HET FAILLISSEMENT.

Onder het dansen, wandelen, praten en lachen, liepen door het feest

geruchten als geheimzinnige, onzichtbare slingertjes. Eddy Markens en

Lena Lugtens hadden op het erf gewandeld aan den niet verlichten kant

van het huis, en hij had haar gezoend! De gezichten waren zoo vol

verontwaardiging alsof geen der aanwezige jongelieden ooit ’n zoen

gekregen of ontvangen had; hier sprak de afgunst bij de meisjes, die

volstrekt zoo afkeerig niet waren van Eddy, vooral niet nu hij een

betrekking had; daar bij de jongelui, die Lena ieder ander dan

hunzelven misgunden. Het was, vonden zij allen, een schandaal; de

meisjes, omdat die Lena, altijd zoo geroemd en anderen voorgehouden als

toonbeeld van fatsoen en betamelijkheid, op zoo’n lage manier de kat in

’t donker kneep; de jongelui, omdat men in het belagen der deugd van

een meisje als Lena, weer het door en door gemeene van de „jongens

Markens” herkende.

Er was nog ’n ander schandaal, waarover minder hard werd geoordeeld:

Piet Uhlstra hield zich den heelen avond bezig met zijn schoonzuster

Lize. Men had al veel gehoord van hun ongeoorloofde verhouding, en

terwijl Henri in de achtergalerij zat te homberen, scheen het alsof

Piet en Lize er zich in het publiek op toelegden de juistheid der

praatjes over hen te bevestigen. Het was waar; zóó waar, dat toen Roos,

die het vreeselijk druk had met de zorg voor haar gasten, een oogenblik

in haar slaapkamer kwam, omdat ze op was van vermoeienis en zij haast

stikte in haar corset,—ze daar, achter een sempiran, haar jongsten

broer vond en haar schoonzuster, in meer dan vertrouwelijk gesprek. Het

vergalde al de vreugde van Roos dien avond. Piet had, overvallen,

stotterend gezegd, dat ze een zakdoek zochten, dien Lize meende daar te

hebben verloren; ze waren daarop beiden weggegaan, Roos had niets

geantwoord. Wat daar gezocht was, wist ze wel!

„Men” had daarover wel gepraat, maar niemand ging het feit persoonlijk

aan. De meisjes haalden den neus op voor den onooglijken Piet, dien

zij, onder elkaar, den „hottentot” noemden; de jongelieden vonden Lize

niet mooi, niet jong, getrouwd en met reeds groote kinderen; volstrekt

geen benijdenswaardige relatie.—In die omstandigheden schoot nog de

persoon van Henri over, en om hem werd eenvoudig gelachen! Was het niet

een kluchtspel. Dat Lena zich, zooals verteld werd, door Eddy Markens

een zoen had laten geven, dat was een schandaal, maar het andere

gevalletje—precies ’n fransche vaudeville: le mari, l’amant et la

femme! Aardig, ja?

Doch het schandaal had geen gevolgen. De eene maand na het huwelijk

verliep, en de andere kwam, maar van Lena en Eddy hoorde men niets.

Alles was teruggekeerd tot zijn gewone indische eentonigheid, zijn

effen en onberoerd huiselijk sleurgangetje.

Van de bekende namen werd op de plaats, in den laatsten tijd, minder

gehoord dan ooit. Het was of alles was ingezonken, na het hooghouden op

het groote feest; een wezenlijke reactie. Men zag haast niemand meer

als er „iets te doen was”; zelfs de weduwe Lugtens bleef een heelen

tijd volmaakt onbesproken. In de stilte werkte Twissels; in het

openbaar Henri en Piet Uhlstra; de een had voor zijn speculaties al wat

de familie beschikbaar had ingepalmd; de anderen hadden de rest in hun

landen gestoken gekregen. En zoo broeide het door, zoetjes aan, op

hoop, en zonder dat de meesten er veel over tobden of zich zorgen

maakten voor hun geld en goed, anders dan in de enkele oogenblikken,

dat ze eens wezenlijk doordachten. Dan brak er wel eens een ’t klamme

zweet uit, maar dan haastte men zich zulke nare gedachten te verwerpen.

