„’N MOOI PAAR, JA?”
Ineens hoorde Eddy lachende stemmen en geschuifel van binnen naar
buiten, en zich omkeerend, stond hij voor Lena, die ondeugend en heel
koket, op de dansmaat vóór hem cadanseerde. Hij wierp zijn cigarette
over de balustrade en danste de volgende seconde met haar naar binnen,
tusschen de zwarte rokken door en langs de lachende mannengezichten
daarboven.
Tweemaal dansten zij de groote vierkante binnengalerij rond. Toen liet
Lena hem los, boog al dansende en wendde zich tot een ander.
Stil en nog niet goed wetend wat hem eigenlijk was overkomen, ging Eddy
terug naar de plaats, waar hij in de voorgalerij had gestaan, alsof hij
dáár behoorde en nergens anders; de versche cigarette, die hij opstak,
beefde tusschen zijn vingers.
’t Was, vond hij, zoo onaangenaam als verrukkelijk.
Maar deed zij het met opzet; begreep zij, wat hem noopte zich terug te
houden, dan was het gemeen. Tenzij... nu ja, dat hoopte hij eigenlijk!
Hij probeerde wel zich de onmogelijkheid aan te denken en aan te
redeneeren, maar feitelijk heerschte boven alles uit het stille idee,
dat hij haar niet onverschillig was, dat zij veel te goed en te
fatsoenlijk was om met iemand den spot te drijven, hem als het ware aan
te moedigen met de wetenschap, dat hij doodelijk van haar was en met
het plan hem ’n blauwtje te laten loopen.
Al was het zoo, wat dan nog? Vragen zou hij haar toch niet, dat had hij
zich vast voorgenomen. De heele wereld zei, dat Freddy Roos trouwde om
haar geld, en dat was waar. Men zou van hem zeggen, dat hij Lena vroeg
om dezelfde reden; zijn broer zou zelfs het volste recht hebben het te
bevestigen. Was het niet de afspraak geweest? Als zij hem aannam, hoe
stond hij dan daar, tegenover haarzelf en de heele wereld, als man?
En hij had, sedert hij werkte voor zijn brood, een groot gevoel voor
het mannelijke in dien zin gekregen; het had zijn ijdelheid en
pedanterie van vroeger in een ontwakend besef van eigenwaarde omgezet.
Het zou dus, hoe ook, toch altijd zijn alsof hij slechts op ’t geld van
Lena speculeerde; voor hemzelf zou ’t zoo schijnen, want als ze
trouwden, zou hij immers van dat geld moeten eten en leven!
Van zijn tractementje kon men dat moeilijk doen.
Hij moest haar nu gaan „aanspreken”; zonder onbeleefd te zijn kon hij
het niet laten. De stroom van dansers en danseressen kwam door de
deuropeningen naar buiten, lachend en pratend, de jongelui hun best
doende aardig te zijn, de meisjes bereid om te lachen zelfs over de
grootste flauwiteit,—allen in feestelijke stemming, vast van plan
daarin te blijven.
Zachtjes drong Eddy, als tegenlegger, door de drukte naar binnen, met
een gemompel van excuses en vriendelijke woorden tegen de dames, die
hij kende. En, middenin, stond hij vlak voor Lena, die ook wat frissche
lucht kwam scheppen aan den arm van een donkeren jongen man, dien men
het dadelijk kon aanzien, dat hij tot over de ooren verliefd was.
„Ik kwam juist om je te bedanken.”
„Dat mag ook wel!” riep ze lachend en luid genoeg om ook door anderen
gehoord te worden. „Het is niets aardig van je hier den kluizenaar te
spelen.”
„Zoo erg is het nu niet.”
Hij had zich omgekeerd, en liep aan haar rechterkant mede terug naar
buiten.
„’t Scheelt maar weinig. Je hebt zeker zooveel in Europa gedanst, dat
je het moê bent.”
„Toch niet,” zeide hij ernstig. „Ik deed het daar ook niet veel. Dat is
het niet!”
Zij vroeg niet wat het was; ze waren vóór aan de balustrade en de
zachte avondwind, verkoelend aanwaaiend, bracht zuchten van verlichting
en uitroepen van „Hoe heerlijk!” bij dozijnen over de lippen der
warmgedansten.
„Als je nu nog een dans voor me hadt...”
„Ik weet het niet,” zei ze onverschillig hem haar boekje gevend. „Kijk
zelf maar.”
Hij ging onder een der lampen staan, zonder kans, denkend, dat ze hem
fopte. Maar er was nog één plaats, en daarin krabbelde hij haastig zijn
voornaam met een sierlijk potloodje, maar zoo hard als steen.
„Het is een mazurka!” zei hij.
„Da’s jammer. Waarom heb je niet behoorlijk op tijd een wals gevraagd.”
