ROOS DOET ZAKEN.

De oppasser annonceerde een „njonja”. Wat kwam die ongelegen! Hij had

zich er reeds toe gezet orders te geven tot inkoopen, en al wat er

verder aan vast zat, en nu kreeg hij damesbezoek! Misschien een

bedelpartij! Twissels draaide met ’n driftige wending om met z’n

kantoorkruk, het lange lijf recht, den bril met twee handen vattend aan

de ooghoeken en vaster zettend om goed te zien.

Dood op haar gemak en in een golvend gangetje op haar kleine vleezige

voetjes, als een rijtuig op zachte veeren, kwam Roos binnen, heelemaal

in het zwart; niet als rouwgewaad over Geber, maar.... ze was zoo dik

geworden, dat ze geen licht goed meer dragen kon; daar zag ze meê uit

als een pottentrien! En nu was ze niet koket; zij hengelde in het

geheel niet naar ’n man, maar ze wou er toch ook niet mal uitzien.

Zwart was haar onveranderlijke uniform; zij zag er minder kolossaal

door uit en minder donker ook.

„Zóó!.... zóó!” riep Twissels, zijn oude-vrouwtjes-stem verheffend tot

een onnatuurlijk piepgeluid, waarover ’n paar aankomende klerkjes in

den open corridor stonden te gichelen. „Welzoo!.... Dat is geloof ik

ook voor het eerst in je leven.”

Zij gaf geen antwoord; haar gansche massa bewoog op en neêr bij een

snelle, korte ademhaling, en de hand tegen het hart, liet zij zich

langzaam neêr in denzelfden rieten stoel, waarin haar vader zoo

dikwijls had gezeten, als hij kwam afrekenen op ’t kantoor.

„Ja, als je het trappen klimmen niet gewoon bent, en je weegt dan zoo’n

respectabel aantal kilo’s....”

Ze kwam intusschen bij adem, en keek hem aan, verwijtend, haast boos.

„Ik vind het onplezierig genoeg! Als ik er iets tegen kon doen....”

Het was haar gewone zeggen; zoo ze slechts ’n middel wist om haar

corpulentie te bestrijden.... Men had haar vele middelen aan de hand

gedaan in den loop van tijd; ze had er nooit een toegepast!

„En waaraan heb ik de eer van je bezoek te danken?” vroeg Twissels, den

schertsenden toon volhoudend, toen hij haar ’n oogenblik tijd had

gelaten uit te blazen.

Vertrouwelijk lei zij den arm, er overheen leunend, op den rand van

zijn lessenaar.

„Ik wou u eens spreken over geldzaken.”

Hij had, zittend, het kleine grijze hoofd ook in haar richting laten

gaan, en hij knikte, zonder iets te zeggen, herhaaldelijk en gewichtig.

„U hebt altijd met pa zaken gedaan. Ik weet daar zoo niet van, maar ik

weet wel, dat pa dikwijls sprak van u en van ’t kantoor, en Geber ook.”

Hij bleef maar knikken met het hoofd, ’n stille aanmoediging om voort

te gaan, als ’n biechtvader, die de zonden aanhoort en bij zichzelf

overtuigd is, dat er nog wel meer zal komen dan hij reeds heeft

vernomen.

„Nu,” vervolgde Roos, „ik heb na Geber’s dood er nogal wat bij

gekregen. Ik had eerst, zooals u weet, mijn geld maar heel solied

belegd tegen weinig rente. Nu dacht ik er zoo over.... Het is toch

eigenlijk zonde.”

„Ja,” zeide hij. „Daar heb je gelijk aan, het is zonde.”

„Daarom kwam ik vragen,” zei Roos half en half verlegen, „of u wat van

mij zoudt willen hebben, tegen wat meer rente. Ik heb.... ’n twintig

duizend.”

„Och, ja! Als ik je er een plezier meê doe, dan wil ik die twintig wel

nemen.”