De slag viel geheel onverwacht. Alsof het met bliksemstralen door de

straten en langs de wegen voortvloog, ging het gerucht van het

faillissement van Twissels. Eddy hoorde het op zijn kantoor en vroeg

verlof dien dag. Zijn chef gaf het hem dadelijk, wetend hoe zwaar zijn

familie in de zaak was betrokken. Het eerst reed hij naar zijn broer en

zijn gemoed schoot vol, toen hij het mooie huis binnentrad, zoo keurig

ingericht. Roos en Freddy zaten in de achtergalerij, zij met een glas

stroop en reeds ’n heel eind „in positie”, hij in een luierstoel met ’n

halfje champagne naast zich en ’n parijsche courant in de hand. Zij

leefden er voortreffelijk van en konden wel met elkaar overweg, niet

meer van elkaar en van de wereld vergend dan die geven konde en

daarmede rustig en tevreden.

„Wel?” riep Roos verbaasd. „Eddy, hoe kom jij zoo hier en op dit uur?”

Haar man sprong verschrikt op. Hij kende zijn broer zoo door en door;

zij hadden samen zoo menigmaal in den „piepzak” gezeten, dat hij

waarlijk wel aan diens gezicht kon zien, hoe helder overigens en

rustig, of er goed of kwaad nieuws te wachten stond.

„Heb je me iets te zeggen?” vroeg hij met een schielijken wenk. Hij

dacht aan een sterfgeval in de familie en vreesde een onvoorzichtigheid

in verband met de „positie” van zijn vrouw.

„Ja, ik heb iets te zeggen. Als een bepaalde ramp beschouw ik het niet;

maar het is toch hoogst onaangenaam.”

Roos werd doodsbleek.

„Dan is het kantoor van Twissels over den kop,” zei ze met ’n bevende,

toonlooze stem.

Eddy knikte bevestigend.

Jammerend en scheldend begon Freddy in groote opgewondenheid, stampend

nu en dan met z’n bloote voeten op de marmeren steenen, heen en weer te

loopen, als een tijger in z’n hok. Hij zou het er niet bij laten!

Twissels was een dief, een oplichter, een zwendelaar en al wat er meer

was; maar hij, Freddy, zou hem vermoorden; al moest hij ervoor aan de

galg komen, het kon hem niet schelen. Twee ton hadden ze er in zitten!

„En die zijn nu weg, meneer!” zei hij tegen zijn broer met de vuist op

de mahoniehouten etenstafel slaande, dat de stroop van Roos over den

rand van het glas vloog; „die zijn nu weg, meneer! Totaal naar den

bliksem!”

En terwijl hij, dol van wanhoop, om het geld, dat hij zoo liefhad,

tekeer ging als een bezetene, sloop Roos met moeite heen. De schrik had

haar „positie” vernietigd, maar haar man lette daar nu niet op.

„Ik begrijp niet,” zei Eddy, „waarom je zoo op Twissels scheldt.”

Met wijd geopende oogen keek zijn broer hem aan, stil, met zijn woede

omvergeworpen, door het overweldigend idee, dat er iemand was, die niet

begreep, waarom hij schold op den man, die ’n groot deel der fortuin

zijner vrouw naar de maan deed verhuizen.

„Neen,” ging Eddy voort, „dat begrijp ik niet. Het was bekend genoeg.”

„Wat was bekend genoeg?”

„Wel, dat Twissels speculeerde in producten. Dat heb jij net zoo goed

geweten als ieder ander.”

„Ik?” riep Freddy, terwijl al zijn boosheid zich keerde tegen zijn

jongeren broer. „Heb ik dat geweten?”

„Wel waarachtig! Nog geen maand geleden heb ik ’t je zelf gezegd.”

„Dat lieg je.”

Eddy was opgestaan, en de muilpeer, die hij zijn broer toedacht, zou er

reeds hebben opgezeten, als hij zich niet, denkend aan de financieele

ramp, met geweld had bedwongen.

