Daar iedereen het zoo erg goed vond, dat Eddy „in betrekking” kwam,
verkropte Freddy zijn haat en afkeer; alleen tegen zijn ouders en Eddy
zelf stak hij zijn meening niet onder stoelen of banken, doch hij kreeg
ook van die zijde zóó den wind voorin, dat hij van alle discussie
afzag.
„We geven een jongelui-partij dezer dagen;” zei hij tegen zijn broer.
En toen er geen antwoord kwam: „Je zult toch komen.”
„Het kan wel niet anders.”
„Dat zou ik denken.”
„Eigenlijk bleef ik liever weg.”
„Ben-je dan zoo’n gruwelijke dood-eter geworden?”
„Ik heb er geen liefhebberij meer in.”
„Praatjes! Ik weet heel goed waarover je nog altijd zit te zaniken.”
„Nou, als je het weet,” zei Eddy, een courant opnemend om het gesprek
af te breken, „waarom vraag je dan naar den bekenden weg.”
De andere was blij. Wat zou de wereld zeggen, als zijn broer niet had
willen komen?
Aller streven was op dit feest gericht; op „geur” maken; dáár had men
zijn haat en zijn nijd, zijn afkeer en vijandschap voor teruggedrongen,
van zijn hart een moordkuil makend.
„Maar tante Clara?” vroeg Roos, toen de lange lijst der genoodigden
reeds zoo goed als geheel gereed was.
Zij hadden er wel allemaal aan gedacht, maar niemand had de eerste
willen zijn. Ze zaten nu in het zachte licht der binnengalerij bij
Roos, de dikke zeilen voor dicht tegen de zon, op het dofglanzend
marmer, om de middentafel, de sleden der wipstoelen van achter omhoog,
de hoofden in koempoelan bijeen.
En ieder zweeg nu; Freddy ook.
Werkelijk maakte de weduwe Lugtens het zeer bont. Al was maar een derde
waar van ’t geen men vertelde, dan was het nog heel erg. Men kon haar
niet inviteeren in een fatsoenlijk groot gezelschap. Dàt nu, zou het
wezen. ’t Was of ze er allen hetzelfde gevoel voor hadden; of ze
gedreven werden in één richting; de vlam van den ouden luister der
Markens, Lugtens en Uhlstra’s zou nog eens hoog opflikkeren, met
Twissels als nog levend getuige.
Mevrouw Uhlstra schudde het hoofd.
„Mijn God,” zei ze, „het kan waarachtig niet. Zij is mijn bloedeigen
zuster, maar Roos, wat zullen de menschen zeggen?”
„Ja, ma, dat vraag ik ook.”
„Men behoeft haar niet op den voorgrond te stellen,” zei Freddy zoekend
naar een modus vivendi, om het mooie cadeau, dat tante Clara
ongetwijfeld zou geven, mits ze werd geïnviteerd als familielid.
„Wat dunkt u ervan?” vroeg Freddy zijn vader.
„Er is veel over mevrouw Lugtens gesproken,” zei Markens, zijn breede
kin in de witte das trekkend, die hij deftigheidshalve altijd droeg,
„er is veel over haar gesproken, maar wat weet men van haar?”
„God almachtig,” barstte mevrouw Uhlstra uit. „Vraag dat maar niet!”
„Ik vraag het u niet, maar in het algemeen.”
Het verschil ontging de dames. Zij wisten wat zij wisten, en welk
onderscheid dáártusschen bestond en tusschen ’t geen men weten kan....
in het algemeen, ging haar begrip te boven.
„Heeft iemand haar ooit betrapt op.... ik zal maar zeggen: heeterdaad?”
Henri Uhlstra stond op het punt te zeggen: „ik”; maar hij bedacht, dat
het verkeerd zou zijn geweest, te meer omdat hij in zijn hart er niet
voor was tante Clara nu heelemaal en in het openbaar te verstooten.
Mevrouw Uhlstra ergerde zich aan den meesterachtigen, overbluffenden
toon van den ouden heer Markens; Roos ook.