„En hoeveel krijg ik dan?”

Zij wist het wel, maar van terzijde; ze wou het hooren uit zijn eigen

mond.

„Zeven percent.” Hij zei het achteloos en onverschillig, maar het deed

de oogen van Roos glinsteren van genoegen. Dus hoefde men waarlijk geen

geld uit te leenen met groot risico voor een percent of zoo in de

maand, als men op zoo’n solide manier er zeven in het jaar van maken

kon!

Stilletjes berekende zij bij haarzelve, dat zij nu in een jaar veertien

honderd gulden kreeg van die onnoozele twintig duizend. Zij deed een

taschje open, dat aan haar arm hing, haalde er een pakje bankpapier

uit, en lei dat met een gewichtig gezicht op den lessenaar.

Twissels verwaardigde het met geen blik.

„En hoe gaat het met de kinderen?” vroeg hij verder. „Ik heb ze in lang

niet gezien.”

„O! heel goed,” antwoordde Roos, verstrooid, in haar gedachten bij ’t

geld en de rente. Jongens, als zij op die manier wat meer kon plaatsen!

Als zij er bijvoorbeeld eens tachtig duizend mocht bijdoen, dan was het

net een ton, waarvan ze zooveel trok als nu van twee!

„Het is zoo onplezierig,” ging zij hardop voort, „dat men als vrouw zoo

weinig kan maken voor z’n geld.”

Hij lachte erom, fijntjes, voelende waar ze heen wilde, met het

hombreurs-gevoel, dat hij de fourchette in z’n hand had.

„Wat zou je dan willen?”

„Dat u op die manier wat meer van me plaatsen kon.”

„Zoo, en hoeveel dan wel?”

Aarzelend zei ze:.... „Honderd?”

„Hm! Dat is ten minste een bedrag om over te spreken. Je begrijpt....

twintig mille is voor ons de moeite niet. Ik zal maar zeggen, zooveel

als in uw huishouden een ringit.... Ik deed, natuurlijk.... uit oude

relatie.”

Om het Roos gemakkelijk te maken, liet hij haar de stukken teekenen

noodig om haar geld los te krijgen en gaf haar het ontvangbewijs. Zij

was er bijzonder meê in haar schik; lekker als kip!

„Ja,” zei Twissels, die dat wel zag, „je boft maar, dat is zeker, met

op die manier wat te kunnen steken in een huis zoo solied als de

Javasche Bank.”

Zij lachte hem vriendelijk toe en bedankte hem wel. En met ouderwetsche

galanterie bracht hij haar de trap af; zij, voorzichtig, niet gewoon

aan trappen loopen, doodsbang te vallen, zich met het eene

kussentjeshandje vasthoudend aan de verflooze, grauwe leuning; hij,

haar bij het andere steunend, gemakkelijk zijlings de trap af, met zijn

lange beenen in een gewoontetred van vele jaren, leidde haar naar haar

rijtuig, dat voor ’t kantoor wachtte, tevreden over haar bezoek,

tevreden ook over zijn eigen handigheid.

’t Was, vond hij, net zooals het hoorde; of het voor hem geknipt was!

Hun meeste geld hadden die Uhlstra’s te danken gehad aan Lugtens en

hem; de oude was ’n best mensch geweest en ’n goede sobat, maar in

zaken had hij waarachtig het kruit niet uitgevonden. En Geber dan! Die

hadden met hun tweeën buiten ’t landelijke nooit een cent extra

verdiend als hij en Lugtens hen niet op sleeptouw hadden genomen

indertijd. Dat Roos nu die eene ton stak in zijn zaken, wel, ’t was zoo

goed als zijn eigen geld! En ten slotte hielp hij haar. Wat hij nu

bezig was te organiseeren, kon haast niet anders dan prachtig gelukken.