Haar cavalier stond zich dood te ergeren.
„U hebt met mij nog een wals,” zei hij met een van kwaadheid onvaste
stem. „Als het u spijt en u wilt er nog over beschikken...?”
„U schijnt er dus niet veel prijs op te stellen.”
„Als mijnheer zoo vriendelijk zou willen zijn....” nam Eddy het
dadelijk op. Een van „de ondeugende jongens Markens” werd weêr bij hem
wakker. Hij boog tegen den ander en sprak op een vriendelijken,
beleefden toon, waar doorheen de ironie klonk, gelijk een ondergrond
schijnt door een tintje.
„Ik dacht dat het u speet,” zei het jongmensch, ’n beetje uit het veld
geslagen, tegen Lena.
„Volstrekt niet. U walst net zoo goed als meneer Markens, eer beter!
Maar nu neem ik voor uw straf het aanbod aan.”
„Het is hard,” klaagde Eddy.
„Als meneer soms de mazurka...” Lena kon zich niet goed houden; het was
wreed, dat moest ze berekenen,—maar het was in elk geval nog dwazer dan
wreed. Zij lachte luid op.
„Dan zult u mij permitteeren,” zei de jaloersche aanbidder groetend.
„Je bent toch niet boos?”
„Op u.... onmogelijk!”
Toen hij Eddy groette, keken zij elkander schuin aan, met kwaadaardige
gezichten, de ruggen stijf, de koppen hoog, als booze honden in zekeren
tijd van het jaar.
„Zou hij werkelijk beleedigd zijn?” vroeg Lena, die ineens dacht aan
het duel met dien jongen ingenieur.
„Het komt er niet op aan. Wil je ook iets verfrisschends?”
Zij wilde ijs, maar heel hard, en daarom gingen zij naar achter, waar
’t buffet was. Aan zijn arm wandelde zij de danszaal door, waar de
oudere dames, die het niet zoo warm hadden, rustig waren blijven
zitten, met „stroop en ijs” meest. En toen die twee binnenkwamen, keken
ze allemaal verwonderd en bewonderend op, met den meer geoefenden smaak
voor het mooie in menschen, van menschen, die al wat lang geleefd en
wat veel gezien hebben.
„Waarachtig,” zei mevrouw Uhlstra tegen Twissels, terwijl ze
vriendelijk en druk knikte tegen haar petekind, „het is of die twee
voor elkaar zijn geknipt. ’n Mooi paar, ja?”
Een oogenblik keek hij aandachtig en ernstig door zijn groote
glinsterende brilleglazen, langzaam met het hoofd op en neer om haar al
vast gelijk te geven.
„Ze doen me altijd denken,” antwoordde hij, „aan tempo doeloe. Er zijn
zoo van die menschen, die als het ware bij elkaar hooren. Je hadt dat
zelf indertijd met Uhlstra.”
„Soedah, Twissels!.... Je moest zoo iets niet zeggen op ’n partij....”
Hij schrikte van haar zenuwachtigheid, ziende hoe ze bleek werd en
tranen kreeg in haar oogen.
„Wie het vooral hadden, meer dan anderen, maar precies als die twee
dáár.”
„Ik weet het wel.... ik dacht er ook aan.”
En Mevrouw Uhlstra, diep zuchtend, zei wat Twissels dien avond al
gezegd had tegen Markens.
„Och God, ja! We worden oud.”
„Waarom ook niet?” vroeg hij om haar te troosten. „Die niet oud willen
worden, moeten maar doen zooals Geber gedaan heeft. Als ’t goed gaat,
moet ’n mensch ’t langste leven met grijze haren op z’n hoofd.”
„Hoe bevalt het je tegenwoordig?” vroeg Lena onder het gaan aan Eddy.
Hij wist wat ze bedoelde.
„Bijzonder goed. Ik heb het druk. Het is natuurlijk vreemd voor iemand,
die altijd een lui en nutteloos leven heeft geleid... Als ik thuis kom
’s avonds dan ben ik moe.”
„Ik geloof nu niet, dat dit de ware ambitie is.”
„Waarom niet! Ik begin ook van het werk te houden om het werk. ’t Gaat
natuurlijk niet zoo ineens.... Als afleiding is het uitstekend.”
„O, het is natuurlijk heel goed. Ik bedoel slechts: wanneer men het
enkel beschouwt als ’n middel om den tijd te dooden....”
„Neen.... het is niet zóó absoluut. Er bestonden redenen, die met
elkaar beslissend waren.”
„Zijn die erg geheim?”
„Geheim? Ja en neen.”
„Dat is geen antwoord, maar de uitvlucht van iemand, die niets wil
zeggen.... je draait met je woorden, alsof je bang bent je te
verspreken.”
„Volkomen juist.... dat ben ik ook.”