„Gewoonlijk,” zei ze ’n beetje schamper, „wordt men bij zulke dingen
niet geroepen.”
„Neen,” zei Freddy hardop lachend, samen met Henri, „dat zal wel waar
wezen.”
„Er is niemand,” ging de oude heer voort, zonder zich in ’t minst aan
de opmerkingen te storen, „die eenig bewijs kan leveren.”
„Nou,” riep mevrouw Uhlstra zenuwachtig en opgewonden, „ze heeft me dan
dezer dagen weêr een mooi stukje uitgehaald! Zoo’n vent, daar ze meê
knoeide, heeft ze een stel diamanten gegeven om voor haar te verkoopen,
en de smeerlap....”
„Maar ma!” zei Roos vermanend.
„Hoe weet u dat?” vroeg Markens, ook de hand opheffend, kalm en
waardig, als om den heftigen woordenstroom tegen te houden.
„Wel, van Piet.”
„Nou ja,” zei deze met ’n erg katterig gezicht van het pierewaaien,
verlegen zijn hoofd krabbend. „Ik ben er ook niet bij geweest.... ik
heb het óók maar van hooren zeggen.”
„Door wie?” vroeg Markens op zijn ouden inspecteurstoon.
„Ik heb het van.... m’n jongen; die heeft het gehoord van de baboe van
tante.”
„Dus: bediendenpraatjes,” constateerde Markens, zich triomfantelijk met
zijn wipstoel achterover latend, vol minachting in zijn rimpelig grijs
gezicht.
’t Was waar en ze zaten er verlegen mee; mevrouw Uhlstra vooral was
woedend over haar nederlaag; ofschoon zij metterdaad haar zuster graag
op de partij zag, hinderde het haar gruwelijk, dat zij en Piet er zóó
inliepen.
„Pa heeft gelijk,” verklaarde Freddy. „Wij moeten haar vragen, Roos.”
„Ik vind het ook,” zei Henri.
Roos keek eens rond en toen ze allemaal knikten, haar moeder ook,
schreef zij de invitatie.
„Geef maar hier,” zei mevrouw Uhlstra. „Ik zal het ding wel zelf
brengen. Ik zal het haar dan nog eens goed vertellen.”
Daar zei niemand verder iets op, en ’s middags reed mevrouw Uhlstra met
opzet bijzonder vroeg naar haar zuster. Het ging haar, zooals ’t haar
oudsten zoon vroeger was gegaan; maar zij bleef niet bescheidenlijk
zitten wachten in de binnengalerij; zij stoof de slaapkamer binnen, en
zonder zich te storen aan den „derden persoon” en diens
„omstandigheden” voer zij vreeselijk uit tegen haar zuster, in een
verward Hollandsch en Maleisch.
Al wat zij in haar jeugd had gehoord aan leelijke woorden van de
bedienden en de inlanders op straat, aangevuld met de haar bekende
scheldwoorden van Europeanen, kwam haar met een spoed in de gedachten
en over de lippen, als moest het eene woord het andere inhalen.
Clara trok met zachte, korte keellachjes telkens de schouders op, de
mooie, ronde en gladde schouders van eene jonge vrouw, die ze had
behouden op leeftijd, zelfs nu ermee coquetteerend in het halfduister,
tegen de zwijgende figuur, die een donkeren baard liet doorschijnen
achter de klamboe, welke hij stijf dichthield.
Het kon haar niets schelen, dat haar zuster Lena zag, wat zij zag; dat
zij haar uitmaakte voor alles wat leelijk was en nog wat!
De invitatie kwam, dat was het voornaamste! Lena zou haar immers zoo
woest niet overvallen, als men geen plan had haar te vragen voor het
groote feest!
Langzaam deed de weduwe Lugtens haar kort met veel doorschijnende kant
versierd kabaatje aan, de diamanten knoopjes vastmakend op haar gemak;
zij schudde het hoofd naar achteren, haar zwaren haarwrong los uit de
condé over haar rug, blijkbaar om het enkele genoegen die met beide
handen weêr op te draaien, de buigzame armen omhoog voor den spiegel.