Van alle kanten had hij de kansen gewikt en gewogen, hij was zeker van

zijn zaak; en dat had hij vroeger van die vorige speculaties ook wel

gedacht, maar toen had hij zich vergist, en daar was, ditmaal, geen

quaestie van.

Innig tevreden over haar buitenkansje, zat Roos in haar rijtuig,

gemoedelijk en vredelievend van stemming, met nog geen plan naar huis

te gaan. Ze wou ’n visite maken, en dat kon ze wel doen bij ’n dozijn

dames van haar kennis, maar dat trok haar nu niet aan; ze had bij

familie willen gaan. Hoe akelig toch, dat er tegenwoordig zoo’n

oneenigheid was!

Wel, dat kon zoo niet blijven. Ze zou naar haar moeder gaan, al kregen

ze dan ook standjes; ze zouden zich toch wel met elkaar verzoenen,

ondanks de heftigheid van mama en het akelig totok-gezicht van de

„heilige maagd”, zooals zij smalend haar nichtje Lena noemde. Want die

had al het kwaad gebrouwen, en die stond veel hooger aangeschreven dan

de eigen kinderen. ’t Was een schande!

„Zoo, ben jij daar?” vroeg haar moeder niet erg vriendelijk.

Roos was bleek en zenuwachtig.

„Dag ma!”

En de oude vrouw Uhlstra, enkel maar zoo onaangenaam nu om haar

ontroering te verbergen, riep meer dan ze sprak met beverige klanken nu

en dan:

„Goeje God, schepsel, wat wordt jij een babi! Ik ben ook niet van de

magersten en vroeger veel dikker dan nu, maar dat is terlaloe. Het is

nogal mooi, dat moet ik zeggen!”

Ofschoon haar de tranen in de oogen stonden, moest Roos er toch om

lachen.

„Ik kan het toch niet helpen, ma.”

„Wat wou je zeggen! Moet ik misschien de eerste wezen en naar jou

komen. Je moest je schamen. ’t Is gemeen! Zoo ben je.”

Nu Roos de vreemde gedachtenverwarring snapte, zei ze:

„Dàt niet ma, zeker niet. Daarom kom ik immers hier. Ik vraag excuus,

ja ma?”

Zij sloeg den arm om den hals harer moeder en zoende haar; mevrouw

Uhlstra, schreiend, mopperde nog door, in algemeene termen sprekend

over iemands eigen „vleesch en bloed”, en dat dit zoo gemeen kon doen,

als in opstand tegen zijn ouders; zij vroeg, wie zóó iets ooit had

kunnen denken in haar jeugd, toen nog het „eert uw vader en uwe moeder”

in praktijk werd gebracht; zij betoogde, dat de kinderen tegenwoordig

geen kinderen meer waren; dat zij in staat zouden zijn hun ouders

liever van honger te laten sterven, dan hun een bordje rijst te geven,

en zoo al meer, tot ze, na haar gevoelens lucht te hebben gegeven, Roos

meênam naar achter om versche, pas gebakken kwee-kwee te proeven en

ketoepat te eten.

Zij zetten het gesprek voort, snoepend intusschen van alle schoteltjes,

uit alle stopflesschen. Even kwam Lena erbij, vriendelijk als altijd,

blij om de verzoening tusschen moeder en dochter, maar zij werd door

beiden min of meer teruggewezen; door mevrouw Uhlstra, die een apartje

met Roos verlangde voor een bepaald doel, goedig en met groot vertoon

van teederheid; door mevrouw Geber, die haar de genegenheid der familie

benijdde, kort en uit de hoogte.

„Zeg Roos,” vroeg mevrouw Uhlstra, toen Lena, voelend dat ze te veel

was, naar voren ging, „je komt toch niet aan huis bij tante Clara...,

dat beest?”

„In den laatsten tijd niet, ma.... Niettemin.... het spijt me.”

„Je bent gek, kind,” was het compliment, zoo bits en spijtig als het de

in haar humeur gekrenkte vrouw tegenwoordig altijd afging. „Als iemand

haar uit den weg ging, moest jij het wezen.”