Lena had nu wel willen zwijgen; zij wist, als ze verder doorsprak met
hem, dat er iets heel gewichtigs komen zou; zij wenschte het ook. Maar
het was zoo’n vreemd en moeilijk geval, juist nu en met hem.
En bovendien stond het bij haar als vanzelf vast, dat het nu ’t
oogenblik was; het oogenblik! Dat, na die groote partij, hij,
voortgaande zooals hij in den laatsten tijd begonnen was, al heel gauw
geheel zou vervreemden van elke gelegenheid waar zij hem kon spreken.
„Weet je wel, dat je me verschrikkelijk nieuwsgierig maakt.”
„Niet zoo erg.”
„Wezenlijk. Het is ook geen kleinigheid! Ik hoef je wel niet te zeggen,
hoe er in het begin over jullie werd gedacht.”
„Neen, dat weet ik. De menschen hadden groot gelijk; dat zie ik hoe
langer hoe meer in.”
„Nu, het stond vast, dat jullie ten slotte in de kampong zoudt
terechtkomen.... Je neemt het me niet kwalijk, ja?”
Hij schudde het hoofd ontkennend, met een glimlach om den mond naar
haar kijkend, zooals zij daar stond, terzij van het buffet, met het
glinsterend zilveren lepeltje langzaam stukjes afrissend van het rose
vruchtenijs, dat iederen keer een nieuw sneeuwig oppervlaktetje toonde.
„Iedereen zei het.... En ineens is Freddy met Roos geëngageerd.”
„Wat net zoo goed is als de kampong in ’t verschiet....”
„Sst,” zei Lena verschrikt. „Ben je mal! Moet je hier zoo iets zeggen!”
Eddy was bleek van drift.
„Het kan me niet schelen. Ik heb er nu genoeg van. Veel kan ik van
allerlei lui aanhooren, maar ik kan niet uit uw mond Fred’s huwelijk
als van zoo’n beteekenis hooren roemen.”
„Zeg dan, wat het is. Mijn hemel, ik spreek openhartig met je, en je
bent daarentegen de geheimzinnigheid zelf. Waarom zou dit huwelijk zoo
slecht wezen! Zij is veel ouder dan hij...”
„Dat is het niet.”
„Als het dat niet is....”
Met ’n bleek gezicht keek hij rond, als zocht hij een plaats, een
gelegenheid.
„Durf je even met me buiten op het erf te gaan?”
„Waarom niet?”
Hij bood haar den arm, en ze gingen, niet onopgemerkt en ook niet
onbesproken, de drie treden naar beneden, afdeinend uit den grooten
lichtkring naar het halfduister op het erf.
„Het beste is,” zei hij met veel zelfbeheersching, schoon ’t hem was of
zijn hart stilstond en zijn keel werd toegeknepen, „dat ik je de heele
waarheid zeg; het is niet aangenaam voor me, maar het lijkt mij
onvermijdelijk. Toen Fred en ik hier kwamen, besloten we elk een vrouw
met geld te trouwen. We kozen er twee: je nicht Roos...”
„En?”
Maar hij kon het niet zeggen.
„Nicht Roos en mij.”
„Ja. En om uit te maken, wie haar zou vragen en wie u, hebben wij met
dobbelsteenen geworpen...”
„’t Is schandelijk!”
Driftig trok zij haar arm uit den zijnen weg.
„Ik weet het wel,” gaf hij toe, „het is ook niet gemakkelijk voor me,
je dat alles te zeggen; je hebt het zelf gewild.”
En toen zij dat niet ontkende, ging hij voort, zonder emphase of
stemmodulatie, maar in een berustenden toon van vergevorderde en
chronische landerigheid:
„Zooals je nu wel weet, trok Freddy Roos. Ik gooide de hoogste oogen.
Enfin... toen heb ik je gezien en gesproken, en toen... je zult me niet
uitlachen, niet waar, en er ook niet over spreken met anderen?”
„Ga maar voort,” zei Lena zacht maar dringend, als ongeduldig, wijl ’t
hem zoo moeilijk afging.
„Ik ben op u verliefd geraakt, Lena; precies zooals ik had gedacht, dat
het me nooit zou overkomen.”
„Wat bedoel je daarmee?”
„Wie wij altijd geweest zijn, Fred en ik, is hier bij iedereen bekend;
en als je het nog niet weten mocht, zouden ze het toch wel vertellen.
Wij hebben het leven meegeleefd. Toen we nog kwajongens waren, was ons
niets vreemd meer. Hoe ongelukkig dat is, begrijp ik nu, maar ik wil
het je zelf zeggen... Of het mijn liefde voor je is geweest, weet ik
niet; ik geloof het wel, ik hoop het! maar sinds dien ben ik een ander
mensch geworden, ’n beter durf ik wel zeggen.”