„Nou,” zei ze daarna zich omkeerend, en haar verontwaardigde zuster
zachtjes de kamer uitdringend, „nou, Leen, maak zoo’n kabaal niet, ja!
Het beteekent immers niets.”
Het was mevrouw Uhlstra een al te machtig cynisme, dat dit „niets”
beteekende. Zij begon te huilen. Zelf was ze een oude vrouw en Clara,
schoon ruim tien jaren jonger, was het toch eigenlijk ook, al zag ze er
wel twintig jaar jeugdiger uit. Altijd had zij haar liefgehad, al sprak
ze dikwijls veel kwaad van haar; altijd had ze haar standjes gemaakt in
vroeger jaren over haar onzedelijk gedrag, doch in ’t vertrouwen, dat
het met den leeftijd wel zou overgaan. In plaats van te verminderen was
het kwaad erger geworden met den leeftijd, veel erger, en terwijl zij
Clara daar betrapte op de „heeterdaad”, waarvan Markens had gesproken
en haar, met het volle recht van een oudste zuster, daarover
kapittelde, kwam er geen excuus, geen woord van spijt of verlegenheid,
geen traan van berouw... niets! niets! Integendeel, had Clara in haar
tegenwoordigheid nog eerst gecoquetteerd tegen haar medeplichtige, en
daarna leukweg gezegd, dat het alles niets beteekende.
Doch die uitbarsting van droefheid roerde Clara diep; zij huilde ook,
nu, groote tranen; zij zoende haar zuster, die, in haar smart, zoo erg
oud en leelijk was, en die snikkend en hokkend niets zeggen kon, dan
telkens: „Je bent zoo’n beest, Clara! Zoo’n gemeen beest!”
Mevrouw Lugtens bracht haar, den arm om haar heen geslagen, in kleine
slenterpasjes, net of ’t een reconvalescente was, naar de
achtergalerij, intusschen het verhaal beginnend van de bevalling eener
inlandsche vrouw op haar erf, die drielingen had gekregen. Het wekte de
belangstelling van mevrouw Uhlstra in zoo hooge mate, dat zij alles
vergat om de bijzonderheden te hooren, want haar zuster kende die
natuurlijk tot in de kleinste kleinigheden. In druk gesprek erover,
naast elkander, de hoofden dicht bijeen, met blikken en knikjes van
verstandhouding en wederzijdsch bewijs van juiste opvatting, vergaten
zij zoowel het aanstaande huwelijk van Roos als den medeplichtige
binnen. Het was toch ook zóó belangwekkend!
„En het laki?” vroeg mevrouw Uhlstra.
„Dáár,” zei Clara met haar duim naar een klapperboom wijzend, waarin
een kebon klom met handen en voeten, net als een aap.
„Weet je,” bracht mevrouw Uhlstra in het midden, na een oogenblik
aandachtig den dader te hebben bekeken, „dat volk heeft het bij jou
veel te goed. Weinig werken.... lekker eten.... nou?”
Clara trok haar gemarkeerde wenkbrauwen hoog op, keek haar zuster een
oogenblik aan met ’n mal verwonderd gezicht, en proestte het toen uit
van het lachen, zóó van harte en zóó gek, dat mevrouw Uhlstra er
heelemaal door overwonnen werd. En zoo zaten ze nu tegenover elkaar,
haast stikkend in een onweerstaanbaren, overweldigenden zenuwlach over
deze nieuwe theorie der drielingen.
Met diepe ademhalingen, zuchten gelijk, kwamen ze tot bedaren.
„Och, jij ook!” zei verwijtend mevrouw Lugtens, haar zakdoek over ’t
gezicht strijkend.
„Nou, geloof me, hoor! Het is betoel waar. Toen we vroeger niet zoo
waren als tegenwoordig, en de kerels met de rotan voor de broek kregen,
als ze iets deden, toen gebeurden zulke grappen niet. Da’s waar ook.
Hier heb ik een brief voor van je Roos.”
Aandachtig bekeek mevrouw Lugtens de invitatie; ze was eigenhandig door
haar nicht geschreven en vriendelijk van inhoud. Haar gezicht
vroolijkte op.