„Och waarom? Alleen in het begin had ik er ’n beetje verdriet van.”

„Welk begin?”

„Toen ik pas met Willem was getrouwd.”

„Zoo.... je wilt zeggen, dat naderhand....”

„Och,” zei Roos zacht en gemoedelijk, achterover in den stoel zich als

’t ware wiegend in haar welgedaanheid, „och, ma, naderhand kon ’t me

niet zooveel schelen. Ik vond het wel onpleizierig, maar niet dáárom.”

Mevrouw Uhlstra lachte een kwaadaardig honend lachje. Zij vergat

heelemaal hoe zij om het lieve geld zelf tot de afdwalingen van haar

zuster en haar schoonzoon juist „naderhand” had meêgewerkt.

„Jij bent een rare, hoor!”

„Nou ma, als het mij niet zooveel schelen kon.... Ik hield altijd veel

van tante.... nog houd ik veel van haar. Ik heb me altijd heel goed

kunnen begrijpen, dat mannen haar erg lief vinden.”

„Je begreep het zoo goed, dat je.... je eigen man niet kwalijk nam, dat

hij....”

Nu lachte zij van harte om het malle idee, tot ze, zich buigend over

het leuke volle gezicht van Roos, dat zonder vouw of rimpel, met niets

dan ’n trekje om den mond, een beeld van Siwa leek,—haar zoende,

telkens tusschen twee lachen uitroepend:

„Je bent zoo mal, ja, Roos! Zoo’n gek spook, ja!”

Maar ze werd weêr ernstiger; ze was in zoo’n gewoonte van zich kwaad te

maken en van anderen kwaad te spreken gekomen, de laatste jaren, dat

het haar een genot was geworden.

„’t Is eigenlijk zonde, kind, er gekheid over te maken. Jij hebt een

gelukkigen aard, dat moet ik zeggen. Ik ben met papa dertig jaar

getrouwd geweest.... we waren altijd heel gelukkig samen.... God zegene

zijn nagedachtenis.... hij was braaf en goed....”

Ze hield even op, al de trekken in haar gezicht vol zenuwachtig leven;

met de punt van haar kabaai in driftig gewrijf haar tranen drogend.

Over het rustig gelaat van Roos gleed een droefgeestig waas als ’n

neveltje langs ’n heldere lucht, en met haar kanten zakdoek bette zij

zachtjes, voorzichtig, de tranen weg, ook in háár oogen opgekomen.

„Ik wou maar zeggen,” zei daarna mevrouw Uhlstra, „dat als je vader het

mij had geleverd, onverschillig met wie, ik hem de oogen uit het hoofd

zou hebben gehaald.”

„Die ma!” riep Roos, nu weer lachend; en wat droefgeestig voegde zij

erbij. „Dat was ook heel wat anders.”

„Waarom?”

„U bent heel jong met pa getrouwd en u hield veel van elkaar. Geber en

ik.... nou, daar behoef ik u toch waarlijk niets van te vertellen.”

„In elk geval, moet je niet meer bij haar aan huis komen en haar ook

niet ontvangen. Je mag je eigen goeden naam niet in de waagschaal

stellen.”

„Maar ma, zóó erg is het toch niet.”

„Wat zeg je daar? Niet erg?”

En mevrouw Uhlstra richtte zich rechtop, achterover inbuigend, den buik

vooruit, zoodat de punt van haar kabaja wel twee meters voor haar uit

wees, furieus, met schitterende oogen, den rechterarm uitgestrekt, als

stelde zij een aanwezige in staat van beschuldiging:

„Niet erg? De meest gewone inlandsche straatmeid is minder erg dan

zij.”

