra dat ook verkieslijk.
„Och,” zei ze, „iedereen weet er toch alles van. Maar je hebt gelijk.
Schendt men zijn neus.....”
„Als er ten minste iets anders op is te vinden.....”
„Weet je wat. Ik zal den ouden Markens raadplegen. Hij kan die dingen
net zoo goed als iemand anders. Hij moet me helpen.”
„Zou hij willen?”
„Wat!” riep mevrouw Uhlstra. „Of hij zou willen? Hij? Heeft hij zijn
duiten niet te danken aan mijn zaligen man en aan jouw vader en aan
Geber? Als hij ons niet had gehad, zat hij nou nog, net als vroeger,
tot over z’n ooren in de beren.”
Nu, Markens dacht niet aan het weigeren van zijn tusschenkomst. Hij was
er integendeel meê gevleid, en verheugd zooals iemand, die den heelen
dag niets te doen heeft, over een opdracht van werk. Hij hoorde het
relaas aan met een boven zijn witte, hooge das vooruitgestoken gezicht,
de lippen samengetrokken, met korte knikjes van goed begrijpen onder
den zenuwachtigen rammelslag van mevrouw Uhlstra, die het
zondenregister las van haar zuster Clara, doorspekt met scheldwoorden
aan het adres der gezonkene, de namen noemend van een heel troepje te
kwader faam bekend staande europeesche jonge mannen die met haar en op
haar kosten hadden geleefd; het een zoo ruw als het andere.
Met zijn onverstoorbare kalmte keek Markens in zijn wetboek. Hij kende
de bepaling wel, maar het stond goed, en ’t was een bezigheid.
„Zij moet onder curateele gesteld worden,” zei hij na eenige minuten
langzaam zoeken, terwijl mevrouw Uhlstra, in spanning, ongeduldig met
haar waaier tikte.
„Dat heb ik ook gedacht.”
„Het verzoek moet ingediend worden bij den rechter. Wil u het
onderteekenen?”
„Wat moet erin staan?”
„Alles.”
Mevrouw Uhlstra zuchtte diep; tranen stonden haar in de oogen. God, het
was zoo hard! Het te zeggen, boos, kwaad, nijdig, dat was niemendal.
Maar het te zien geschreven staan op een gezegeld papier en zijn naam
eronder te zetten,—’t was of een koude rilling haar langs den rug liep!
„Het is zeer treurig,” zei Markens deftig, „treurig inderdaad. Er is
echter niets aan te veranderen. Het moet!”
„In Godsnaam dan, en dank-je voor de hulp.”
„Ik zal de stukken in orde maken, en haar gaan waarschuwen.”
Daar begreep mevrouw Uhlstra niets van.
„Het is billijk,” betoogde hij. „Zij moet toch gehoord worden. Welnu,
laat zij zeggen, wat zij wil, maar waarschuw haar..... of, laat het
maar aan mij over.”
Wantrouwend keek mevrouw Uhlstra hem aan. Waarom wou hij dat
„waarschuwen” zoo bepaald zelf doen? Doch Markens zag er zoo oud, zoo
achtbaar en zoo weinig begeerig uit, dat zij om haar eigen dwaas idee
moest lachen.
De oude heer had niet kunnen zeggen wat hem dreef tot het aanbod zich
zoo ver met deze onaangename zaak in te laten. Hij was er zelf
verwonderd over, toen mevrouw Uhlstra weg was. Zij hadden al zooveel
vuil linnen onder elkaar gewasschen,—hij had het hun ditmaal ook wel
kunnen laten doen!
Nu hij het eenmaal had beloofd, zelfs aangeboden, zou hij het doen, en
wetend hoe uitstel het lastige nog lastiger maakt, besloot hij de
stukken dadelijk op te stellen en den volgenden dag zijn bezoek af te
leggen bij de weduwe van zijn ouden sobat.
Toen hij stijf in zwarte jas met wijde slobberpanden in de
achtergalerij kwam, waar zijn vrouw haar hoofdstuk las uit den bijbel,
zei hij op een toon van gewicht:
„Ik moet even uit.”
„Waar ga je heen?” vroeg zij, opkijkend.
„Een zeer kiesche en vooralsnog geheime zaak. Ik ga de weduwe Lugtens
bezoeken.”
„Wat zeg-je? Die vrouw?”
„Het is op verzoek harer familie. Haar levenswijze is van dien aard,
dat er aanleiding bestaat haar onder curateele te stellen.”