„Het is de waarheid, ik heb het je zelf verteld; ik zou den dag en het

uur kunnen opgeven.”

Maar Freddy wond zich hoe langer hoe meer op.

„Je liegt het, zeg ik. Je bent net zoo’n smeerlap als Twissels. Jullie

hebt zeker onder één deken gelegen. Zoo is al dat schuim van den

handel! Dieven en oplichters, anders niet. Jij zal ook je deel wel

hebben gekregen van onze duiten.”

De stoel, waarop Eddy Markens had gezeten, zweefde hoog en snel door de

lucht, gelijk een batonneerstok zoo handig bewogen, en een seconde

later kwam hij neer met een zijstuk boven op ’t hoofd van Freddy, die

een oogenblik wankelde, als duizelig, en met beide handen in z’n haar

greep, waar tusschenuit het bloed vloeide over zijn voorhoofd, hem de

oogen verblindend; toen zonk hij ineen op den vloer, het bloed zijn

goed vuilmakend, sterk donker vervloeiend over het wit van zijn kabaja

en dat van den marmeren vloer.

Eddy ging regelrecht naar achter.

„Ga meneer helpen,” zei hij barsch en zoo bevelend als een in Indië

geboren mensch kan spreken tegen bedienden. „Er is een ongeluk

gebeurd.”

In zijn boosheid nog onontroerd, stapte hij met groote schreden naar

voren, het erf af, bij zichzelven herhalend, dat het hem niet schelen

kon, al had hij den ander doodgeslagen.

Tot zijn geluk was het zoo erg niet, en kwam Freddy met behulp van koud

water heel gauw tot zijn bezinning, zonder ander lichamelijk letsel dan

een hoofdwond, die hem leelijk pijn deed, maar met een zoo fellen haat

tegen zijn broer in z’n hart, dat alleen de diepe overtuiging ’t hem

betaald te zullen zetten eenige bevrediging schenken kon.

„Heb jij niks gehoord?” vroeg hij, de slaapkamer binnenkomend.

Maar plotseling verstomde hij; de lijfmeid van Roos was stil maar druk

in de weer. Freddy begreep wat er gaande was; hij zag Roos in bed

liggen, haar kussens nat huilend. Ook dat had die lage kwajongen,

dacht-ie, hem geleverd. ’t Was wel het ergste niet... toch!

„Wat heb je?” vroeg Roos opkijkend naar den doek om z’n hoofd.

„Hij heeft me verraderlijk geslagen met een stoel.”

„Wie!”

„Wel... wat ’n gekke vraag! Wie anders, dan die gemeene rakker, die

Eddy, die dief.”

„Maar, wat was er dan!”

„Wat er was? Begrijp je dat niet? Al dat vuile volk van den handel

spant met elkaar samen. En die Twissels en Eddy... nou! Geloof maar dat

die wel weten waar ons arme geld is gebleven.”

Roos richtte zich verstomd op, den rechterelleboog in het kussen, de

hand onder het hoofd, in al haar verdriet verwonderd en verrast boven

alles.

„Zou je het denken, Fred?”

„Twijfel je er nog aan? ’t Is diefje en diefjesmaat!”