Mevrouw Geber zei maar niets; zij wist wel, dat als mama tegenwoordig

op zoo’n manier uitviel, er niet mee was te redeneeren. Zij geloofde

het niet. Praatjes dacht ze. Daarom hoorde ze ook maar stil aan, hoe

haar moeder „uitpakte”, ofschoon het haar nieuwsgierigheid prikkelde en

haar toch verbaasde; zij hoorde de namen van mannen, paniers percés

meest; de verhalen over het stelen van geld en juweelen van mevrouw

Lugtens door haar „aanbidders”, en tal van bijzonderheden, waarvan zij

wel iets wist, maar lang het „fijne” niet.

Toen mevrouw Uhlstra had uitgeraasd over haar zuster, kregen de meisjes

een beurt; zij logeerden nu op Tji-Ori; ze waren op weg geëngageerd te

raken, maar: het was er ook naar! zei mama bitter. En toen kwamen de

jongens. Dat ging beter, vergoelijkend wat de gebreken betreft.

„Piet schrijft, dat het zoo’n mooi koffieland is, waar hij werkt.”

„Dan moet hij ’t koopen.”

„Dat wil hij ook, maar hij heeft niet genoeg van z’n eigen.”

„Maar ma, hij heeft toch...”

„Ja, ik weet het wel, kind... Hij heeft veel geld zoek gemaakt...

Enfin, hij is jong, weet je. Het is ’n land van twee ton.”

Roos zweeg.

„Hij heeft er maar één.”

„Dan moet hij de andere opnemen.”

„Precies! En dan valt hij weer in de handen van een geldschieter, die

hem het vel over de ooren haalt.”

„Wat moet hij dan?”

„Wel Roos, wij moeten hem ’n handje helpen, ja? Henri heeft al gezegd,

dat hij het met pleizier zou doen, maar hij kan niet op ’t moment. Nou,

over wat van de meisjes is, beschik ik niet graag, dat begrijp je... En

dan die akelige weeskamer... trima kasi, zeg! Als ik nou ’reis met

vijftig duizend van mezelven toelongde en jij ook? Hij kon er best

zeven en een half van betalen aan rente.”

Roos knikte toestemmend. Als Piet zich nu maar goed hield, was het nog

zoo’n kwaad idee niet van haar moeder.

„Dus je doet het, ja?” vroeg haar moeder, die blijkbaar zekerheid wilde

hebben.

„Omdat u ’t graag hebt, ma. Wat Piet aangaat.... hij heeft het hier

niet best laten liggen. Zooals hij huishield op Koeningan,—te erg toch!

Maar, zooals u zei, hij is jong.”

„Och, wel ja! Hij is anders knap genoeg, Roos, in de zaken, weet je.”

En Roos, met zekere rustige superioriteit tegenover haar familie,

aangenomen sedert ze weduwe was, beloofde vast dat ze een halve ton zou

bijdragen. Om te toonen, dat ze lang niet dom was, zei ze nadrukkelijk:

„Die honderd van ons tweeën, ma, samen als eerste hypotheek.”

Nu, dat kon mevrouw Uhlstra niet schelen. Piet, die metterdaad het geld

niet krijgen kon, omdat men in hem geen voldoend bekwaam planter zag,

had haar dringend verzocht hem te helpen; zij kon nu den wensch van

haar jongsten lieven zoon bevredigen; meer verlangde zij niet.

Zoodra haar dit pak van ’t hart was, vroolijkte mama Uhlstra heelemaal

op. Ze ging zich te buiten in attenties voor Roos en putte zich uit als

om haar dochter te amuseeren in het zeggen van onaangename dingen over

anderen. Tot ze op eens aangedaan werd, toen ze, met Roos naar voren

terugkeerend, Lena zag zitten in de verte.

„God, Roos, nou moet ik je toch nog wat zeggen. Er is er al een

verliefd op dat kleine ding.”

„Och kom ma.... gekheid!”

„Soengoe mati, Roos. Ja! hoe is het mogelijk! Nog pas zoo kort geleden

liep ze in broek en baadje.”