„Moet jij haar daarom een bezoek brengen in haar huis?”
„Het is billijker en beter; het bekort het verloop der zaak. Tot
straks!”
„Ik hoop,” zei mevrouw Markens met grooten nadruk, „dat de Heer over je
zal waken en je schreden zal begeleiden.”
Verrast stond hij stil, omkijkend, de witte wenkbrauwen omhoog
getrokken met kluchtige verwondering, en toen zij, ook met groote oogen
en lange hoofdknikken, ernstig hem aanzag, liep hij, „Maar....!
Maar...!” zeggend en lachend bij zichzelven, naar buiten. Zoo iemand,
dan moest zij toch weten, dat hij in dit geval den Heer ontberen kon!
Met zijne zachte, bescheiden stem riep hij bij mevrouw Lugtens in de
voorgalerij herhaaldelijk „Sapada,” maar er kwam niemand.
’t Was niet meer het paleis van vroeger, maar toch nog ’n heel net
huis, en het zag er alles, merkte hij den boel eens opnemend,
fatsoenlijk en comfortabel uit. Hij had in ’t minst geen lust
onverrichterzake heen te gaan. Zachtjes draaide hij aan den porseleinen
knop van een der deuren en trad in de binnengalerij, waar het er ook
net burgerlijk uitzag, met meubelen van goed djati-hout, staalgravures
aan den wand. Op z’n gemak nam Markens dat alles waar, langzaam
voortschrijdend, voetje voor voetje, bij zichzelf berekenend hoeveel er
nog van het groot vermogen door Lugtens nagelaten wel over kon zijn. Al
pikerend en rondkijkend was hij, vóór dat hij het wist, in de
achtergalerij, en daar stond hij ineens stil als in een onbeweegbare
figuur veranderd van schrik. Tegen de kruislatten van het groene
buitenhek zat op den grond een jonge inlander, den hoofddoek glad en
zorgvuldig om het hoofd, het vrouwelijk gezicht zonder spoor van baard,
fijngeel van kleur, met den gebogen neus der Javanen van goede
geboorte, zonder verdere kleedij dan de door een gouden gewerkten band
om de lenden opgehouden sarong. En naast hem op de mooie palembangsche
mat vol kleurige figuren in een crêmekleurige kabaja over haar zijden
sarong zat de weduwe Lugtens, lachend en pratend, onder een zorgvuldig
aangewende laag blanketsel en rood, met kindermaniertjes kleine stukjes
manisan snoepend uit een stopflesch. De flesch viel uit haar hand, zoo
schrikte zij ook, toen het heele verleden daar voor haar stond als
belichaamd in den deftigen Markens met zijn witte das om en in zijn
lange zwarte jas. De inlander, klerk van een ambtenaar, was al
verdwenen voor men een woord gesproken had. Hij kende zoo goed als
ieder ander den gepensionneerden toean besar; hij greep zijn baadje en
slipte als een aal door het hek heen achter hem.
„Men komt anders hier niet zóó maar naar achteren loopen,” zei Clara
snibbig, inwendig kokend van woede.
Markens had zijn bedaardheid terug en ging zitten op een stoel tegen
den muur.
„Ik kom u spreken over zaken.”
„Dan had u wel behoorlijk kunnen roepen.”
„Dat heb ik gedaan. Doch laat dat zijn. Wat ik u kom meêdeelen is, dat
door uw familie, met het oog op uw verkwistende levenswijze, een
verzoek is gedaan om u onder curateele te stellen.”
Wezenloos keek zij hem aan, stamelend, geheel uit het veld geslagen.
„Curateele....? mij.....?”
„Ja. U zult wel niet ontkennen, dat daarvoor reden is. Het had reeds
vroeger moeten gebeuren.”
Zij barstte in tranen los, onbekommerd om het lot van bedag en rouge,
jammerend, tusschen haar snikken; haar familie scheldend voor dieven en
afzetters; zich erop beroepend, dat zij niemand iets vroeg; dat zij kon
doen en laten wat zij wilde; zich op de borst en voor het hoofd
slaande, en, met loshangend haar nu, waartusschenuit blaadjes melati op
den grond vielen, eindelijk in een luid huilen ineenzinkend op een
divan. Onbewogen zat Markens op den stoel tegen den muur, de kin op den
gouden knop van zijn dikken rotting. Scènes deden hem niet aan. Zijn
eigen vrouw had hem er op zooveel onthaald vóór zij, oud geworden, haar
troost zocht in het overdreven religieuse, dat hij daartegen volkomen
bestand was.