Zij twijfelde niet; zij geloofde het. ’t Was immers een door zoovelen

erkende omstandigheid, dat ieder, die zijn tractement niet put uit een

schatkist of geen fortuin bezit van zichzelven, op ’n min of meer

oneerlijke manier aan den kost moet komen! Buiten eigen privaatvermogen

en ’s lands kas bestond er niets dan twee soorten van dieven, de

openbare, die in de gevangenis gingen, en de geheime, die, al rijk

wordend, het er goed van namen in de wereld. Zoon van een

hoofdambtenaar, man van een gefortuneerde vrouw, leeglooper van beroep,

en van roeping parasiet van gefortuneerden, hadden omgeving, afgunst,

luiheid en roofzucht zijn karakter gevormd en de stof geleverd voor een

meening, met een stoel door Eddy hem, nu definitief, in het hoofd

geslagen. Zij geloofde het met groote graagte, en zij spraken er nog

over, toen haar moeder kwam. Het was een aanstommelend rumoer, als van

een heel ver opkomend onweer; het sloeg als het ware de kamer in, maar

toen was ook de kracht gebroken, en mevrouw Uhlstra had nog juist den

tijd een divan te bereiken om een zenuwtoeval te krijgen, zonder zich,

al vallend, te beschadigen. Henri, die achter haar aankwam, suf en

soezerig van uiterlijk, bleef in de post van de deur staan. Tot zijn

groote woede zag Freddy, dat zijn oudste zwager weêr meer had gedronken

dan hij kon verdragen; sedert Henri, terug uit Europa, zooveel

huiselijk leed had te verduren, zocht hij troost bij den drank.

Een oogenblik trof Roos de ellende van het geheel; zij, met het

aanhoudend gevoel van ziek zijn en blauw van toenemende uitputting;

haar moeder in overprikkelden zenuwtoestand gillend op den divan, haar

man met den doek om het hoofd, niet eens naar haar persoonlijke

omstandigheden vragend, en Henri, ’n glas water schenkend nu voor mama

in onvasten stand, met een gemompel van slechts half verstaanbare

woorden.

Maar wat haar meer verbaasde en trof, was dat mama ook zooveel geld had

verloren; die maakte haar nog wel zoo’n standje, omdat ze haar geld aan

Twissels had toevertrouwd!

„Ik dacht niet, dat u er iets mee te maken had!”

Midden in haar zenuwtoeval hield mevrouw Uhlstra ineens op met gillen,

overgaande in een jammertoon.

„Het is jouw schuld, Roos.”

„Wees toch niet zoo dwaas, ma! Ik heb al genoeg aan mijn eigen ongeluk.

Als u hier bent gekomen om malle standjes te maken....”

„Ik dacht dat jij pinter was.... Dáárom heb ik mij met dien schelm weêr

verzoend.... heb ik hem van ’t mijne ook gegeven.”

„Veel?” vroeg Freddy in grooten angst.

„Alles!” jammerde de oude vrouw. „Alles wat ik bezat.... Ik ben zoo

naakt als een pas geboren kind.”

Henri begon te grinniken, wat hem de hik deed krijgen en zijn familie

in volle verontwaardiging bracht.

„Mijn God!” zei Roos nu weêr huilend. „Wat ’n kerel! Hij lacht erom!”

En mama Uhlstra, die haar oudsten zoon een stomp gaf tegen zijn

schouder:

„Schaam je toch.... leelijke dronkaard.”

Freddy nam hem bij den arm en trok hem meê naar buiten. ’t Was een

„goedaardige dronk,” dien Henri Uhlstra over zich had.

„Wat heb je aan je kop?” vroeg hij.

„Gestooten.”

„Hm! Zeg, dat is gek, hè? Watte? Die Twissels is ook ’n rare.”

In zenuwachtig nadenken zat Freddy nu eens op een stoel, stond dan weer

op, liep ’n paar passen, ging weer zitten....

„Zooals met mij,” ging Henri voort, „is ’t nog maar het beste.... Ik

sta debet, en leelijk ook.... Met mijn geld kan geen mensch meer

strijken gaan.... Het land blijft wel op z’n plaats liggen!”

’s Avonds, toen men van den eersten grooten schrik was bekomen, werd er

’n soort familieraad belegd; mevrouw Lugtens, die ook veel verloren

had, was er nog ’t kalmste onder. Daar Roos niet op mocht staan, zaten

ze bij haar in de kamer. Als men alles wat overbleef meêrekende, had

ieder nog wel genoeg om te leven, maar er moest zeer verminderd worden;

kleiner huizen van bescheiden huurprijs, geen equipages, weinig

bedienden,—het was alles heel ongelukkig, doch, daar troostte men

elkaar mee, het zou gedeeltelijk kunnen terechtkomen, uit de landen.