„Maar ma, wees toch verstandig. ’t Is maar kinderspel.”

„Dat denk je maar. Hij is een knappe jongen, ’n Totok van den

Waterstaat, ’n aspirant....”

„’n Ambtenaartje!” zei Roos, den neus optrekkend.

„Niet waar.... ingenieur, betoel.”

De weduwe Geber haalde even haar dikke schouders en goed geteekende

zwarte wenkbrauwen minachtend omhoog.

„Hij is altijd bij haar, als ze ergens op een partij is, en telkens

komt hij hier voorbij.”

Ten slotte vond Roos het aardig; ’t meest omdat als Lena, hoe jong ook,

trouwen mocht, zij niet langer zulk een invloed zou uitoefenen in haar

moeders huis. Dat die invloed een goede was, deed er niets toe; dat

Lena een knap, verstandig, door en door lief en fatsoenlijk meisje was,

kwam er niet op aan. Zij hoorde daar niet, en als er in het huis van

mevrouw Uhlstra een vrouwelijk wezen invloed liet gelden, dan kon dat,

dacht Roos, alleen zijn de oudste dochter, zelf moeder, als weduwe zelf

aan ’t hoofd staande van een gezin.

Het verzoende haar met de gedachte, dat er reeds werk werd gemaakt van

dit bakvischje en welwillender dan anders, kwam ze naar Lena toe, die

haar altijd heel gewoon vriendelijk bejegende, zich blijkbaar nooit

bezighoudend met de vraag of Roos jaloersch van haar was; zich niet

bekommerend over het goed of kwaad humeur harer oudere nicht.

„Zoo, zoo,” zei deze op ’n soort moederlijk beschermenden toon. „Ik

hoor, je hebt al een aanbidder, Leentje. Nou, da ’s vlug, hoor!”

Wel kleurde ’t nichtje ’n beetje, maar ze was in ’t geheel niet

verlegen met het geval, wat Roos weer ergerde. Zoo’n nest! Als je

zoo’n... kind toch eigenlijk iets dergelijks zei, dan moest ze nog erg

maloe worden, en lag het in de natuur der dingen, dat ze kinderachtig

moest staan heen en weer draaien met haar hoofd, schouders, rug en wat

er verder volgt. Die Lena niet! Die keek haar vierkant in het gezicht

en, Roos ontroerde nu er ook weêr van, met de oogen van Willem.

„Dat zegt tante alleen om me te plagen,” antwoordde het meisje lachend.

„Maar ik trek me er niets van aan, hoor!”

En tante, die het erg grappig scheen te vinden, ging met dit „plagen”

voort, in een bui van plezier den wipstoel van Lena achterovertrekkend

en haar kussend met groote teederheid.

„Dan komt dat aspirantje, ja, Leen,” zei ze met verborgen aandoening,

„en dan laat jij tante ook maar alleen zitten, hè?”

Met diepe ergernis en verontwaardiging hoorde Roos het aan, en zag hoe

Lena nu ook haar arm met de mooie blanke handjes en de fijne gevulde

polsen om den donkeren hals sloeg van mevrouw Uhlstra, in een spontane

beweging van groote genegenheid. Het was, vond Roos, om misselijk van

te worden.

„Kom!” zei ze erbij zuchtend, „ik ga naar huis.”

Mevrouw Uhlstra bracht haar tot in de voorgalerij, en zag toen voor het

eerst, dat het rijtuig erg bestoven was.

„Waar kwam je vandaan?”

„Uit de stad. Ik ben bij Twissels geweest.”

„Zoo.... hè, wat moest je daar uitvoeren?”

„Zaken,” was het korte antwoord.

„Zoo.... ik wist niet, dat jij nog zaken daar hadt.”

„Dat had ik ook niet, maar nu heb ik ze. Ik bedank ervoor mijn geld nog

langer voor zoo’n bagatel uit te zetten. Het mag dan verschrikkelijk

secuur zijn, maar je kunt het haast net zoo goed in het water gooien.