„Er is niets tegen te doen,” zei hij, toen het begon te luwen, „met
kalmte komt men het verst.”
De weduwe Lugtens antwoordde niet. Met haar zakdoek voor den mond, liep
zij haar kamer in en liet hem zitten. Het duurde vijf minuten, alles
bleef stil in huis en op het achtererf. Markens, besluiteloos nu, stak
een sigaar op, van plan dan maar heen te gaan en de zaak verder op haar
beloop te laten. Maar zij kwam terug, wel met het stempel van tranen en
aandoening nog in haar oogen en gezicht, maar toch weer netjes
opgeknapt.
„Ga nog een oogenblik zitten.... Dus ze zullen me onder curateele
zetten.... En dat moet u voor hen in orde maken.”
„Juist.”
„En zult u dat doen?”
„Ja,” knikte hij. „Ongetwijfeld! Zeker zal ik dat doen. Daaraan is
niets te veranderen. Ik zal het doen voor uzelf, voor uw kinderen, en
uit achting voor de nagedachtenis van uw man.”
Beslist schudde zij het hoofd, de lippen vast opeengeklemd.
„Ik zal het me niet laten welgevallen.”
„Dat is uw zaak.”
„Ik zal me niet laten ringelooren. Markens! Mijn man heeft het me
zooveel jaren gedaan, zoo bar als hij wezen kon; van jou en de anderen
verdraag ik het niet.... nooit.... in der eeuwigheid niet!”
Zij was uit den vormelijken toon gesprongen, jijjend en jouwend tegen
hem, en hij voelde zich daar zeer beleedigd door. Wie gaf deze vrouw
het recht zoo brutaal en familiaar te zijn tegen hem, Markens?
„Wind u niet op,” zei hij bedarend, „daar komt men niet verder mee. Ik
heb er overigens niets mee te maken; ik handel slechts op verzoek.”
„Maar ik wil niet! Waarom bemoeit men zich met mij? Wat gaat het hun
aan! Ik acht mijzelve honderdmaal beter dan een van de heele famielje.”
Dat was Markens, met een schoondochter uit die famielje wel wat kras,
en, boos wordend op zijn beurt, zette hij zich schrap en keek haar
strak aan:
„Dan verschillen wij van meening, mevrouw Lugtens. Ik zal het woord
niet uitspreken, waarmeê vrouwen als u aangeduid moeten worden, en ik
zou in een soort huis als het uwe ook niet binnentreden, als het niet
was voor uw famielje.”
Het ging haar als emmers water langs den rug; zij had een daad van
geweld willen doen; die oude smeerlap, gelijk zij Markens bij zichzelve
noemde, dorst haar dat zeggen, in haar eigen huis en met een mal
vertoon van deftigheid, als was hijzelf de ongereptste persoon op Gods
aardbodem.... Het was of het woei in haar hoofd, zoo kwaad werd ze, en
Markens schrikte van haar gezicht, bang nu, omdat hij haar in zijn
toorn zoo kras had aangepakt. Maar zij ging niet tot een daad over,
zich bedwingend om geen schandaal te maken, dat haar misschien voor den
rechter kon brengen.
„Het komt zeker uw fatsoen te na, meneer Markens,” zei ze ineens
vervallend in een valschen spottoon. „Wees anders maar niet bang;
dieven worden er hier niet slechter op.”
En toen hij, bleek als een doek, zich omkeerde, heen willende gaan,
versperde zij hem den weg met de armen uitgestrekt, de handen tegen de
deurposten, als bij een spelletje.
„’n Dief ben je!” schold ze hem, hardop, zoodat de bedienden achter het
konden hooren. „Jij en de heele troep hebt jarenlang gekonkeld en
geknoeid om het gouvernement te bestelen en af te zetten. ’n Deftige
dieventroep, anders niet! En de duiten van jou zullen gaan zooals die
van de rest.”
„Mensch!” riep Markens met bevende stem, den dikken rotting hoog
opgeheven boven zijn grijs hoofd, dreigend haar te slaan. „Ga uit mijn
weg, of ik ransel je eruit.”
Zij liet de armen zakken en ging opzij.
„Asjeblieft! De uitgang is vrij. Meneer kan heengaan, en ik zal de
galerij laten luchten en opdweilen. Het is vies als in mijn huis zulke
nette menschen komen.”