„Daar ben ik blij om.”
„Sedert zie ik het leven anders in. Niet, dat ik er ook maar aan denk
je te vragen... Al zou je het willen, dan deed ik het niet.”
Zij zweeg daarop, zenuwachtig haar blond krullend haar naar achter
strijkend.
„Het is een onmogelijkheid geworden,” ging hij voort, „dat begrijp ik.
Alleen: ik wil hebben, dat je het weet, Lena; als ik zedelijk en
maatschappelijk terechtkom, en daar reken ik vast op, heb ik het aan
jou te danken. Ik ben daar zeer erkentelijk voor, Lena... Als je
naderhand eens ’n gelukkig huwelijk hebt gedaan, denk dan aan me met
vriendschap en zonder rancune.—Nu vraag ik het niet; ik weet, dat ik je
beleedigd heb. Het kon niet anders.”
„’t Is mijn eigen schuld,” zei ze, zoo rustig zij kon. „Ik heb het
uitgelokt.”
„O ja, dàt wel.”
„Dus te beklagen heb ik me niet.”
„In zoover....”
„Ik beklaag me ook niet en ik heb geen rancune; ik dank je voor ’t
vertrouwen.”
En toen hij daar niets op zei, onrustig drentelend van het eene been op
het ander:
„Wat gebeurd is, kan niet ongedaan gemaakt worden. Wat Freddy aangaat,
kan het me in ’t geheel niet schelen.”
Maar hij vroeg niet: „En mij?” Hij had wezenlijk geen hoop genoeg
daarvoor. Nu ja, zij vond, dat hij eerlijk en openhartig met haar had
gesproken; dat was nu òf een aanbeveling, òf een verontschuldiging. Wat
hij had verlangd was geheel iets anders, en.... van dat andere was geen
sprake zelfs. Hij wou ook niet, hij had geen liefde willen aannemen als
een belooning voor „de naarstigheid, die kinderdeugd.”
„Ik zal er dus met hem of Roos nooit over spreken; zelfs niet laten
blijken, dat ik van iets weet.”
„’t Kan me metterdaad weinig schelen.”
„Het zou onaangenaamheden geven. Die zijn er toch al te veel.”
„Die zullen niet uitblijven; ook niet zonder dat zij weten hoe ik je
alles heb verteld.”
Lena lachte. In haar hart had het al gejuicht of er iemand ’t hoogste
lied in zat te zingen. Zij voelde zich zoo heerlijk gelukkig, dat ze de
grootste moeite had het niet te verraden. Als ze er nog aan getwijfeld
had, dan wist ze nu, dat ze van hem hield, en hoeveel.
„Je moet niet zoo pessimistisch wezen, Eddy! Mijn God, je hebt
voorshands nog maar gedaan, wat ieder man behoort te doen; je bent gaan
werken voor je brood.”
„Ik zeg immers niet....”
„Neen, maar je vindt het toch eigenlijk iets heel bijzonders; het is
niemendal, hoor! dat moet je niet denken.”
„Maar beste Lena, ik beweer niet....”
„Ik weet het wel, je zegt niets en je beweert niets,—maar je heele
opvatting is er toch naar. Daar krijg ik toch zoo den indruk van.”
„Het doet me leed.”
„Mij ook Eddy. Men moet vooral niet denken, dat het iets bijzonders is,
als men eenvoudig zijn plicht doet, gelijk iedereen behoort. Ik heb
ditzelfde wel eens ondervonden van dames, die zich zoo bitter
beklaagden over haar werk, alsof ze dat uit pure genade deden.”
„Dank je voor je lesje, je wilt zeggen, het is pedanterie.”
„Precies! Wees niet pedant! Ga maar voort zooals je begonnen bent. ’t
Kan nog wel wat lang duren.....”
„Hoe.... lang duren?”
„Voordat je.... genoeg verdient om heelemaal vrij te zijn van
verdenking.”
„Je hadt beloofd,” zei hij verwijtend, „dat je me niet zoudt
uitlachen.”
„Daar heb ik ook geen plan op, maar ik voel ook geen lust om te huilen.
Zal ik je eens wat zeggen?”
„En dat is?”
„Ik wil je iets beloven.... maar dan moet je het heel, heel vriendelijk
verzoeken.”
„Laat ons maar naar binnen gaan. Als je plagen wilt, doe het dan dáár
en over iets anders.”
Hij zei het zuchtend, boos, vast overtuigd, dat ze nu bezig was hem
gloeiend voor den gek te houden. Lena lei haar arm weer in den zijnen,
en zich zoo dicht naar hem toebuigend, dat haar weerbarstige krulletjes
zijn gezicht raakten, zei ze zacht aan zijn oor:
„Ik zal vóór dien tijd geen ander nemen, ja?”