Ik heb een gedeelte bij Twissels gebracht, dan krijg ik er ten minste

’n fatsoenlijke rente van.”

Het was of mevrouw Uhlstra een beroerte kreeg van kwaadheid; zij keek

eerst Roos aan met een gezicht vol schrik en ontzetting, de armen slap

bengelend langs het lijf, sprakeloos, heelemaal overbluft;—tot ze los

kwam in een stroom van verwijten en scheldwoorden. Dáár had Roos ’n

dingetje begonnen. Net iets voor zoo’n „stommeling” als zij was. Als er

sprake was van geld in het water gooien, dan had ze dat nu net gedaan!

Een ton had ze gebracht bij dien dobbelaar, dien zwendelaar, dien dief!

Met de vingers voor de ooren, lachend bij haarzelve, maar toch boos

ook, schommelde Roos de marmeren treden der galerij af. Wat kon dat

mensch toch vreeselijk te keer gaan, tegenwoordig! ’t Was meer dan erg!

Als ze aan iemand ’n hekel had, dan ontzag zij zich niet alles van hem

of haar te zeggen. Zij, Roos, was immers overtuigd, dat zij goed en

verstandig had gedaan!

Wat wist haar moeder van zaken!

En schoon zij zich dit alles opdrong, was het toch ’t ware niet meer;

de vreugde van dien ochtend over haar geldbelegging had verloren aan

kracht, was eigenlijk geen vreugde meer, en het wantrouwen, hoe klein

ook, stak nu eenmaal in haar gemoed; ’t was den heelen dag, telkens als

zij er weêr aan dacht, of ze die kiem voelde zitten. Ze moest weêr eens

bij Twissels wezen, een der volgende dagen, en, schoon nog altijd bij

haarzelve strijdend met verontwaardiging tegen den indruk der „malle

praatjes” harer moeder, ging ze toch met ’n eenigszins bezwaard gemoed.

Ze vertelde hem hoe zij en haar moeder Piet zouden helpen.

„Je moet het zelf weten,” zei hij droogjes, „’t is je eigen broer, maar

je hebt kinderen.”

Verbaasd keek zij hem aan.

„Wat bedoelt u?”

„Och niets, dat je dat geld kwijt bent en mama het hare ook.”

„Maar...... hoe heb ik het nu? Daar is nu toch geen reden voor.... Het

is om te lachen.... u doet me wezenlijk denken aan mama.”

„Hoezoo?” vroeg Twissels snel en verbleekend.

„Wel, zij spreekt even afkeurend over het plaatsen van mijn geld hier,

als u over die hypotheek op ’t land van Piet.”

„Ja,” zei hij nijdig piepend, „ja, je moeder is een eigenaardig mensch,

heel eigenaardig! Dankbaar is ze niet, waarlijk niet! Toen ik met haar

afrekende, heeft ze meer ontvangen dan haar toekwam, dat kan ik zwart

op wit bewijzen. Sedert heeft ze voortdurend op me gescholden, alsof ik

haar te kort had gedaan.”

„Mama is in de laatste jaren erg veranderd. De dood van pa en die

familiequaesties...”

Twissels stak zijn lange magere handen op, ze afwerend heen en weêr

bewegend.

„Ik weet het wel.... Maar ’t blijft heel onplezierig. Intusschen....

mij deert het niet. Wat ik onaangenaam vind is, dat ze om Piet te....

„helpen” kan men het eigenlijk niet noemen, want „geholpen” is hij er

niet mee,—maar dan om hem van dienst te zijn, jou zooveel uit den zak

klopt.”

„Wat-blieft? Uit den zak....?”

„Wis en drie! Van Piet komt niets terecht. Wat jullie daarin stopt,

gaat in een grondeloozen put.”

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 52 / 83 题