Henri, nu nuchter, bezwoer dat dit wel zou gaan; al die narigheid

verveelde hem, en schoon hij heel goed wist, hoe weinig kans er bestond

op ’t behoud van Tji-Ori en Koeningan, blufte hij er lustig op los,

sprak als in een droombeeld van de vermoedelijk prachtige resultaten

zijner aanplantingen, de rijzing der marktprijzen, de mooie

houtverkoopingen, die hij zou houden,—tot aller hart weer lichter werd.

Onder die omstandigheden werd hij een ander man, fleurde hij zelf ook

op, liegend tot hij zelf geloofde dat ’t waar was.

De namen der families waren weer eens algemeen op de tong, besproken

met medelijden. Enkele oude vrienden toonden belangstelling. Uit den

boedel van Twissels kwam hoegenaamd niets. En de metamorphose volgde in

stilte. De groote huizen werden gemeubeld verhuurd, het overvloedige,

met voor een groot bedrag aan juweelen, onderhands verkocht. Twissels

vertoonde zich aan niemand, ging met zijn huishoudster naar „boven”

ergens in ’t gebergte, om tot verademing te komen. Hij was blij, hij

dankte nu den hemel, dat ’t gedaan was; aan zorgen en angsten had hij

veel geleden; de laatste slag, hoe doodelijk, was een bevrijding

geweest. En toen de nieuwe toestand was ingetreden, leek ’t hen allen

een droom.

„Ik kan ’t me nog niet voorstellen,” zei Roos, die, gauw hersteld, zich

rustig schikte in het kleine huisje, met een gemengd meubilair van

nieuw eenvoudig goed voor dagelijksch gebruik en daartusschen enkele

stukken, waaraan zij gehecht was, en waarvan één meer gekost had, dan

het nieuw aangekochte samen; met op heel gewone étagèretjes bibelots

van vroeger; kostbaar, maar niet te verkoopen.

„Ik zit te pikeren,” zei Freddy, die nog ’n pleistertje droeg op zij

van z’n hoofd, over de genezende wond. „We zullen toch moeilijk

rondkomen.”

„Neen, we moeten wat doen, en dat is gemakkelijk genoeg.”

Zij ontwikkelde haar plannen, en die bevielen hem voor zoover het werk

der uitvoering op haar zou neêrkomen, want de enkele gedachte aan werk

hinderde hem nog altijd. Koeien houden en melk verkoopen deed mama

reeds; een karrenverhuurderij was hem te veel soesah; er was één goed

idee: Roos moest geld leenen tegen veel rente aan vrouwen, die het

noodig hadden, en die er pand voor konden geven. Dat plan druk

besprekend, verbleekte Freddy plotseling, kijkend naar het groene

hekje, dat den toegang van het kleine erf afsloot.

„Fred, ik kom je excuus vragen,” zei Eddy binnenstappend. „Het spijt me

erg, dat ik het gedaan heb; je moet het me vergeven.”

Hij stak hem de hand toe, en Freddy, na een oogenblik van aarzeling,

gaf hem de zijne, met een vreemd lachje.

„Soedah,” zei hij, „het was er anders een om lang te onthouden.”

„En het was gemeen van je,” viel Roos uit. „In zulke omstandigheden en

terwijl jij met dien gemeenen kerel ons geld hebt opgestoken.”

Zij geloofde het nog altijd vast, en toen hij haar vertelde, dat hij

met zaken als die van Twissels niets te maken had en ook niet kon

hebben, er slechts in het algemeen van gehoord had als iedereen, maar

er nooit van wist, en als eenvoudige employé op ’n ander kantoor van

zulke dingen ook niet weten kon, toen moest ze hem wel gelooven, maar

ze deed het zonder overtuiging.

Freddy zat de explicatie aan te hooren; hij begreep het wel, en

vervolgde in stilte het idee, dat hij met Roos had besproken.

„Je begrijpt,” zei hij tegen zijn broer, „dat het ’n heele soesah is

voor ons. Wij hadden er in ’t geheel niet op gerekend. Henri en Piet

kunnen hun rente niet betalen vóór ze over hun producten hebben

afgerekend.... Heb jij misschien....?”