„Ik vind het heel lief van Roos,” zei ze.
En toen haar zuster daarop zweeg, vervolgde zij:
„Och ja, ik weet het wel: men heeft veel op mij te zeggen. Ik doe
niemand kwaad; ik benadeel geen mensch, en laat iedereen ongemoeid; ik
verteer mijn eigen geld, en raak aan geen cent van een ander. Wat ik
doe, is mijn zaak; heelemaal mijn eigen zaak.”
„Zwijg toch, jij! Je hebt geen hart, anders zou je mij en de familie
geen schande aandoen met die smeerlappen.”
„Ik verveel me.”
„Dat is ook wat!”
„Ik heb me altijd verveeld, Leen; met Lugtens en met de kinderen ook;
Willem was de eenige, die me amuseerde, en nog niet eens altijd. Nu ik
alleen ben, de jongens weg en Leentje bij jou, nou verveel ik me
letterlijk dood.”
„Je kon bij familie en kennissen gaan.”
„Bij wie? Jullie en anderen vervelen mij ook op den duur met al dat
praten over andere menschen. Er is ten slotte nog slechts een....”
„Soedah! Begin je weer? Denk-je dat ik hier ben gekomen om vuile
praatjes aan te hooren? Ik ga maar weg; anders verveel ik je, hè!”
„Neen, Leen, zóó bedoel ik het niet.”
Maar zij drong toch niet erg aan op blijven, gedachtig aan den
medeplichtige, die niet zoo geduldig scheen als een zijner voorgangers
tijdens ’t bezoek van Henri, maar die door hemmen en kuchen vrij
hoorbaar te kennen gaf, dat ook hij zich verveelde in zijn isolement.
„Wat zal het zijn voor Roos?” vroeg mevrouw Lugtens, toen ze haar
zuster naar het rijtuig bracht.
„Claar!” riep mevrouw Uhlstra plotseling in een soort verrukking de
oogen ten hemel slaand. „Ik heb laatst van Abdul Karim twee steenen
gezien voor kraboe... Ah!”
’t Was of zij zou bezwijmen van verrukking.
„Berapa?” vroeg mevrouw Lugtens ernstig.
„Neen, dat zeg ik niet. Bonjour, hoor! Tot ziens?”
„Zij zal ze hebben, Leen!”
Een paar klinkende zoenen, een handdruk,—en de coupé reed met luid
gekraak over de grind naar buiten. Door de raampjes keek mevrouw
Uhlstra over het erf. Wat werd het verwaarloosd! Dat was me ’n boeltje!
De vrouwen der tuinjongens kregen drielingen of het niets was, maar de
bloemen en crotonperken leken wel wildernissen!
„Njonja ketjil!” riep zij door het venstertje vóórin den koetsier toe.
Dàt had ze geen uur kunnen uithouden! Twee duizend gulden en geen cent
minder het paar! Steenen als bruine boonen! Zij had erop getaward voor
de aardigheid, maar Abdul Karim was tot niet minder te krijgen dan
duizend gulden het stuk. Roos moest het dadelijk weten, en toen Roos
het hoorde, was ze zoo blij als ’n kind, al liep ook haar
juweelenkistje letterlijk over.
„Wat zeg je ervan?” vroeg ze opgetogen haar bruigom.
„Prachtig!”
„Ze is toch zoo goed!” zei Roos meewarig en met een stem vol zachte
genegenheid.
„Och, wel ja! Ik heb altijd wel gezegd, dat ze ’n beste vrouw is, en
als ze nu eens ’n dwaasheid doet,—het hindert of benadeelt immers
niemand!”
„Jij spreekt er net over als zij,” bracht mevrouw Uhlstra wantrouwend
in het midden. Zij vond het niets aangenaam zulke bijzondere beginselen
te hooren belijden door den aanstaanden schoonzoon, en Freddy, die dit
begreep, voegde er dadelijk bij:
„Natuurlijk moet men die dingen van haar standpunt beschouwen.”
De zaak van het huwelijksgeschenk beschouwde hij meer van zijn eigen
standpunt.