„Nog acht mille.”

Eddy Markens kreeg tot zijn eigen verbazing en ergernis een kleur als

vuur.

„Geef mij die,” zei Freddy onverstaanbaar. „Ik zal je er vijf percent

over vergoeden.”

„Dat is niet noodig.”

„Nu, ook goed.... onder familie....”

„Het is eigenlijk geld van jou, Fred. Ik ben blij, dat ik je er mee van

dienst kan zijn; voorgoed; om het te houden. Ik ga het dadelijk halen.”

„Heel aardig van je, dat moet ik zeggen.... Heel flink!”

„Maar.... zóó is het nu niet,” zei Roos, met de uiterste verbazing.

„Wij zijn er niet zoo erg aan toe, dat wij op die manier en door jou

geholpen moeten worden.”

„Maak je daar geen zorgen over.”

„Neen,” zei ze beslist, „ik wil het niet hebben.”

Maar Freddy beet haar knorrig toe, dat het een zaak betrof tusschen hem

en zijn broer, waarvan zij niets wist en waarmee zij zich niet had te

bemoeien.

„Je hadt,” zei hij later, toen Eddy weg was om het te halen, „je mond

er buiten moeten houden.”

„Het is terlaboe!” antwoordde Roos met een heel ontevreden en

verdrietig gezicht; „we behoeven Goddank nog niet afhankelijk te zijn

van onze familie.”

Over zijn bleek gezicht, dat magerder was dan vroeger, waardoor zijn

scherpe kromme en bleeke neus boven ’n puntig baardje, dat hij liet

staan, grooter uitkwam, gleed een kwaadaardige grijns.

„Afhankelijk! ’t Mocht wat!”

„Wel als men hun geld aanneemt....”

„Zijn geld? We hebben indertijd samen een zaakje gedaan.... koop en

verkoop, weet je.... Ik deed het werk, maar gaf hem toch de helft van

de winst.”

„Hé!” zei Roos verwonderd. „Daar heb je me nooit iets van verteld!”

„Nou, je begrijpt, dat hij het heel goed inziet.... Het is eigenlijk

mijn geld, dat hij me teruggeeft.”

Roos was het dáármee wel niet eens, maar het leek haar nu toch veel

minder bezwaarlijk, en ten slotte keek ze met genoegen naar het aardig

stapeltje bankpapier, dat Eddy ’n half uur later op de tafel uittelde.

Het ging hem aan het hart, dat moest hij zichzelven eerlijk bekennen.

Maar het moest. Den rechtmatigen eigenaar kon hij het niet teruggeven,

zelfs niet anoniem terugzenden; dan moest de onrechtmatige het maar

hebben; hij wilde het niet houden; dàt in geen geval!

Niettemin deed hij met hartzeer afstand van de acht mooie pakjes; het

was alles wat hij bezat, want, dat was zeker: papa Markens, die

bovendien ook al niet vrij van schade in den laatsten tijd was

gebleven, zou, zooals men het noemt: zich niet ontkleeden vóór hij naar

bed ging.

Hoofdschuddend keek Freddy z’n broer na, toen die het erfje af en den

weg op liep. ’t Was ’n knappe jongen van uiterlijk en er zat ’n heldere

kop op; in stilte erkende Freddy, dat, wat kennis betrof, zijn jongere

broer veel meer beteekende dan hij. Maar welk een ezel in zaken! dacht

hij. Wat moest er in den handel en zoo terechtkomen van zulk een

individu? Hij voelde in z’n zijzak het dikke pak bankpapier. Wat ’n

aangename sensatie! Welk een genot zoo iets te voelen! En dat

schaapshoofd dat daar ging, en niets in de wereld bezat, gooide zoo’n

kostelijk sommetje moedwillig weg. ’t Was waarachtig een feit voor

Freddy zoo ongehoord, dat, naar zijn meening, menigeen voor minder dan

dat in ’t gekkenhuis zat.

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 67 / 83 题